Oude postkaart van de Posthoornstraat in Gent

De straat die we nu kennen als de Sint-Niklaasstraat droeg vroeger de toepasselijke naam Cromme Steghe, een verwijzing naar het destijds bochtige parcours.

Al in 1347 werd er geschreven over “in de Cromstege”, en later sprak men ook wel van Reinbouds steghe.

In de 19de eeuw had de steeg een bedenkelijke reputatie vanwege de prostitutie.

Een sprekend voorbeeld hiervan is de vondst op 16 oktober 1809 door een onderwijzer: in het portaal van nachtclub Le Roi d’Espagne lag een pasgeboren baby met een briefje dat ze gedoopt was.

Het meisje kreeg de naam Jeanne Ghislaine Cromstege.

Tegen het eind van de 19de eeuw veranderde het aanzicht van de straat grondig.

Tussen 1897 en 1899 werden hele huizenrijen gesloopt om de straat te verbreden en recht te trekken.

Na 1898 stond de straat bekend als de Posthoornstraat, waarschijnlijk vernoemd naar de 18de-eeuwse afspanning De Posthoorn.

Vanaf 1901 domineerde het Hotel du Téléphone de straat op de hoek met de Bennesteeg.

Dit gebouw was 70 meter lang en had een sierlijk torentje van 57 meter hoog, wat nodig was om de bovengrondse telefoonlijnen naar de buurt te leiden.

Vandaag de dag trekt vooral het Metselaarshuis op de hoek met de Cataloniëstraat de aandacht.

De trapgevel is versierd met Moreske dansers, ontworpen door wijlen Walter de Buck.

Hoewel het de bedoeling was dat deze beelden in de wind zouden bewegen, zijn ze vanwege hun gewicht uiteindelijk vast verankerd.

De Predikherenlei dankt haar naam aan de orde van de Predikheren, een bedelorde die in 1215 werd gesticht door de Spaanse priester Dominicus Guzman om het evangelie te verkondigen en ketterij te bestrijden.

De naam verwijst ook naar de verdwenen Predikherenkerk die hier aan de overkant van de Leie, bij de Predikherenbrug, stond.

Deze 13de-eeuwse kerk, ook wel bekend als de kerk van de Jacobijnen en palend aan het vroegere Dominicanenklooster Het Pand, werd in 1860 afgebroken.

Op architecturaal vlak springt vooral het neogotische hoekpand aan de Sint-Michielshelling in het oog.

Dit zandstenen gebouw vormt een visuele brug tussen het koor van de Sint-Michielskerk en het eclectische postgebouw aan de overkant.

Iets verderop, op de hoek met de Nodenayesteeg, vind je op nummer Het Groen Kruis.

Dit was ooit de woning van Michael Mast, telg uit een familie die al sinds de 14de eeuw aanzien genoot in Gent.

Hoewel het pand in 1977 werd beschermd, was het in 1980 bijna slooprijp.

Gelukkig volgde in 1988 een vakkundige restauratie.

Vandaag staat de lei aan de vooravond van een grote metamorfose. Omdat de kaaimuren instabiel zijn en de balustrade aan vervanging toe is, wordt de hele omgeving heraangelegd.

Deze werken moeten eind 2026 klaar zijn.

Het asfalt maakt plaats voor natuursteen en de kaaimuren worden, net als aan de Graslei, deels verlaagd om het contact met het water te herstellen.

Er komt een steiger voor kano’s en kajaks, en met extra zitbanken, geveltuinen en bijna 70 fietsstalplaatsen wordt de Predikherenlei een groene en aangename verblijfsplek.

Oude postkaart van de Korenmarkt in Gent

Tegen het einde van de 10de eeuw groeide Gent zo snel dat de oude handelsnederzetting letterlijk uit haar eerste omwalling barstte.

De economische bloei en bevolkingsexplosie dwongen de stad om westwaarts te kijken, tot over de Leie.

Deze expansiedrift tekent tot op vandaag de kaart van Gent: nieuwe wijken vroegen om nieuwe parochies – denk aan Sint-Jacob, Sint-Niklaas en later Sint-Michiel – en om een nieuwe verdediging.

