
Giqteren nog vandaag
Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek

Giqteren nog vandaag

1913

1919

1920

1921


Gisteren nog vandaag

Giteren nog vandaag


Het Institut supérieur de brasserie in Gent, opgericht aan het einde van de negentiende eeuw, speelde een baanbrekende rol in de professionalisering van de Belgische en internationale brouwerswereld.
Rond 1886–1889 werd in Gent gestart met dit Franstalig brouwersonderwijs.
De school was gevestigd in de rue du Lac in Gent, wat de toenmalige Franstalige benaming was voor de Meersstraat, die vandaag de Bonifantenstraat heet.
In een tijd waarin het brouwproces geleidelijk verschoof van ambachtelijke traditie naar wetenschappelijke precisie, trok de school studenten aan uit heel Europa om de microbiologie en chemie achter het bierbrouwen op academisch niveau te bestuderen.
Studenten kregen er een diepgaande technische opleiding in biochemie, fermentatieprocessen en kwaliteitscontrole, geïnspireerd door de baanbrekende ontdekkingen van wetenschappers zoals Louis Pasteur en Emil Christian Hansen.

De school was nauw verbonden met de bloeiende industriële sector in Vlaanderen en de Gentse brouwersvereniging, en fungeerde als een smeltkroes voor jonge brouwers, ingenieurs en zonen van brouwersfamilies uit binnen- en buitenland.
Door theorie te combineren met praktijkonderwijs in moderne laboratoria en proefbrouwerijen, legde het instituut de basis voor de moderne brouwtechnologie.
De invloed van de Gentse opleiding reikte ver, want oud-studenten van dit instituut stonden in 1925 zelfs aan de wieg van de oprichting van de bekende Brusselse brouwersschool Institut Meurice.

De school veranderde door de decennia heen meermaals van naam en structuur, zoals het Hoger Rijksinstituut voor Chemie en Voedingsindustrieën.
In de loop van de twintigste eeuw werd de opleiding verder geïntegreerd in het bredere hoger onderwijsnetwerk van Gent, waar de traditie van brouw- en fermentatiewetenschappen tot op de dag van vandaag voortleeft binnen universitaire en hogeschoolopleidingen.
Het historische instituut blijft daarmee een fundamentele schakel in de rijke academische en industriële biergeschiedenis van Gent.


In september en oktober krijgt u oude postkaarten te zien van Gent in kleur.
Wie een postkaart uit het begin van de twintigste eeuw bekijkt, zoals deze sfeervolle opname van de Vrijdagmarkt uit circa 1910, vraagt zich al snel af hoe men die prachtige kleuren destijds op papier kreeg.
Echte kleurenfotografie stond toen immers nog in de kinderschoenen.
De autochroomtechniek van de gebroeders Lumière bestond wel al, maar die was veel te tijdrovend en veel te duur voor de massaproductie van prentbriefkaarten.
Het geheim achter dit soort beelden begon vrijwel altijd bij een doodgewone, vlijmscherpe zwart-witfoto op een glazen negatief.
Pas in de drukkerij kwam de kleur tot leven via een knap staaltje vakmanschap: chromolithografie of fotochroomdruk.
Vaklieden brachten het fotografische beeld over op grote kalkstenen drukstenen.
Voor iedere afzonderlijke kleur werd met de hand een aparte steen geprepareerd.
De lithograaf bepaalde heel precies waar, en met hoeveel intensiteit, een tint op het papier moest landen.
Om tot het uiteindelijke resultaat te komen, werden vaak zes tot meer dan tien verschillende kleurlagen nauwkeurig over elkaar heen gedrukt.
Veel van die gespecialiseerde drukkerijen stonden destijds in Duitsland of Zwitserland.
Omdat de ambachtslieden de Vrijdagmarkt waarschijnlijk nooit met eigen ogen hadden gezien, kozen ze de kleuren op gevoel, volgens vaste regels en met een flinke dosis verbeeldingskracht.
Dat verklaart meteen die herkenbare, schilderachtige sfeer op dit soort oude kaarten: de zachte roze-blauwe hemel, de warme roodbruine daken en de nostalgische gloed over de historische gevels.

