


Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek






Gisteren nog vandaag


Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag


Tekening van 1935

George Gershwin zag zijn opera Porgy and Bess als zijn ultieme poging om erkenning te krijgen als serieus klassiek componist.

Bij de eerste opvoering, voor publiek op 10 oktober 1935 in New York, was het succes echter beperkt.
Een bijzonderheid van het werk was Gershwins strikte eis dat alle gezongen rollen door zwarte acteurs en actrices vertolkt moesten worden; slechts enkele kleine, niet-gezongen rollen waren weggelegd voor blanke acteurs.
Deze voorwaarde leidde tot een historisch moment tijdens de Amerikaanse tournee in 1936.

Toen het Nationaal Theater in Washington DC aanvankelijk alleen een blank publiek wilde toelaten, weigerde hoofdrolspeler Todd Duncan (Porgy) op te treden.
Zijn protest was succesvol: voor het eerst in de geschiedenis opende het theater zijn deuren voor een gemengd publiek.
Porgy and Bess was de laatste Broadway-productie van George Gershwin.
Hierna vertrok hij naar Hollywood om filmmuziek te schrijven, maar hij overleed op 11 juli 1937 op 38-jarige leeftijd aan de gevolgen van een hersentumor.

Ironisch genoeg werd de opera pas na zijn dood echt populair. Toch wordt het werk relatief weinig opgevoerd.
De voornaamste reden is de moeilijkheid om een volledige bezetting van zwarte operazangers te vinden, een voorwaarde die Gershwin testamentair had laten vastleggen.
Terwijl de volledige opera een zeldzaamheid bleef, vonden diverse stukken een eigen leven in de jazzwereld.
Nummers als Summertime, It Ain’t Necessarily So en I Loves You, Porgy worden als absolute klassiekers beschouwd, net als het album dat Miles Davis en Gil Evans in 1958 op basis van de opera maakten (30 september 1935, foto’s van de film uit 1959).




Aan het einde van de negentiende eeuw kampte Brussel met zijn gemeentelijk slachthuis.
De verouderde installaties veroorzaakten ernstige hygiënische problemen en de lozing van afval in de Zenne vervuilde de rivier.
Daarom werd in 1887 besloten om het gebouw te vervangen.
De oplossing kwam een jaar later, in 1888, toen de gemeente Anderlecht een concessie verleende voor de bouw en uitbating van een nieuw slachthuis met een veemarkt. Hiervoor werd de vennootschap “Abattoirs et Marchés d’Anderlecht-Cureghem” opgericht, waarin naast banken ook industriëlen en handelaars investeerden.
Architect Emile Thiron kreeg de opdracht en liet zich voor zijn ontwerp inspireren door de beroemde “Grande Halle de la Villette” in Parijs.
Op een drassig terrein van zo’n twintig hectare, dat eerst opgehoogd moest worden, verrees een indrukwekkende overdekte markthal van 100 bij 100 meter.
De constructie is een parel van industriële architectuur, met een gebogen staalstructuur die rust op gietijzeren pilaren.
Zelfs vandaag nog wordt de hal overeind gehouden door 218 ton gietijzer en 640 ton ijzer.
De monumentale hoofdingang, ontworpen door architect Henri Rieck, werd in 1901-1902 toegevoegd en wordt gesierd door twee iconische bronzen stieren van de hand van Isidore Bonheur.
In 1920 nam de gemeente Anderlecht de leiding over.
Na een periode van economische moeilijkheden werd het domein in 1980 verkocht aan een coöperatieve vereniging van handelaars en slachters die de renovatie op zich namen.
Hieruit ontstond in 1983 de vennootschap die we vandaag kennen als Abattoir.
Vandaag is de site veel meer dan enkel een slachthuis. De historische hal is een levendige overdekte markt voor voeding en een populaire rommelmarkt.
Op het terrein bevinden zich ook de Kelders van Kuregem, die sinds een renovatie in 1992 dienstdoen als evenementenlocatie voor beurzen en tentoonstellingen.
Daarnaast herbergt het domein ook een ijskelder en een paddenstoelenkwekerij.
De oorspronkelijke functie van de site loopt echter op zijn einde.
De slachtlijn, die vandaag vooral voor rituele slachtingen wordt gebruikt, zal na het aflopen van de milieuvergunning in 2028 definitief sluiten.
Hiermee komt een einde aan een belangrijk tijdperk voor het slachthuis van Anderlecht.

