
Foto zomer 1974 uitgegeven door de Hotsy Totsy Gent
Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek

Foto zomer 1974 uitgegeven door de Hotsy Totsy Gent

Nancy Dee werd geboren als Annemarie Verhegghe (Sint-Amandsberg, 19 december 1949)
Haar moeder Joyce Nicholas (Engeland – Yorkshire) (was tapdanseres, zangeres en actrice en haar vader werkte als mijnwerker in Wallonië. Ze leerde elkaar kennen tijdens de bevrijding.
Gezien haar moeder niet kon wennen aan Vlaanderen verhuisde ze terug met Nancy naar Leads, Yorkshire.
Dankzij haar moeder mocht ze op jonge leeftijd al mee naar concerten van Cliff Richard & The Shadows en Helen Shapiro.
Toen ze 13 jaar was vertrok ze samen met haar moeder naar Vlaanderen.
Een jaar later begon ze te werken, eerst in een drukkerij en daarna aan de loopband in een koekjes fabriek.
Daar zong ze altijd mee met de radio en dankzij vrienden deed ze auditie bij het orkest “The Atlantics” met pianist Robert Payne.
Ze kreeg daar de job en al vlug ging het orkest verder onder de naam Nancy Dee & The Atlantics.
In die periode nam ze ook haar eerste single For Me op, die een klein hitje was in Gent. Na vier jaar stopte de groep door ruzie.
Dat gaf haar de kans om nieuwe horizonnen op te zoeken en ze begon dan ook te werken als studiozangeres en ook als zangeres bij de Big Band van Freddy Couché.
Daarna vormde Nancy met twee Nederlandse zangeressen in 1979-1980 het discotrio Benelux and Nancy Dee dat een hit had met Switch.
De tweede en de derde single Do It en Love On A Summer Night hadden minder succes.
In 1986 was ze te zien in de Vlaamse film Paniekzaaiers, waar ze zichzelf speelde.
Ze zong ook de titelsong I Love You in (Joepie 16 september 1979, Joepie van 2 juli 1984 en Story 30 juli 1985)

Gisteren nog vandaag
Nancy Dee verlaat definitief Japan (Story 30 juli 1985)

Gisteren nog vandaag
De Gentse zangeres Nancy Dee, als Japanse keukenprinses (Joepie 25 september 1983)

De Gentse zangeres Nancy Dee in de Joepie van 9 mei 1982

Gisteren nog vandaag
Het dolle keukenduet van Emly Starr en Nancy Dee (Joepie 7 november 1982)

Gisteren nog vandaag
De Top 10 van de Gentse zangeres Nancy Dee en Johan Verminnen in de rubriek Paspoort van de Joepie van 27 juni 1982

Gisteren nog vandaag
Het heimwee van Nancy Dee (Joepie 27 december 1987)

Gisteren nog vandaag
40 jaar geleden, de Gentse zangeres Nancy Dee verhuist naar Japan (Joepie 1 november 1986)

Gisteren nog vandaag
Benelux en Nancy Dee met de sterke Disco single Switch (Joepie 23 juli 1979)

Gisteren nog vandaag

Grijzenhout had een sterke band met Gent. Hij was twee periodes trainer van KAA Gent en woonde ook in de stad.
Grijzenhout was een bekende Nederlandse voetbalcoach die vooral succesvol was in België.
Hij begon zijn carrière als assistent-trainer van Rinus Michels bij Ajax Amsterdam (1965-1971) en Stefan Kovacs (1971-1972).
Na zijn tijd bij Ajax was hij hoofdtrainer bij verschillende Belgische clubs, waaronder:
Grijzenhout stond bekend om zijn aanvallende speelstijl en zijn vermogen om jonge spelers te ontwikkelen.
Han Grijzenhout overleed op 18 december 2020 in Gent op 87-jarige leeftijd.

Samen met mijn zus (Indra Demeyer) zijn we toen naar de cinema Capitole in Gent geweest om deze film te zien.
Waar is de tijd…


In de basiliek bij de grot bevindt zich een relikwie van de heilige Bernadette.
Bernadette (kloosternaam Marie-Bernard) Soubirous werd in 1844 geboren in een arm molenaarsgezin.
Naar school ging ze niet; dat kwam er niet van. Bovendien leed ze aan astma.

