Vandaag, 90 jaar geleden, op 7 april 1935, overleed in Antwerpen de invloedrijke syndicalist en politicus Piet Somers.

Somers, uit een arbeidersgezin, begon als kleermakersleerling, maar vond zijn draai in het letterzetten.

In het toenmalige broeinest van syndicale actie in Antwerpen, sloot hij zich aan bij de socialistische beweging.

Samen met Jan Chapelle en Hendrik De Man richtte hij de Socialistische Jonge Wacht (SJW) op, om havenarbeiders, metaalbewerkers en diamantbewerkers te verenigen.

Hun strijd: algemeen stemrecht, stakingsrecht, en betere arbeidsvoorwaarden.

Zijn inzet bij de Kruiskensbond en zijn rol als bemiddelaar binnen de Syndikale Kommissie (SK) onderstrepen zijn toewijding.

Na zijn legerdienst werd Somers vakbondsleider bij Bell Telephone, maar zijn acties leidden tot ontslag.

Vervolgens werd hij secretaris van de Fabrieksarbeidersbond en pleitte hij voor een sterke, gewestelijke vakbond.

Van 1908 tot 1920 stond hij aan het roer van de Federatie van Vakbonden van Antwerpen, waar hij de eenheid wist te smeden vlak voor de Eerste Wereldoorlog.

Na de oorlog, met de winst van de BWP, verwierf Somers nog meer invloed.

Hij werd gemeenteraadslid en later schepen, en zat kort in de senaat.

Bij zijn overlijden werd hij alom erkend als een onmisbare organisator en propagandist voor de socialistische vakbeweging (ABC 21 april 1935)

Vandaag 50 jaar geleden, opening van de pre-metrolijn in Antwerpen (25 maart 1975)

De bouw van dit ondergrondse tramnetwerk, dat oorspronkelijk bedoeld was als een volwaardige metro, begon op 5 januari 1970.

Op 25 maart 1975 werd het eerste 1,3 kilometer lange tunnelgedeelte in gebruik genomen, met de stations Opera, Meir en Groenplaats. Trams van de lijnen 2 (uit Hoboken) en 15 (uit Mortsel) reden vanaf de De Keyserlei de tunnel in en keerden op de ondergrondse keerlus onder de Groenplaats.

De tunnel werd aangelegd met de zogenaamde ‘cut-and-cover’-methode, wat leidde tot aanzienlijke hinder bovengronds.

Ook werden delen van de Antwerpse ruien afgebroken en vervangen door betonnen buizen.

Door financiële problemen werd de ombouw naar een volledige metro geschrapt en werden slechts 19 stations gebouwd, waarvan er 7 lange tijd ongebruikt bleven.

In 1973 begon de uitbreiding van de lijn vanaf station Opera richting de Belgiëlei.

Op 10 maart 1980 werden de stations Diamant (bij het Centraal Station) en Plantin geopend.

Tussen 1977 en 1986 werden nog drie andere premetrotunnels gegraven vanaf het Centraal Station naar het noorden en het oosten: onder de Turnhoutsebaan richting Deurne, onder de Kerkstraat-Pothoekstraat richting Sportpaleis en onder de Sint-Elisabethstraat-Handelsstraat-Onderwijsstraat richting Sportpaleis.

Deze uitbreidingen werden voornamelijk als boortunnels uitgevoerd om de hinder bovengronds te beperken.  

Het oorspronkelijke plan voorzag ook in een tweede as van de zuidwestelijke voorsteden via Opera en Astrid naar het oostelijke stadsdeel Deurne, inclusief een metrotunnel onder de Turnhoutsebaan in Borgerhout en enkele kortere tunnels.

Nadat in 1988 de gewesten verantwoordelijk werden voor de openbare werken, werd in 1989 de bouw van deze tunnels stilgelegd.

De ruwbouw was afgewerkt, maar bovenleiding, sporen, signalisatie en de afwerking van de stations ontbraken nog.  

