Vandaag, 40 jaar geleden, achter de schermen van Europa’s grootste metal-festijn Monsters of Rock 1986

Op 16 augustus 1986 vond in het Engelse Castle Donington een gedenkwaardige editie plaats van het Monsters of Rock-festival.

Ozzy Osbourne was die dag de absolute headliner. Hij sloot het festival af met een spectaculaire show waarin hij een gigantische opblaasbare duivel als decorstuk gebruikte.

Voor Def Leppard was het optreden een enorm emotioneel moment.

Drummer Rick Allen speelde er zijn allereerste grote festivalshow sinds hij eind 1984 zijn linkerarm verloor bij een zwaar auto-ongeluk.

Met een speciaal voor hem ontworpen elektronisch drumstel speelde hij feilloos, wat leidde tot een van de meest legendarische en ontroerende publieksovaties in de geschiedenis van het festival.

De affiche bevatte veel grote namen uit de hardrock en heavymetal.

Naast Ozzy Osbourne en Def Leppard stonden ook Scorpions, Motörhead, Bad News en Warlock op het podium.

De Duitse metalband Warlock schreef die dag geschiedenis dankzij frontvrouw Doro Pesch.

Zij was de allereerste vrouwelijke artiest die ooit op het podium van Monsters of Rock in Donington optrad.

De komische rockband Bad News, ontstaan uit de Britse comedyserie The Comic Strip Presents, speelde als openingsact.

Het publiek ontving de parodieact met een beruchte Castle Donington-traditie: de band werd tijdens het hele optreden bekogeld met plastic flessen, modder en blikjes, iets wat de groep overigens met de nodige humor onderging.

Het festival trok naar schatting zo’n zestigduizend tot tachtigduizend enthousiaste rockfans naar het legendarische racecircuit.

Na het succes in Engeland trok de festivalformule die zomer als rondreizende tournee door naar het Europese vasteland, met succesvolle edities in onder andere Neurenberg, Mannheim en Stockholm.

Vandaag exact 40 jaar geleden deed Stan Ridgway zijn intrede in de BRT Top 30 met zijn opvallende single Camouflage.

Zijn muzikale reis begon echter al jaren eerder, in 1977, toen hij aan de slag ging met de band Wall of Voodoo.

Met deze groep scoorde hij in 1983 een grote hit met het nummer Mexican Radio, maar kort na dit succes besloot Ridgway zijn eigen weg te gaan als soloartiest.

Datzelfde jaar bewees hij meteen zijn veelzijdigheid door een nummer te componeren voor de speelfilm Rumble Fish van regisseur Francis Ford Coppola.

In 1986 verscheen uiteindelijk zijn solodebuut, getiteld The Big Heat.

Dit album sloot ijzersterk af met ‘Camouflage’, een meeslepende verhaalsong over een soldaat in de Vietnamoorlog die in het heetst van de strijd gered wordt door een mysterieuze geestverschijning.

Verrassend genoeg werd juist deze ongewone track massaal opgepikt door het publiek en de radio.

Het nummer behaalde de hoogste regionen van de Britse hitlijsten en kende ook in de Lage Landen veel succes.

In Vlaanderen piekte de single op een mooie achtste plaats in de BRT Top 30, terwijl het in de Nederlandse Top 40 goed was voor een elfde positie.

Wat de zanger als artiest zo uniek maakt, is zijn kenmerkende, bijna droge en vertellende zangstijl, vaak de spoken word-techniek genoemd.

Hij klinkt meer als een acteur in een donkere film noir dan als een klassieke popzanger.

Dit talent om verhalen te schilderen met woorden past perfect bij de sfeer van Camouflage.

Muzikaal gezien valt het nummer op door het contrast tussen de kille, machinale ritmes van synthesizers en drummachines en de meer organische klanken, zoals de mondharmonica die Ridgway steevast zelf inspeelt.

Het spookachtige verhaal over de grote marinier Camouflage is overigens niet zomaar uit de lucht gegrepen; het leunt sterk op echte stadslegendes en volksverhalen die onder Amerikaanse militairen de ronde deden.

