Van beeldbuis tot smart-tv: de evolutie van de breedbeeldtelevisie sinds 1991

In 1991 veranderde het televisielandschap ingrijpend met de introductie van de allereerste breedbeeldtelevisie op de consumentenmarkt.

Tot die tijd keek de wereld op vierkante schermen met een beeldverhouding van 4:3, wat betekende dat speelfilms in het bekende bioscoopformaat vaak werden afgesneden of onaantrekkelijke zwarte balken boven en onder het beeld vertoonden.

Met de komst van de 16:9-beeldverhouding haalden pioniers zoals Philips de bioscoopbeleving naar de huiskamer.

De eerste generatie breedbeeldtelevisies maakte nog steeds gebruik van een traditionele kathodestraalbuis.

Het waren zware, kolossale meubelstukken die tientallen kilo’s wogen en diep de kamer in staken, maar de panoramische ervaring die ze boden legde het fundament voor een nieuwe standaard.

In de zomer van 1991 kwam de bioscoop thuis zo een stapje dichterbij door de introductie van de eerste breedbeeld 16:9 televisietoestellen en het begin van de eerste tv-uitzendingen per satelliet volgens dit nieuwe, grotere beeldformaat.

Deze eerste stappen op weg naar volledige high-definition-tv waren nog voorzichtig, de uitzendingen vonden mondjesmaat plaats en de toestellen waren behoorlijk prijzig, want voor een nieuw tv-toestel moest bijna 4.500 euro worden neergeteld.

Daar kreeg de kijker wel een zichtbare verbetering voor terug.

Een van de eerste demonstratietoestellen van de nieuwe 16:9-tv’s van Philips stond opgesteld voor de pers.

Het was een mooi, maar groot apparaat.

Wanneer het toestel werd aangezet, verscheen er een vertrouwd testbeeld op het scherm in de normale 4:3-verhouding, wat het beeldformaat was van de toenmalige televisies waarvoor alle camera’s, studio-apparatuur, tv-zenders en ontvangers waren ingericht.

Omdat de beeldbuis van deze nieuwe televisie een stuk breder was, waren er zwarte balken links en rechts op het beeld te zien.

Dat zou veranderen als er daadwerkelijk tv-uitzendingen volgens het 16:9-beeldformaat plaatsvonden, wat mogelijk werd gemaakt door de nieuwe Europese uitzendnorm D2-MAC.

Tijdens de Berlijnse Funkausstellung, eind augustus van dat jaar, zouden de eerste breedbeeld-tv-uitzendingen plaatsvinden.

De Duitse satellietzender 1 Plus had toen reeds aangekondigd dagelijks via de TV-Sat minstens één speelfilm in het brede formaat uit te zenden. Andere zenders zouden volgen, zoals de abonnee-tv-kanalen van BSkyB in Engeland.

Begin 1992 zou waarschijnlijk ook het Nederlandse D2-TV volgen, waarbij de publieke omroepen per satelliet eveneens breedbeeld-uitzendingen zouden verzorgen.

In Vlaanderen werd D2-TV echter niet op grote schaal ingezet door de eigen openbare omroep (toen de BRTN) of commerciële zenders zoals VTM.

België beschikte toen al over een van de meest dekkende kabelnetwerken ter wereld.

Omdat D2-MAC primair was ontworpen voor directe satellietuitzendingen en doorgifte via specifieke kabeldecoders, verkozen de Vlaamse omroepen en kabelbeheerders een andere route voor breedbeeld.

Voor de overgang naar het 16:9-formaat maakten zij in de jaren negentig voornamelijk gebruik van uitzendingen in letterbox en later de PALplus-techniek, die direct compatibel waren met het bestaande analoge kabelnet en de traditionele televisietoestellen.

Vlaamse kijkers kwamen wel in aanraking met D2-MAC wanneer ze beschikten over een eigen schotelantenne of wanneer de lokale kabelmaatschappij buitenlandse satellietkanalen doorgaf, aangezien Duitstalige en Franstalige zenders wel via D2-MAC uitzonden.