Een jaar eerder, in 1980, startte de grondige renovatie van het Toreken, die uiteindelijk tot 1983 in beslag zou nemen.
Tegelijkertijd lagen de plannen klaar voor de bouw van de ondergrondse parkeergarage.
De werken daarvoor begonnen halverwege 1981, waarna de parking in het voorjaar van 1982 opende.

Aan de Veurnelaan in Koksijde staat het voormalige Home Edouard Pecher, een markant pand met een rijke geschiedenis die teruggaat tot de periode vlak voor de Tweede Wereldoorlog.
Het gebouw werd in 1937 opgericht op initiatief van de liberale mutualiteiten uit Brussel, naar een ontwerp van ingenieur-architect Marcel Simon.
Het diende oorspronkelijk als vakantiekolonie en werd gebouwd als eerbetoon aan Edouard Pecher.
Édouard Pecher werd op 24 november 1885 geboren in de stad Antwerpen en groeide op in een van de invloedrijkste liberale families van de stad.

Gisteren nog vandaag
Zijn overgrootvader Charles Pecher was destijds een van de oprichters van de Liberale Partij in Antwerpen, en zijn grootvader speelde in 1872 een grote rol bij het veroveren van de macht op het Antwerpse stadhuis.
Als politicus zette hij die familietraditie voort en zetelde hij in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, specifiek voor het kiesdistrict Antwerpen, eerst van 1912 tot 1919 en vervolgens van 1921 tot aan zijn dood.
Van 1921 tot 1926 leidde hij de Liberale Partij als voorzitter.
Binnen de liberale rangen gold hij als een van de belangrijkste trekkers van de sociaal-progressieve vleugel.
Hij overtuigde zijn partij van de noodzaak van een vroege vorm van sociale zekerheid, waaronder een verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering voor werknemers.
In 1921 werd hij tevens de allereerste voorzitter van de Nationale Bond der Liberale Mutualiteitsfederatiën van België, de voorloper van de huidige Liberale Mutualiteit.
In het jaar van zijn overlijden diende hij bovendien korte tijd als minister van Koloniën in de Belgische regering.

Gisteren nog vandaag
Op maandag 27 december 1926 overleed hij in Brussel aan de gevolgen van een zware griepaanval, op de leeftijd van exact 41 jaar.
Hoewel hij in Brussel stierf, vond hij zijn laatste rustplaats in zijn thuisstad op de bekende Antwerpse begraafplaats Schoonselhof.
Na de oorlogsjaren onderging het naar hem vernoemde tehuis in Koksijde verschillende uitbreidingen, waarvan de laatste plaatsvond in 1969.
Eind jaren negentig kwam het gebouw in handen van de gemeente Koksijde, die er een nieuwe culturele bestemming aan gaf.

Gisteren nog vandaag
Het pand werd omgedoopt tot cultureel centrum Taf Wallet, vernoemd naar de kunstenaar die destijds op een honderdtal meter afstand zijn atelier had.
Hoewel het gelijknamige museum inmiddels gesloten is wegens te weinig bezoekers, heeft het pand de status van beschermd monument gekregen en biedt het vandaag de dag nog altijd onderdak aan de Westhoekacademie.