De bijbehorende videoclip, sfeervol in zwart-wit geschoten, versterkte het mysterieuze karakter enorm en werd een veelgedraaide favoriet in de vroege jaren van muziekzender MTV.

Ridgway beschouwde zijn nummers altijd als korte films voor de radio.

Zijn voorliefde voor het witte doek liep dan ook als een rode draad door zijn verdere carrière.

De eerder genoemde samenwerking voor de film Rumble Fish resulteerde in de culthit ‘Don’t Box Me In’, een project dat hij opnam samen met Stewart Copeland, de beroemde drummer van The Police.

Tot op heden blijft Stan Ridgway een gerespecteerde naam in de muziekgeschiedenis, vooral geprezen om zijn vermogen om een radiovriendelijke popsong aan te laten voelen als een meeslepende bioscoopervaring.

De inmiddels 72-jarige Stan Ridgway is overigens nog steeds actief in de muziekindustrie.

Hij woont en werkt tegenwoordig in Los Angeles, Californië, waar hij zijn eigen label en creatieve studio runt onder de naam Stan Ridgway’s Grand Emporium.

Daar treedt hij nog regelmatig op, vaak aan de zijde van zijn vrouw en muzikale partner Pietra Wexstun.

Samen vormen ze geregeld een akoestisch trio, of richten ze zich op het componeren van sfeervolle muziek voor kunsttentoonstellingen, films en theaterproducties.

Daarnaast laat Ridgway nog vaak van zich horen op sociale media, waar hij zijn scherpe politieke en maatschappelijke observaties met de wereld deelt.

Wat zijn muzikale output betreft, verscheen zijn laatste grote solo-studioalbum, Priestess of the Promised Land, in 2016.

Ook deze plaat maakte hij samen met Pietra Wexstun.

Hoewel er de afgelopen jaren geen volwaardige nieuwe studioalbums meer zijn uitgebracht, is hij zeker actief gebleven.

Hij verraste zijn fans sindsdien nog met diverse singles, waaronder ‘Train Of Thought’, en in 2022 bracht hij zijn meest recente single ‘This Town Called Fate’ uit.

Tien jaar geleden, in 2016, kreeg het nummer bovendien een opvallende heropleving toen de Zweedse metalband Sabaton er een succesvolle cover van maakte.

Hoewel hun versie oorspronkelijk slechts als bonusnummer verscheen op het album The Last Stand, wordt het door velen gezien als een absolute vaste waarde.

Fans beschouwen het als een regelrechte banger die naadloos past binnen het kenmerkende militaire thema van de band.

Sabaton is erin geslaagd om het aangrijpende verhaal met hun powermetal-sound nieuw leven in te blazen en het meteen ook populair te maken bij een heel nieuw publiek.

De impact van deze cover was zelfs zo groot dat het de inspiratie vormde voor aflevering 129 van het Sabaton History Channel.

In deze videoreeks duiken de Zweden steevast dieper in de waargebeurde verhalen en achtergronden van hun nummers.

De connectie met de hit stopt daar overigens niet.

De band heeft inmiddels een eigen, succesvol magazine gelanceerd dat eveneens de naam Camouflage draagt.

Dit blad, dat exclusief wordt aangeboden in hun officiële webshop, is inmiddels al toe aan meerdere edities.

Precies 240 jaar geleden, op 8 augustus 1786, werd de hoogste bergtop van Europa voor het eerst bedwongen.

Wat vandaag de dag als een eenvoudige aardrijkskundige feitelijkheid geldt, namelijk dat de Mont Blanc in de Alpen 4810 meter hoog is, was eeuwenlang een schier onoverkoombare uitdaging.

De ontzagwekkende berg, waarvan ongeveer een derde met sneeuw en ijs is bedekt, oefende een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op avonturiers.

Toch werd tot ver in de achttiende eeuw algemeen aangenomen dat de mens deze machtige top nooit zou kunnen bereiken.

Destijds noemde men de regio rond de berg zelfs het ‘Vervloekte Dal’ (Vallée Maudite), uit angst voor draken, demonen en de verraderlijke gletsjers.

Het was de jonge Zwitserse natuurkundige Horace-Bénédict de Saussure die de uitdaging besloot aan te gaan.

