ABC van 7 juni 1936

Lisette Lanvin was een Franse actrice die vooral in de jaren dertig en veertig een bekende verschijning was in de Franse cinema. Ze werd geboren als Élisabeth Étiennette Marie Carémil op 3 september 1913 in het Zuid-Franse Grasse, de bekende parfumstad, en overleed op 90-jarige leeftijd op 27 juli 2004 in Suresnes, nabij Parijs.

Zij begon haar loopbaan in de filmwereld aan het begin van de jaren dertig, net toen de geluidsfilm zijn intrede deed. Haar eerste rollen dateren uit 1931 en 1932, met vroege optredens in films zoals La Chauve-Souris en Le Chien jaune, een vroege verfilming van een Georges Simenon-mysterie rond commissaris Maigret.

In de loop van de jaren dertig werkte ze samen met enkele van de grootste namen uit de Franse filmgeschiedenis.

Een van haar meest opmerkelijke rollen speelde ze in Jenny uit 1936, het regiedebuut van de beroemde regisseur Marcel Carné.

In deze film speelde ze de rol van Danielle, naast legendarische acteurs als Françoise Rosay en Jean-Louis Barrault.

Een ander hoogtepunt in haar filmografie was haar samenwerking met de veelzijdige filmmaker en auteur Sacha Guitry. Ze was te zien in twee van zijn bekende producties, namelijk Les Perles de la couronne uit 1937 en Remontons les Champs-Élysées uit 1938, waarin ze de rol van Louisette vertolkte.

Daarnaast speelde ze in Orage uit 1938 onder regie van Marc Allégret, aan de zijde van Charles Boyer en Michèle Morgan.

Haar acteercarrière was relatief kort maar intensief.

Tussen 1931 en 1939 was ze zeer actief en speelde ze in tientallen films, variërend van drama’s tot muzikale komedies zoals Arènes joyeuses.

Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog kwam haar productiviteit echter nagenoeg tot stilstand.

Na de oorlog maakte ze nog een korte comeback.

Ze was in 1948 te zien in de komedie Métier de fous van regisseur André Hunebelle en in het biografische drama La Route inconnue van Léon Poirier, over het leven van Charles de Foucauld.

Na deze producties trok ze zich rond 1949 definitief terug uit de filmwereld, waarna ze nog decennia in de anonimiteit leefde tot haar overlijden in 2004.

Pieter François Heckers: Een bescheiden Gents kunstenaar ten dienste van de stad en haar bevolking

Pieter François Heckers, ook wel Piet of Pier genoemd, was een bekende Gentse beeldhouwer die in 1891 in zijn geboortestad het levenslicht zag en er in 1965 overleed.

Van jongs af aan, toen hij nog de lagere school doorliep, voelde hij in zich de onweerstaanbare roeping om uit de materie de vormen te scheppen die zijn ideeën en zijn emoties zouden vertolken.

De schooljaren waren nog niet voorbij of hij werd steenkapper.

Hij deed dat niet zomaar om stenen te houwen, maar om de materie te leren kennen en zich de geheimen van de bewerking ervan eigen te maken.

Na twee harde jaren ging de jongen in de leer bij Theofiel Soudeyns, die op dat moment belast was met de restauratie van de Minardschouwburg.

Hierdoor kwam de jonge artiest direct in de praktijk terecht.

Op zeventienjarige leeftijd slaagde hij erin de leerling te worden in het gerenommeerde atelier van de Gentse kunstenaars Louis-Pierre en Jules-Pierre Van Biesbroeck.

Voor hen koesterde hij steeds een grote bewondering en onder hun invloed leerde hij de kneepjes van het beeldhouwersvak verder verfijnen.

In het atelier van de bakkerij Vooruit werkte hij vanaf dat moment aan de zijde van Jules Van Biesbroeck aan het Monument voor François Laurent, dat toen te zien was aan de fontein van de wereldtentoonstelling van 1913 (vandaag staat het op het François Laurentplein in het historische hart van Gent), en aan talloze andere stukken die evenzovele fasen van vooruitgang vormden in die unieke leerschool.

Ondertussen bekwaamde Heckers zich verder aan de Stedelijke Academie van Gent.

Het is opmerkelijk dat hij daar in eerste instantie ook muziek en architectuur studeerde, en zich tevens toelegde op het schilderen onder leiding van meester Jean Delvin.

Hij combineerde zijn artistieke carrière met een baan als tekenleraar, een stap die hij in 1917 zette.

Tijdens zijn leven woonde hij op verschillende plekken in Gent, waaronder aan de Plezante Vest en later in de Ekkergemstraat.