De grillige vorm van de binnenstad is een stille getuige van de grachtengordel die rond 1100 werd aangelegd.

Waar mogelijk werden de Leie en de Schelde ingeschakeld als natuurlijke barrière, aangevuld met gegraven grachten om de nieuwe wijken te omsluiten.

In de eeuwen die volgden, bleef de stad vervellen. Na het verwerven van stadsrechten in de 12de eeuw volgden nieuwe omwallingen in de 13de en 16de eeuw, en werden de versterkingen tot in de 18de eeuw voortdurend aangepast.

Pas in de 19de eeuw, toen Gent uitgroeide tot een industriële grootstad en de octrooirechten verdwenen, durfde de bevolking zich weer buiten de poorten te vestigen, wat leidde tot de typische 19de-eeuwse gordel.

Het kloppend hart van die eerste grote stadsuitbreiding – de zogenaamde ‘tweede middeleeuwse stad’ – is de Korenmarkt.

Dit plein is een rechtstreeks gevolg van de 10de-eeuwse groei: gronden werden verkaveld en de handel floreerde.

In 1208 duikt de naam voor het eerst op als forum segetum, oftewel graanmarkt.

Vanaf de 14de eeuw werd hier elke vrijdag het koren verhandeld, wat ook de oude naam ‘Koornaard’ verklaart.

Vandaag is de Korenmarkt een architecturale tijdreis. Je wordt er omringd door gevels die variëren van de 13de tot de 20ste eeuw, met als absolute blikvangers de westgevel van de Sint-Niklaaskerk en de monumentale toren van het Postgebouw ertegenover.

Oude postkaart van de Franse actrice en zangeres Martha Lagoutte.

Hoewel de naam Martha Lagoutte vandaag de dag misschien niet meer bij iedereen een belletje doet rinkelen, was ze rond 1900 een van de vele ‘artistes lyriques’ die de Parijse theaters kleur gaven.

Deze dames waren de influencers van hun tijd: hun beeltenis werd op grote schaal verspreid en gretig verzameld door bewonderaars.

Wat deze postkaart zo bijzonder maakt, is dat Martha hier niet poseert als de chique ‘Parisienne’ in een avondjurk, maar in haar podiumkostuum.

Ze draagt een fantasievolle outfit die het midden houdt tussen een page-pakje en een pierrot-kostuum, met die wijde broek en het rijk versierde jasje.

In die tijd waren zogeheten ‘travesti-rollen’ (waarbij vrouwen een jongensrol speelden) mateloos populair in operettes en revues.

Het meest in het oog springende detail is echter die enorme Japanse parasol.

Dit plaatst de kaart direct in de context van het ‘Japonisme’, een enorme rage die Frankrijk aan het eind van de 19e eeuw in zijn greep hield.

Alles wat uit het Oosten kwam was hip. Theaters speelden hierop in met operettes die zich afspeelden in exotische oorden, zoals de destijds immens populaire stukken The Geisha of Madame Chrysanthème.

Het is zeer waarschijnlijk dat Martha op deze foto schittert in een rol voor zo’n productie, waarin de Westerse fantasie over het Oosten centraal stond.

De kaart zelf is overigens ook een stukje vakwerk. Links onderin zie je de tekst ‘Héliotypie’, wat verwijst naar een destijds zeer geavanceerde druktechniek.

Hiermee konden foto’s met een ongekende scherpte en zonder korrel worden afgedrukt, waardoor we meer dan honderd jaar later nog steeds de lovertjes op haar jasje kunnen tellen.

Oude postkaart van de Bijloke in Gent, van ziekenzorg naar kunstbeleving op de Bijlokesite.

De naam ‘Bijloke’ verwijst naar een omsloten, moerassig gebied waar ooit een kronkelende Leie-arm liep.

Het huidige Bijlokevaardeken herinnert nog aan die verdwenen waterloop.

De bouwgeschiedenis start begin 13de eeuw toen Ermentrude Uten Hove haar Mariahospitaal noodgedwongen vanuit de binnenstad naar deze meersen verhuisde.