Aangezien de benodigde decoders en televisies erg duur waren en de technologie al snel werd ingehaald door de opkomst van de volledig digitale DVB-standaard, is D2-TV in Vlaanderen nooit een volksstandaard geworden.

Omdat er toen nog niet zo heel veel van dergelijke uitzendingen waren, hadden de technici een aardig foefje bedacht.

Een druk op de knop movie expand zorgde ervoor dat het testbeeld plotseling beeldvullend werd en als het ware werd opgeblazen om tot de volle breedte te reiken.

Daarbij ging een stuk van de boven- en onderkant van het beeld verloren.

Bij een testbeeld stond dat heel raar, maar bij gewone tv-programma’s viel het beeldverlies enorm mee.

Men gaf aan dat degenen die het toestel thuis hadden staan, al snel vrijwel uitsluitend naar het uitgerekte beeld keken.

Deze functie kwam pas echt goed tot zijn recht als er een speelfilm in de volle breedte werd uitgezonden in het zogenaamde letterbox-formaat, met een zwarte balk boven en onder in het beeld.

Met de movie expand-knop verdwenen de beide zwarte balken en vulde de film het volledige scherm.

Daarbij kon via een speciale tilt-functie het beeld op en neer worden bewogen, zodat de ondertiteling goed leesbaar bleef.

Met deze knop zorgde zelfs een gewone tv-uitzending voor een uitstekende breedbeeld-sensatie.

Dat gold niet alleen voor tv-uitzendingen, maar ook voor het afspelen van voorbespeelde videobanden en Laserdisc-beeldplaten die als letterbox waren uitgevoerd.

Helaas werden destijds niet alle films zo uitgezonden of op band gezet en werd er veelal gebruikgemaakt van de zogenaamde pan-and-scanmethode.

Hierbij werd van het oorspronkelijke 16:9-filmbeeld een uitsnede gemaakt, waardoor een gedeelte van het oorspronkelijke beeld verloren ging.

Wanneer er in D2-MAC zou worden uitgezonden, kon ook dit probleem worden opgelost.

Bij deze nieuwe tv-norm bestond namelijk de mogelijkheid om pakketjes met digitale informatie mee te sturen.

Zo kon in D2-MAC een speelfilm op tv-toestellen van het beeldformaat 4:3 met de pan & scan-methode worden getoond, terwijl bezitters van 16:9-toestellen van de volle beeldbreedte konden genieten.

Voor het einde van dat jaar brachten verschillende Europese fabrikanten dergelijke breedbeeld-tv-toestellen op de markt.

Het getoonde model van Philips zou in de winkels verkocht worden voor net iets minder dan 4.500 euro.

De tv-toestellen van de nieuwe 16:9-generatie waren nog geen high-definitiontoestellen, want hoewel het beeld groter was, werd er nog gebruikgemaakt van het toenmalige systeem van 625 beeldlijnen.

Tv-toestellen die 1250 beeldlijnen toonden, bestonden nog niet, omdat de beeldbuistechniek nog niet zo ver gevorderd was dat er zoveel lijnen op een buis getoond konden worden.

Daarom kon men destijds echte HDTV uitsluitend via een projectiesysteem zien,

Het maken van echte HDTV-beeldbuizen vormde de volgende grote uitdaging.

De gaatjes in het scherm moesten daarvoor nog kleiner worden dan de toenmalige 0,75 millimeter bij high-end toestellen, tot theoretisch 0,35 millimeter.

Toch kon met de nieuwe 16:9-toestellen al een bijzonder goede beeldkwaliteit worden bereikt, onder andere door toepassing van de 100 Hertz-techniek waarmee een rustiger beeld werd verwezenlijkt.