Op 11 februari van het jaar 1858 – ze was dus veertien jaar oud – was ze samen met haar zusje en een vriendinnetje bezig hout te sprokkelen, toen haar in een grot van de berg Massabielle bij Lourdes (Zuid-Frankrijk) een Vrouwe verscheen.
Ze stond rechtop in een uitholling van de rots, was gekleed in een lang wit gewaad met een blauwe ceintuur om haar middel en een witte sluier op het hoofd; ze had een gouden roos op haar blote voeten, en ze leek op een jonge vrouw van zo’n zestien, zeventien jaar oud.
De andere twee die erbij waren, zagen wel, hoe Bernadette iemand meende te zien en er mee sprak, maar zelf namen ze niets bijzonders waar.

Tussen 11 februari en 16 juli liet de verschijning zich achttien keer zien.
Zij vroeg om te bidden voor de bekering van de zondaars; ze drukte Bernadette op het hart dat men berouw moest hebben en boete doen; en zij wilde graag een kapelletje op de plaats van haar verschijning. “Ik beloof je gelukkig te maken, voegde ze eraan toe, niet in deze wereld, maar in de toekomende wereld.”
Op 25 maart durfde Bernadette de Vrouwe te vragen, hoe ze eigenlijk heette.
Daarop antwoordde de verschijning: Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis.
Een van de volgende keren gaf ze te kennen dat Bernadette in de grond moest graven. Er ontsprong een bron. Vanaf dat moment vloeide er water in overvloed tot op de huidige dag.
In 1866 trad zij in bij de Soeurs de la Charité van Nevers, die een huis hadden in Lourdes.

Zij leerden haar lezen en schrijven, droegen zorg voor haar religieuze vorming en gaven haar eenvoudige werkjes te doen, zoals het schrappen van worteltjes in dienst van de keukenzuster.
Op 22-jarige leeftijd deed zij haar gelofte, kreeg als kloosternaam Soeur Marie-Bernard en werd overgeplaatst naar het moederhuis van de Congregatie in Nevers.
Daar leefde ze nog dertien jaar.
Net als zij zelf waren de meeste medezusters van eenvoudige komaf.
Haar oversten, meenden er goed aan te doen om bijzonder streng tegenover haar te zijn.
Waarschijnlijk omdat ze vreesden dat ze anders verwaand zou worden.
Door haar medezusters was ze vaak het middelpunt van pesterijtjes.
Daar kwam bij dat haar lichamelijke gezondheid steeds meer achteruit ging.
Zij probeerde dat alles welgemoed te verdragen.
Na een slepende ziekte overleed zij, 35 jaar oud.
Volgens omstanders waren haar laatste verzuchtingen: “Heilige Maria, moeder van God, bid voor mij, arme zondares, arme zondares…”
Haar lichaam is nog altijd niet vergaan en rust volkomen gaaf in de kapel bij de zusters van St.-Gildard te Nevers.
In 1933 werd ze officieel heilig verklaard.
Het beeld van de Heilige Maria, dat in 1873 aan de grot ingewijd is in Oostakker, is in 1974 gestolen.
De diefstal is nooit opgehelderd.
De talrijke dankplaatjes in en bij de grot en verspreid over de hele lengte van de twee ommegangen, meer dan achtduizend, zijn de uitdrukking van diepe gevoelens.
Op de meeste vinden we het woord: dank.
Aan de grot zijn ruim driehonderd niet overdekte zitplaatsen op banken zonder rugleuning.
Er zijn twee ommegangen: de vijftien mysteries van de rozenkrans en de zeven smarten van Maria. (Diverse bronnen, Katrien Cools en postkaart uit mijn eigen verzameling, 1939)


