De onsterfelijke stem van Leonard Cohen

Vandaag is het precies tien jaar geleden dat Leonard Cohen op 7 november 2016 op 82-jarige leeftijd overleed, en dat is een mooi moment om stil te staan bij zijn bijzondere nalatenschap.

Zijn artistieke loopbaan begon in 1956, toen hij na zijn studies aan de slag ging als dichter. In april 1960, op 25-jarige leeftijd, kwam hij aan op het Griekse eiland Hydra, op zoek naar een zonnige en goedkope plek om te schrijven.

Het eiland was toen een toevluchtsoord voor buitenlandse kunstenaars, zonder auto’s, met nauwelijks elektriciteit en zonder stromend water.

In september van dat jaar kocht hij met een erfenis van zijn grootmoeder een vervallen eeuwenoud huis op de heuvel voor 1.500 dollar.

Het had een groot terras met uitzicht over de haven, maar geen elektriciteit of sanitair; ’s avonds brandden er petroleumlampen en kaarsen.

Cohen noemde die aankoop later een van de slimste beslissingen van zijn leven en hield het huis tot zijn dood.

Daar ontmoette hij in het voorjaar van 1960 de Noorse Marianne Ihlen, die toen net door haar man, de schrijver Axel Jensen, was verlaten en alleen achterbleef met hun pasgeboren zoontje.

De intense en open relatie tussen Cohen en Marianne duurde zo’n zeven jaar en werd een van de belangrijkste relaties in Cohens leven.

Marianne werd zijn muze en inspireerde onder meer de klassiekers ‘So Long Marianne’ en ‘Hey, That’s No Way to Say Goodbye’.

Ze staat ook afgebeeld op de achterkant van het album ‘Songs From a Room’.

Op Hydra leefden ze eenvoudig: Cohen stond vroeg op en schreef de ochtend door op zijn typemachine op het terras, terwijl Marianne hem elke ochtend een verse bloem op zijn bureau legde.

Hij werkte er aan zijn eerste roman ‘The Favourite Game’ en aan ‘Beautiful Losers’, en vond er de rust die hij elders miste.

Zelfs nadat hun relatie eindigde, bleven ze elkaar jarenlang schrijven.

Toen Marianne in 2016 stervende was, stuurde Cohen haar een ontroerende afscheidsbrief waarin hij schreef dat hij haar spoedig zou volgen.

Ze overleed op 28 juli van dat jaar, enkele maanden voor Cohen zelf.

Pas vanaf 1966, toen hij al 32 jaar oud was, begon hij zelf liedjes te schrijven en te zingen. Met ‘Suzanne’ (eerst door Judy Collins opgenomen in 1966) scoorde hij in 1967 en 1968, samen met zijn debuutalbum, zijn eerste grote succes in Europa, met name in Frankrijk.

In die periode verhuisde hij naar de Verenigde Staten en bracht hij een hele reeks albums uit.

Na een wat stillere periode kreeg zijn muziek opnieuw de wind in de zeilen dankzij de steun en bewondering van artiesten als Nick Cave en The Sisters Of Mercy.

Dit leidde tot hernieuwd commercieel succes met iconische albums als ‘Various Positions’, met tijdloze nummers als ‘Dance Me To The End Of Love’ en ‘Hallelujah’, en later ‘I’m Your Man’, met klassiekers als ‘Take This Waltz’ en ‘First We Take Manhattan’.

Vooral ‘Hallelujah’, dat in december 1984 op single verscheen, kent een fascinerende geschiedenis.

Cohen schreef het nummer in het New Yorkse Royalton Hotel en had oorspronkelijk wel tachtig strofes vol Bijbelse referenties op papier staan.

Aanvankelijk verdween het nummer een beetje in de anonimiteit, tot John Cale van The Velvet Underground een bewerking opnam voor het Cohen-tributealbum ‘I’m Your Fan’.

Het was die versie die de jonge singer-songwriter Jeff Buckley inspireerde om in 1994 zijn inmiddels legendarische cover op te nemen voor zijn enige studioalbum ‘Grace’.

