Vandaag, 115 jaar geleden brand op de wereldtentoonstelling in Brussel (Postkaarten uit mijn eigen verzameling)

De expo wordt echter vaak herinnerd voor de dramatische brand die in de nacht van 14 op 15 augustus uitbrak.

Een groot deel van de tentoonstelling ging in vlammen op, waaronder delen van de Belgische en Franse paviljoenen en de volledige Britse sectie.

Paradoxaal genoeg zorgde de spectaculaire brand voor een toevloed aan ramptoeristen, wat de bezoekersaantallen verder de hoogte in joeg.

Deze week, 70 jaar geleden, Brussel bereidt zich voor op de wereldtentoonstelling van 1958 (De Post december 1954)

Baron Georges Moens de Fernig was vooral bekend om zijn rol als Commissaris-Generaal van de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel, beter bekend als Expo 58.

De familie Moens de Fernig was een adellijke familie met wortels in de 17e eeuw en ze waren zowel actief in de industrie als in de politiek.

Georges Florent Marie Auguste graaf Moens de Fernig werd geboren in Luik op 28 augustus 1899.

Hij studeerde rechten aan de Universiteit van Luik en na zijn studies ging hij aan de slag in de banksector en de industrie.

Hij bekleedde verschillende belangrijke functies in de Belgische regering, waaronder Minister van Ravitaillering en Invoer (1948-1949) en Minister van Buitenlandse Handel (1947-1949)

Hij was ook voorzitter van Fabrimetal (1965-1971), een Belgische federatie van metaalverwerkende bedrijven.

Zijn meest opvallende prestatie was zijn rol als Commissaris-Generaal van Expo 58.

Hij was daar verantwoordelijk voor de planning, organisatie en het succes van de wereldtentoonstelling, die een belangrijk moment was in de Belgische geschiedenis en een symbool van de heropleving na de Tweede Wereldoorlog.

Expo 58 trok meer dan 41 miljoen bezoekers en toonde de nieuwste technologische en culturele ontwikkelingen van over de hele wereld.

Hij was getrouwd met Marie-Thérèse de Meeûs d’Argenteuil en samen hadden ze zes kinderen.

Naast zijn politieke en industriële activiteiten was Moens de Fernig ook actief in verschillende filantropische organisaties.

Hij overleed op 16 augustus 1978 in Zelem, Halen, op 78-jarige leeftijd (De Post december 1954)

150 jaar geleden, voorstelling van de piano met pedalen op de wereldtentoonstelling in Wenen in 1873.

De piano is ontstaan uit de klavecimbel, een snaarinstrument dat met toetsen werd bespeeld.

De klavecimbel had echter een beperking: de toonsterkte kon niet worden gevarieerd door harder of zachter op de toetsen te drukken.

Daarom bedacht de Italiaanse instrumentenbouwer Bartolomeo Cristofori rond 1700 een nieuw mechanisme waarbij hamertjes de snaren aansloegen in plaats van ze te tokkelen.

Zo kon de speler meer expressie aan zijn spel geven. Hij noemde zijn uitvinding pianoforte, wat zacht en sterk betekent.

De piano werd in de loop van de 18e en 19e eeuw steeds verder verbeterd en verfijnd.

Een bijzondere gebeurtenis in de geschiedenis van de piano was de voorstelling van de piano met pedalen op de wereldtentoonstelling in Wenen in 1873.

Het eerste pedaal was het rechterpedaal dat de dempers van alle snaren optilde en zo een langere nagalm creëerde.

Het tweede pedaal was het linkerpedaal dat de hamers dichter bij de snaren bracht en zo een zachter geluid produceerde.

Sommige piano’s kregen later ook een derde pedaal, dat verschillende functies kon hebben, zoals het dempen van alleen de bastonen of het activeren van een repetitiemechaniek.

De piano werd al snel een populair instrument bij componisten, musici en het publiek.

De piano was geschikt voor zowel solo- als ensemblestukken, voor zowel klassieke als populaire muziek.

De piano speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van muzikale genres zoals de sonate, het concerto, de symfonie, de opera, de liedkunst en de jazz.

De piano was ook een statussymbool voor de hogere klassen en een onderdeel van de muzikale opvoeding.

50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny

Leopold (alias Pol) Scrayen werd geboren in Hechtel (Vlaams Limburg) op 7 december 1920.

Leopold Scrayen was als beeldende kunstenaar een selfmade man die in de wereld van de ‘grote kunst’ in eigen land niet altijd de waardering kreeg die hij verdiende.

