Van The Lopez Sisters tot ‘Going Back to My Roots’ de reis van Odyssey

De muzikale reis van Odyssey begon in 1968. De van de Maagdeneilanden afkomstige zussen Carmen, Lillian en Louise Lopez richtten toen de familiegroep The Lopez Sisters op.

Jarenlang traden ze op in en rond New York, voornamelijk op feestjes, bruiloften en in kleine clubs.

Omdat het grote succes uitbleef, besloot Carmen de groep na enkele jaren te verlaten voor een leven buiten de schijnwerpers.

Lillian en Louise gaven echter niet op en zochten eind 1976 naar een nieuw geluid om door te breken.

Die frisse impuls vonden ze bij de Filipijnse bassist-zanger Tony Reynolds.

Met een mannelijke zanger en een meer op pop gerichte sound was het tijd voor een nieuwe naam: Odyssey was geboren.

De zusjes Lilian en Louise Lopez legden destijds uit dat ze voor de naam Odyssey hadden gekozen, omdat ze hun publiek wilden meenemen op reis naar verschillende landen, waarbij ze zoveel mogelijk verschillende muziekstijlen gebruikten als een echte odyssee.

De Lopez-zusters waren geboren in Stamford in de Amerikaanse staat Connecticut, maar voelden zich evenzeer Afrikaans als Amerikaans.

De songtitel ‘Going Back to My Roots’ was dan ook geen toevallige keuze, want beiden waren altijd al trots op hun afkomst, al jaren voordat de tv-serie «Roots» van Alex Haley daar een trend van maakte.

Louise vertelde dat ze hun haar toen al meer dan tien jaar op Afrikaanse wijze gevlochten droegen.

Zelf ontwierp ze ook kleding, zoals vloeiende kaftans in traditionele Ethiopische stijl, en voor hun podiumshows maakte ze Zoeloe-halskettingen en Egyptische kragen.

De doorbraak volgde in 1977 met de single ‘Native New Yorker’

Het nummer behaalde de 21e plaats in de Amerikaanse hitlijsten en werd een top 5-hit in het Verenigd Koninkrijk.

In Vlaanderen en Nederland bleef het succes toen beperkt tot een notering in de tipparade.

Overigens coverde ook Frankie Valli het nummer in diezelfde periode op zijn album ‘Lady Put The Light Out’.

Na hun debuuthit op de wip tussen 1977 en 1978 was het weer rimpelloos stil geworden rond de groep.

Er werden indertijd zes singles uitgebracht die nauwelijks de bodem van de Amerikaanse hitlijsten benaderden. Iedereen dacht toen dat men met een eendagsvlieg te maken had, zoals de discowereld er in die periode de ene na de andere uitspuwde.

De bezetting van de groep veranderde echter snel.

Ten tijde van het debuutalbum was Tony Reynolds alweer vertrokken.

Hij koos voor een heel ander pad, werd elektricien bij de politie van New York en speelde daarnaast in een plaatselijke band tot aan zijn overlijden op 2 februari 2010.

Hij werd vervangen door Bill McEachern, die een bepalende stem zou worden voor de groep.

Billy was geboren in Fayetteville in de staat North Carolina en zong al sinds zijn kinderjaren beroepsmatig.

Voordat hij zich bij Odyssey aansloot, behoorde hij tot de topzangers in de New Yorkse studio’s.

Een jaar na de stilte, in de zomer van 1980, liet Odyssey opnieuw van zich horen.

Met ‘Use It Up and Wear It Out’ scoorden ze een vierde plaats in zowel Vlaanderen als Nederland, en het nummer klom langzaam maar zeker naar een hoge notering in Engeland, waar het zelfs een nummer één-hit werd.

Een nieuwe inzinking bleef uit, want Odyssey zette de succesreeks voort met ‘If You’re Looking for a Way Out’ en ‘Hang Together’.

In de zomer van 1981 volgde hun cover van ‘Going Back to My Roots’, geproduceerd door Steve Tyrell, van ex-Motown-schrijver Lamont Dozier, wat hun hittotaal indertijd op vijf bracht.

Meestal bleef de rol van Billy McEachern binnen de groep beperkt tot harmoniezang, maar op «Going Back to My Roots» kreeg hij de leadzang toegewezen.

Billy zong dat nummer zo overtuigend in dat hij toen terecht bij de zusjes Lopez kon aankloppen om meer op de voorgrond te treden.

Met de leadzang van McEachern werd dit een groot succes in Vlaanderen, met een derde plaats in de BRT Top 30 en een vierde plaats in de Top 40.

Het zat diep bij de zussen, want ze waren in juli 1981 even trots op de eerste plaats van «Use It Up and Wear It Out» in de nationale hitlijst van Kenia als op hun sterrenstatus in de grote poplanden.