Hoewel het onderwijs een groot deel van zijn tijd opslokt, bleef hij toch dapper doorwerken in zijn kunstenaarsatelier.

Daar wist hij zich gaandeweg los te maken van de invloed van zijn leermeesters om een geheel eigen, fijnere en meer sobere persoonlijkheid in zijn kunst te leggen.

Deze jarenlange inzet werd in 1925 bekroond toen hij de prestigieuze Prijs Paul De Vigne in de wacht sleepte.

Heckers richtte zich in zijn oeuvre voornamelijk op het boetseren en kappen van figuren, bustes en torso’s.

Een mooi en bewaard gebleven werk van hem bevindt zich in het Museum voor Schone Kunsten in Gent, waar een marmeren borstbeeld van Lucienne Schelstraete uit 1934 in de collectie zit.

Daarnaast leverde hij een belangrijke bijdrage aan het oorlogsgedenkteken op de Blaisantvest, een monument dat de slachtoffers uit die wijk eert.

De sculpturen die Heckers hiervoor ontwierp, werden destijds gegoten door de befaamde Gentse bronsgieter Lentacker.

Zijn werk werd getypeerd als een lofzang op de schoonheid en de arbeid.

De vele sirenen, bacchanten, saters en flora’s van zijn hand waren nooit louter decoratieve figuren, maar brokken waarin het levensgeheim trilt en die bezield zijn.

Hij besefte vanaf het begin dat materiële gelijkenis waardeloos is als de ziel niet spreekt door de schoonheid of de tragiek van de modellering.

Naast deze mythologische figuren wekte hij ook veel andere karakters tot leven, zoals blijkt uit afbeeldingen uit die tijd waarop een smid, een glasblazer, een mijnwerker, een steenkapper, een jong meisje, en beelden genaamd Jantje, Annie en een werk met de titel Stilte te zien zijn.

Heckers was tevens zeer actief voor de socialistische arbeidersbeweging in de stad en stelde zijn kunst vaak ten dienste van de arbeidersklasse.

Als diepvoelend mens ontging het lot van de ongelukkigen en onterfden ook niet aan zijn oog, en hij wist fabrieksslaven in ontroerende, gestileerde vormen weer te geven.

Voor verschillende stoeten ontwierp hij praalwagens, waaronder wagens met imposante allegorische vrouwenfiguren die bijvoorbeeld de sociale zekerheid uitbeeldden.

Het jaar 1931 was voor hem een periode van uitzonderlijk hard labeur, toen de maatschappij Vooruit hem de taak toevertrouwde om aan hun onvergetelijke jubileumstoet mee te werken.

In een koortsig tempo van amper een half jaar sculpteerde hij toen maar liefst 39 grote figuren, waaronder een opvallend fragment van een praalwagen dat later nog vaak in beeld werd gebracht.

Zijn beelden over de coöperatie werden door Waalse arbeiders zelfs naar Jolimont overgebracht om daar als monument ter ere van hun heldenkamp te prijken.

Toen op de eerste mei 1936 de schoonheid, de jeugd, de kracht en de arbeid werden verheerlijkt, vond men in de pers geen beter illustratiemateriaal voor deze gedachte dan dat van Heckers, de artiest die zijn leven had gewijd aan de lofzang op precies die elementen.

Daarom werd met dat doel een interview met hem afgenomen.

Dat was beslist niet gemakkelijk geweest, want de kunstcriticus die ongeveer tien jaar eerder schreef dat wie wilde vernemen wat P. Heckers betekende hem in zijn atelier moest gaan opzoeken, had op dat moment nog altijd gelijk.

Pier hield zich immers altijd op de achtergrond en was over zichzelf niet te spreken.

Zijn werk, dat getuigde van ernst en doorgedreven studie, deed dat des te meer. Alvorens het succes te boeken dat hem in die dagen van gerijpt talent en wijdontplooide kunstzin ten deel was gevallen, had hij een hele weg afgelegd.

Hij stond in 1936 in de volle bloei van het leven en wist toen ook heel goed dat zijn kunstenaarsloopbaan verre van voltrokken was en de strijd met het ideaal nog lang niet was uitgevochten.

De blijvende verbondenheid van deze bescheiden kunstenaar met de stad Gent blijkt ten slotte ook uit zijn laatste rustplaats.

Hij ligt begraven op de bekende Westerbegraafplaats, een plek die rijk is aan funerair erfgoed.

Het grafmonument waaronder hij rust, is een eigen ontwerp. Hiermee heeft hij letterlijk en figuurlijk een blijvende stempel gedrukt op de Gentse geschiedenis en heeft hij bewezen dat hij er heel zijn leven aan wijdde.