Hij was pas twintig jaar oud toen hij in 1760 Chamonix bezocht en zijn passie voor de Mont Blanc ontwaakte.

De Saussure gold later als een van de grondleggers van de moderne alpinismewetenschap.

Wat begon als een jeugdige ambitie, groeide uit tot een levenslange missie.

Hij loofde zelfs een flinke beloning uit voor degene die een begaanbare route naar de top kon vinden. Jarenlang verkende hij het terrein en ondernam hij talloze pogingen, maar zelfs in 1778 bleef hij ervan overtuigd dat de klim onmogelijk was.

Ondertussen waagden ook anderen hun kans.

In 1784 werd een hoogte van 4331 meter bereikt, en een jaar later moest De Saussure opnieuw onverrichter zake terugkeren.

En zoals dat vaker gaat, was het uiteindelijk een gedreven avonturier die de doorslag gaf: Jacques Balmat, een lokale jager en kristalzoeker uit het dal.

Gedreven door roem en de hoop op goud sloot hij zich in 1786 onverwachts aan bij drie ervaren klimmers.

Toen zijn tochtgenoten door zware tegenslagen besloten op te geven, zette Balmat alleen door.

Hij kwam tot op een paar honderd meter van de top voordat een zware avondstorm hem dwong om terug te keren en noodgedwongen op de gletsjer te overnachten.

Balmat wist nu dat het haalbaar was, maar hij had een getuige én medische expertise nodig voor de extreme hoogte.

Die vond hij in Michel-Gabriel Paccard, een dorpsdokter uit Chamonix die zelf ook al meerdere pogingen had ondernomen en geboeid was door hoogteziekte en drukmetingen.

Samen trokken ze eropuit en op 8 augustus 1786 stonden beide mannen eindelijk op de top van de Mont Blanc.

Het dagboek van dokter Paccard vermeldde er sober over dat ze om 18.23 uur aankwamen en om 18.57 uur weer vertrokken.

Ze stonden precies vierendertig minuten op het hoogste punt.

In het dal kende de vreugde geen grenzen toen het nieuws bekend werd.

De Saussure, de grote inspirator en financier van de expedities, wilde niets liever dan de prestatie aan de zijde van Balmat herhalen.

Pas op 3 augustus van het daaropvolgende jaar zag hij die droom in vervulling gaan, waarbij hij uitgebreide wetenschappelijke experimenten op de top uitvoerde.

Balmat bleef zijn leven lang geobsedeerd door de bergen en de gedachte dat er goud te vinden was.

Op tweeënzeventigjarige leeftijd kwam hij tijdens zo’n zoektocht om het leven in de Val de Sixt; zijn lichaam werd nooit teruggevonden.

Vandaag de dag worden zowel Jacques Balmat als De Saussure geëerd als de pioniers van de Mont Blanc, onder meer met een monument in Chamonix.

Ook vrouwen lieten niet lang op zich wachten.

De allereerste vrouw op de top was de lokale dienstmeid Marie Paradis op 14 juli 1808.

Ze werd door gidsen de berg op geholpen en bereikte de top in vrij slechte fysieke conditie.

Dertig jaar later, op 3 september 1838, volbracht de Franse adellijke sportvrouw Henriette d’Angeville als eerste vrouw op eigen kracht en met een minutieus voorbereide expeditie de zware klim, waarmee ze de bijnaam de Mont Blanc-bruid verwierf.

Leuk om te weten is dat de Mont Blanc tegenwoordig nog steeds een reus van formaat is, al schommelt zijn precieze hoogte door de veranderende ijskap op de top.

Daarnaast bevindt zich diep onder deze berg de beroemde Mont Blanctunnel, die Frankrijk en Italië sinds 1965 met elkaar verbindt.

Vandaag 40 jaar geleden: première van de Nederlandse film ‘Op Hoop van Zegen’

Bijna vijf maanden werkte toen regisseur Guido Pieters aan de verfilming van Herman Heijermans’ Op Hoop van Zegen.

Dankzij een strak financieel beleid en het nodige scheldwerk om het onmogelijke mogelijk te maken, slaagde hij erin de film binnen het gestelde budget af te ronden.

In de rolprent schitterden naast Danny de Munk ook acteurs als Huub Stapel en Kitty Courbois.