Gisteren nog vandaag





De Botermarkt in Gent heeft door de eeuwen heen heel wat verschillende namen en functies gekend.
Oorspronkelijk stond het plein bekend als de Paradeplaats, vernoemd naar de vele toneelvoorstellingen en parades die er werden opgevoerd.
In de vijftiende eeuw was het vooral de plek waar Gentenaars hun houtskool kochten, waarna het in de zestiende eeuw transformeerde tot de Wollemarkt.
Voor het Schepenhuis van Gedele vond toen de wekelijkse wolmarkt plaats.
Pas in de zeventiende eeuw veranderde het aanbod naar verse boter en eieren, wat uiteindelijk leidde tot de naam die we vandaag nog altijd kennen: de Botermarkt.
Het Schepenhuis van Gedele vormt samen met het gotische gedeelte een van de twee grote, beeldbepalende vleugels van het Gentse stadhuis.
Historisch hield het Schepengerecht van Gedele zich voornamelijk bezig met burgerlijke zaken, zoals voogdijkwesties, erfenissen en de zorg voor wezen, min of meer vergelijkbaar met het huidige vredegerecht.
De gevel aan de Botermarkt straalt een harmonieuze rust en regelmaat uit dankzij de opeenvolging van driekwartzuilen volgens de klassieke bouworden: Dorisch, Ionisch en Korintisch.
Deze renaissancestijl staat in scherp contrast met het flamboyante, laatgotische deel van het Schepenhuis van de Keure direct ernaast.
Precies tussen deze twee verschillende bouwstijlen loopt een opvallende blauw-witte regenpijp.
Deze kleuren zijn niet alleen de officiële stadskleuren van Gent en de clubkleuren van KAA Gent, maar symboliseren historisch gezien ook de kleuren van Maria.