Bob Dylan was een van de eersten die het nummer live bracht: hij zong het in 1988 twee keer (in Montreal en Los Angeles), maar nam het daarna nooit meer op in zijn concerten

Daarna volgde een haast eindeloze stroom aan versies van uiteenlopende artiesten zoals Willie Nelson, Michael McDonald, Susan Boyle en Bono.

In 2004 nam de Canadese k.d. lang een krachtige versie op (op haar album Hymns of the 49th Parallel), die later grote successen zou boeken, onder meer met een tweede plaats in Canada en hoge noteringen in Scandinavië.

Twee jaar later, in 2006, bereikte het Noorse kwartet Espen Lind, Kurt Nilsen, Alejandro Fuentes en Askil Holm de eerste plaats in Noorwegen.

In het Verenigd Koninkrijk bereikte de versie van Alexandra Burke, winnares van het vijfde seizoen van The X Factor, tijdens de kerst van 2008 zelfs de eerste plaats in de hitparade.

Daardoor stonden voor het eerst in 51 jaar twee versies van hetzelfde nummer op één en twee in de Britse charts, met Burke aan de top en Jeff Buckley op de tweede plaats, terwijl Cohen zelf op nummer 36 opdook.

In Vlaanderen kwamen Natalia en Gabriel Ríos in februari 2010 op nummer één binnen in de Ultratop met een benefietversie voor de slachtoffers van de aardbeving in Haïti, een positie die ze met onderbrekingen vijf weken vasthielden.

Tot op de dag van vandaag duikt het nummer nog regelmatig op in talentenjachten.

Dat we Cohen op latere leeftijd nog zo intensief op het podium hebben mogen meemaken, had ironisch genoeg een pijnlijke aanleiding.

In 2004 ontdekte hij dat zijn voormalige manager (en kortstondige partner) Kelley Lynch een groot deel van zijn vermogen had verduisterd, naar schatting tussen de 5 en ruim 8 miljoen dollar.

Hij spande in 2005 een civiele rechtszaak tegen haar aan bij de Superior Court in Los Angeles en won: de rechtbank veroordeelde Lynch tot het terugbetalen van zo’n 9,5 miljoen dollar.

Dat geld heeft hij echter nooit ontvangen.

Cohen was daardoor vrijwel blut en moest noodgedwongen weer de wereld rondtrekken om financieel overeind te blijven.

Lynch werd later, in 2012, wel veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, maar dat was wegens aanhoudende stalking en intimidatie, niet voor de diefstal zelf.

Dat leverde een aantal onvergetelijke concerten op, waaronder zijn memorabele passage in het Minnewaterpark in Brugge in 2008, wat zijn eerste Belgische optreden sinds 1993 was.

Datzelfde jaar werd hij terecht opgenomen in de Rock ‘n’ Roll Hall of Fame.

In 2012 volgde nog een magisch optreden op het Gentse Sint-Pietersplein, herinneringen die velen nog altijd koesteren aan een van de allergrootste meesters van het woord en het lied.

De meester van het woord: over de onverwoestbare nalatenschap van Leonard Cohen

‘The Partisan’ geldt als een van de meest beklijvende nummers uit het vroege repertoire van Leonard Cohen, maar anders dan velen denken, schreef hij het niet zelf.

De wortels van het nummer liggen diep in het Franse verzet van de Tweede Wereldoorlog, en meer specifiek in het opmerkelijke levensverhaal van een Frans-Russische muzikante.

De vrouw achter de muziek werd in oktober 1917 in Sint-Petersburg geboren als Anna Betoelinskaja.

Na het uitbreken van de Russische Revolutie vluchtte haar moeder met haar naar Frankrijk.

Ze groeide op aan de Côte d’Azur en bouwde later in Parijs een reputatie op als zangeres en gitariste in het cabaret Shéhérazade.

Haar artiestennaam Marly koos ze simpelweg door met haar vinger door een Parijs telefoonboek te bladeren.

Toen Frankrijk in 1940 door de nazi’s werd bezet, vluchtte Marly via Spanje en Portugal naar Groot-Brittannië. In Londen sloot ze zich aan bij de kring van de Vrije Fransen rond Charles de Gaulle.