Daarnaast paste men alle andere foefjes toe die in de high-end tv-toestellen het PAL-beeld zo mooi hadden gemaakt, inclusief de mogelijkheid om bij klaarlichte dag een haarscherp en duidelijk beeld te bieden.

De vraag was natuurlijk wie de nieuwe 16:9 tv-toestellen zou kopen.

De nieuwe 16:9 tv-toestellen waren met hun 4.500 euro beslist niet goedkoop, en Philips en collega Thomson, die een soortgelijk apparaat op de markt brachten, rekenden op een bescheiden markt van enkele duizenden toestellen in het eerste jaar.

Men dacht daarbij aan de aantallen die toen verkocht werden van de extra grote tv-toestellen met een beeldbuis van tachtig centimeter of meer, die eveneens bijzonder duur waren.

Als de verkochte aantallen omhoog zouden gaan, zou de prijs vanzelf zakken.

De nieuwe Philips breedbeeld-tv, de 36 ML8906, werd toen uitsluitend geleverd als drie-eenheid: in de eerste plaats het toestel zelf met het grote beeldbuisformaat in de verhouding 16:9, daarnaast het Cinema Sound System waarmee de cd-geluidskwaliteit optimaal tot zijn recht kwam en flink kabaal gemaakt kon worden bij spektakelfilms en concerten, en tenslotte een aparte tuner.

Daarbij kon gekozen worden uit een satelliet-tuner voor bezitters van een eigen schotelantenne, of een kabel-MAC-tuner voor aansluiting op een kabelnet waarop D2-MAC-signalen werden doorgegeven.

Na deze 16:9 breedbeeldtoestellen met D2-MAC zou de volgende stap HD-MAC zijn, de echte high-definitiontelevisie met 1250 beeldlijnen.

Philips kondigde toen aan dat dergelijke toestellen al in het voorjaar van 1994 verkrijgbaar zouden zijn, wat in tegenstelling was tot eerdere berichten die spraken van 1995.

Philips Nederland gaf toen aan in het begin geen grote aantallen te verwachten, maar dacht dat het zichtbaar grotere beeld een aantrekkingskracht zou uitoefenen op de trendsetters.

Met de introductie van de breedbeeld 16:9 tv-toestellen ging de televisie een nieuwe fase in. Technisch gesproken was het uiteindelijk de consument die zou bepalen of deze extra uitbreiding van het tv-beeld ook werkelijk de moeite en het geld waard was, terwijl de Europese elektronische industrie met grote belangen op het spel de vingers gekruist hield.

Voor de televisieomroepen bracht deze verschuiving van 4:3 naar 16:9 een enorme operationele en technische uitdaging met zich mee.

In de beginjaren beschikte het overgrote deel van de kijkers immers nog over een oude, vierkante beeldbuis.

Zenders moesten daardoor gedurende een lange overgangsperiode dubbel werk verrichten of creatieve oplossingen bedenken, zoals het uitzenden in letterbox (zwarte balken) of het toepassen van zogenaamde PALplus-signalen.

Ook de cameramensen, regisseurs en decorbouwers moesten hun manier van werken volledig herzien.

Bij het kadreren van beelden moesten regisseurs rekening houden met de safe zone: cruciale informatie, zoals nieuwslezers of spelscores, moest in het midden van het beeld blijven staan, zodat kijkers met een oud toestel het niet misten, terwijl het volledige 16:9-beeld werd benut door bezitters van een breedbeeld-tv.

Pas toen de consumentenmassa massaal overstapte, schakelden zenders definitief over naar een volledig digitale 16:9-productieketen.

Vandaag de dag sturen omroepen hun programma’s op een geheel andere manier de wereld in.

De analoge ether- en kabelsignalen van vroeger zijn volledig verdwenen en vervangen door digitale distributie.

Zenders zenden nu voornamelijk uit in High Definition (1080i of 1080p) via glasvezel, digitale kabel, satelliet en het internet.

Daarnaast is de lijn tussen traditionele lineaire televisie en online distributie vervaagd.