Ze verklaarden destijds in koor dat ze er alle drie van droomden om zo snel mogelijk aan een Afrikaanse tournee te kunnen beginnen.

In deze periode werd ook Lilians zoon, Steven Collazo, aan de groep toegevoegd als toetsenist, zanger en muzikaal leider. Voor wie destijds meer van de groep wilde horen, was bovendien hun pas verschenen elpee ‘I Got the Melody’ beschikbaar.

Hun laatste grote internationale hit werd ‘Inside Out’ uit 1982.

Een opvallend detail is dat de baslijn van dit nummer sterke gelijkenissen vertoont met die van ‘Watching You’ (1980) van de Amerikaanse soulband Slave, waar ook Steve Arrington (die we kennen van zijn hit ‘Feel so Real’) deel van uitmaakte.

In 1990 kreeg ‘Inside Out’ nog een tweede leven door een cover van de Engelse houseband Electribe 101.

Hoewel de originele zangeressen Lillian (overleden in 2012) en Louise Lopez (overleden in 2015) inmiddels niet meer onder ons zijn, treedt Steven Collazo samen met wisselende vocalisten (zoals Romina Johnson en Jerdene Wilson) nog regelmatig op.

Van het Palais des Nations tot America First: de geschiedenis van de Verenigde Naties en de heropleving van het isolationisme in 2026.

In de zomer van 1940 verliet een belangrijk deel van het secretariaat van de Volkenbond, waaronder de Economische en Financiële Organisatie, het weelderige nieuwe Palais des Nations op de rechteroever van het Meer van Genève.

Omdat Zwitserland na de val van Frankrijk ingesloten was geraakt, emigreerden zij naar de Verenigde Staten om hun werk vanuit Princeton voort te zetten.

Zij vonden zo ironisch genoeg onderdak in een land dat nooit lid was geweest van de Geneefse Liga.

De uittocht was echter niet compleet; de Internationale Arbeidsorganisatie verhuisde naar Canada, terwijl een kleine bezetting onder leiding van secretaris-generaal Seán Lester in het vrijwel lege paleis in Genève achterbleef om de organisatie op papier in leven te houden totdat deze in 1946 definitief werd ontbonden.

Dat de vergaderingen van de pas opgerichte Verenigde Naties vanaf 1946 naar de Verenigde Staten verhuisden, was echter geen direct gevolg van deze eerdere emigratie, maar een bewuste geopolitieke keuze.

De geallieerden hadden geleerd van het falen van de Volkenbond, die vanaf het begin zwaar verzwakt was, omdat de Amerikanen weigerden lid te worden en kozen voor isolationisme.

Om te voorkomen dat de grootmacht zich na de Tweede Wereldoorlog opnieuw van de internationale politiek zou afkeren, werd besloten het nieuwe hoofdkwartier op Amerikaans grondgebied te vestigen.

Zo werden de Verenigde Staten letterlijk en figuurlijk in de nieuwe wereldorganisatie verankerd.

Daarbij kwam dat grote delen van Europa in puin lagen en de middelen en infrastructuur misten om zo’n diplomatieke instelling te huisvesten, terwijl de Verenigde Staten ongeschonden en economisch bloeiend uit de strijd waren gekomen.

Hoewel de allereerste Algemene Vergadering in januari 1946 nog in Londen plaatsvond, streek de organisatie later dat jaar tijdelijk neer in de staat New York.

De definitieve keuze voor een permanent hoofdkwartier in Manhattan kreeg de doorslag toen John D. Rockefeller Jr. op het laatste moment 8,5 miljoen dollar schonk om een braakliggend stuk land aan de East River te kopen.

De definitieve vestiging in New York was daarmee geen erfenis van de gevluchte Volkenbondmedewerkers in Princeton, maar de ultieme weerspiegeling van de naoorlogse verschuiving van de macht in de wereld.

Tijdens deze historische eerste bijeenkomst in Londen in januari 1946 nam de Belgische staatsman Paul-Henri Spaak een prominente plaats in.

Hij werd er verkozen tot de allereerste voorzitter van de Algemene Vergadering.

Bij de stemming haalde hij het nipt van de Noorse kandidaat Trygve Lie.

Voor Lie was dit verlies echter van korte duur: amper een maand later werd hij alsnog benoemd tot de eerste officiële secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

Hij volgde daarmee de Britse diplomaat Gladwyn Jebb op, die de functie in de opstartfase tijdelijk als waarnemer had vervuld.

Het verschil tussen deze twee topfuncties, dat toen in de begindagen werd vastgelegd, bestaat vandaag de dag nog steeds en ligt in de aard van het werk en de ambtstermijn.