Er heerste toen een doodse stilte in de pikdonkere studio van het immense Engelse Pinewood Studio-complex.

Iedereen was in afwachting van de aanwijzingen van regisseur Guido Pieters.

Een replica van het vissersschip ‘Op Hoop van Zegen’ dobberde rusteloos in een enorm bassin, waar de ondergang van de schuit uit het beroemde boek van Herman Heijermans werd gefilmd.

Pieters had bewust gewacht met de verdrinkingsscènes totdat de allerlaatste locatie-opnames gemaakt waren.

Volgens het verhaal van Heijermans verging het schip Op Hoop van Zegen met man en muis doordat een gewetenloze reder het wrakke schip, ondanks de waarschuwingen van ervaren schippers, toch op visvangst stuurde.

Acteurs Jaap Stobbe, Niek Pancras en Danny de Munk vormden een deel van de bemanning van het schip dat op volle zee verging.

Met zijn handen als een megafoon riep Pieters over de set dat Danny naar het voordek moest gaan zodra het teken ‘actie’ werd gegeven.

Even later klauterde de jonge acteur strompelend naar het voordek, terwijl hij voortdurend omver werd geblazen door kunstmatige golven.

Hoestend en proestend bereikte Danny de voorplecht, waar hij volgens het script een losgeschoten stag opnieuw moest vastmaken.

Pieters stopte de scène echter, omdat hij vond dat Danny niet angstig genoeg keek, waarna de scène opnieuw gedaan moest worden.

Zonder te morren begaf het jonge Nederlandse acteertalent zich opnieuw naar het achterschip om voor de tweede keer aan de loodzware scène te beginnen.

Duizenden liters water werden over hem uitgestort voordat Pieters tevreden was.

Danny verklaarde naderhand dat het erbij hoorde en dat je het goed moest doen als je iets wilde doen.

Pieters had vijf dagen uitgetrokken om de rampscènes op te nemen in de Pinewood Studio’s, die gespecialiseerd zijn in speciale effecten, maar dat vond hij eigenlijk veel te kort.

Pas na een hevige woede-uitbarsting richting de verantwoordelijke studiomanager werd de klus inderdaad in vijf dagen geklaard.

Pieters vertelde dat men zich daar niet kon voorstellen dat zij in staat waren om met een budget van vijf miljoen gulden, nog niet eens een vijfde van een gemiddelde Amerikaanse productie, deze film te maken.

De mensen dachten daar dat ze over ongelimiteerde bedragen konden beschikken.

Als een dergelijke scène in een Amerikaanse mammoetproductie had gezeten, was er zeker een maand voor uitgetrokken.

Pieters’ optimistische verwachting om na de studio-opnamen direct met de ruwe montage van ‘Op Hoop van Zegen’ te kunnen beginnen, werd echter de grond in geboord.

Na het zien van de eerste proefopnames bleken echte zeescènes absoluut noodzakelijk, omdat er te veel studiowerk te zien was.

Er was echt zeemateriaal nodig.

Speciaal voor deze opnamen werd het schip Knorrur, een van oorsprong Canadese vissersboot die door een Nederlander was gekocht, omgebouwd tot een exacte replica van de in de studio gebruikte Op Hoop van Zegen.

Twee weken lang werd er met deze schuit een groot aantal zee-opnamen gemaakt.

Daaronder bevond zich ook de scène waarin de ten ondergang gedoemde vissers, na wekenlang geen sterveling te hebben gezien, op de onmetelijke zee een Franse driemaster ontmoetten.

Deze scène vormde de belangrijkste opname van de inderhaast toegevoegde zeetrip.

Tot tweemaal toe liet Pieters de logge schepen op elkaar afstevenen voordat hij vond dat hij voldoende materiaal had geschoten.

Krakend zette de ‘Op Hoop van Zegen’, vol onder zeil, vervolgens koers naar de tijdelijke thuishaven Scheveningen.

Zelfs de laatste minuten op zee werden dankbaar gebruikt om extra close-ups te maken en de zonsondergang te filmen.

Pieters gaf aan dat ze elk moment benutten, omdat ze anders helemaal in tijdnood zouden komen te zitten.