Omroepen maken gebruik van geavanceerde compressietechnieken zoals H.264 en HEVC (H.265) om hoogwaardige beelden efficiënt te streamen.

Naast de traditionele live-uitzendingen bieden zenders hun content simultaan of on demand aan via eigen apps en streamingplatforms, waarbij het signaal zich automatisch aanpast aan de schermgrootte en de internetsnelheid van de gebruiker.

In de decennia die volgden, maakte de televisietechnologie een stormachtige ontwikkeling door.

De zware beeldbuis maakte in het eerste decennium van de 21e eeuw plaats voor platte plasmaschermen en lcd-televisies, waardoor het beeldscherm voortaan aan de muur kon worden opgehangen.

Samen met de vorm veranderde ook de beeldkwaliteit razendsnel.

De overstap van standaarddefinitie naar HD en later Full HD zorgde voor een revolutie in scherpte, gevolgd door 4K en 8K, waarbij pixels voor het menselijk oog vrijwel onzichtbaar werden.

Tegelijkertijd evolueerden de schermtechnologieën naar OLED en QLED, wat resulteerde in ongeëvenaard contrast, diepe zwartwaarden en spatzuivere kleuren.

Met de opkomst van het internet transformeerde het scherm bovendien van een passief ontvangsttoestel tot een slimme hub.

De moderne smart-tv biedt direct toegang tot streamingdiensten, games en apps, waarmee de traditionele grens tussen tv, computer en bioscoop definitief is vervaagd.

Kijkend naar de toekomst staat de tv-industrie opnieuw aan de vooravond van een fascinerende transformatie.

Een van de belangrijkste technologische doorbraken is MicroLED, een technologie die de voordelen van OLED combineert met een extreem hoge helderheid en een lange levensduur, opgebouwd uit modulaire panelen die op termijn schermen van elk denkbaar formaat mogelijk maken.

Schermen worden bovendien flexibeler en integreren beter in het interieur.

In de toekomst zullen oprolbare, transparante en opvouwbare displays steeds gangbaarder worden, waardoor het zwarte vlak in de woonkamer verdwijnt wanneer het toestel niet wordt gebruikt.

Ook kunstmatige intelligentie gaat een steeds grotere rol spelen door beelden in realtime te herstellen, scherper te maken en aan te passen aan het omgevingslicht.

Daarnaast wordt geëxperimenteerd met ruimtelijke weergave en brillenvrij 3D, waarbij beelden diepte krijgen en vanuit verschillende hoeken realistisch ogen.

De televisie van de toekomst wordt zo minder een fysiek apparaat op een dressoir en steeds meer een naadloos, interactief venster op de wereld.

35 jaar geleden: nieuwe kans voor de laserdiscs

In de Verenigde Staten waren er destijds overal gespecialiseerde Laserdisc-winkels te vinden, en men verwachtte dat er tegen het einde van dat jaar meer dan drieduizend verkooppunten zouden zijn, terwijl de hardware ook op Europees niveau beschikbaar was.

Japan was op dat moment het enige land met een volwassen markt voor de beeldplaten.

Men verwachtte er in dat jaar meer dan een miljoen spelers te verkopen, geproduceerd door alle elektronicafabrikanten met uitzondering van JVC, wat het totale aantal spelers in Japanse huishoudens voor het einde van het jaar ruim over de vier miljoen zou brengen.

De keuze aan software was daar erg groot met meer dan tienduizend beschikbare titels van acht verschillende fabrikanten.

Ondertussen begon ook in Amerika de cd-video van de grond te komen, waar toen ongeveer een half miljoen spelers bij de mensen thuis stonden.

Die markt zou dat jaar nog verder groeien met rond de 300.000 exemplaren.

Het Amerikaanse aanbod omvatte meer dan vijfduizend titels en groeide maandelijks met ongeveer 140 nieuwe releases, waardoor er tegen het einde van het jaar ongeveer zevenduizend verschillende platen te koop zouden zijn.