De secretaris-generaal is de hoogste ambtenaar en het belangrijkste diplomatieke gezicht van de organisatie.

Deze persoon leidt het VN-secretariaat, stuurt wereldwijd het personeel aan, bemiddelt in internationale conflicten en kan als enige rechtstreeks zaken agenderen bij de Veiligheidsraad.

Het is een zware uitvoerende functie met een mandaat dat zich uitstrekt van Silicon Valley tot ver daarbuiten, met een termijn van vijf jaar die vaak één keer wordt verlengd.

De voorzitter van de Algemene Vergadering is daarentegen de neutrale gespreksleider van het overkoepelende orgaan waarin alle lidstaten samenkomen.

Deze voorzitter leidt de debatten, bepaalt mede de agenda en smeedt compromissen.

Dit mandaat duurt slechts één jaar en rouleert jaarlijks tussen de continenten om iedereen evenredig aan bod te laten komen.

Ook in 2026 worden beide functies ingevuld door ervaren diplomaten en politici.

De Portugees António Guterres bekleedt de rol van secretaris-generaal en bevindt zich in de laatste maanden van zijn tweede termijn, die eind 2026 afloopt.

De Algemene Vergadering staat tot september 2026 nog onder leiding van de Duitse Annalena Baerbock, die de tachtigste sessie voorzit.

Omdat een VN-werkjaar in september begint en eindigt, zal de recent verkozen diplomaat Khalilur Rahman uit Bangladesh daarna de voorzittershamer overnemen om de eenentachtigste sessie in goede banen te leiden.

De historische herinnering aan het vroege Amerikaanse isolationisme, dat de kiem legde voor de zwakte van de Volkenbond, is vandaag de dag actueler dan ooit door de buitenlandpolitiek van president Trump onder de noemer America First.

Er zijn duidelijke parallellen te trekken tussen beide stromingen, aangezien ze voortkomen uit het verlangen om nationale belangen absoluut voorop te stellen en zich te distantiëren van multilaterale verplichtingen.

Dit moderne neo-isolationisme uit zich in een diep wantrouwen tegenover internationale instellingen en uit zich in het bekritiseren of verlaten van internationale verdragen en VN-organisaties.

Ook de kritische, transactionele houding tegenover bondgenootschappen zoals de NAVO en het afschermen van de eigen economie met strenge handelstarieven weerspiegelen deze mentaliteit om de focus resoluut binnen de eigen landsgrenzen te leggen.

Toch plaatsen geopolitieke analisten in 2026 een belangrijke kanttekening bij een directe vergelijking met het traditionele isolationisme uit de jaren twintig en dertig.

Waar de Verenigde Staten zich destijds diplomatiek en militair probeerden terug te trekken uit de wereldpolitiek, is de huidige aanpak onder Trump veel assertiever en dominanter.

Het beleid schuwt eenzijdig en krachtig ingrijpen niet wanneer dit het directe Amerikaanse strategische of economische belang dient, zoals zichtbaar is bij zware economische dwangmaatregelen.

De Verenigde Staten isoleren zich dus niet in volledige afzondering, maar weigeren simpelweg om nog langer op te treden als de onvoorwaardelijke spil en financier van de multilaterale wereldorde zonder dat daar een direct en meetbaar voordeel voor het eigen land tegenover staat.

De geest van het isolationisme waart hiermee weliswaar weer volop rond, maar heeft in deze eeuw een veel conventionelere, transactionele en militante vorm aangenomen.

Vandaag is het ook al 55 jaar geleden dat Louis Armstrong is overleden.

De laatste grote van een heroïsch tijdperk was heengegaan. Mister Jazz was niet meer.

Het laatste wat Lucille Armstrong nog voor haar overleden echtgenoot had kunnen doen, was met veel liefde en toewijding de kraakwitte zakdoek, die hij steeds had gebruikt om zijn zweet af te wissen, tussen zijn koude handen steken.

Duizenden mensen waren opgekomen om een groet te brengen aan Mister Jazz.

De uitvaart in de Corona-kerk van New Yorks Queenswijk werd bijgewoond door onder andere Ella Fitzgerald, Dizzy Gillespie, Benny Goodman, Peggy Lee en gouverneur Rockefeller van de staat New York.

Er had nog één korte Europese tournee op zijn najaarsprogramma gestaan met een vijftal concerten, waarvan één te Brussel.

Want nadat hij enkele weken daarvoor uit de kliniek was gekomen, was het zijn enige droom geweest ooit nog eens in Europa te spelen.

Gisteren nog vandaag

Dat was het Europa waar hij steeds zo uitbundig was ontvangen en waar men hem op de handen had gedragen.