In 1983 werd begonnen met de bouw van de Brabotunnel, een premetrotunnel met twee geboorde kokers onder de Schelde, tussen de Groenplaats en Linkeroever.

Op 21 september 1990 werd de tunnel geopend.

In 1996 werd een noordoostelijke tak geopend, met de stations Sport, Schijnpoort, Handel, Elisabeth en Astrid, en een aansluiting op de bestaande lijn tussen Opera en Diamant.

In 2014 kondigde de Vlaamse regering aan de ingebruikname van de tunnel onder de Kerkstraat en Pothoekstraat, met de stations Stuivenberg en Sint-Willibrordus, te onderzoeken.

Het stedelijk bestuursakkoord van 2019-2024 streefde naar de ingebruikname van deze tunnel en de stations Drink en Collegelaan.

In juli 2022 gaf de Vlaamse regering toestemming voor de aanbesteding voor de afwerking tegen 2026, maar dit is uitgesteld tot minstens 2027.

Dit uitstel is te wijten aan het wachten op de levering van nieuwe trams, de renovatie van de bestaande premetro en de evaluatie van de overstaphaltes.

In september 2017 werd een tweede ingang geopend vanaf de Deurne Turnhoutsebaan richting de Reuzenpijp-tunnel onder Borgerhout.

Er waren ook plannen voor een volledig nieuwe as die in noord-zuidrichting van het Klapdorp langs de Melkmarkt en het station Groenplaats onder de Nationalestraat in de richting van het Museum voor Schone Kunsten zou lopen.

De premetro zou dan de haltes Klapdorp, Melkmarkt, Groenplaats (als kruisstation), Sint-Andries en Tropisch Instituut aandoen.

Deze plannen zijn echter nooit verder gekomen dan de ontwerpfase.

In het kader van het Routeplan 2030 wordt een vergelijkbare premetroverbinding opnieuw bestudeerd (De Post 16 maart 2025)

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

65 jaar geleden te gast bij de Antwerpse kunstschilder Bert Hildebrandt.

Bert Hildebrandt, geboren in 1906 in Antwerpen, begon hij als leerling in het atelier van Henri Luyten.

Hij volgde opleiding aan de Academie van Antwerpen en aan het NHISKA.

Hij studeerde onder leiding van gerenommeerde kunstenaars zoals Isidoor Opsomer, Julien Creytens en Albert Saverys.

Hij was bevriend Edmond Van Dooren (die kubisme en futurisme combineert met neoromantische toekomstvisioenen)

Ook was hij vriend van Richard Baseleer, Vic van Berkelaere, Jos Mous, Ivo Van Hool en zijn zoon Gilbert Van Hool en onderhoudt contacten met Alois De Laet.

Hij stond bekend om zijn gedurfde gebruik van kleur en zijn expressieve stijl.

Zijn werk wordt vaak gekenmerkt door een zekere melancholie en een gevoel van vervreemding.

Hildebrandt won tijdens zijn carrière verschillende prijzen en onderscheidingen.

Zijn werk werd aangekocht door de Belgische staat in 1959 en 1968/1969.

Bert Hildebrandt schilderde ook vaak op glas dat hij toen noemde als de vergeten kunst in Vlaanderen.

Werken van Bert Hildebrandt zijn te zien in verschillende musea, waaronder het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen.

Bert Hildebrandt overleed in 1974 in Spanje.

90 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse kunstschilder Juliaan Severin.

Juliaan Severin was geboren in 1888, in Borgerhout en die in 1975 gestorven is te Kruibeke.

Hij volgde opleiding regentaat Germaanse talen te Gent en dit samen met een artistieke opleiding aan de Academie te Antwerpen.

Onderhield nauwe contacten met de Lierse etser Raymond De la Haye, onderging de invloed van Verstraeten en kwam tijdens de Eerste Wereldoorlog te Parijs in contact met C. Monet.

Werd na de wapenstilstand één van de bezielers en secretaris van AKOS, de Antwerpse Kunstkring der Oud-Strijders.