Alice White groeide op in New Haven, Connecticut, waar ze een opleiding tot stenografie volgde.
Toen haar grootouders naar Californië verhuisden, zette ze haar studie voort aan Hollywood High School.
Daar was Mary Brian, de latere bekende actrice, een van haar medeleerlingen.
Na haar opleiding had ze verschillende banen, waaronder typiste, telefoniste, verkoopster en etaleur.
Een vriendin van haar, die bij Universal werkte, wees haar op een auditie.
Regisseur Joseph Von Sternberg zag direct haar levendigheid, maar vond haar lach ‘zowel vreselijk als meeslepend’.
Hij bood haar een contract aan bij de publiciteitsafdeling en later als zijn persoonlijke secretaresse.
Een kantoorbaan was echter niet genoeg voor Alice, want ze droomde van een filmcontract.
Na een conflict met Von Sternberg stapte ze over naar Charlie Chaplin, die haar uiteindelijk een rol voor de camera gaf.
Ze speelde met succes rollen als ‘flapper’ – een zelfbewuste vrouw die zich niets aantrok van de gangbare normen – of als geldgierige vrouw.
Hiermee trok ze de aandacht van regisseur Mervyn LeRoy, die veel potentieel in haar zag.
Door haar opvallende persoonlijkheid werd ze vaak vergeleken met actrice Clara Bow.
Met de opkomst van de geluidsfilm werd White populairder dan ze in de periode van de stomme film was.
Haar carrière raakte echter beschadigd door een schandaal: ze had een relatie met haar vriend Jack Warburton en haar toekomstige echtgenoot Sidney Bartlett tegelijk.
Dit leidde ertoe dat ze geen hoofdrollen meer kreeg en genoegen moest nemen met bijrollen.
Haar laatste film was ‘Flamingo Road’ uit 1949.
Alice White overleed in 1983 aan een beroerte.


Samen met haar echtgenoot, koning Leopold III, maakte ze incognito onder de naam Renard een laatste uitstapje voor ze huiswaarts zouden keren.
Het ongeval gebeurde toen de koning, die zelf aan het stuur zat, even werd afgeleid doordat de koningin hem iets aanwees.
Hij verloor de controle over de wagen, die van de weg raakte en tegen een perenboom botste.
De koningin, die wellicht probeerde uit de reeds geopende deur te springen, werd uit de auto geslingerd en kwam met een fatale klap tegen diezelfde boom terecht.
De wagen reed nog door, botste tegen een tweede boom en belandde in het Vierwoudstrekenmeer.
Door een zwaar hoofdletsel was koningin Astrid op slag dood.
Met haar stierf mogelijk ook haar ongeboren vierde kind.
De koning zelf was opmerkelijk genoeg vrijwel ongedeerd.
Het nieuws van haar dood, na slechts een jaar koningin te zijn geweest, dompelde België in een diepe rouw.
Het land treurde om zijn jonge, geliefde vorstin en leefde mee met de prinsen Boudewijn en Albert en prinses Joséphine-Charlotte, die de avond ervoor met de trein naar huis waren vertrokken en nu plots hun moeder verloren hadden.
Het verlies tekende koning Leopold voor de rest van zijn leven.
Zijn verdriet was immens; hij verbood zelfs zijn kinderen om over hun moeder te spreken, liet haar boudoir onaangeroerd en bewaarde zelfs haar met bloed besmeurde jurk.
Als blijvende herinnering liet hij een kapel bouwen op de plaats van het ongeluk in Küssnacht, op een stuk grond dat hem door de gemeente werd geschonken.
Koningin Astrid, de vierde koningin der Belgen, vond haar laatste rustplaats in een praalgraf in de koninklijke crypte van Laken.
Ze rust er naast haar echtgenoot en diens tweede vrouw, Lilian, prinses van Retie.
Haar belangrijkste erfenis zijn haar kinderen: Joséphine-Charlotte, de latere groothertogin van Luxemburg, en de koningen Boudewijn en Albert II, die de toekomst van de Belgische monarchie zouden bepalen (29 augustus 1935, ABC 8 september 1935)