Hij was daar in 1932 na een eerste concertreis vandaan gekomen met de vreugdekreet dat men daar niet eens zag wie hij was.

Hij overleed eenenzeventig jaar en twee dagen na zijn geboorte in New Orleans. Amerika had zijn beste ambassadeur verloren, en de veertigers van de hele wereld ervoeren dit afsterven als een persoonlijk verlies.

Weer had een van de idolen uit hun jeugd het bijltje erbij neergelegd.

Maar de muziek van Satchmo was onsterfelijk. Hij was niet alleen de King of Jazz geweest, hij was de jazz zelf.

Hij vertegenwoordigde, de laatste tijd bijna helemaal alleen, het beste in de jazz: opgewekte levensvreugde

Louis Armstrong, de legendarische jazztrompettist uit New Orleans, hield zijn hele leven vast aan de overtuiging dat hij op 4 juli 1900 ter wereld kwam.

Hoewel hij publiekelijk vaak beweerde zijn exacte geboortedag niet te kennen, koos hij symbolisch voor de Amerikaanse onafhankelijkheidsdag om het leven te vieren.

Op officiële documenten varieerde het jaartal soms naar 1901, maar de werkelijke datum bleef decennialang een mysterie.

Pas in 1988 ontdekte muziekhistoricus Tad Jones de waarheid in de dooparchieven van de Rooms-katholieke kerk; Armstrong bleek op 4 augustus 1901 te zijn geboren.

Deze datum wordt inmiddels door kenners wereldwijd als de enige juiste geaccepteerd.

Zijn begin was allesbehalve koninklijk. Geboren in extreme armoede in New Orleans, groeide Louis op in een rauwe wereld van hoerenkasten, straatorkesten en rivierboten.

Op zijn twaalfde belandde hij in een opvoedingsgesticht voor gekleurde jongeren, nadat hij tijdens Oud en Nieuw met een pistool in de lucht had geschoten.

Het was daar dat hij zijn eerste cornet kreeg, een moment dat de koers van de muziekgeschiedenis zou veranderen.

Wat volgde was een van de meest legendarische carrières ooit.

Hij ontwikkelde zijn talent bij grootheden als King Oliver, Fletcher Henderson en Earl Hines, om later zijn eigen iconische groepen, de Hot Five en Hot Seven, te vormen.

Hij scoorde wereldhits die generaties overstijgen, zoals What a Wonderful World, Hello, Dolly! en Mack the Knife.

Zelfs toen moderne stromingen zoals jazzrock en free jazz opkwamen, bleef Armstrong trouw aan zijn eigen stijl: melodieus, swingend en vol gevoel.

Achter de eeuwige glimlach en de bijnaam Satchmo zat een man die veel had getrotseerd, van racisme en uitbuiting tot ernstige ziekte.

Toch koos hij nooit voor bitterheid. Hij hanteerde een eenvoudige filosofie: er zijn twee soorten muziek, goede en slechte, en hij speelde simpelweg de goede.

Hij stond ook bekend om zijn opvallende persoonlijke gewoontes; zo droeg hij altijd een zakje met een sterrenbeeldmedaillon bij zich en was hij een vurig pleitbezorger van specifieke dieetvoorschriften en laxeermiddelen, die hij enthousiast uitdeelde aan vrienden.

Zijn onverwoestbare werkethiek bleef hem bij tot het einde. In maart 1971 gaf hij, tegen het dringende advies van zijn artsen in, nog een reeks optredens in de Waldorf-Astoria Empire Room.

Dit eiste een zware tol, want direct daarna werd hij opgenomen met een hartaanval.

Hoewel hij in mei het ziekenhuis mocht verlaten en direct weer naar zijn trompet greep, was zijn hart verzwakt.

Hij overleed uiteindelijk in zijn slaap op 6 juli 1971, slechts een maand voor zijn zeventigste verjaardag.

De uitvaart in de Corona-kerk in Queens weerspiegelde zijn enorme status en werd bijgewoond door grootheden als Ella Fitzgerald, Dizzy Gillespie, Benny Goodman en Peggy Lee, evenals gouverneur Rockefeller.

De woorden van zijn tijdgenoten vormen zijn definitieve eerbetoon.

Bing Crosby noemde hem onvervangbaar, Miles Davis stelde dat elke blazer in zijn schaduw stond, en Duke Ellington vatte het treffend samen: hij werd arm geboren, stierf rijk en heeft in de tussentijd niemand benadeeld.

Louis Armstrong vond zijn laatste rustplaats op de Flushing Cemetery in Queens, New York.

Gisteren nog vandaag

35 jaar geleden, Trump kiest voor Marla Maples.