Om de zorg te garanderen, werd naast het hospitaal een nieuwe cisterciënzerinnenabdij gesticht.

De site breidde al snel uit met een voor die tijd enorme ziekenzaal (1251-1255), een kapel en het ‘Craeckhuys’ (ca. 1511) voor ernstig zieken.

Na zware verwoestingen tijdens de calvinistische republiek (1577-1584) volgde in de 17de eeuw herstel.

De Franse annexatie in 1797 zorgde voor een nieuwe breuk: de abdij werd afgeschaft.

Later keerden de zusters terug in een deel van de gebouwen, terwijl de rest dienstdeed als oudemannenhuis.

Vanaf 1817 drukte de universiteit haar stempel op de site: de middeleeuwse ziekenzorg maakte plaats voor medisch onderwijs.

Omdat de oude gebouwen niet voldeden, bouwde architect Adolphe Pauli tussen 1863 en 1880 een nieuw neogotisch ziekenhuiscomplex.

Sinds de jaren 80 onderging de Bijloke een gedaanteverwisseling van zorg- naar cultuursite.

De kunstacademie (nu KASK) nam er haar intrek en de middeleeuwse ziekenzaal werd in 1988 omgevormd tot concertzaal.

In 2010 opende het STAM (Stadsmuseum) zijn deuren.

Met de recente komst van de Kunstenbibliotheek en de aanleg van het open park ‘Bijlokeveld’ is de site nu een groene campus waar historisch erfgoed, onderwijs en cultuur samenkomen.

De Franse actrice, dichter en theaterdirecteur Cora Laparcerie

Cora Laparcerie was een opmerkelijke en veelzijdige vrouw in het Parijse culturele leven van de late negentiende en vroege twintigste eeuw.

Geboren in 1875 als Marie-Caroline Laparcerie, maakte ze naam als een gevierd actrice, een gevoelig dichteres en, misschien wel het meest indrukwekkend, als een van de eerste vrouwelijke theaterdirecteuren van haar tijd.

Haar podiumcarrière begon in 1896 in het prestigieuze Théâtre de l’Odéon, waar ze al snel opviel.

Ze had een krachtige aanwezigheid en speelde met evenveel gemak in de grote klassieke tragedies als in de moderne stukken van haar tijd, waaronder producties als “Quo vadis?”.

Haar ambitie reikte echter verder dan alleen acteren.

Ze nam de leiding over verschillende belangrijke theaters in Parijs, waaronder het Théâtre des Bouffes-Parisiens en het Théâtre de la Renaissance.

Dit was een buitengewone prestatie voor een vrouw in die periode.

Als directeur had ze een scherp oog voor succes.

Een van haar grootste triomfen was de productie van de revue “Mepisto” in 1920.

Een nummer uit die show, “Mon homme” – met muziek van Maurice Yvain (die later succes had op Broadway) en tekst van Albert Willemetz én de regisseur Jacques Mardochée Charles – zou later in oktober 1920, gezongen door Mistinguett, uitgroeien tot een wereldberoemde klassieker.

Naast haar drukke theaterleven vond ze ook de tijd om zich te uiten als dichteres, en ze publiceerde meerdere bundels, zoals “J’aime”.

In 1926 ontving ze het Legioen van Eer.

Haar vernieuwende geest bleek ook later in haar carrière, toen ze in 1935 het concept van radiotheater omarmde.

Privé was ze getrouwd met de dichter en toneelschrijver Jacques Richepin, met wie ze twee kinderen kreeg.

Cora Laparcerie overleed in Parijs op 28 augustus 1951 op 75-jarige leeftijd.

De geschiedenis van het casino van Middelkerke, een van de vier casino’s aan de Belgische kust, is een verhaal van ambitie, vernieling en wederopbouw.

In 1891 trok een groep private investeerders onder leiding van de Brusselse hotelier Charles Smedt een relatief klein, houten gebouw op de zeedijk op.

Het ontwerp van architect Alexis Dumont was zo’n bezienswaardigheid dat zelfs koning Leopold II tijdens een wandeling vanuit Oostende de bouw kwam inspecteren.