De speelfilm ‘Op Hoop van Zegen’, met hoofdrollen voor Huub Stapel, Kitty Courbois, Renée Soutendijk, Willeke van Ammelrooy en Danny de Munk en onder regie van Guido Pieters, ging op donderdag 7 augustus 1986 in première.

Ondanks de hoge verwachtingen en de inzet van bekende namen trok de film uiteindelijk slechts 247.824 bezoekers naar de bioscoop, wat voor de producenten uitliep op een financieel verlies.

Toch werd het werk van de makers niet geheel over het hoofd gezien: in 1989 ontving de film de Publieksprijs op het Nederlands Film Festival.

Rond de productie waren er diverse opmerkelijke feiten.

De spectaculaire scène waarin het schip vergaat, besloeg slechts 5 procent van de totale filmduur, maar kostte met zo’n 500.000 gulden (omgerekend ongeveer 226.890 euro, wat wat betreft huidige koopkracht neerkomt op circa 450.000 tot 500.000 euro) een aanzienlijk deel van het totale budget.

Buiten de studio-opnamen in Engeland vonden de buitenopnames grotendeels plaats in het Zuid-Hollandse Goedereede en het Zeeuwse Yerseke.

Ook bij de casting verliep niet alles vanzelfsprekend; zo solliciteerde Piet Römer naar de rol van de wrede reder Bos, maar de keuze viel uiteindelijk op Rijk de Gooyer.

De muziek voor de film werd geschreven door Rogier van Otterloo.

Gisteren nog vandaag

Het is vandaag precies veertig jaar geleden dat Willem Ruis is overleden.

Hij begon zijn omroepcarrière bij de radio, waar hij twaalf jaar lang het sportprogramma Langs de Lijn presenteerde.

Daarnaast was hij een tijdje verbonden aan het actualiteitenprogramma Dingen van de Dag en maakte hij talloze radio-interviews met bekende Nederlanders.

Tot zijn meest spraakmakende werk behoorden de gesprekken met Godfried Bomans en Jan Wolkers voor de serie Alleen op een eiland.

In de zomer van 1971 fungeerde hij hierin als contactpersoon tijdens hun eenzame verblijf op het eiland Rottumerplaat.

In 1978 bracht hij de single uit ‘Laat Me Effe Drukken’. Het zou bij deze enige single blijven en helaas niet terug te vinden zijn op YouTube.

Vanaf 1981 werkte Ruis op freelancebasis voor de televisie.

Datzelfde jaar maakte hij de veelbesproken overstap van zijn vorige werkgever, waar hij destijds al vijf seizoenen de Willem Ruis Show had gepresenteerd.

Bij zijn nieuwe omroep nam hij tot 1984 de presentatie van de bekende Lotto-shows op zich.

In de winter van dat jaar startte hij met de Sterrenshow, een project dat hij zelf omschreef als het grootste avontuur uit zijn loopbaan.

Dit programma werd live uitgezonden vanuit een Italiaanse circustent op wisselende locaties in het land.

Vanwege geldgebrek moest dit kostbare project uiteindelijk worden stopgezet.

Tussen alle presentatiebedrijven door maakte Ruis in 1982 trouwens ook nog zijn debuut als acteur in de speelfilm Het Beest.

Naast deze grote projecten stond Willem Ruis bekend om zijn ongekende energie, waarmee hij de harten van miljoenen kijkers veroverde.

Zijn bijnaam luidde dan ook de Kiss Master, omdat hij erom bekendstond kandidaten in zijn shows enthousiast te kussen en te omhelzen bij een overwinning.

Naast de grote Lotto-shows boekte hij ook enorme successen met de razend populaire spelshow Vijf tegen Vijf, die hij van 1982 tot vlak voor zijn dood presenteerde.

Ruis was een perfectionist die alles gaf voor zijn werk, wat hem destijds de bestbetaalde presentator van Nederland maakte.

Zijn plotselinge overlijden in 1986 aan een hartaanval tijdens een vakantie in het Spaanse Dénia schokte heel televisiekijkend Nederland en Vlaanderen en bracht een vroegtijdig einde aan de loopbaan van een van de grootste showmasters die het land gekend heeft.