Vandaag 45 jaar geleden stapt Ringo Starr in het huwelijksbootje met de Amerikaanse actrice Barbara Bach.

In 1965 stapte Ringo Starr in het huwelijksbootje met Maureen Cox, met wie hij drie kinderen kreeg: Zak, Jason en Lee. Hoewel hun huwelijk in 1975 strandde, vond de drummer opnieuw het geluk bij Barbara Bach.

De twee ontmoetten elkaar op de set van de film Caveman en trouwden op 27 april 1981. Inmiddels is de familie flink uitgebreid met zeven kleinkinderen en sinds augustus 2016 zelfs een achterkleinkind.

Muzikaal talent zit overduidelijk in de genen, want zijn oudste zoon Zak Starkey is sinds 1996 de vaste drummer van The Who en speelde voorheen ook bij Oasis.

Een bijzonder hoogtepunt in Ringo’s leven was 29 december 2017, de dag waarop hij door koningin Elizabeth tot ridder werd geslagen.

Zijn echtgenote Barbara Bach heeft zelf ook een indrukwekkend pad afgelegd.

De in Queens geboren Bach verliet op zestienjarige leeftijd voortijdig de schoolbanken om een modellencarrière na te jagen, wat haar een jaar later al de status van internationaal topmodel opleverde.

Nadat ze op achttienjarige leeftijd trouwde met Augusto Gregorini, verhuisde ze naar Italië en kreeg daar twee kinderen.

Tijdens haar verblijf in Europa pikte ze haar eerste filmrollen op, maar na haar scheiding in 1975 keerde ze terug naar de Verenigde Staten.

Haar grote doorbraak volgde in 1977 als de iconische Russische agente Anya Amasova in de James Bond-film The Spy Who Loved Me, een rol die haar wereldberoemd maakte.

Tegenwoordig richt Bach haar energie vooral op liefdadigheidswerk en geniet ze met Starr van hun leven in diverse woningen, verspreid over locaties als Monte Carlo en Beverly Hills.

Meer dan een halve eeuw na het uiteenvallen van The Beatles zorgen de inmiddels 85-jarige Ringo Starr en de 83-jarige Paul McCartney voor een grote verrassing.

Hoewel de twee altijd goede vrienden bleven en incidenteel op elkaars nummers meespeelden, hielden ze hun solocarrières jarenlang strikt gescheiden.

Daar komt nu verandering in met een unieke samenwerking in de vorm van een duet. Het nummer, getiteld ‘Home to u’s, staat op het achttiende studioalbum van McCartney, The boys of Dungeon Lane, dat eind mei verschijnt.

De titel van het door Andrew Watt geproduceerde album verwijst naar een straat in de Liverpoolse wijk Speke, waar de wortels van McCartney liggen.

De weg naar dit duet verliep overigens niet zonder slag of stoot.

Het project kwam moeizaam op gang door een reeks misverstanden.

In eerste instantie had Ringo al drumpartijen opgenomen zonder dat er een concreet lied lag, maar omdat Paul er lange tijd niets mee deed, raakte Ringo geïrriteerd door het gebrek aan vaart.

Pas toen Paul zich realiseerde hoe sterk het drumwerk was, schreef hij er een tekst omheen over hun gezamenlijke jeugd.

De communicatie haperde opnieuw toen Ringo een e-mail over de zangpartijen verkeerd interpreteerde en alleen het refrein inzong, waardoor Paul dacht dat zijn oude bandgenoot het nummer niet zag zitten.

Gelukkig werden deze misverstanden uiteindelijk uit de wereld geholpen, met een bijzondere muzikale reünie als resultaat.

Ontdek de spannende uitslag van de allereerste Joepie-superpoppoll uit 1976!

In de eerste superpoll van 1976 van het tijdschrift Joepie brachten 4.736 lezers hun stem uit om hun favoriete artiesten en platen van dat moment te kiezen.

In de categorie voor beste zanger wist Willy Sommers de eerste plaats te veroveren met 21 procent van de stemmen, gevolgd door Will Tura met 17 procent en Joe Harris met 15 procent.

Verderop in de lijst staan namen als Jimmy Frey, Johan Verminnen en Wim De Craene. Urbanus Van Anus sluit de top negen af met 2 procent.

Bij de zangeressen voert Marva de lijst aan met 22 procent. De top drie wordt hier aangevuld door Cindy met 19 procent en Ann Christy met 17 procent.

Andere populaire zangeressen in de lijst zijn onder meer Truus, Mieke en Ingriani.