Donald Trump, geboren op 14 juni 1946, groeide op in een gezin met twee broers en twee zussen.

Na zijn economische studie, gericht op vastgoed, trad hij toe tot het familiebedrijf van zijn vader en grootmoeder, The Trump Organization.

Waar het bedrijf zich aanvankelijk richtte op sociale huurwoningen, verlegde Trump de focus al snel naar prestigieuze projecten in Manhattan, waar de winstmarges aanzienlijk hoger lagen.

Onder zijn leiding groeide de organisatie, die in 2016 al meer dan 250 bedrijven omvatte, uit tot een imperium met als bekendste wapenfeiten de bouw van de Trump Tower en het tijdelijke mede-eigenaarschap van het Empire State Building.

Een sleutelmoment in zijn opmars als mediapersoonlijkheid was de renovatie van een schaatsbaan in Central Park, New York.

Nadat de stad er na zes jaar en een budgetoverschrijding van 12 miljoen dollar niet in was geslaagd het project af te ronden, nam Trump het over.

Hij voltooide de renovatie in slechts drie maanden, en dat voor bijna een miljoen dollar onder het budget.

De stunt leverde hem een enorme hoeveelheid positieve media-aandacht op.

Zijn zakelijke carrière kende ook tegenslagen. Hoewel Trump nooit persoonlijk failliet is gegaan, hebben verschillende van zijn bedrijven wel een technisch faillissement doorstaan.

Hij slaagde er echter steeds in om deze bedrijven te herstructureren, waarbij hij zijn privévermogen doorgaans buiten schot wist te houden.

De lancering van zijn realityshow “The Apprentice” maakte van de naam ‘Trump’ een wereldwijd merk.

Met zijn iconische uitspraak “You’re fired!” werd hij een tv-fenomeen, wat hem in staat stelde om zijn naam via licenties te verkopen.

Zijn investeringen waren zeer divers en omvatten onder meer casino’s, golfterreinen, hotels, sportteams, missverkiezingen en zelfs een cameo in de film “Home Alone”.

Ook recenter bleef hij actief als ondernemer met projecten als het socialemediaplatform Truth Social en de cryptomunt $TRUMP.

Het vermogen van Donald Trump is altijd onderwerp van discussie geweest.

Schattingen liepen in 2015 uiteen van 4,1 tot 8,7 miljard dollar en werden in 2020 op zo’n 2,5 miljard geraamd.

In 2025 schatten media als The Guardian en Forbes zijn vermogen op ongeveer 5 miljard euro, waarbij een opvallend groot deel uit digitale bezittingen zoals cryptocurrency zou bestaan.

Zelf claimt hij een vermogen van rond de tien miljard dollar. Hoe dan ook is hij verreweg de rijkste Amerikaanse president ooit.

Op persoonlijk vlak is Trump driemaal getrouwd. Van 1977 tot 1992 was hij gehuwd met de Tsjechische Ivana Zelníčková, met wie hij drie kinderen kreeg: Donald jr., Ivanka en Eric.

In 1993 trouwde hij met Marla Maples, met wie hij dochter Tiffany kreeg; dit huwelijk eindigde in 1999.

Sinds 2005 is hij getrouwd met de Sloveense Melania Knauss, de moeder van zijn jongste zoon, Barron (Story 26 oktober 1990)

75 jaar geleden, de aanbouw van wat toen de grootste lichtreclame ter wereld zou worden en dit voor het automerk Chevrolet op de kruising tussen Broadway en Seventh Avenue.

Het ontwerp is van de lichtontwerper Douglas Leigh.

Deze lichtreclame op Times Square had een hoogte van 22 meter en was 32 meter breed. (De Post van 8 januari 1950, foto 5 automatische schakelaars die voor het uit- en aangaan van de lichten zorgde en foto 7 met dit toestel kon men nagaan of één van de duizenden gloeilampen defect is)

Vandaag 45 jaar geleden, Sid Vicious overlijdt in het appartement van een vriendin, in Manhattan 63 Bank St. in New York City aan een overdosis.

Sid Vicious wordt op 10 mei 1957 in Lewisham, een district in Londen geboren als John Simon Ritchie.

Kort na de bevalling eindigde de relatie tussen zijn vader Ritchie en moeder Anne Beverley.

Anne Beverley en de jonge Sid verhuizen voor enkele maanden naar Ibiza.

In 1965 trouwde Anne Beverley met Christopher Beverle.

Ritchie nam de voornaam van zijn vader en de achternaam van de stiefvader en stond bekend als John Beverley.

In 1977 verving Sid Vicious Glen Matlock als bassist in The Sex Pistols en leerde hij zijn vriendin Nancy Spungen kennen. Niet dat Sid enige ervaring had met het bespelen van een instrument.