Gisteren nog vandaag

Het verhaal van het Kursaal in Blankenberge begon in 1859 als een gecombineerd project dat later werd omgevormd tot een echt luxehotel.
Het gebouw werd opgetrokken in een opvallende neomoorse stijl en was meteen een schot in de roos.
Het was veel meer dan alleen een plek om te gokken; het fungeerde als het absolute centrum van het Blankenbergse entertainment.
De benedenverdieping had een open galerij die direct uitgaf op de zeedijk. Binnenin vonden de gasten verschillende speelzalen, een concertzaal, een balzaal en twee restaurants.
Uniek voor die tijd was dat het gebouw vanaf het begin ook al een logeeraccommodatie met maar liefst 120 kamers had.
In 1884 veranderde de functie van het gebouw ingrijpend. Het stadsbestuur van Blankenberge wilde namelijk een eigen, groter stedelijk casino bouwen om de toeristenstroom nog beter op te vangen.
Hierdoor verloor het oorspronkelijke Kursaal zijn functie als dé centrale speelhal van de stad.
Het complex werd in 1884 volledig omgebouwd tot een exclusief luxehotel onder de naam Hotel du Kursaal.
Na de Eerste Wereldoorlog onderging het pand opnieuw een gedaanteverwisseling en werd het omgedoopt tot Résidence Bristol.
Toen het gebouw in 1884 de deuren opende als Hotel du Kursaal, behoorde het direct tot de absolute top van de hotels aan de Belgische kust.
Het trok een zeer elitair publiek aan dat in de zomermaanden wekenlang aan de kust verbleef.
Rond de eeuwwisseling, toen het hotel op het toppunt van zijn roem was, hanteerde het etablissement prijzen die volledig waren afgestemd op de gegoede burgerij en adel.
Een kamer had in die periode een vanafprijs van 4 tot 5 Belgische frank per nacht. Voor de meest luxueuze kamers of suites met uitzicht op zee liep dat bedrag op tot 10 à 15 frank per nacht, wat in die tijd een aanzienlijk kapitaal was.
Voor de maaltijden werd er destijds vaak gewerkt met vaste tarieven, aangezien veel gasten op basis van volpension verbleven. Een ontbijt kostte destijds ongeveer 1,50 frank.
Voor het middagmaal, de Table d’Hôte genoemd, betaalde men destijds rond de 4 frank.
Het uitgebreide avonddiner, dat vaak uit verschillende gangen bestond en waarbij de gasten in avondkledij verschenen, kostte doorgaans 5 frank per persoon, exclusief de wijnen.
Wie liever à la carte dineerde in het prestigieuze restaurant van het hotel, betaalde uiteraard nog hogere prijzen, afhankelijk van de gekozen exclusieve ingrediënten en de geïmporteerde Franse wijnen uit de kelders van het hotel.
Als we kijken naar de latere periode, na de Eerste Wereldoorlog, toen het hotel inmiddels was omgedoopt tot Hotel Bristol, waren de prijzen door de inflatie en de veranderde economie natuurlijk sterk gestegen.
In de jaren twintig en dertig betaalde men al snel tussen de 35 en 60 frank voor een overnachting, afhankelijk van het seizoen en de luxe van de kamer.
Om een goed beeld te krijgen van de verhoudingen, is het interessant om deze hotelprijzen te vergelijken met het dagloon van een arbeider of bediende in diezelfde periodes.
Rond de eeuwwisseling, tijdens de Belle Époque, verdiende een gemiddelde arbeider in België ongeveer 2,50 tot 3 frank per dag voor een werkdag die vaak tien tot twaalf uur duurde.
Geschoolde arbeiders, zoals een ervaren textielarbeider of een mijnwerker, konden uiterst tot 4 frank per dag verdienen, terwijl ongeschoolde arbeiders en vrouwen vaak niet meer dan 1,50 tot 2 frank per dag ontvingen.
Een gewone overnachting in Hotel du Kursaal van 4 tot 5 frank kostte dus al snel bijna twee volledige daglonen voor een gewone arbeider.
Een uitgebreid avonddiner van 5 frank was voor hen onbetaalbaar, aangezien dit meer was dan wat ze op een hele dag verdienden.
Bedienden en lagere ambtenaren, zoals klerken of onderwijzers, zaten in een iets betere positie, al was hun inkomen naar huidige maatstaven nog steeds heel bescheiden.
Zij werden meestal per maand betaald en verdienden rond de eeuwwisseling tussen de 100 en 150 frank per maand.
Als we dat omrekenen naar een dagtarief, komt dat neer op ongeveer 4 tot 6 frank per werkdag.
Hoewel hun inkomen dus iets hoger lag dan dat van een fabrieksarbeider, was een verblijf in een luxehotel aan de zeedijk ook voor de gemiddelde bediende een onbereikbare luxe.
Eén enkele nacht in een zeezichtsuite van 15 frank slokte immers al snel tien procent van hun volledige maandloon op.
In de periode na de Eerste Wereldoorlog, tijdens de jaren twintig en dertig, waren de lonen door de enorme inflatie en de invoering van de achturige werkdag nominatief sterk gestegen, maar dat gold ook voor de levenskosten.
Een arbeider verdiende in de jaren dertig gemiddeld zo’n 35 tot 50 frank per dag.
Een bediende met een gemiddelde loopbaan mocht in die tijd rekenen op een maandloon van zowat 1500 tot 2000 frank, wat neerkwam op ongeveer 60 tot 80 frank per werkdag.
Omdat een kamer in het vernieuwde Hotel Bristol in die tijd tussen de 35 en 60 frank per nacht kostte, bleef de verhouding min of meer gelijk.
Een overnachting in het hotel kostte nog steeds een volledig dagloon van een arbeider tot zelfs een dagloon van een bediende.
Het toerisme aan de zeedijk bleef hierdoor tot aan de Tweede Wereldoorlog een privilege dat hoofdzakelijk was voorbehouden aan de rijke burgerij en de industriële elite.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog liep de hele zeedijk van Blankenberge zware schade op, omdat de Duitse bezetters de gebouwen daar nagenoeg volledig ontmantelden voor de aanleg van de Atlantikwall.
Dit leidde uiteindelijk ook tot het einde van de gloriedagen van veel oude belle-époquehotels.
In de jaren na de oorlog veranderde het toerisme aan de kust drastisch.
Het elitaire publiek trok weg en de oude, beschadigde luxehotels en villa’s maakten in de jaren 1950 en 1960 in hoog tempo plaats voor de moderne appartementsgebouwen die we vandaag de dag nog op de zeedijk zien.