Onder de diverse artiesten die de tiende plaats delen, worden namen genoemd zoals Micha Marah en Sofie.

In de categorie voor groepen komt Octopus als winnaar uit de bus met 22 procent van de stemmen.

Dream Express volgt op de tweede plek met 17 procent en De Strangers maken de top drie compleet met 16 procent.

Ook groepen als The Garnets, Two Man Sound en Trinity waren geliefd bij het publiek.

Wat de singles betreft, was ‘Voor hem, voor haar, voor mij’ van Will Tura het meest populair met 16,5 procent.

Dream Express staat tweede met het nummer ‘Dream Express’ en Willy Sommers bezet de derde plaats met ‘Ben je vanavond ook alleen’.

Andere opvallende nummers in deze lijst zijn ‘Rode rozen in de sneeuw’ van Marva en ‘Tim’ van Wim De Craene.

Ten slotte bij de elpees staat de verzamelplaat Joepie’s Flying Toppers op de eerste plaats met 21 procent.

Willy Sommers volgt met het album Alleen op de tweede plek met 17,5 procent en Dream Express staat op drie met Dreaming.

Het jubileumalbum 20 jaar Strangers en het album ‘In De Weide’ van Urbanus wisten beide ook een aanzienlijk deel van de stemmen te behalen.

Luk Appermont voert de lijst van televisiepresentatoren aan met 24 procent van de stemmen, op de voet gevolgd door Mike Verdrengh en Zaki.

Bij de radioprogramma’s is de BRT Top 30 de duidelijke favoriet, terwijl Jo met de Banjo de populairste radio-dj wordt genoemd.

Op televisiegebied is het programma Slalom de grote winnaar, net voor Rad der Fortuin en Muzieksien.

In de muziekcategorieën zien we een sterke nationale en internationale mix. Wim De Craene wordt door de lezers gezien als de belangrijkste showbelofte.

Bij de zangeressen staat Tina Charles op de eerste plaats met 25 procent, terwijl de Britse zanger Dave de lijst van buitenlandse zangers aanvoert, gevolgd door Elvis Presley en Rod Stewart.

De populaire groep Mud domineert de categorie groepen met 31 procent, waarbij zij Queen en de Rubettes achter zich laten.

De hitlijsten weerspiegelen de opkomst van klassiekers die we vandaag de dag nog steeds kennen.

Bohemian Rhapsody van Queen wordt verkozen tot de beste single, en hun album A Night at the Opera voert de lijst van beste elpees aan.

Andere hooggeklasseerde singles uit die periode zijn ‘Love Hurts’ van Nazareth en ‘Paloma Blanca’ van de George Baker Selection.

Het overzicht toont aan dat zowel de Vlaamse kleinkunst als de internationale glamrock en pop in 1976 een prominente plek innamen in de harten van het publiek.

In de categorie voor beste tv-programma eindigt Toppop op de eerste plaats met 22 procent van de stemmen, gevolgd door André van Duin en Top of the Pops.

Bij de presentatoren voert Ad Visser de lijst aan, terwijl Stan Haag wordt verkozen tot de favoriete radio-dj boven Joost de Draayer en Peter van Dam.

De lezers van het blad hebben Mi Amigo uitgeroepen tot het beste radiostation met 32 procent van de stemmen, terwijl de Nederlandse NOS met een overweldigende 68 procent de ranglijst voor tv-stations domineert.

Op het gebied van muziek en showbizz wordt de Mi Amigo Top 50 beschouwd als de beste hitlijst.

De groep Nazareth wordt gezien als de grote showbelofte van het jaar, nipt gevolgd door Hello en Slik.

Opvallend is dat namen zoals Bruce Springsteen en Barry Manilow destijds ook al een plek in deze lijst wisten te veroveren.

Voor ontspanning op het scherm keken de jongeren het liefst naar De onzichtbare man, die als beste tv-feuilleton uit de bus kwam, voor de Hammond Brothers en De man van zes miljoen.

In de filmwereld blijven de grote iconen populair. Paul Newman wint de titel van beste filmacteur, met Terence Hill en Robert Redford als naaste achtervolgers.

Bij de actrices staat Linda Blair op nummer één, gevolgd door Angie Dickinson en Romy Schneider.

De sportwereld wordt in 1976 aangevoerd door Eddy Merckx, die met 21 procent verkozen is tot beste sportman boven Roger De Vlaeminck en Bjorn Borg.

Bij de vrouwelijke atleten gaat de hoogste eer naar Carine Verbauwen, die Diane De Leeuw en Sheila Young achter zich laat.