Gisteren nog vandaag

90 jaar geleden, Antwerpsch schoon: een wandeling langs verborgen godshuizen, mysterieuze zuilen en de sfeervolle Vlaaikensgang.

Antwerpen herbergt talloze verborgen parels waar de sporen van een rijk verleden nog tastbaar aanwezig zijn.

In de historische stadswijken rijzen statige panden op die ooit toebehoorden aan invloedrijke reëders, bankiers en kooplieden uit vervlogen eeuwen.

Veel van deze woningen zijn in de loop der tijd zorgvuldig gerestaureerd, waardoor ze hun oorspronkelijke grandeur hebben behouden. Bezoekers worden al decennialang gegrepen door het bijzondere en weelderige uiterlijk van deze gevels, zoals ook al treffend werd vastgelegd op beelden uit maart 1936.

Die opnames tonen de Scheldestad in een tijd waarin het historische karakter nog overal in het straatbeeld aanwezig was.

Wanneer de avondschemering intreedt, ontstaat er een serene sfeer in de stad. De daken steken dan scherp en donker af tegen een lila hemel, terwijl men door de smalle straatjes dwaalt.

Een van de meest sfeervolle locaties is de wandelbrug langs de Schelde, een geliefde plek voor de rasechte Sinjoor om even van de frisse buitenlucht te genieten en over het water uit te kijken.

De sfeer van deze momenten is door de jaren heen nauwelijks veranderd.

Naast de grote monumenten schuilt de schoonheid van de stad ook in de details en de meer intieme plekjes.

Decoratieve deuromlijstingen van arduin sieren de opgeknapte patriciërshuizen in straten zoals de Keizerstraat.

Een van de meest tot de verbeelding sprekende locaties is de Vlaaikensgang.

Dit complex werd in 1591 aangelegd als een aarden steegje dat een wirwar van achterhuisjes, kelders en brandgangen verbond tussen de Hoogstraat, de Oude Koornmarkt en de Pelgrimstraat.

In de zestiende en zeventiende eeuw woonden hier schoenmakers die als bijverdienste de noodklokken van de kathedraal luidden. Tijdens de Gouden Eeuw was het een toevluchtsoord voor de allerarmsten, terwijl het in de negentiende eeuw een beluik werd voor havelozen en seizoensarbeiders van het platteland.

De huidige hobbelige kasseitjes dateren uit die periode.

Over de naam van de gang bestaan verschillende theorieën: sommigen wijzen op een voormalig wafelhuis, anderen op een nabijgelegen rijstpellerij waar rijstevlaaien werden gebakken.

Het complex kende een bewogen geschiedenis en ontsnapte in de jaren zestig ternauwernood aan de sloophamer, toen er plannen waren voor een parking.

Antiquair Axel Vervoordt kocht de steeg in 1969 en zorgde voor een jarenlange restauratie.

Sinds 1973 is de gang beschermd als monument en inmiddels is het een exclusieve trekpleister met restaurants en antiekwinkels.

De oostelijke ingang aan de Oude Koornmarkt 16 leidt naar binnenplaatsen met witgekalkte gevels en zwarte boorden, die vroeger met pek werden bestreken om epidemieën te weren.

Men vindt er ook de veertiende-eeuwse Cluyse en de gevelsteen Den Grooten Baars, die vermoedelijk afkomstig is van de afgebroken Antwerpse Burg.

Een ander bijzonder rustpunt is de Sint-Nicolaasplaats bij de Lange Nieuwstraat.

Dit beschermde monument was oorspronkelijk het Sint-Nicolaasgodshuis, in 1422 opgericht door het ambacht van de meerseniers om verarmde leden zoals schoenlappers en kleermakers op te vangen.

Centraal op het pleintje staat een beeld van hun patroonheilige, Nicolaas van Myra.

De bijbehorende kapel uit 1423 deed later dienst als magazijn tot architect Fritz Van Averbeke het complex tussen 1958 en 1968 grondig renoveerde.

Tegenwoordig ademt het plein cultuur, met de poppenschouwburg Van Campen en rederijkerskamer De Violieren als vaste bewoners.

Ook op de Sint-Jacobsmarkt getuigen markante panden van de architecturale rijkdom.

Een opvallend voorbeeld is het hoekhuis op nummer 2, dat direct opvalt door zijn voor Antwerpen zeldzame leistenen overkragende dak.

Op de straathoek bevindt zich een hoge ingemetselde zuil waarvan de betekenis lang een raadsel was.

Hoewel sommigen dachten aan een oude stadspoort, blijkt de kolom het restant te zijn van een wegkapel die zeker tot de zestiende eeuw teruggaat, een stille getuige van het religieuze leven in de oude stad.