Het voorgaande jaar was in Europa het startsein gegeven voor een derde poging om de beeldplaat aan de man te brengen.

De plaat werd toen van CD-video omgedoopt in Laserdisc en de European Laserdisc Association, afgekort als ELDA, werd opgericht om de Europese zaken gecoördineerd aan te pakken.

Dat was hard nodig, want in de oude wereld waren er in het begin van dat jaar slechts 85.000 spelers in gebruik, waarvan er ongeveer de helft in Frankrijk stond.

In Nederland lag dat aantal naar schatting tussen de zeven- en achtduizend.

Hoewel de derde lancering van de beeldplaat op een cynisch onthaal van de pers stuitte, kon niemand eromheen dat de Laserdisc technisch gezien een fenomenaal product was dat verreweg de beste kwaliteit bood voor zowel beeld als geluid.

Robert van Eck, de voorzitter van de ELDA, legde uit dat de consument nog moest leren om video’s te kopen.

Daarom werkte de organisatie met lokale comités die inspeelden op de specifieke behoeften per land, zoals wetgeving, ondertiteling, dubbing en de lokale smaak.

In Frankrijk was die aanpak al aardig geslaagd; het was niet alleen het land met de grootste Laserdisc-penetratie, maar de markt voor koopvideo’s was er in drie jaar tijd ook gestegen van nul procent naar meer dan de helft van de totale markt.

Wie een kijkje nam in een winkel als de Virgin Megastore op de Champs-Élysées in Parijs, begreep meteen waarom, want daar stond een groot aanbod aan platen opgesteld naast diverse demonstratiemodellen van spelers.

Een van de redenen waarom Laserdiscs tot dan toe nog niet echt aansloegen, was het feit dat de gemiddelde koper zich er geen voorstelling van kon maken wat zo’n systeem precies presteerde.

Een nauwe samenwerking tussen de aanbieders van hardware en software was dus van levensbelang.

Volgens Van Eck zorgde de ELDA er in veel gevallen voor dat deze partijen voor het eerst met elkaar rond de tafel gingen zitten.

Een volgend probleem was dat beide aspecten ook in dezelfde winkel te zien moesten zijn, iets wat op een enkele uitzondering na nog vaak ontbrak. In Nederland leverden op dat moment drie fabrikanten Laserdisc-spelers, te weten Philips, Sony en Pioneer.

Vooral Pioneer was van plan om zich extra in te spannen voor het medium en zou binnenkort starten met een speciale Laserdisc-roadshow om de voordelen van de beeldplaat persoonlijk aan het publiek te tonen.

Op het gebied van software was het aanbod in Europa destijds nog niet zo groot, met naar schatting zo’n zes- tot zevenhonderd beschikbare titels.

Ongeveer vijfhonderd daarvan waren muziekplaten, variërend van klassiek tot pop, met onder andere concerten en clipcollecties.

Daarnaast waren er speelfilms beschikbaar, waarvan zo’n zeventig in Duitsland en al meer dan honderd in Frankrijk.

In het Nederlandse taalgebied toonden RCA Columbia Video, Warner Home Video en Cascar zich actief. RCA was toen het meest actief met een aardig aanbod aan films zoals Red Heat, My Stepmother Is An Alien, La Bamba, Robocop, Ghostbusters en Karate Kid III, die voor een prijs van 59,95 gulden, omgerekend 27,20 euro, over de toonbank gingen.

Bij Warner Home Video viel op dat moment vooral de titel Batman op. Het label Cascar, een dochter van Super Club en Philips, bracht films uit van Vestron, Cinema International en natuurfilms van National Geographic, wat goed was voor zo’n zestig titels.

Daarnaast zou er binnenkort ook materiaal van Disney verschijnen via Buena Vista Home Entertainment.

De Laserdisc bood echter meer dan alleen een concert of film op een plaat, want men was in de Verenigde Staten volop bezig met het toevoegen van extra dimensies aan het beeld. In de eerste plaats waren veel films verkrijgbaar in twee verschillende formaten.