Vijfenzestig jaar geleden: de grote Gentse rattenoorlog van 1961

In april 1961 was de maat voor de inwoners van Gent eindelijk vol.

De stad, die met haar schilderachtige reien en vesten zo geliefd was bij wandelaars, ging gebukt onder een ware rattenplaag.

De overlast was zo groot geworden dat de knagers zelfs overdag onbeschaamd over straat renden.

Wandelaars zagen hoe de dieren het brood voor de vogels wegkaapten en werklieden aan de waterkant konden hun lunch geen moment onbeheerd achterlaten zonder dat deze door de brutale veelvraten werd verorberd.

De schade aan woningen en meubilair was niet meer te overzien en de angst zat er bij de Gentenaars goed in.

Om dit probleem grondig aan te pakken, besloot het stadsbestuur af te stappen van ouderwetse methoden.

In plaats van individuele rattenvangers in te schakelen, werd er gekozen voor een wetenschappelijke benadering in samenwerking met een gespecialiseerde firma uit Mechelen.

De strategie speelde in op de natuurlijke intelligentie en nieuwsgierigheid van de ratten.

Er werd een speciaal soort lokaas ontwikkeld dat niet direct dodelijk was, maar pas na verloop van tijd werkte.

Dit voorkwam dat de dieren argwaan kregen wanneer ze een dode soortgenoot bij het voedsel zagen liggen.

De uitvoering van dit plan was vindingrijk. Men plaatste speciale houten lokaasbakken van ongeveer een halve meter lang langs de stadsvesten.

Deze bakken bevatten een vernuftig doolhofsysteem, waardoor alleen de ratten bij het vergif konden komen.

Voor mensen, honden en katten was het systeem volkomen veilig, aangezien zij fysiek onmogelijk bij de binnenste compartimenten konden komen.

Bovendien was de concentratie van de werkzame stof zo laag dat grotere zoogdieren er nauwelijks hinder van zouden ondervinden, zelfs bij onverhoopte aanraking.

De resultaten van deze grootschalige actie waren medio april 1961 al overduidelijk merkbaar.

In de eerste weken na het uitzetten van de bakken werden duizenden ratten gedood, veelal onzichtbaar in hun eigen holen onder de grond.

De bewoners langs de Ketelvest en de Muinkkaai merkten als eersten dat de overlast drastisch afnam.

Waar de stad voorheen nog machteloos leek tegen de grijze plaag, zorgde deze gecoördineerde aanpak voor een enorme opluchting.

De Gentse straten en kelders werden eindelijk weer rustig en veilig, wat door de bevolking als een groot succes werd onthaald.

Het is vandaag al 40 jaar geleden dat de Franse schrijver en dichter Jean Genet is overleden.

Het bewogen leven van de in Parijs geboren Jean Genet vormde een onuitputtelijke bron voor zijn literaire werk.

Omdat hij een ongewenst kind was, liet zijn moeder hem achter bij het Burgerlijk Armenbestuur, waarna hij via een weeshuis bij een timmermansgezin in de Morvan terechtkwam.

Hoewel veel pleegkinderen destijds vooral als goedkope arbeidskrachten werden gezien, trof Genet het met een liefdevolle pleegmoeder.

Hij was een rustige jongen die veel las en goed leerde, maar toch begon hij vanaf zijn tiende te stelen.

Toen hij op die jonge leeftijd voor het eerst in de cel belandde, besloot hij de rol van dief volledig te omarmen, simpelweg omdat de maatschappij hem dit stempel al had opgeplakt.

Na de dood van zijn pleegmoeder en een mislukte opleiding volgde een grimmige periode van weglopen en tuchthuizen.

Vooral zijn tijd in het beruchte opvoedingsgesticht Mettray, een harde mannenwereld vol perverse machtsverhoudingen, liet diepe sporen na.

In tegenstelling tot veel anderen voelde Genet zich daar juist thuis. Eenmaal vrij gaf hij zich over aan een zwerfbestaan vol criminaliteit en prostitutie, en na een korte periode in het vreemdelingenlegioen belandde hij opnieuw regelmatig achter de tralies.

Tijdens een van deze opsluitingen aan het begin van de Tweede Wereldoorlog begon hij met schrijven.

Na een lang gedicht over een ter dood veroordeelde moordenaar voltooide hij zijn debuutroman Onze Lieve Vrouw van de Bloemen. In dit boek neemt de hoofdpersoon de lezer mee op een hallucinante reis door de wereld van pooiers en verschoppelingen.