Dit beluik was gelegen tussen de Rozierstraat (ook nog Rogierstraat) en de Blandinusstraat (sedert 1942 : Blandijnberg).
In 1848 gaf het stadsbestuur aan aannemer Lieven De Vreese de toelating een beluik te .bouwen.
De plannen voor deze “cité ouvrière” werden ontworpen door architect Leclerc-Restiaux. De voorgevel (kant Blandijnberg) werd in 1851 opgetrokken.
Enkele jaren na de bouw, schreef J. J. Steyaert in zijn “Volledige beschrijvingvan Gent 1857″ het volgende: ”Sederdang had men vele plannen gemaekt om gemakkelyke, gezonde en goedkoope wooningen aen werkliedèn te bezorgen; dit heeft men hier verwezentlykc.
Enige oude gebouwen langs het St Pietersplein werden weggebroken, en op dien grond en op den aenpalenden hof, verscheidene ryenhuizen gebouwd, welke omtrent honderd zeer· geschikte wooningen uitmaken, en ten volle aen het menschlievend doel beantwoorden.
Deze huizen staen er langs eenen cour of ruime open binnenplaets, alwaer sommige bewooners vóór het huis een klein hoveken hebben aengelegd. Langs het plein ziet men den prachtigen voorgevel van de twee toegangen naer dit beluik; dezelve zijn in den vorm van twee arkaden of zegebogen met beelden versierd ! hetwelk van op het plein gezien, een fraai gezigt te meer oplevert:”
In het ”Verslag over het onderzoek gedaan ten jare 1904″ omtrent de beluiken binnen de Stad Gent, vernemen wij dat er in het De Vreesebeluik 67 huizen waren bewoond door 62 gezinnen waaronder 29 zonder kinderen. Totaal inwoners : 176. Kant Rozier waren er 24 huizen bewoond door 22 gezinnen met een totaal van 83 inwoners.
De zeer ongezonde Bataviawijk gelegen ten noorden van de “cité ouvrière” verdween in 1883 voor het bouwen van het Instituut der Wetenschappen tussen de Rozier en de nieuwer Plateaustraat (vroeger Laurierstraat en Kaleitje) Het De Vreesebeluik werd afgebroken- einde 1935/begin 1936- voor het bouwen van de nieuwe Universiteitsbibliotheek- met boekentoren naar de plannen van Henry Van de Velde. Op de hoek Rozier en St Hubertusstraat verrees het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde. Jaren later werden de gebouwen van de Faculteit van de Letteren en Wijsbegeerte opgetrokken aan de Blandijnberg.
Het stadsbestuur en de rijke burgerij bekostigen nieuwe prestigieuze gebouwen in het stadscentrum zoals de Aula, de opera, het justitiepaleis en talloze burgerhuizen.
De arbeidersbeluiken in het stadscentrum passen niet in hun burgerlijke plaatje en worden weggemoffeld achter nieuwe gevels. Zo krijgt de architect Charles Leclerc-Restiaux de opdracht de open ruimte aan de Sint-Pietersabdij aan te pakken.
Hij tekent een homogene compositie van burgergevels die de arbeiderskrotten maskeren.
Grenzend aan het plein, op de plaats waar vandaag de Boekentoren de faculteit Letteren en Wijsbegeerte staan, neemt Lieven De Vreese het initiatief om in 1848 een ‘modelwerkmanscité’ te bouwen.
Naar de inzichten van politicus en professor Adolphe Burggraeve, die het huisvestingsprobleem net als Mareska en Heyman vanuit het gezondheidsperspectief benadert, verrijst de ‘Cité Ouvrière of ‘De Vreesebeluik’ met bredere steegjes en comfortabelere huisjes dan zijn beruchte buur Batavia. Binnen in het beluik bevinden zich bovendien een bakkerij, kruidenierszaak, slagerij, herberg en grasplein.
Aan weerszijden van het beluik en uitgevend op het Sint-Pietersplein dienen twee triomfbogen als ingang.
Als de cholera-epidemieën van de jaren 1850 aan het De Vreesebeluik voorbij gaan, ziet men daarin het bewijs van het nut en succes van dit type beluik.
Maar het stadsbestuur is niet enthousiast: het zou de andere arbeiders maar attent maken op hun eigen miserabele woonomstandigheden (De Stad 11 mei 1934 en dank aan Gent Geprent en Stad Gent)