Na enkele verbouwingen en de toevoeging van zijvleugels bood het complex plaats aan een restaurant, winkeltjes en een feestzaal.

Het was een populaire trekpleister voor toeristen, kinderbals en optredens van variétéartiesten.

In 1908 kocht het gemeentebestuur het gebouw, met de intentie om iets nieuws en groters te bouwen.

In 1914, na de opening van zijn opvolger, werd het eerste casino gesloopt.

In 1912 besloot de gemeente tot de bouw van een nieuw, statig casino op een uitbouw van de zeedijk.

Het ontwerp was van architect Georges Hobé, met een interieur door Albert Van Huffel.

Het opende op 18 juli 1914 en omvatte een speelzaal, leeszaal, horecazaken, biljarttafels, een bowling en een concertzaal, omgeven door een binnentuin en tennisvelden.

De Eerste Wereldoorlog gooide echter roet in het eten; het Duitse leger gebruikte het complex als hoofdkwartier en liet het zwaar beschadigd achter.

Na de oorlog werd het casino heropgebouwd volgens de originele plannen en heropende het in 1925.

In het interbellum traden er grootheden als Charles Trenet en Jean Omer op.

De Tweede Wereldoorlog betekende echter het definitieve einde voor het gebouw; het werd volledig tot puin herleid.

Na de oorlog werd tijdelijk een casino ingericht in ‘Hôtel de la Plage’.

Het derde casinogebouw, ontworpen door de Middelkerkse architect August Vereecke in een Normandische stijl, opende zijn deuren in 1954.

Dit casino zou uitgroeien tot een icoon van het Vlaamse entertainment.

Onder leiding van directeur Luc Rammant (1979-1998) werden tal van nationale en internationale sterren naar de kust gehaald, met Will Tura en Gilbert Bécaud als regelmatige gasten.

Het gebouw huisvestte naast de speelzaal en nachtclub Montezuma de beroemde Baccarazaal.

In deze feestzaal met zeezicht werd vanaf 1969 de ‘Gouden Sirene’ georganiseerd, een concours voor het Belgische levenslied waar onder meer Eva Marie haar carrière lanceerde.

Dit evenement was de voorloper van de legendarische ‘Baccarabeker’, een provinciale talentenjacht die liep van 1981 tot 1990.

Ook de VRT vond haar weg naar de zaal voor de opnames van de populaire televisietalkshow ‘Margriet aan zee’ (1989-1994).

De laatste jaren van dit casino werden echter overschaduwd door een grootschalige fraude aan de roulettetafel, waarbij croupiers tussen 2001 en 2015 zo’n drie miljoen euro verduisterden.

Na enkele opfrisbeurten sloot het gebouw in 2017 definitief de deuren en werd het een jaar later gesloopt.

In maart 2024 begon een nieuw hoofdstuk met de opening van SILT, een multifunctioneel evenementengebouw dat het vierde casino herbergt.

Dit ambitieuze project is meer dan een speelzaal; het omvat een foyer, restaurant, evenementenzaal voor 1700 personen, een hotel en een ondergrondse parking.

Het ontwerp, van de hand van een consortium van architecten en bouwbedrijven, integreert een versterkte zeedijk die bestand is tegen een duizendjarige storm en creëert een naadloze, autovrije overgang tussen de dijk en het Epernayplein.

De uitbating van het nieuwe casino is in handen van Belcasinos, onderdeel van de Franse Groupe Partouche (postkaarten uit mijn eigen verzameling)

Vandaag, 115 jaar geleden brand op de wereldtentoonstelling in Brussel (Postkaarten uit mijn eigen verzameling)

De expo wordt echter vaak herinnerd voor de dramatische brand die in de nacht van 14 op 15 augustus uitbrak.

Een groot deel van de tentoonstelling ging in vlammen op, waaronder delen van de Belgische en Franse paviljoenen en de volledige Britse sectie.

Paradoxaal genoeg zorgde de spectaculaire brand voor een toevloed aan ramptoeristen, wat de bezoekersaantallen verder de hoogte in joeg.