Het werk was destijds schokkend en zijn tijd ver vooruit. Terwijl Nederland pas in de jaren zestig via Gerard Reve kennismaakte met vergelijkbare homo-erotische thema’s, werd Genet in Frankrijk direct opgemerkt door grootheden als André Gide en Jean-Paul Sartre.

Toen Genet in 1948 een levenslange gevangenisstraf riskeerde, kwamen invloedrijke vrienden zoals Picasso en Cocteau voor hem in actie.

Dankzij een gratieverzoek aan de president kwam hij vrij, waarna hij zich volledig op zijn kunst kon storten.

Hij maakte naam als avant-gardistisch toneelschrijver met stukken als De Meiden en regisseerde de provocerende film Un Chant d’Amour.

Met zijn werk probeerde hij de façade van de burgerlijke samenleving te doorbreken en de eenzaamheid van de mens te tonen.

In zijn latere jaren bleef Genet een controversieel figuur door zijn steun aan radicale politieke groeperingen zoals de Black Panthers en de RAF.

Hij leidde een rusteloos leven, reisde veel en liet uiteindelijk een huis bouwen in Marokko.

Jean Genet overleed op 75-jarige leeftijd in een Parijse hotelkamer en vond zijn laatste rustplaats in het Marokkaanse Larache.

Zijn artistieke erfenis leeft nog altijd voort, wat onder meer blijkt uit de diverse opera’s die in de eenentwintigste eeuw op zijn oeuvre werden gebaseerd.

Vandaag dertig jaar geleden onthulde historicus Rein Bijkerk een opmerkelijk hoofdstuk uit de Nederlandse geschiedenis: in 1919, vlak na de Eerste Wereldoorlog, stond Nederland op het punt om België binnen te vallen.

De legertop trof destijds vergaande voorbereidingen voor een militaire operatie, een plan waar ook minister van Oorlog Alting von Geusau volledig van op de hoogte was.

De aanleiding voor deze agressieve houding lag in de enorme spanningen tussen de buurlanden na de Grote Oorlog.

België wilde de eigen grenzen beter kunnen verdedigen en claimde daarom Zeeuws-Vlaanderen, om de controle over de Schelde te verkrijgen, en delen van Limburg voor een betere bewaking van de Duitse grens.

Zowel de Nederlandse legerleiding als de minister hielden serieus rekening met een Belgische annexatie.

Om de zuiderburen voor te zijn en te voorkomen dat de geallieerden de Belgische eisen zouden steunen in het Verdrag van Versailles, broedde de legertop op een preventieve bliksemactie.

Volgens Bijkerk, die zich baseert op correspondentie uit geheime defensiearchieven, wilde de militaire top drie van de vier Nederlandse legerdivisies in Noord-Brabant samentrekken.

Van daaruit moest een aanval worden ingezet op het Belgische hart, met Antwerpen en Brussel als hoofddoelen.

Een cruciaal bewijsstuk is een memorandum van 16 september 1919 van generaal Burger aan de waarnemend opperbevelhebber, generaal Pop.

Burger stelde hierin onomwonden dat het leger niet gedemobiliseerd mocht worden, maar de volle aandacht op het zuiden moest richten om België met maximale kracht en snelheid een slag toe te brengen.

Pop reageerde enkele dagen later instemmend op dit aanvalsplan.

Uit aantekeningen in de kantlijn van deze documenten blijkt dat diverse defensieafdelingen nauw betrokken waren bij de invasieplannen.

Er lagen zelfs al gedetailleerde schema’s klaar voor de inzet van de cavalerie en wielrijders; alleen de exacte marsroutes moesten nog worden ingevuld.

Dat minister Alting von Geusau de plannen steunde, bleek onder meer uit zijn strijdbare taal in de Tweede Kamer, waar hij verklaarde dat Nederland zich niet als een schaap van de vacht zou laten ontdoen.

Ondertussen probeerde de Belgische politicus Hymans de geallieerde grootmachten te overtuigen van de Belgische eisen.

Aanvankelijk leek hij succes te boeken toen er een commissie werd opgericht om de grensherzieningen te onderzoeken.

De diplomatieke strijd tussen België en Nederland ontaardde echter in een bittere ruzie, waarna de grote mogendheden in juni 1919 ingrepen.

Er kwam een nieuwe commissie die de oude verdragen mocht herzien, maar met één harde voorwaarde: van gebiedsuitbreiding kon geen sprake meer zijn.

Hoewel België op diplomatiek vlak verloor, bleven de spanningen aanhouden.

De Belgen probeerden alsnog invloed te krijgen op de militaire verdediging van de Maas en de Schelde en droomden zelfs van een volksraadpleging in de betwiste gebieden.