Tijdens de opnames van de eerste (en enige) plaat ‘Never Mind The Bollocks, Here’s The Sex Pistols’ lag Sid in het ziekenhuis met hepatitis.

Voor concerten leerde hij de melodie van ‘I Don’t Wanna Go Down to the Basement’ van The Ramones en speelde dat tijdens nagenoeg elk liedje.

Nancy kwam uit gegoed Joods-Amerikaans middenklasse milieu en besloot op haar vijftiende om fulltime groupie te worden. Haar drang tot zelfdestructie sloot perfect aan bij die van Sid.

Bowie en Iggy flirten destijds met het ‘live fast, die young’ ideaal. Voor Sid werd het een missie.

In 1978 werd Sid wakker in kamer 100 van het beruchte Chelsea Hotel in New York met een spuit heroïne in zijn arm.

Zijn vriendin Nancy Spungen lag dood op de vloer in de badkamer.

Na een paar nachten in Rikers Island, was Sid weer op vrije voeten.

Zijn kameraden hadden zijn borgsom betaald.

Daarna was het snel klaar. Een gevecht met de broer van Patti Smith in een club en nachten doorhalen met heroïne-gremlins.

Kwatongen beweren dat zijn eigen moeder (die zelf ook worstelde met een heroïneverslaving) hem z’n laatste shot gaf. Sid was 21. Nancy was 20.

Kort na de dood van Sid Vicious beweerde zijn moeder, Anne Beverley, dat Vicious en Spungen een zelfmoordverdrag hadden gesloten en dat de dood van Vicious niet toevallig was.

Beverley beweerde dat nadat Vicious was gecremeerd, ze een handgeschreven notitie vond in de zak van Vicious leren jas.

Op het briefje staat: We hadden een doodspact en ik moet nog mijn deel doen van de afspraak. Begraaf me alsjeblieft naast mijn baby. Begraaf me in mijn leren jasje, jeans en motorlaarzen. Vaarwel

In 1996 vertelde Beverley aan journalist Alan G. Parker dat ze opzettelijk een fatale dosis heroïne aan Vicious had gegeven.

Zodoende hem te begoeden om niet meer naar de gevangenis te moeten gaan.

Anne Beverley stierf in 1996, ook aan een overdosis drugs

Sid Vicious (Joepie van 15 februari 1979)

60 jaar geleden, te gast bij Antwerpenaar Peter De Maerel in New York (deel 2, Panorama 10 december 1963).

In een artikel in februari 1958 in de krant The New York Times lezen we zijn kwaliteiten als gastheer.

De krant schreef toen het volgende: Peter De Maerel etentjes zijn onvergetelijke gelegenheden.

Misschien is zijn geheim tot succes de intelligente manier waarop de heer De Maerel, hier directeur van het Belgisch Bureau voor Toerisme en ambtenaar van de Wereldtentoonstelling in Brussel, de menu’s van zijn geboorteland België aanpast aan de smaken en eetlust van New York City.

Buiten gastheer was hij vooral een kunstkenner en kunstverzamelaar.

Zoals zijn vrienden was hij goed bevriend met René en Georgette Magritte.

Ze brachten op 8 december 1965 een bezoek in New York.

In 1963 beweerde hij dat hij nooit afscheid zou kunnen nemen van zijn kunstverzameling.

Toch verkocht hij zijn schilderij Le prêtre marié (1961) van Magritte in 1975.

Ook het werk The Art of Conversation van Magritte dat hij aankocht bij zijn vriend Harry Torczyner.

Zou hij of zijn famile verkopen in 1993.

Het werk werd in 2021 verkocht aan de prijs van 13 miljoen dollar.

60 jaar geleden, te gast bij Antwerpenaar Peter De Maerel in New York.

Peter De Maerel was een van de belangrijkste figuren in de Belgische culturele diplomatie in de twintigste eeuw.

Hij speelde een cruciale rol in de organisatie en promotie van de wereldtentoonstelling in Brussel in 1958, waar hij als adviseur optrad.

Daarna werd hij directeur van het Belgisch Bureau voor Toerisme in New York, waar hij de schoonheid en diversiteit van zijn land aan het Amerikaanse publiek voorstelde.

Hij werkte ook nauw samen met Sabena, de nationale luchtvaartmaatschappij, om het toerisme naar België te stimuleren.

Peter De Maerel had een passie voor kunst en literatuur, en was bevriend met enkele van de meest vooraanstaande Belgische kunstenaars en schrijvers die in Amerika woonden of werkten.

Hij was een van de oprichters van de American Belgian Art Foundation, samen met Harry Torczyner, een advocaat en kunstcriticus die een indrukwekkende collectie moderne kunst bezat, waaronder werken van Magritte, Chagall, Balthus en Bacon.