Reeds voor 1914 debuteerde hij als illustrator van de boeken van Raf Verhulst.

Realiseerde als schilder o.m. (heide)landschappen, hoevegezichten, figuren, stillevens met bloemen, vruchten, vissen.

Als etser vond hij o.m. inspiratie in oude Antwerpse stadshoekjes, in begijnhoven te Lier, Diest en Aalst.

Reisde o.m. naar Bretagne, Normandië, het Zuiden van Frankrijk en vond er inspiratie in de havens, de landschappen.

De pers schreef toen het volgende over hem: Kunsthistorisch kan men Severin onderbrengen bij het postimpressionisme, want het was er hem om te doen licht en stemming uit te beelden, zonder sterk vervormende expressie of sociale of symbolische geladenheid.

Zijn beste werken maakte hij tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen hij achter het front leider was van een heropvoedingscentrum voor invalide soldaten en na de oorlog als lid van de Antwerpse Kunstenaars-Oudstrijders.

Hij verwierf vooral bekendheid met zijn etsen, waarin hij schilderachtige oude stadswijken, begijnhoven en kerktorens vastlegde en de lof zong van het Waasland, waar hij sinds 1940 verbleef.” Enkele etsmappen: In Zuid-Provence (1919), Bretoense landschappen (1923), Stille hoekjes uit het Oude Antwerpen (1924), Civitas Marialis Antverpiensis (1939), Om de Ossenmarkt (1957), In het Harzgebergte en Vornbach (1966).

Zijn werken zijn onder meer te zien in de Prentenkabinetten te Brussel en Antwerpen, in de Musea te Sint-Niklaas en Antwerpen (Ons Volk 23 december 1934 en Paul Piron, De Belgische beeldende kunstenaars van de 19e tot de 21e eeuw)

Vandaag, 100 jaar geleden, première van het toneelstuk de Paradijsvogels van Gaston Martens in Antwerpen.

Gaston groeide op in een welgesteld brouwersgezin in Zulte. Hij was geen briljante student, maar blonk wel uit in sport.

Zijn specialiteit was verspringen.

Hij werd viermaal Belgisch kampioen en hield van 1905 tot 1919 het Belgisch record in handen.

Hij behaalde ook twee medailles op de Belgische kampioenschappen atletiek in het kogelstoten.

Martens schreef vooral volkse toneelstukken met humoristische en sentimentele elementen.

Enkele van zijn werken zijn:

“De Heirweg” (1924, “Het Dorp der Mirakelen” (1932), “En waar de ster bleef stille staan” (1933), “De Mannen van Goed Gewil” (1936) en “Paradijsvogels” (1934, zijn succesvolste stuk)

Het verhaalt de lotgevallen van de bewoners van Leydonck-Waterland, een fictief dorpje aan de Leie in de tweede helft van de jaren twintig van de twintigste eeuw.

Het werd vertaald in verschillende talen en opgevoerd in binnen- en buitenland.

In 1946 werd het verfilmd in Frankrijk als “Les Gueux au Paradis” met Raimu en Fernandel in de hoofdrollen.

Martens won voor “Paradijsvogels” de Staatsprijs voor Toneelliteratuur.

In 1911 trouwde Gaston Martens met Germaine De Buck. Ze kregen samen één dochter, Godelieve.

In 1937 verhuisde Martens naar Frankrijk, waar hij een perzikplantage begon.

Tijdens zijn verblijf in Frankrijk vertaalde hij zijn stukken in het Frans.

Na de Tweede Wereldoorlog keerde Martens terug naar België. Hij bleef schrijven, maar zijn latere werk was minder succesvol dan zijn vroegere stukken.

Gaston Martens overleed in 1967 in Deinze en is begraven in Deurle.

90 jaar geleden, de werken aan het Albertkanaal in Antwerpen

Het Albertkanaal is een kunstmatige waterweg die Luik met Antwerpen verbindt en de Maas met de Schelde.