Uiteindelijk kwam het nooit tot een gewapende confrontatie, vooral omdat Engeland en Frankrijk zich openlijk tegen de Belgische territoriale claims keerden.

België moest uiteindelijk genoegen nemen met Eupen-Malmedy en een protectoraat in Afrika, terwijl de Nederlandse aanvalsplannen definitief in de archiefkast verdwenen (Diverse bronnen, Trouw, persconferentie 14 april 1996)

50 jaar geleden, Pierre Rapsat over zijn deelname aan het Eurovisiesongfestival in Den Haag.

Hoewel hij vereerd was dat hij België mocht vertegenwoordigen op het Eurovisiesongfestival op 3 april 1976 in Den Haag met het nummer ‘Judy et Cie’, stak hij zijn teleurstelling over de gang van zaken in eigen land niet onder stoelen of banken.

Rapsat merkte op dat de beleving van het festival in Wallonië aanzienlijk minder intens was dan in Vlaanderen, wat onder meer bleek uit de sobere manier waarop de RTBF de selectie organiseerde.

De kandidaten werden op verschillende tijdstippen gefilmd zonder publiek, waardoor de kijkers en de jury de artiesten nooit live aan het werk hadden gezien.

De zanger omschreef het proces als een nogal afstandelijke ervaring waarbij hij zelf als een gewone toeschouwer voor de televisie zat te wachten op het oordeel.

Ondanks deze kritiek zag Rapsat het festival als een unieke kans op internationale promotie, zeker omdat zijn eerdere albums ondanks goede recensies commercieel weinig succesvol waren.

Hij benaderde de wedstrijd dan ook met een zakelijke nuchterheid en hoopte vooral dat het een springplank zou zijn voor zijn verdere carrière.

Hij vergeleek zijn situatie met die van de Nederlandse inzending Sandra Reemer, die volgens hem direct na haar selectie volop de ruimte kreeg in diverse televisieprogramma’s en binnen een week een hit scoorde.

Volgens Rapsat moesten Belgische artiesten veel harder vechten voor een plek op het kleine scherm en ontbrak het in België vaak aan de nodige professionele omkadering en steun om internationaal echt door te kunnen breken.

Uiteindelijk behaalde Pierre Rapsat op het festival de achtste plaats op een totaal van 18 deelnemers.

In Wallonië bereikte het nummer de zevende plaats in de hitparade, terwijl hij in Vlaanderen met zijn nummer de zestiende plaats in de BRT Top 30 behaalde.

In Nederland bereikte de single de eenendertigste plaats in de Top 40.

De muzikale wortels van Rapsat lagen in Verviers, de stad waarheen hij met zijn familie verhuisde toen hij tien jaar oud was en waar hij de rest van zijn leven zou blijven wonen.

Na in verschillende bands gespeeld te hebben, startte hij in 1973 zijn solocarrière.

Enkele jaren na zijn Eurovisie-avontuur vertegenwoordigde hij België in 1979 opnieuw op een internationaal podium, ditmaal op het Intervisiesongfestival in Sopot, waar hij als tiende eindigde van dertien deelnemers.

In 1982 scoorde hij een radiohit met het nummer ‘Passagers de la nuit’.

Zijn grote artistieke triomf volgde in 2001 met het album Dazibao, dat zowel in België als Frankrijk zeer lovend werd onthaald.

Het bleek een van zijn laatste grote wapenfeiten, want in 2002 overleed hij op 53-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker.

Zijn impact op de Belgische cultuur bleef groot; in 2005 eindigde hij op de 51ste plaats in de Waalse verkiezing van De Grootste Belg.

Vandaag vieren we de 215e geboortedag van Adolphe François Hyacinte Joseph Papeleu, een invloedrijke tuinbouwer en botanist.

Hij werd op 7 april 1811 geboren in Aalst, maar verhuisde al op jonge leeftijd met zijn ouders, rentenier Louis Joseph Papeleu en Collette Romaine Tack, naar Ledeberg bij Gent.

Zijn ondernemersgeest kwam al vroeg tot uiting toen hij in 1836 een succesvolle sier- en fruitboomkwekerij oprichtte in Wetteren.

Drie jaar later zocht hij de samenwerking op met Louis Van Houtte om in Gentbrugge een nieuw bedrijf te starten dat zich volledig toelegde op bloemen en planten.

In 1844 sloeg Papeleu een avontuurlijker pad in door voor de Compagnie Belge de Colonisation te gaan werken.