Allereerst was er de gewone, beeldvullende variant via de zogenaamde pan-and-scan-methode.

Omdat het volle beeld van een bioscoopfilm niet helemaal op een traditioneel televisiescherm paste, koos men bij deze methode een nieuwe uitsnede, waardoor er steeds een gedeelte van het oorspronkelijke beeld wegviel.

Dit gold als een nachtmerrie voor elke filmliefhebber en menig regisseur.

Daarom kwamen er in Amerika veel films uit op het zogenaamde letterbox-formaat, waarbij de hele film wordt getoond met een zwarte balk boven en onder het beeld, zodat het volledige breedbeeld zichtbaar bleef voor de echte cinefielen.

Voor de toekomst bood dit brievenbusformaat extra mogelijkheden, aangezien de toekomstige breedbeeldtelevisies de optie zouden hebben om dergelijke beelden op te blazen tot de volle hoogte en breedte van het grotere scherm.

De kwaliteit vormde daarbij geen enkel probleem, want de beeldplaat had een oplossend vermogen van 400 lijnen, vergeleken met slechts 240 lijnen voor de gemiddelde videorecorder.

Een andere mogelijkheid die speciaal op filmgekken was gericht, was het aanbieden van extra informatie.

Het Amerikaanse merk Criterion Collection specialiseerde zich in zulke cinefiele edities van bioscoopfilms.

Bij titels als Raging Bull en Taxi Driver kreeg de koper naast de film bijvoorbeeld een documentaire over het maken van de productie en de originele promotiefilmpjes.

Bovendien gaf regisseur Martin Scorsese op een apart geluidsspoor commentaar bij de film.

Voordat zulke extra’s in Nederland beschikbaar zouden zijn, was men naar verwachting wel weer een paar jaartjes verder.

Wie destijds een Laserdisc-speler wilde aanschaffen, had nog niet zo heel veel keuze.

Er waren drie fabrikanten waarvan de apparaten ruim verkrijgbaar waren: Philips, Sony en Pioneer.

De prijzen begonnen bij ongeveer 1200 gulden, wat omgerekend neerkwam op circa 544,54 euro.

Voor dat bedrag kocht men een speler die niet alleen laserdiscs van alle formaten kon afspelen, maar ook geschikt was voor gewone audio-cd’s.

Het verdient daarom aanbeveling om de speler niet alleen op de televisie, maar eveneens op de hifi-installatie aan te sluiten.

Alleen Sony had op dat moment een multisysteemspeler op de markt waarmee ook Amerikaanse en Japanse Laserdiscs konden worden afgespeeld.

Deze buitenlandse platen werkten volgens de NTSC-kleurennorm en konden daardoor niet op alle gangbare Europese televisies worden aangesloten.

Naar alle waarschijnlijkheid zou ook Pioneer later dat jaar met een eigen multisysteemspeler op de proppen komen.

In de Noord-Hollandse plaats Huizen hield Ron Exalto zich destijds bezig met zijn speciaalzaak Elvic.

Hij was al jaren bezeten van het medium en had van zijn hobby zijn werk gemaakt, waarmee hij de enige winkel in Nederland bezat die zich exclusief toelegde op beeldplaten.

Exalto had in zijn zaak zowel de spelers als de discs overzichtelijk naast elkaar uitgestald, zodat hij klanten die nog niet bekend waren met het medium direct kon tonen wat er allemaal mogelijk was.

Wat ooit was begonnen als een klein postorderbedrijfje, was uitgegroeid tot een van de grootste collecties Laserdiscs in het land, met een sterke specialisatie in speelfilms en popmuziek.

Klassieke muziek was er op bestelling leverbaar en hij bood regelmatig speciale acties aan.