Pas op latere leeftijd nam hij hamer en beitel ter hand om zijn eerste kunstcreaties vorm te gegeven.

Voordien was hij werkzaam als bovengrondse arbeider in een van de Limburgse koolmijnen.

Hij verdiende er als lasser de kost tot hij in 1959, op 39-jarige leeftijd, ziek werd.

Een ernstige hartkwaal die gepaard ging met verlammingsverschijnselen belette hem zijn beroep nog langer uit te oefenen.

Het duurde drie jaar vooraleer hij opnieuw te been was.

Op zoek naar geschikt werk, kwam hij eerder toevallig terecht bij een bedrijf in Bree waar grafzerken werden gemaakt.

Hij zag er een beeldhouwer aan de slag en zelfverzekerd beweerde Scrayen, die nooit eerder als beeldhouwer of als tekenaar enige opleiding had genoten: ‘dat kan ik ook’…

Het klonk zo overtuigend dat de grafsteenmaker Scrayen bij wijze van proef een Christuskop liet beitelen. Raar maar waar, het werkstuk voldeed aan alle vereisten van de kunst en Leopold werd in dienst genomen.

De eenvoudige arbeider had in zich het oertalent ontdekt.

Al vlug experimenteerde hij ook met het maken van portretten in zachtere materie.

Een vriend bezorgde hem de geschikte essen-, linden- en beukenhouten planken en Scrayen vond zijn ware roeping in het maken van houtsculpturen.

Na een paar jaar liet hij het steenhouwen voor wat het was om zich voltijds toe te leggen op het hakken van houten bas-reliëfs, hoofdzakelijk portretten.

Geregeld maakte hij ook wand- en sierpanelen voor het bouwbedrijf in opdracht van architecten.

De eigenzinnige ‘filosoof’ en would-be-kunstenaar die Scrayen in de ogen van zijn dorpsgenoten was, oogstte aanvankelijk enige spot, maar al vlug erkenden vriend en vijand de hoogstaande kwaliteit van zijn werk.

Het duurde geen tijd of de bestellingen liepen in die mate binnen dat Leopold zich voltijds aan zijn kunst kon wijden.

Leopold Scrayen slaagde erin om van zijn kunst te leven en zijn gezin te onderhouden.

Op geregelde tijdstippen wist hij zich in de belangstelling te plaatsen met het portretteren van nationale en internationale figuren zoals lukraak Jozef Muls, Stijn Streuvels, Beethoven, J.P. Belmondo, W. Churchill, H. Ford, C. De Gaulle, E. Hemingway, J.F. Kennedy, de pausen Paulus VI en Johannes Paulus II, J. Sibelius en vele andere.

Tussen de bedrijven door maakte Leopold ook af en toe kopergravures met Bijbelse taferelen als thema.

Dikwijls werkte hij in opdracht van officiële besturen of bedrijven maar ook en vooral creëerde hij de portretten omdat hij grote bewondering had voor de uitgebeelde personaliteiten.

De kunstwerken werden dan meestal via de betrokken ambassades of bij officiële ontvangsten aan de geportretteerde overhandigd.

Dit bracht de artiest Scrayen heel wat nationale en internationale bekendheid en erkenning.

Te bescheiden en te streekgebonden, ging Leopold zelden in op uitnodigingen – ook van vermaarde internationale galerijen, onder andere in Londen – voor deelname aan tentoonstellingen.

Hij had lak aan officieel gedoe: hij bleef afwezig.

Hij maakte een uitzondering voor het officiële Belgische paviljoen op de Wereldtentoonstelling van Montreal (1967) waar bas-reliëfs te zien waren met portretten van Salvador Dali, Martin Luther King en Orson Welles en ook een zelfportret.

Leopold Scrayen ontwikkelde een sterk persoonlijke stijl, ‘kubistisch’ zoals hijzelf de neo-art-decostijl definieerde waarin hij portretten uit het hout hakte.

Hij was getrouwd met Maria Vandebroek en had drie dochters.

De jongste dochter, Gabriëlle, was aanvankelijk operazangeres bij de Koninklijke Opera van Antwerpen.

Na een reeks gastoptredens in januari 1980 in de opera van Sidney kwam zij niet meer naar Vlaanderen terug en bleef zij in Australië wonen.

In Perth ging zij weer studeren en na haar studies kon.

Zij achtereenvolgens als lerares en chemica aan de slag in haar nieuwe thuisland.

In 1986 emigreerde ook Leopolds oudste dochter Jenny.

Zij had een echtscheiding achter de rug en vertrok met haar drie kinderen om in Australië, als kunstenares, een nieuwe toekomst op te bouwen.