Zijn werk en invloed blijven resoneren in de literaire wereld, recentelijk versterkt door de publicatie van een sterke biografie door Mark Schaevers.
In een uitgebreid interview in het weekblad Humo in februari van dit jaar, werd Schaevers uitgelicht om zijn diepgaande biografische werk over Claus te bespreken.
Het gesprek vond plaats in de bekende Hotsy Totsy in Gent, een locatie die past bij de culturele statuur van Claus (foto 1: Ann Van Den Sompel)


Op 1 januari 1963 ziet het Instituut voor Psychoakoestiek en Elektronische Muziek officieel het levenslicht, een samenwerking tussen de Gentse Rijksuniversiteit en de BRT die 23 jaar zal duren.
Corneel Mertens, programmadirecteur van de Belgische Radio- en televisieomroep (BRT), en professor Hubert A. Vuylsteke (1904-1964) van het Laboratorium voor Toegepaste Zwakstroom zijn de initiatiefnemers van het IPEM.

Gisteren nog vandaag
Zij droomden van de oprichting van een elektronische studio waar met behulp van nieuwe elektronische middelen radiofonisch effecten geproduceerd kunnen worden.
Voor de ontwikkeling van nieuwe apparatuur komt de jarenlange ervaring van het technisch personeel van het laboratorium van prof. ir. Vuylsteke van pas.

Gisteren nog vandaag
De heren zien in een elektronische studio ook een prestigeproject: een Belgische elektronische studio moet kunnen concurreren met andere studio’s voor elektronische muziek in Parijs, Keulen en Milaan.
Zo een elektronische studio komt er dus in het nieuw opgerichte IPEM.

Gisteren nog vandaag
In de naam weerklinken de twee pijlers van het nieuwe instituut: wetenschappelijk onderzoek en artistieke praktijk.
Doelstelling van de initiatiefnemers is een vruchtbare kruisbestuiving tussen beide tot stand te brengen.
In de studio kunnen nieuwe muziekstukken worden gecomponeerd en in het laboratorium kan geëxperimenteerd worden met instrumentenbouw en geluidsproductie.
Na de plotse dood van professor Vuylsteke in 1966 wordt musicoloog Jan Broeckx directeur van het IPEM en verhuist het instituut van de faculteit Ingenieurswetenschappen naar de faculteit Letteren en Wijsbegeerte.
Het vindt aanvankelijk onderdak in het Technicum en verhuist in 1966 naar een herenhuis op de Muinkkaai.

Gisteren nog vandaag
De eerste 25 jaar van zijn bestaan zal het IPEM onder impuls van directeur Jan Broeckx en artistieke directeuren en componisten Louis De Meester, Karel Goeyvaerts en Lucien Goethals uitgroeien tot een soort productiestudio met een heel eigen sonoriteit.
Vernieuwende componisten van over de hele wereld zullen er muziek maken.
In 1986 eindigt de samenwerking tussen de UGent en de BRT en gaat het IPEM onder leiding van professoren Herman Sabbe en Marc Leman verder als wetenschappelijk topinstituut.
Het IPEM trekt naar de Rozier en huist sinds 2013 in het Technicum.

Gisteren nog vandaag
De band tussen muziek en maatschappij blijft er centraal staan. (Diverse bronnen, RUG, Foto’s 1964: Foto 2, 4 Louis de Meester, Foto 3 Louis de Meester en Lucien Goethals in het midden)
Albert Josse Louis Mechelynck was de zoon van de voorzitter van het hof van beroep in Gent, Louis Mechelynck, en van Pauline Delehaye, een dochter van de Gentse burgemeester Josse Delehaye.

Albert studeerde aan het Atheneum aan de Ottogracht en aan de Gentse universiteit, waar hij in 1876 doctor in de rechten werd.
In 1879 schreef hij zich in aan de Gentse balie, waar hij naam maakte.
In 1880 trouwde hij met Anne Pauline Barbanson, uit de gelijknamige invloedrijke Brusselse familie.