Als leider van botanische expedities in Guatemala en inspecteur van proeftuinen in de toenmalige Belgische nederzetting Santo Thomas deed hij internationale ervaring op.

Na zijn terugkeer in 1847 pakte hij de draad in Wetteren weer op.

Op de Boskantse Hei realiseerde hij de grootste boomkwekerij van België, met een indrukwekkend assortiment aan struiken, sier- en fruitbomen.

Deze onderneming was niet alleen commercieel belangrijk, maar bood ook de nodige werkgelegenheid in een regio die zwaar getroffen was door de landbouwcrisis van de 19e eeuw.

Hoewel Papeleu in 1859 op 48-jarige leeftijd in Ledeberg overleed, bleef zijn levenswerk springlevend.

Zijn werknemers zetten de activiteiten voort, waarna het bedrijf in 1874 uiteindelijk de deuren sloot als de grootste kwekerij van het land.

Zijn nalatenschap is vandaag de dag nog steeds zichtbaar.

In Wetteren staat een herdenkingsmonument van de hand van Vic Temmerman dat in 1959 werd onthuld, en in Gent kunnen wandelaars terecht in het naar hem vernoemde Adolf Papeleupark op de grens van Ledeberg en Gentbrugge.

De geslaagde aprilgrap van de Belgische groep The Bowling Balls.

Het Belgische pop- en rockarchief kent vele bijzondere verhalen, maar de ontstaansgeschiedenis van The Bowling Balls is zonder twijfel de meest opmerkelijke.

De groep werd namelijk opgericht om een stripfiguur tot leven te wekken.

Oorspronkelijk werden ze bedacht door Frédéric Jannin en Thierry Culliford, de zoon van Smurfen-bedenker Peyo, voor een grap in Le Trombone Illustré.

Dit was een rebelse bijlage bij het weekblad Robbedoes waarin de strip Germain et nous verscheen.

In die strip luisterden verveelde jongeren de hele dag naar platen van een fictief bandje genaamd The Bowling Balls.

De makers besloten dit grapje door te trekken naar de werkelijkheid.

De fictieve bandleden gaven plotseling echte interviews en er ontstond een plan om een flexidisc bij het tijdschrift te voegen.

De bezetting bestond uit Frédéric Jannin als Averell Ball op toetsen en Bert Bertrand als zanger Billy Ball. Bertrand was een bekende punkjournalist en de zoon van Yvan Delporte; volgens de legende was hij ook de man die de naam Plastic Bertrand bedacht.

Het kwartet werd gecompleteerd door Thierry Culliford als Elton Ball en Christian Lanckvrind als Fernand Ball.

Hoewel Robbedoes uiteindelijk geen budget had voor de release, zag platenlabel EMI wel brood in het project.

Op 1 april 1979 verscheen hun debuutsingle God Save the Night Fever.

Die datum was symbolisch, want de buitenwereld twijfelde voortdurend of de groep wel echt bestond. T

he Bowling Balls specialiseerden zich in nonsensicale teksten en humoristische playbackoptredens waarbij ze hun eigen amateurisme cultiveerden.

Jannin vatte die periode later treffend samen door te zeggen dat het een tijd was waarin iedereen maar wat deed, en aangezien zij ook maar iemand waren, deden zij dus ook maar wat. Toch lieten ze met nummers als ‘You Don’t Know’ en hun cover van ‘When You Walk in the Room’ een blijvende indruk achter.

Het einde van de band kwam even plotseling als het begin.

Kort na het verschijnen van hun enige album kondigde Bert Bertrand aan dat hij naar Bora-Bora zou vertrekken.

De overige leden dachten dat het een grap was, maar Bertrand vertrok daadwerkelijk en keerde nooit meer terug.

Hij maakte een einde aan zijn leven in New York, vlak nadat hij Lou Reed had geïnterviewd.

Van de overgebleven leden bleef Frédéric Jannin de bekendste als striptekenaar, radio- en televisiepersoonlijkheid en muzikant.

Zo scoorde hij in 1990 nog een grote hit met het project Zinno.

In de jaren negentig volgde een bescheiden revival van The Bowling Balls met een verzamel-cd en een documentaire op Canal+.

Critici stelden toen vast dat de muziek, ondanks de parodiërende insteek, technisch verrassend goed in elkaar stak.

De nummers bleken achteraf gezien prima stand te houden naast het werk van synthpopgrootheden als OMD of Erasure (Diverse bronnen, Dirk Houbrechts en Joepie, maart 1981)

Vandaag opletten voor een aprilvis, in ons verre verleden een reden om een postkaart op te sturen.