Op 9 juli 1933 werd de nieuwe pier van Blankenberge ingehuldigd, een gebeurtenis die destijds werd gemarkeerd met de uitgave van een speciale postkaart.
Deze pier, een ontwerp met art-deco-invloeden van Jules Soete, verving de oorspronkelijke gietijzeren constructie uit 1894 die tijdens de Eerste Wereldoorlog door de Duitse bezetter werd vernield.
De nieuwe, betonnen pier strekte zich 350 meter uit in de Noordzee en werd al snel het symbool van de stad en een trekpleister voor toeristen.
Bij de opening was de pier niet alleen een wandelhoofd.
De eerste vier jaar bood het onderdak aan het pretpark ‘Luna Staar’, wat zorgde voor extra vertier boven de golven.
Het was een plaats van plezier en ontspanning, een moderne constructie die het optimisme van het interbellum uitstraalde.
Door de jaren heen heeft de pier heel wat meegemaakt en de constante invloed van de zee heeft zijn sporen nagelaten.
Recentelijk onderging de wandelweg dan ook een grondige renovatie, met als doel deze te herstellen naar het oorspronkelijke uitzicht van 1933.
Vandaag kunt u op deze plaats lekker eten met een pracht van een uitzicht.
Hoewel het geen officieel museum is, beschikt het gebouw wel over een exporuimte.
Hier worden regelmatig tijdelijke tentoonstellingen of evenementen georganiseerd.
De ruimtes worden ook veelvuldig verhuurd voor privéfeesten, bedrijfsevenementen en speciale proeverijavonden.

Ongeveer 87 jaar geleden ging mijn overgrootmoeder (Martha Van Hende) een dagje naar de zee, Blankenberge.



Wat de gemeente onmiddellijk onderscheidt van vrijwel alle andere steden langs de kustlijn, is het ontbreken van de typische aaneengesloten muur van hoge appartementsgebouwen langs het strand.
In de plaats daarvan word je verwelkomd door sierlijke en historische architectuur in de zogenaamde Belle Epoquestijl.
Dit is vooral zichtbaar in de beschermde villawijk de Concessie, die aan het begin van de twintigste eeuw slim werd ingeplant in het golvende duinenlandschap.

Gisteren nog vandaag
De naam van deze wijk verwijst letterlijk naar de erfpacht of concessie die in 1889 door de Belgische staat, onder impuls van koning Leopold II, voor negentig jaar werd toegekend aan particuliere investeerders.
Om het onherbergzame duingebied te ontwikkelen tot een luxueuze badplaats, stelde men erg strenge bouwvoorschriften op onder leiding van de Duitse stedenbouwkundige Hermann-Josef Stübben.
De nieuw aan te leggen wegen moesten het kronkelende, natuurlijke reliëf van de duinen volgen en er mochten uitsluitend vrijstaande villa’s met grote omliggende tuinen gebouwd worden.
Toen deze oorspronkelijke concessie-overeenkomst na negentig jaar in 1979 ten einde liep, werd de erfpacht niet wettelijk verlengd. Grote bouwpromotoren zagen onmiddellijk hun kans schoon om de percelen op te kopen en de kustlijn ook hier vol te bouwen met hoge appartementsblokken.
Enkele authentieke gebouwen, waaronder Hotel Beau Rivage, gingen aanvankelijk zelfs tegen de vlakte om plaats te maken voor moderne flatgebouwen zoals residentie Mayfair.
Deze plotselinge afbraak leidde echter tot een storm van protest en een grootschalige petitie van zowel inwoners als toeristen, die massaal eisten dat het unieke karakter van De Haan bewaard zou blijven.
Als reactie hierop koos de overheid er niet voor om het oude erfpachtcontract zomaar te verlengen, maar greep ze in via de wetgeving rond monumentenzorg en stedenbouw.

Gisteren nog vandaag
In 1981 werd het centrale deel van de wijk, samen met enkele belangrijke historische gebouwen, geklasseerd als beschermd dorpsgezicht.
Enkele jaren later werden er via een Bijzonder Plan van Aanleg ook zeer strenge bouwvoorschriften vastgelegd om te garanderen dat de bestaande verhoudingen tussen de huizen en de natuur gerespecteerd bleven, waarna de volledige vroegere concessie in 1995 definitief als erfgoed werd beschermd.
Het oorspronkelijke juridische contract liep dus af, maar de stedenbouwkundige visie werd dankzij burgerprotest permanent verankerd in nieuwe beschermingsstatuten.
Het resultaat is een groen, uitgestrekt en rustig straatbeeld vol charmante witte villa’s, kenmerkend door hun rode daken, torentjes en sierlijke houten balkons.
Naast dit architecturale erfgoed trekt De Haan ook enorm veel natuurliefhebbers aan, met name dankzij de uitgestrekte Duinbossen en het opvallend lange, rustige zandstrand.