Zo had hij destijds een partij Nederlandse Laservision-kinder-video’s opgekocht en importeerde hij platen uit Engeland en de Verenigde Staten. De winkel was gevestigd aan de Haardstedelaan 2 in Huizen.

Laserdiscs werden destijds gezien als het mooiste videomedium dat men zich kon bedenken, dankzij een fantastische beeldkwaliteit en volledig digitaal geluid dat via de hifi-installatie voor een echte bioscoopervaring in de huiskamer zorgde.

Toch was de Laserdisc in Nederland toen nog steeds niet het grote succes dat het feitelijk had moeten zijn, terwijl het medium in Japan en de Verenigde Staten wel een redelijk succes genoot.

De geschiedenis van de beeldplaat was toen ongeveer tien jaar daarvoor begonnen. Met de introductie van de compactdisc bleek destijds dat dit medium ook uitstekend geschikt was voor de opslag van beelden.

Onder de naam Laservision werden de eerste beeldplaten op een formaat van 30 centimeter uitgebracht, maar dat werd destijds geen doorslaand succes.

De videorecorder was toen net aan een sterke opmars begonnen en iedereen riep dat men met een Laservision-speler niet zelf programma’s kon opnemen.

Bovendien was het in die tijd nog onduidelijk welk beeldplaatsysteem de toekomst zou gaan worden.

Uit Amerika kwam destijds het CED-systeem van RCA, dat nog met een conventionele naald werkte, terwijl JVC het VHD-systeem voor beeldplaten ontwikkelde.

Hoewel Laservision technisch het meest geavanceerde systeem van de drie was, hield het destijds in Europa en Amerika evenmin gemakkelijk stand.

Alleen in Japan zette men destijds door op de ingeslagen weg. Ondertussen evolueerde de techniek en in 1987 werd ook in Europa en Amerika een nieuwe versie van Laservision geïntroduceerd onder de naam CD-video.

Hierbij werd het geluid voortaan digitaal opgeslagen in plaats van analoog. Bovendien werden de nieuwe spelers geschikt gemaakt voor alle soorten compact discs, zodat zowel de audio-cd als de nieuwe CD-video en de oudere Laservision-platen erop konden worden afgespeeld.

Maar ook na deze tweede introductieronde bleef het grote succes in Europa aanvankelijk uit, terwijl de markt in Japan juist wel goed begon aan te trekken.

Men was daar inmiddels tien jaar bezig met het medium en aan het begin van dat jaar stonden er volgens Robert van Eck al zo’n 3,2 miljoen spelers bij de Japanse consumenten thuis.

De voornaamste reden dat het systeem uiteindelijk nooit doorbrak bij het grote publiek, lag in de harde concurrentie met de VHS-videoband.

De consument gaf massaal de voorkeur aan het gemak van de videorecorder, waarmee men zelf televisieprogramma’s en films van de televisie kon opnemen. Een Laserdisc-speler bood die opnamemogelijkheid niet en was puur een afspeelmedium.

Daarnaast bleven de aanschafkosten voor zowel de spelers als de grote, kwetsbare disc-platen erg hoog in vergelijking met de goedkope magneetbanden.

Ook het feit dat men een film halverwege handmatig moest omdraaien, omdat de disc twee kanten had, werd door velen als onpraktisch ervaren.

Hoewel filmliefhebbers en cinefielen bleven zweren bij de superieure beeld- en geluidskwaliteit, bleef die Laserdisc daardoor een nicheproduct voor de fijnproever.

Het definitieve einde van het systeem werd ingeluid aan het einde van de jaren negentig met de komst van de DVD.

Dit nieuwe digitale medium bood dezelfde hoge kwaliteit, maar dan op een handzaam, kleiner schijfje dat goedkoper te produceren was en bovendien wél moeiteloos een volledige film op één zijde kon tonen.

De productie van de Laserdisc-spelers en de platen werd hierna wereldwijd afgebouwd, tot Pioneer in het begin van de 2000-jaren de fabricage van de allerlaatste spelers definitief stopzette.