90 jaar geleden, te gast bij de Nederlandse zanger en tekstschrijver Edwin Gubbins Doorenbos

Edwin Gubbins Doorenbos werd geboren op 10 juli 1894 in Den Haag en overleed op 28 maart 1974 in Amsterdam.

Hij was een markante verschijning in de Nederlandse amusementswereld van de jaren dertig, veertig en vijftig. Als zanger, pianist en tekstdichter gaf hij een eigen kleur aan het chanson en cabaret.

Hij stond bekend om zijn geraffineerde stijl en bracht achter de piano luisterliedjes met een internationale flair, waarmee hij een brug sloeg tussen het traditionele variété en de literaire kleinkunst.

In 1936 was hij op het witte doek te zien als zanger in de film Komedie om geld, onder regie van Max Ophüls.

In januari 1936 besteedde het tijdschrift ABC uitgebreid aandacht aan zijn bijzondere initiatief in Laren.

Doorenbos had daar het deel van een oude boerenhofstede ingericht als cabaretzaal, die hij het Nederlandse Montmartre noemde.

In deze ruimte, verlicht door kaarsen in lege wijnflessen en ingericht met tonnen als tafels, streefde hij er samen met enkele medewerkers naar om de kleinkunst in ere te houden.

Een van hen was Eline Pisuisse, de dochter van de cabaretpionier Jean-Louis Pisuisse.

Ook Rita Fleming werkte mee aan het programma; zij was in die jaren actief als zangeres en actrice in het Nederlandse theater- en cabaretcircuit.

In zijn repertoire liet hij zich inspireren door het werk van Alec Andrew Templeton, een blinde Britse pianist, componist en satiricus wiens compositie Bach Goes to Town in 1939 een grote hit was voor Benny Goodman.

Doorenbos integreerde deze swingende, neoklassieke benadering op een natuurlijke wijze in zijn eigen muzikale voordrachten.

Naast zijn podiumcarrière was Doorenbos een gerespecteerd verzamelaar en kenner van antieke klokken en horloges. Z

Zijn expertise op dit gebied leidde in 1963 tot de publicatie van zijn boek ‘Klokken’ (ABC 12 januari 1936).

90 jaar geleden waren er kastelen rond Brugge. Lusthoven voor landjonkers, maar voor het volk een verboden paradijs!

In juni 1936 lag de omgeving van Brugge vol met een enorme weelde aan natuurschoon.

Hoewel elke stad een groene rand heeft waar mensen graag naartoe trekken voor wat frisse lucht, kozen de Bruggelingen in die tijd liever voor de kust.

Ze trokken met de fiets, te voet of met de trein naar zee, terwijl de directe regio juist vol lag met uitgestrekte parken, bossen en historische kastelen die elke bezoeker zouden kunnen betoveren.

Toch was al die pracht voor de gewone burger destijds een verboden paradijs.

Deze schitterende tuinen en vijvers waren het exclusieve bezit van een handvol adellijke families en rijkaards.

Zij waakten er streng over dat hun privédomeinen afgesloten bleven voor het publiek.

Wie de binnenwegen of statige dreven opzocht, stuitte overal op bordjes die de toegang verboden.

Het leek wel of de eigenaren hun rijkdom en de schilderachtige omgeving bewust wilden verbergen voor de buitenwereld.

Zelfs op de verborgen plekken hingen destijds borden die de weinige bezoekers verplichtten om te zwijgen, en die het gesticuleren of lasteren verboden.

De enige plek waar gewone mensen soms werden toegelaten, waren de heilgrotten op de domeinen.

Daar mochten de arbeiders in alle stilte bidden en hun zorgen uiten, zolang ze zich maar aan de strikte regels hielden.

De natuur trok zich overigens weinig aan van die menselijke regels; de vogels en bosdieren lieten zich niet de mond snoeren en de pauwen van het kasteel schreeuwden luidkeels hun eigen boodschap.

Het was in die periode een fundamentele vraag waarom al deze schoonheid slechts voor een enkeling bestemd was.

De jachtwachters traden destijds hard op tegen iedereen die het waagde een voet op de verboden wegen te zetten.

Voor de jongere generatie van toen was die bijna feodale mentaliteit onbegrijpelijk.

Zij vonden dat het belang van de gemeenschap zwaarder moest wegen dan dat van het individu en dat iedereen recht had om te genieten van de verheffende schoonheid van de natuur.

Onder andere het sprookjesachtige kasteel van Sint-Michiels en de indrukwekkende buitengoederen in Sint-Andries waren sprekende voorbeelden van deze verborgen rijkdommen.