Overdag hielp ze als vrijwilligster bij het puinruimen na de zware Duitse bombardementen tijdens de Blitz, en ’s avonds trad ze op voor geallieerde soldaten en verzetslieden.

Haar allergrootste bijdrage aan het verzet leverde ze met haar gitaar en haar stem. In 1941 schreef ze, diep geraakt door berichten over de strijd van Sovjet-partizanen tegen de Duitse bezetter, een strijdlied in het Russisch: ‘Pesnja partizan’.

Toen verzetsleider Emmanuel d’Astier de La Vigerie, schrijver Joseph Kessel en diens neef Maurice Druon haar het nummer in Londen hoorden spelen, waren ze diep onder de indruk.

Kessel en Druon schreven er een Franse tekst bij, en zo ontstond ‘Le Chant des partisans’.

De melodie werd door verzetslieden gefloten en opgenomen voor Radio Londres, de Franstalige uitzendingen van de BBC.

Twee keer per dag klonk het karakteristieke gefloten motief door de radioluidsprekers als herkenningsmelodie van het programma ‘Honneur et Patrie’.

Dat fluiten had een praktisch doel: het sneed helder door eventuele Duitse stoorzenders heen en kon door ondergrondse strijders in het veld gefloten worden als discreet herkenningsteken.

Het lied groeide uit tot het officiële volkslied van het Franse maquis en de binnenlandse strijdkrachten.

Naast dit strijdbare epos componeerde Marly in Londen in 1943 nog een ander, veel melancholischer nummer: ‘La complainte du partisan’.

De tekst werd geschreven door Emmanuel d’Astier de La Vigerie, de vooraanstaande verzetsleider die onder de schuilnaam Bernard opereerde.

Waar ‘Le Chant des partisans’ een vurige oproep tot de wapens was, verklankte ‘La complainte’ de eenzaamheid, het verlies en de opoffering van de individuele verzetsstrijder, die zijn have en goed achterlaat.

Ook dit lied werd destijds via Radio Londres uitgezonden naar het bezette Frankrijk en groeide uit tot een stil volkslied van hoop en ondergronds verzet.

Na de bevrijding werd Anna Marly door generaal Charles de Gaulle persoonlijk bedankt, waarbij hij haar gitaar omschreef als haar eigen verzetswapen.

Ze ontving later de hoogste Franse onderscheidingen, waaronder het Légion d’honneur.

Hoewel ze na de oorlog verder de wereld rondreisde, muziek bleef schrijven (onder meer voor Édith Piaf) en zich uiteindelijk in de Verenigde Staten vestigde, bleef ze in Frankrijk voor altijd bekend als ‘la troubadour de la Résistance’.

In 1944 vertaalde de Amerikaanse componist en liedjesschrijver Hy Zaret de Franse woorden van ‘La complainte du partisan’ naar het Engels.

Zaret zou later wereldberoemd worden als tekstschrijver van de klassieker ‘Unchained Melody’.

Leonard Cohen leerde het lied al op vijftienjarige leeftijd kennen tijdens een progressief jeugdzomerkamp in de bossen van Quebec. De rauwe, sobere sfeer en de thematiek van een eenzame strijder die have en goed achterlaat om tegen het fascisme te vechten, lieten een onuitwisbare indruk op hem achter.

Toen Cohen in 1969 werkte aan zijn tweede album, ‘Songs from a Room’, besloot hij het nummer in Nashville op te nemen met producer Bob Johnston.

Cohen combineerde de Engelse vertaling van Hy Zaret met het oorspronkelijke Franse refrein en een strofe van Emmanuel d’Astier.

Zijn kenmerkende, diepe voordracht werd aangevuld met akoestische gitaar en ingetogen achtergrondzang van onder meer zangeres Corlynn Hanney, wat het nummer een tijdloos en plechtig karakter gaf.

‘The Partisan’ werd een vast en geliefd onderdeel van zijn optredens, ook tijdens zijn latere wereldtournees tussen 2008 en 2013, waarbij de akoestische spanning en de overgang tussen het Engels en het Frans het publiek telkens weer ademloos stil wisten te krijgen.

Geef een reactie