In februari 1989 ging ook de derde dochter met haar man en twee kinderen zich in Australië vestigen.

Leopold en zijn echtgenote bleven als verweesd achter.

Al vlug konden zij het verlangen naar hun kinderen, klein- en achterkleinkinderen niet langer onderdrukken en uiteindelijk, op 16 februari 1990, waagde ook het ouderpaar de overtocht en werd de hele familie er weer herenigd.

Nadat Leopold in Hechtel had bewezen een begenadigde kunstenaar, een oertalent te zijn, viel de artistieke creativiteit van de ruim 70-jarige man, na de emigratie naar Australië wat stil, maar zijn al even getalenteerde dochter Jenny zette er de traditie verder. In haar jeugd uitsluitend opgeleid door haar vader, maakt zij zich nu nog verdienstelijk met, zoals gezegd, het geven van lessen ‘wood-carving’ aan diverse kunstacademies.

In Australië maakte zij onder meer ook naam door het maken van houtsculpturen voor replica’s van historische schepen naar middeleeuwse modellen.

Verteerd door heimwee naar zijn geboortedorp, overleed vader Scrayen er op 79-jarige leeftijd.

Hij overleed te Marangaroo (Perth, West-Australië) op 21 augustus 1999.(Diverse bronnen, Paul Thiers en De Post van 2 mei 1971)

50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny
50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny
50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny

50 jaar geleden, sfeerbeelden van de wereldtentoonstelling van 1970 in Osaka, in Japan.

Met aandacht voor het Belgisch en Nederlands paviljoen.

Belgisch paviljoen: foto 2,3, 4, 5, 6 en 9

Jules Wabbes, Belgisch interieurarchitect, inrichting van het Belgisch paviljoen

Jacques Wirtz, Belgisch tuinarchitect, Belgisch paviljoen (foto 6)

Jacques Wirtz maakte doorheen de jaren naam in binnen- en buitenland.

Zijn grote doorbraak kwam er toen hij tijdens de wereldtentoonstelling van 1970 in Osaka de tuin van het Belgische paviljoen mocht ontwerpen

Hubert Minnebo, Belgisch beeldend kunstenaar, drie bronzen beelden in het Belgisch paviljoen

Nederlands paviljoen: 1, 7 en 8

Carel Weeber en Jaap Bakema, architecten, ontwerp van het Nederlands paviljoen

Total Design, Wim Crouwel, inrichting van het Nederlands paviljoen

Peter Struycken

Jan Vrijman, Nederlands cineast, film voor het Nederlands paviljoen (foto 8)

50 jaar geleden, sfeerbeelden van de wereldtentoonstelling van 1970 in Osaka, in Japan.
50 jaar geleden, sfeerbeelden van de wereldtentoonstelling van 1970 in Osaka, in Japan.
50 jaar geleden, sfeerbeelden van de wereldtentoonstelling van 1970 in Osaka, in Japan.
50 jaar geleden, sfeerbeelden van de wereldtentoonstelling van 1970 in Osaka, in Japan.
50 jaar geleden, sfeerbeelden van de wereldtentoonstelling van 1970 in Osaka, in Japan.
50 jaar geleden, sfeerbeelden van de wereldtentoonstelling van 1970 in Osaka, in Japan.
50 jaar geleden, sfeerbeelden van de wereldtentoonstelling van 1970 in Osaka, in Japan.

Vandaag 100 jaar geleden, huwelijk van de Franse bokser Georges Carpentier in Parijs.

Tijdens de Wereldtentoonstelling in Gent op 1 juni 1913 versloeg hij “Bombardier” Billy Wells en was daardoor de eerste zwaargewicht kampioen van Europa.

Op diezelfde dag is in Gent ook officieel de International Boxing Union opgericht.

In de Eerste Wereldoorlog was hij een beroemde piloot en kreeg na de oorlog daarvoor twee medailles namelijk de Croix de Guerre en de Médaille militaire

Na het stoppen met boxen, ging hij aan de slag als Vaudeville zanger in Groot-Brittannië en Amerika.

Hij was ook te zien in zes films en hij schreef zelfs een roman.

In 1935 opende hij in Parijs een chique bar, Chez Georges Carpentier.

Dit bleef hij doen tot aan zijn dood in 1975.

Hij werd verkozen tot de International Boxing Hall of Fame in 1991 en de Parijse Sports Arena Halle Georges Carpentier is naar hem vernoemd.(Diverse bronnen, Wikipedia en Ons Volk van maart 1920)