De Sint-Pieter-en-Sint-Guidokerk vormt al eeuwenlang het religieuze en historische middelpunt van Anderlecht.
De oorsprong van haar faam ligt bij Guido van Anderlecht, een lokale boerenzoon die na zijn dood rond 1012 heilig werd verklaard vanwege de vele mirakels die aan hem werden toegeschreven.
Zijn graf maakte van de kerk een belangrijk bedevaartsoord. De kerk zelf vindt haar institutionele oorsprong in 1046, toen de adellijke familie van Aa er een kapittel stichtte.
De kanunniken bouwden eerst een romaanse kerk, waarvan de tiende-eeuwse crypte vandaag de dag nog steeds een van de oudste en waardevolste van België is.
Vanaf de veertiende eeuw onderging de kerk een ingrijpende transformatie naar de gotische stijl. Dit project, dat duurde tot 1527, werd geleid door een reeks prominente bouwmeesters zoals Jan van Ruysbroeck en Lodewijk van Bodegem, die elk hun stempel drukten op onderdelen als het koor en het portaal.
Vlak naast de kerk bevindt zich het Begijnhof, dat in 1252 werd opgericht en daarmee tot de oudste van het land behoort.
Het bood een thuis aan een gemeenschap van begijnen die, onder leiding van een ‘Grote Juffrouw’, een relatief vrij leven leidden.
Ze legden geen eeuwige geloften af, maar speelden een cruciale rol in de lokale samenleving door zich te wijden aan ziekenzorg, stervensbegeleiding en het onderwijzen van arme kinderen.
Aan het actieve leven van het begijnhof kwam een einde na de Franse Revolutie, toen het in 1794 werd opgeheven en de bezittingen werden geconfisqueerd.
De historische gebouwen bleven echter bewaard en werden in de twintigste eeuw omgevormd tot een beschermd museum.
Na een periode van restauratie wordt verwacht dat het museum in 2025 heropent, maar tot vandaag is het nog steeds gesloten (ABC 25 augustus 1935).

Anderlecht had rond het jaar 1800 ongeveer 2000 inwoners, in 1900 was dit al bijna 48000 inwoners. In 2000 waren er bijna 88000 inwoners en vandaag zijn er bijna 129000 inwoners.
Daarvan gingen 48764 mensen naar de stembus in oktober 2024, goed voor bijna een opkomst van 77,26 %. Wat veel hoger is dan in Vlaanderen, zo gingen er in Gent maar 64,9 % naar de stembus, in Antwerpen was dat 60.7 % en in Brugge 60,6 %.
Als we dan kijken naar Brussel, een opkomst van 76,87%, Luik 79,79 %, Charleroi 77,99 % en Namen 82,66 %.
Wat mij ook opvalt, is dat van de mensen die geweest gaan kiezen zijn, nog altijd 6,44 % blanco heeft gestemd, bij de vorige verplichte verkiezing was dit 7,33 %. Dus niet zo een groot verschil.
Dit terug vergelijken met Vlaanderen, in Gent stemde er maar 1.8 % blanco, bij de vorige verkiezing was dat 4.3 %, in Antwerpen 0.7 % en bij de vorige verkiezingen 2.7 % en in Brugge 0.5 % en bij de vorige verkiezing 2.8 %. In Brussel stemde er zelfs 0.2 % meer Blanco stemmen dan de vorige verkiezing.
Als we dan naar Wallonië gaan, zien we dat in Luik 8.45 % blanco stemde, bij de vorige verkiezingen was dat 8.14 %, in Charleroi 11,12 %, bij de vorige verkiezing was dat 11.99 % en in Namen waren er 6,93% blanco stemmers, bij de vorige verkiezingen was 7.10 %.
Dus in Vlaanderen gingen er veel minder mensen naar de stembus en was het aantal blanco stemmen bijna verdwenen. In de rest van het land een veel grotere opkomst om te stemmen, maar daalde bijna niet de Blanco stemmers.
Zou dit komen omdat er in Vlaanderen meer partijen, waar de kiezer zich kan mee verzoenen dan in Wallonië?