De traditie van 1 april is diep geworteld in onze geschiedenis en kent wereldwijd verschillende gedaantes, van de Amerikaanse April Fools’ Day tot de Russische Dag van de Dommerik.

Heemkundige René Beyst wijst erop dat de grappen vroeger vooral gericht waren op nieuwkomers, zoals vers personeel of immigranten, die als de pineut van de dag fungeerden.

Hoewel de exacte oorsprong van het gebruik onbekend is en mogelijk teruggaat tot de tijd van de Germanen, biedt de folklore interessante verklaringen voor specifieke tradities zoals de aprilvis.

Het idee was om iemand op pad te sturen voor een vis die pas één dag oud was, een onmogelijke opdracht die de lichtgelovigheid van het slachtoffer testte.

Wat betreft de specifieke datum van 1 april zijn er verschillende theorieën.

Een veelgehoorde verklaring is de overgang naar de Gregoriaanse kalender in 1582, waardoor het begin van het jaar verschoof van april naar januari en er verwarring ontstond bij wie de oude datum bleef aanhouden.

Een andere insteek is dat het een symbolisch Germaans gebruik betreft om de winter te verjagen en de lente te verwelkomen.

Door iemand met een onmogelijke boodschap weg te sturen, werd de koude periode figuurlijk de deur uitgewerkt.

Zo blijft 1 april een dag gehuld in raadsels en volksverhalen die herinneren aan een tijd waarin postkaarten en eenvoudige grappen centraal stonden.

Oude postkaart van de Onze-Lieve-Vrouw Sint-Pieterskerk in Gent

De geschiedenis van de Onze-Lieve-Vrouw Sint-Pieterskerk in Gent is nauw verweven met de oorsprong van de stad.

De plek op de Blandijnberg werd al in de zevende eeuw door de heilige Amandus gekozen voor de stichting van de Sint-Pietersabdij.

Voordat de huidige kerk er stond, bevond zich hier een romaanse abdijkerk die deel uitmaakte van een van de machtigste kloostergemeenschappen van Vlaanderen.

Deze vroege gebouwen leden zwaar onder de beeldenstorm en de godsdiensttwisten in de zestiende eeuw, waardoor een volledig nieuwe kerk noodzakelijk werd.

De eerste steen van de huidige barokkerk werd in 1629 gelegd door bisschop Antonius Triest.

Het ontwerp was van de jezuïet en architect Pieter Huyssens, die zich voor de monumentale koepel en de afmetingen liet inspireren door de Sint-Pietersbasiliek in Rome.

De kerk werd in de eerste fase gebouwd van 1629 tot 1649, waarna in de vroege achttiende eeuw nog een uitbreiding volgde.

Gisteren nog vandaag

Tijdens de Franse bezetting verloor het gebouw zijn religieuze functie en werd het tijdelijk als opslagplaats gebruikt, om vanaf 1810 weer officieel dienst te doen als kerk.

Een bijzonder aspect van deze locatie is de functie als begraafplaats voor de vroege graven van Vlaanderen.

Omdat de Sint-Pietersabdij in de vroege middeleeuwen de meest prestigieuze instelling van het graafschap was, kozen de vorsten deze plek voor hun zieleheil en dynastieke legitimiteit.

In de kerk liggen vijf graven van Vlaanderen begraven: Boudewijn I, Boudewijn II, Arnulf I, Arnulf II en Boudewijn IV.

Ook hun familieleden vonden hier hun laatste rustplaats, waaronder mogelijk Judith van West-Francië.

Zij was de dochter van de Karolingische koning Karel de Kale en de stammoeder van het Vlaamse gravenhuis.

De graven liggen daar dus niet toevallig; de plek was het spirituele en politieke hart van het vroege Vlaanderen, waar de dodenrust van de heersers de macht van hun opvolgers ondersteunde.

De lijn van deze machtige heersers eindigde formeel aan het einde van de achttiende eeuw met de Oostenrijkse keizer Frans II, die de laatste was die de titel in de oorspronkelijke feodale zin droeg.

Door de Franse Revolutie en de annexatie in 1795 werd het graafschap opgeheven en het oude stelsel vervangen door een modern bestuur, waardoor er na de Habsburgse vorst geen echte opvolgers meer kwamen.

In de negentiende eeuw werd de titel Graaf van Vlaanderen weliswaar nieuw leven ingeblazen binnen de Belgische monarchie, maar dit was slechts een ceremoniële titel voor leden van de koninklijke familie zonder daadwerkelijke bestuursmacht.