Gisteren nog vandaag
Het meest beroemde feit over De Haan is ongetwijfeld het tijdelijke verblijf van Albert Einstein.
In het voorjaar van 1933, vlak nadat hij nazi-Duitsland was ontvlucht, woonde de wereldberoemde natuurkundige maar liefst zes maanden lang in de Villa Savoyarde.
Hij wandelde er dagelijks door de duinen en ontving er talloze prominente wetenschappers, kunstenaars en hoogwaardigheidsbekleders voordat hij met zijn vrouw definitief naar de Verenigde Staten vertrok.
Een ander opvallend monument en geliefd weetje is het historische tramstationnetje uit 1902.
Dit sierlijke gebouwtje, met zijn typische vakwerk, is in zijn authentieke glorie bewaard gebleven en fungeert nog steeds als een van de mooiste en meest gefotografeerde haltes van de hele Kusttram.
Tot slot is het bijzonder om te weten dat het vele groen in De Haan absoluut geen toeval is; de uitgebreide bossen werden destijds heel bewust aangeplant om het opwaaiende zand tegen te houden en te voorkomen dat het het dorp zou overspoelen.
Dit doordachte plan geeft de badplaats tot op de dag van vandaag haar unieke, bosrijke en schilderachtige karakter.

Giteren nog vandaag
Toen de Gentenaars in 1452 ten strijde trokken tegen hertog Filips de Goede, zetten ze volgens de legende een indrukwekkend kanon in bij het beleg van Oudenaarde.
De Gentenaars verloren de strijd echter, waardoor het monster van Gent als zegeteken in Oudenaarde achterbleef.
Pas op 25 februari 1578 wist kapitein Rockelfing het wapen te heroveren.
Op 8 maart van dat jaar kwam de Dulle Griete, ook wel de Rode Duivel genoemd, aan bij het Cuupgat bij de Minderbroeders.
Hoewel er vermoedelijk plannen waren om het kanon te slopen, besloten de Gentse schepenen anders.
Op 15 april werd het per boot naar het einde van de Langemunte gebracht om op rollen te worden geplaatst bij Wannekens aard, een plek die vernoemd was naar de nabijgelegen brouwerij Wannekin.
Vanaf 1812 kreeg deze locatie de officiële naam Bij ’t Groot Kanon.
De afwezigheid van dergelijke zware wapens in de stad had een historische reden.
Na de Gentse Opstand tussen 1537 en 1540 voerde keizer Karel V een strikt verbod op vuurwapens in en liet hij de stadswallen slopen om toekomstige rebellie te voorkomen.
Tijdens het calvinistische bewind aan het eind van de zestiende eeuw werd dit gebrek aan defensie pijnlijk duidelijk, wat de herovering van het kanon extra betekenis gaf.
De naam Dulle Griet kent verschillende verklaringen.
Een bekende theorie verwijst naar gravin Margaretha van Constantinopel, die vanwege haar felle karakter door het volk de booze of dulle Griet werd genoemd.
Een andere verklaring legt de link met het schilderij van Pieter Bruegel de Oude, waarop een toornige vrouw te zien is die zo dapper is dat zij zelfs voor de poorten van de hel durft te roven.
Zij personifieert daarmee kwaad, oorlog en vernieling. In de loop der tijd veranderde de symboliek echter van een teken van verwoesting naar een icoon van vergane glorie en nationale trots.
Margaretha van Constantinopel, vaak aangeduid als Zwarte of Dulle Griet, leidde een roerig bewind dat werd gekenmerkt door de bittere strijd tussen haar kinderen uit twee huwelijken.
Uit haar eerste verbintenis met Bouchard van Avesnes kwamen Jan en Boudewijn voort, terwijl haar tweede huwelijk met Willem van Dampierre de zonen Willem en Gwijde voortbracht.
Deze familievete leidde uiteindelijk tot de splitsing van Vlaanderen en Henegouwen, waarbij de nazaten van Avesnes Henegouwen behielden en de Dampierres Vlaanderen kregen.
Hoewel Willem van Dampierre vanaf het Verdrag van Parijs in 1246 de titel van graaf droeg, bleef hij tot zijn dood in 1251 onder het gezag van zijn moeder.
Margaretha bleef immers tot aan haar eigen overlijden in 1279 de feitelijke heerser over het verenigde rijk.
Pas na haar troonsafstand werd haar zoon Gwijde van Dampierre de onbetwiste alleenheerser over Vlaanderen.