Torczyner schreef ook een boek over zijn vriendschap met Magritte, getiteld Magritte/Torczyner letters between friends.

Hij overleed in 1998 in New York.

Een andere goede vriend van Peter De Maerel was Albert Goris, beter bekend onder zijn pseudoniem Marnix Gijsen.

Hij was een schrijver en diplomaat, die tijdens de Tweede Wereldoorlog naar Amerika vluchtte als vertegenwoordiger van het Belgisch paviljoen op de wereldtentoonstelling van New York in 1939-1940.

Hij bleef daar tot 1964, eerst als directeur, daarna als Belgisch Commissaris voor Informatie.

Hij verzorgde ook elke zaterdagavond een radioprogramma op de BRT, genaamd De Stem uit Amerika.

In 1959 werd hij benoemd tot cultureel attaché en in 1964 tot ambassadeur.

Hij keerde terug naar België in 1964, en woonde in Elsene tot zijn dood in 1984.

De schrijver werd in 1975 door de Belgische koning tot baron benoemd, een erfelijke titel die alleen aan hem toebehoorde.

Zijn wapenschild droeg de spreuk “Qui transtulit, sustinet”: wie verplant is, bloeit toch voort.

Hij had geen nakomelingen uit zijn twee huwelijken, dus met zijn dood eindigde ook zijn adellijke lijn.

Marnix Gijsen onderhield een hechte vriendschap met Marc Galle, een politicus van de SP, die hem weer in contact bracht met Maria Magdalena (‘Leentje’) Bambust, met wie hij vijftien jaar in New York had samengeleefd en met wie hij in 1976 trouwde.

Op zijn sterfbed in 1984 zou Gijsen aan Galle gevraagd hebben om na zijn heengaan voor zijn weduwe te zorgen.

Galle kreeg ook de opdracht om het vermogen en het literaire archief van de overleden schrijver als een goede rentmeester te beheren.

In 2000 spande de familie van Leentje Bambust een rechtszaak aan tegen Galle wegens misbruik van vertrouwen en verduistering van 2,5 miljoen euro en twee schilderijen van René Magritte.

De strafzaak werd echter stopgezet door het overlijden van Galle in maart 2007.

Marnix Gijsen stierf op 29 september 1984 op 84-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Leuven.

Hij werd begraven op het Schoonselhof in Antwerpen.

40 jaar geleden, lp bespreking The Concert In Central Park van Simon & Garfunkel (Joepie 14 maart 1982)

Het concert is door 400.000 fans bijgewoond. De opbrengst van t-shirts, buttons e.d. gaat naar de plantsoenendienst van de bijna failliete stad New York.

Daarom vraagt het duo aan burgemeester Edward Koch om hen voor aanvang aan te kondigen.

Het is voor het eerst in elf jaar dat Paul Simon en Art Garfunkel weer samen op een podium staan.

De dubbel-LP met de registratie van dit optreden komt op 13 maart 1982 binnen in de albumlijst van Billboard. The Concert In Central Park bereikt de zesde plaats.

40 jaar geleden, lp bespreking The Concert In Central Park van Simon & Garfunkel (Joepie 14 maart 1982)

40 jaar geleden, Patrick Juvet sliep in de lift in New York (Joepie 1 juni 1980)

In 1972 had hij een grote hit in Frankrijk met La Musica. Een jaar later vertegenwoordigde hij Zwitserland op het Eurovisiesongfestival 1973 met het lied Je vais me marier, Marie. Hij werd twaalfde en had er een hit mee in Frankrijk.

Met zijn volgende single Sonia gooide hij nog hogere ogen. Ook zijn albums konden op succes rekenen.

Eind jaren 70 scoorde hij hits met Got A Feeling, I Love America (1978) en Lady Night (1979).

Daarna werd het stil rond de zanger en hij trok zich terug uit de showbizz. In de jaren 90 trad hij nog weleens op en bracht hij een compilatiealbum uit. (Diverse bronnen en Wikipedia)

Patrick Juvet sliep in de lift in New York (Joepie 1 juni 1980)
Patrick Juvet sliep in de lift in New York (Joepie 1 juni 1980)

60 jaar geleden, op bezoek bij New York’s kerkhof Der Verlatenen op het Hart Island (november 1959)

Sinds het einde van de negentiende eeuw begraaft New York zijn arme en anonieme doden op Hart Island.

Het is een morzel grond van 50 hectare – zo’n 80 voetbalvelden groot – tussen The Bronx en Long Island.