Het kanaal werd genoemd naar koning Albert I, die het project steunde als een manier om de economische ontwikkeling van België te bevorderen en de verdediging tegen een mogelijke Duitse invasie te versterken.

Het kanaal werd aangelegd tussen 1930 en 1939, maar werd pas na de Tweede Wereldoorlog officieel in gebruik genomen.

Een van de hoogtepunten van de bouw van het Albertkanaal was het koninklijk bezoek aan de werken in oktober 1933.

Koning Albert I en koningin Elisabeth bezochten toen de werf in Lanaken, waar een van de zes sluizen werd gebouwd om het hoogteverschil van 55 meter tussen Luik en Antwerpen te overbruggen.

Ze werden verwelkomd door een grote menigte van arbeiders, ingenieurs en lokale autoriteiten.

Ze kregen een rondleiding over de werf en woonden een demonstratie bij van het uitgraven van de bodem met behulp van een baggermachine.

Ze toonden veel belangstelling voor de technische aspecten van het project en spraken hun waardering uit voor de inspanningen van alle betrokkenen.

Het Albertkanaal heeft sindsdien een belangrijke rol gespeeld in de binnenvaart en de industrie in België.

Het kanaal vervoert jaarlijks bijna 40 miljoen ton goederen, vooral containers. Het kanaal wordt ook gebruikt voor de drinkwaterproductie, aangezien het water uit de Maas wordt gezuiverd in verschillende installaties langs het kanaal.

Het kanaal heeft ook een culturele en recreatieve waarde, aangezien het landschappen, monumenten en sportactiviteiten met elkaar verbindt.

Het Albertkanaal is echter niet onveranderlijk gebleven.

Het kanaal heeft verschillende moderniseringswerken ondergaan om het aan te passen aan de evolutie van de scheepvaart en de milieueisen.

Zo werden de sluizen vergroot, de bruggen verhoogd, de bochten rechtgetrokken en de oevers verstevigd.

Vandaag zijn er werken bezig voor het oosterweelde project, namelijk het graven van een bouwput in het kanaal om de Kanaaltunnels aan te leggen.

Deze tunnels zullen het Oosterweelknooppunt, dat zich op de rechteroever van Antwerpen bij het Noordkasteel bevindt, verbinden met de Ring.

De vier tunnelkokers beginnen bij het Amerikadok en gaan onder het Albertkanaal door.

Bij de Noorderlaan splitsen ze zich in een noordelijke en een zuidelijke verbinding met de Ring.

Dit mag gerust gezien worden als een technisch hoogstandje (De Stad 28 december 1934)

Vandaag 75 jaar geleden, de geboorte van de Belgische actrice en filmregisseur Marion Hänsel, die geboren werd als Marion Ackermann in Marseille.

Ze verhuisde op jonge leeftijd naar Antwerpen, waar ze opgroeide met een passie voor film.

Ze reisde de wereld rond om verhalen te vertellen met haar camera, en maakte indruk met haar eigenzinnige en poëtische stijl.

Een van haar bekendste films was “Dust”, een adaptatie van de roman “In the heart of the country” van de Zuid-Afrikaanse schrijver en Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee.

Met deze film won ze in 1985 de prestigieuze Zilveren Leeuw op het Filmfestival van Venetië, een unieke prestatie voor een Belgische regisseur.

De film had een sterrencast met onder andere Jane Birkin en Trevor Howard in de hoofdrollen.

Hänsel regisseerde ook andere films die internationale erkenning kregen, zoals Between the Devil and the Deep Blue Sea, die geselecteerd werd voor het Filmfestival van Cannes in 1995.

Ze werkte vaak samen met bekende acteurs en actrices, zoals John Lynch, Carmen Maura, Olivier Gourmet en Sergi López.

Ze was ook onder meer lid van de raad van bestuur van de Cinematek en van het Vlaams Audiovisueel Fonds.

Ze overleed in 2020 op 71-jarige leeftijd na een langdurige ziekte.