In 1879 werd Mechelynck lid van het dagelijks bestuur van de Association libérale, constitutionelle et démocratique de l’arrondissement de Gand-Eeclo of arrondissementsfederatie.
In 1884 werd hij verkozen tot provincieraadslid voor Oost-Vlaanderen.
Tijdens zijn twintigjarig lidmaatschap ontwikkelde hij een politiek netwerk dat de liberale tenoren uit zijn tijd, maar ook gematigde oppositiefiguren bereikte.
In 1904 werd hij verkozen tot volksvertegenwoordiger en bleef dit mandaat bekleden tot aan zijn dood.

Van 1919 tot 1924 was hij ondervoorzitter van de Kamer.
Mechelynck was lid van de Gentse vrijmetselaarsloge Septentrion, waarvan hij van 1891 tot 1895 de Achtbare Meester was.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte Mechelynck zich in Gent verdienstelijk als leider van het Gentse comité binnen het Nationaal Comité voor Hulp en Voedselvoorziening (Comité national de secours et d’alimentation), dat tot het einde van de oorlog actief was.
Hij was ook een actief lid van het Comité voor Vaderlandslievende Acties dat het morele verzet tegen de bezetter stimuleerde.
Als advocaat verleende hij juridische bijstand aan beklaagden van verzetsdaden die voor de Duitse rechtbanken moesten verschijnen.
Hij kwam te overlijden op 9 maart in zijn woning, gelegen in de Brabantdam 56, vroeger nr 51 (foto 1 en 2 van zijn woning, en het huis bestaat nog steeds en is nu een winkel)

Ik leerde Francis in de jaren negentig van de vorige eeuw kennen, als een warm en tedere man.
De eerste ontmoeting zal ik nooit vergeten, het was in de ochtend toen hij zijn gevel aan het opkuisen was.
Want voor de zoveelste keer was zijn gevel terug beklad met hakenkruisen en scheldwoorden.
De waardige manier hoe hij daarmee omging, was het begin van een wederzijdse waardering voor elkaar.
Ondanks verschillende achtergronden, leerde ik via Francis een andere kant kennen over Vlaanderen en vooral dat hij een warm hart had voor alle mensen. Dus zeker niet de racist, zoals sommige hem durfde te noemen.
Later werden we dan ook vrienden, zoals we dat noemen in Fb termen.
Zijn liefde voor folkmuziek en Ierland kwam vaak aan bod tijdens onze gesprekken.
Van den Eynde zetelde twintig jaar lang in de Kamer en het Vlaams Parlement, maar was bovenal het boegbeeld van Vlaams Blok en later Vlaams Belang in Gent.
Daar zetelde hij tussen 1988 en 2012 in de gemeenteraad.
Van den Eynde doorliep een parcours dat vrij klassiek is voor oudere VB’ers: hij startte zijn carrière bij de Volksunie en stapte na het Egmontpact uit de partij om onder leiding van Karel Dillen het Vlaams Blok te helpen uitbouwen.
Hij was ook actief bij radicale bewegingen als Were Di en Voorpost.
Het bezorgde hem een parlementaire carrière van twintig jaar, en even – tussen 1999 en 2001 – was hij ook ondervoorzitter van de Kamer. Toen echter bleek dat hij aanwezig was geweest op een bijeenkomst van het Sint-Maartenfonds – een organisatie van voormalige Oostfrontstrijders en ex-nazi’s – moest hij die functie neerleggen.
Het was dezelfde vergadering die Johan Sauwens (toen VU, later CD&V) bijwoonde, en waardoor hij moest opstappen als Vlaams minister.
Ook het einde van Van den Eyndes carrière bij Vlaams Belang was tumultueus.
Hij koos de kant van voormalig partijvoorzitter Frank Van Hecke en Marie-Rose Morel in hun pogingen om de partij een minder radicale koers te laten varen.
En dat zorgde voor spanningen met partijvoorzitter Bruno Valkeniers en Filip Dewinter.
Ook in Gent waren er problemen: samen met vier andere gemeenteraadsleden scheurde Van den Eynde zich af van de moederpartij om de Belfortgroep op te starten.
Uiteindelijk schorste het partijbestuur hem in, en in 2011 werd hij uit de partij gezet.
Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2012 riep hij op om voor de N-VA te stemmen.