Het is de finale rustplaats voor wel één miljoen zielen: slachtoffers van de gele koorts, aidsdoden uit de jaren 80 van de vorige eeuw, drugverslaafden uit de jaren 60, zwervers, illegalen, armen en doodgeboren baby’s.

Het is letterlijk een soort onderwereld, een godverlaten plek die alleen met een onregelmatig varende ferry bereikbaar is.

Al die verzamelde lichamen in de grond, er komen er altijd maar nieuwe bij. Verdriet dat zich al anderhalve eeuw opstapel.

De doden op het eiland worden begraven door ongevaarlijke gedetineerden van Rikers Island.

50 dollarcent per uur krijgen ze betaald en ze graven verschillende grote putten voor zo’n 1.500 lijken per jaar.

De dennenhouten kisten worden in massagraven gedumpt.

Eén grafkruis voor 150 lijken: rijen van twee kisten breed, telkens drie kisten op mekaar gestapeld, zo’n drie tot vier meter diep in de grond.

Vier keer per week komen de gevangenen de verse lijken uit verschillende mortuaria ter aarde bestellen.

Het lijkt een grimmig tafereel uit een Victoriaanse roman van Charles Dickens.Tot voor kort mocht amper iemand het eiland bezoeken.

New York schermt het gebied af en heeft het beheer ervan in handen gegeven van het gevangeniswezen.

Het is een Potter’s Field, een armenbegraafplaats.Op de zijkant van elke kist staat een nummer en de naam (als die al bekend is). 

Soms zijn er enkel lichaamsdelen.

Doodgeboren of te vroeg geboren baby’s worden begraven in een put met duizend kistjes.

Soms duurt het meer dan een jaar voor die put helemaal tot de rand is gevuld en kan worden afgedekt.

De doden op het eiland worden begraven door ongevaarlijke gedetineerden van Rikers Island.

50 dollarcent per uur krijgen ze betaald en ze graven verschillende grote putten voor zo’n 1.500 lijken per jaar.

De dennenhouten kisten worden in massagraven gedumpt.Eén grafkruis voor 150 lijken: rijen van twee kisten breed, telkens drie kisten op mekaar gestapeld, zo’n drie tot vier meter diep in de grond.

Vier keer per week komen de gevangenen de verse lijken uit verschillende mortuaria ter aarde bestellen.

Het lijkt een grimmig tafereel uit een Victoriaanse roman van Charles Dickens.Tot voor kort mocht amper iemand het eiland bezoeken.

New York schermt het gebied af en heeft het beheer ervan in handen gegeven van het gevangeniswezen.

Het is een Potter’s Field, een armenbegraafplaats.

Op de zijkant van elke kist staat een nummer en de naam (als die al bekend is).  Soms zijn er enkel lichaamsdelen.

Doodgeboren of te vroeg geboren baby’s worden begraven in een put met duizend kistjes.

Soms duurt het meer dan een jaar voor die put helemaal tot de rand is gevuld en kan worden afgedekt.

Het is een vreemd gevoel om zomaar rond te kuieren op Hart Island.

De meesten van ons slagen er vrij makkelijk in om zwervers en armen te negeren als ze nog leven.Als ze dood zijn, is dat nog makkelijker.

Nee, New York gaat niet zo respectvol om met mensen die het niet hebben gemaakt in deze stad waar je verzuipt als je het niet maakt.

Zonder succes en triomf eindig je in de hoofdstad van de wereld onherroepelijk op Hart Island.

De lichamen worden niet gecremeerd zoals in vele andere Amerikaanse steden. Je weet nooit dat ze lichamelijke resten moeten opgraven voor één of ander gerechtelijk onderzoek.

Soms laat een godsdienst het verassen van een lijk ook niet toe.

Hart Island heeft een lange geschiedenis. Er was ooit een gevangenis gevestigd, een ziekenhuis voor tbc-lijders, een gekkenhuis, een armentehuis, en een ontwenningscentrum voor drugverslaafden.

Ik zag er tijdens mijn bezoek zelfs verlaten raketsilo’s uit de Koude Oorlog. Allemaal ruïnes uit een verdampte tijd.

Soms spoelen er schedels aan op de oever, of stukken sleutelbeen, of dijbeenderen. Door weer, wind en erosie vermolmen de goedkope houten kisten in de zompige grond van de massagraven en spoelen ze het eiland af, om vervolgens weer aan te spoelen.

Een beetje luguber noemen ze het strand van Hart Island wel een keer Bones Beach.Hart Island is geen ordelijk kerkhof, met mooi geplaveide paadjes, sierlijke zerken of getrimde gazonnetjes.

Slechts hier en daar zie je een paar bleekgekleurde, melancholische scheve kruisen in het moerassige gras.(Diverse bronnen, Björn Soenens, Wikipedia en Foto’s november 1959)