Afkomstig uit een liberaal gezinde familie van schoenmakers, genoot Edward Anseele een voor zijn afkomst en tijd opmerkelijke opleiding aan het Koninklijk Atheneum.
Na zijn studies oefende hij diverse beroepen uit, zoals telegramdrager, bediende en klerk bij een notaris.
Op achttienjarige leeftijd sloot hij zich in 1874 aan bij de Gentse afdeling van de Eerste Internationale, waar hij al snel tot secretaris werd benoemd.
Na een opleiding tot typograaf ging hij aan de slag als correspondent en verkoper voor het dagblad De Werker.
In 1877 stichtte hij, samen met onder meer Edmond Van Beveren, de Vlaamsche Socialistische Arbeiderspartij.
De partij had duidelijke doelen: ze streed voor algemeen stemrecht om de arbeiders een stem in het parlement te geven en promootte de oprichting van coöperaties om arbeiders in armoede te voorzien van voedsel en sociale bescherming.
Deze partij ging in 1879 op in de Belgische Socialistische Arbeiderspartij, waarbinnen Anseele eveneens de rol van secretaris op zich nam.
Een volwaardige politieke loopbaan werd pas mogelijk na de invoering van het algemeen meervoudig stemrecht in 1893.
Een jaar later, in 1894, schreef hij geschiedenis door als eerste Vlaamse socialist verkozen te worden in de Kamer van volksvertegenwoordigers, aanvankelijk voor het arrondissement Luik.
Tot 1936 zou hij in de Kamer zetelen, vanaf 1900 voor Gent-Eeklo, en uitgroeien tot een van de tenoren van de socialistische beweging, met een sterke focus op sociale thema’s.
Ook op lokaal vlak in Gent was Anseele een sleutelfiguur. Hij zetelde van 1895 tot 1933 in de gemeenteraad en trad in 1909 als schepen toe tot het bestuur.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog toonde hij zijn standvastigheid. Toen de Duitse bezetter de liberale burgemeester Emile Braun had weggevoerd, werd Anseele in 1918 waarnemend burgemeester.
Hij weigerde elke medewerking met de Duitsers en bedankte zelfs voor de aangeboden post van ‘president van België’.
Na de oorlog tanende zijn rol als voorman van de Vlaamse socialisten.
Antwerpen nam de positie van Gent als socialistisch centrum over, en Camille Huysmans, met een sterker flamingantisch profiel, werd de nieuwe onbetwiste leider.
Een donkere wolk over het einde van zijn carrière was het faillissement van de Bank van de Arbeid tijdens de crisis van de jaren dertig.
Door een roekeloos investeringsbeleid ging de bank ten onder, waardoor talloze arbeiders en socialistische organisaties hun spaargeld in rook zagen opgaan.
Hoewel Anseele persoonlijk niets ten laste werd gelegd, werd hij wel medeverantwoordelijk gehouden voor het riskante beleid.
Onder lichte druk van zijn partij stelde hij zich bij de verkiezingen van 1936 niet meer kandidaat.
Na zijn parlementaire loopbaan schreef hij nog bijdragen voor de krant Vooruit, waarin hij zijn bezorgdheid uitte over de opkomst van het fascisme in Vlaanderen.
Edward Anseele overleed in februari 1938 op 81-jarige leeftijd.