Gisteren nog vandaag
De ontwikkeling van Het Zoute nam een hoge vlucht in het begin van de twintigste eeuw, grotendeels gestuurd door de in 1908 opgerichte Compagnie
De ontwikkeling van Het Zoute werd grotendeels gestuurd door de ontwerpen van de befaamde Duitse stedenbouwkundige Hermann Josef Stübben.
Zowel het Albertplein, in de volksmond vaak de Albertplaats of Place m’as-tu-vu genoemd, als de Elisabethlaan behoren tot de kern van dit ambitieuze stedenbouwkundige project dat vanaf 1909 werd gerealiseerd.
De Elisabethlaan vormde al snel een belangrijke oost-westverbinding en een centrale verkeersas voor de luxueuze uitbreiding van de kustgemeente Knokke.
Langs en rond deze laan verrezen statige hotels, exclusieve appartementen en villa’s in de voor de streek typerende Anglo-Normandische cottagestijl.
Een illuster stukje geschiedenis speelde zich af aan het einde van de Elisabethlaan in 1954, toen wereldberoemde schrijvers als Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir en Bertolt Brecht in alle stilte logeerden in het toenmalige Linkshotel tijdens een poging om Oost- en West-Europese intellectuelen samen te brengen midden in de Koude Oorlog.
Vlakbij groeide het iconische hotel La Réserve uit tot een luxueuze trekpleister voor internationale sterren.
Het mondaine karakter van deze as vond zijn absolute hoogtepunt op het nabijgelegen Albertplein.
Dit plein werd eveneens in 1909 aangelegd en groeide vooral in de jaren vijftig uit tot dé plek waar de internationale beau monde zich verzamelde.
Grote sterren zoals Frank Sinatra, Edith Piaf, Charles Aznavour en Jacques Brel dronken er een aperitief, gadegeslagen door het flanerende publiek.
Aan het plein opende in 1923 ook het befaamde Hotel Memlinc, ontworpen door architect Jozef Viérin, dat met zijn jazzconcerten en theedansen de roaring twenties aan de kust extra kleur gaf.
Op het kruispunt bij het plein werd in de jaren zestig bovendien het opvallende bronzen beeld De Poëet van de Frans-Russische kunstenaar Ossip Zadkine geplaatst, waarvoor later een definitieve plek werd gevonden.
Hoewel het plein in de decennia daarna wat van zijn oorspronkelijke grandeur verloor, onderging het recent een spectaculaire transformatie.
In 2023 werd een vernieuwd Albertplein onthuld, gekenmerkt door een gigantisch dambordpatroon van zwarte en witte tegels.
Een bijzonder detail is dat in de zwarte tegels duizenden oude munten zijn verwerkt die door inwoners en bezoekers werden geschonken.
De absolute blikvanger van het vernieuwde plein is een innovatieve glazen koepel, ontworpen door ingenieur-architect Philippe Samyn.
Dit architecturale hoogstandje zonder interne steunpilaren vormt vandaag het nieuwe kloppende hart van de badplaats en verbindt de rijke geschiedenis van de plek naadloos met de eenentwintigste eeuw.
Postkaart van Knokke-Zoute (1968)

Gisteren nog vandaag