De laatste Belgische prins die deze titel droeg, was prins Karel, de broer van koning Leopold III, die in 1983 overleed.

Sindsdien wordt de titel niet meer toegekend, waarmee ook de symbolische lijn definitief ten einde kwam.

Tegenwoordig combineert de kerk de namen van de oude abdij en de afgebroken Onze-Lieve-Vrouwekerk aan de Schelde, en vormt het gebouw samen met het Sint-Pietersplein een herkenbaar baken in het Gentse stadsgezicht.

Gisteren nog vandaag

45 jaar geleden, Yoko Ono, bedankt de wereld

Hoewel de brief op 11 januari 1981 in grote internationale kranten zoals de Sunday Times en de New York Times verscheen, duurde het in de pre-digitale periode vaak weken of zelfs maanden voordat dergelijke persoonlijke documenten volledig vertaald de Europese tijdschriften bereikten.

In die tijd waren muziekmagazines zoals Muziek Expres de belangrijkste bron voor fans in Vlaanderen en Nederland om diepgang te vinden bij het wereldnieuws.

De vertraging tot maart 1981 zorgde ervoor dat de boodschap van Yoko Ono hier pas echt landde op het moment dat de eerste schok van de aanslag in december langzaam plaatsmaakte voor een periode van verwerking en nagedachtenis.

In de brief bedankt Yoko Ono iedereen voor de brieven, telegrammen en gedachten die van overal ter wereld zijn gekomen.

Het was een grote troost, want zij en John geloofden in een vriendschap die verder gaat dan ras, kleur of geloof.

De berichten kwamen werkelijk overal vandaan, zelfs uit gevangenissen, en dat was hartverwarmend.

Ook bedankt ze voor de donaties aan de Spirit Foundation, waar inmiddels al 100.000 dollar was opgehaald.

Omdat zij en John de stichting altijd zelf beheerden en alle kosten uit eigen zak betaalden, beloofde ze dat al het geld rechtstreeks naar mensen zou gaan die het hard nodig hebben.

De stichting zou niet meewerken aan commerciële activiteiten of merchandising.

Yoko begrijpt de bezorgdheid over mensen die geld proberen te verdienen aan de naam van John, maar ze vraagt mensen om zich niet schuldig te voelen als ze op kleine schaal iets ondernemen ter nagedachtenis aan hem.

John had een groot gevoel voor humor en zou volgens haar zeggen: whatever gets you through your life.

Hij had liever dat mensen positief over hem dachten en iets goeds deden met dat geld voor hun kinderen of geliefden, dan dat ze zouden verdrinken in schuldgevoelens.

Wat overblijft, mocht gegeven worden aan wie het nodig heeft. Alleen van grote ondernemingen die hem wilden exploiteren, vroeg ze om contact met haar op te nemen.

Ze deelt in de brief haar boosheid over zijn dood en haar spijt dat ze hem niet kon beschermen.

De enige echte wraak die we volgens haar kunnen nemen, is de wereld veranderen in een plek van liefde en vertrouwen, precies zoals John dat voor ogen had.

We moeten laten zien dat we een wereld van vrede kunnen scheppen voor onze kinderen.

Ze schrijft dat geweld in het hart huist en niet in wapens, en dat we allemaal verantwoordelijk zijn voor de wereld die we toestaan.

Toen John viel, voelde het als een oorlog waarin de vijand onzichtbaar was. Yoko wilde daarna alles weten en zien, elke brief en elk bericht.

Ze zag ook de foto van zijn overlijden, waarop hij er vredig uitzag, maar ze vond de foto waarop hij een handtekening zette voor de man die hem later zou verraden veel moeilijker om te zien.

John had haast die middag en hoefde die handtekening niet te zetten, maar hij deed het toch.

Toen ze die foto later goed bekeek, zag ze hoe hij voorovergebogen stond te schrijven.

Het was een vreemde houding, en ze realiseerde zich dat hij op dat moment tekende bij de poort van de hemel.

John en Yoko voelden zich één geest in twee lichamen.

De laatste vijf jaar werkte zij beneden in het kantoor en hij boven in hun appartement.

Ze schrijft dat ze op dat moment nog steeds beneden was, terwijl hij in het hemelse boven verbleef.

Deze advertentie werd geplaatst in plaats van het geven van interviews of persoonlijke optredens, waar op dat moment veel vraag naar was.

Ze vroeg om tijd voor zichzelf en eindigde met de iconische woorden: Remember, there’s nothing you can do that can’t be done. Imagine. Love, Jan. 11, ’81 New York City (Muziek Expres maart 1981).