50 jaar geleden, Frankie Valli & The Four Seasons met hun hit December, 1963 (Oh, What a Nigh

Frankie Valli and The Four Seasons, het befaamde zangkwartet uit Newark in New Jersey, behoorden begin jaren zestig tot de absolute top van de Amerikaanse muziekindustrie.

Frontman Frankie Valli werd in Newark geboren als Francis Stephen Castelluccio. Hij wist al op zevenjarige leeftijd dat hij zanger wilde worden, nadat zijn moeder hem had meegenomen naar een optreden van Frank Sinatra in New York.

Valli begon zijn professionele muziekcarrière in 1951, toen hij werd opgemerkt door de groep Variety Trio, die bestond uit Nickie DeVito, Tommy DeVito en Nick Macioci.

Een jaar later splitste deze groep op en ging Valli verder met Tommy DeVito.

Samen werden ze lid van de huisband die steevast optrad in The Strand in New Brunswick, New Jersey, waar Valli zong en basgitaar speelde.

In 1953 nam hij zijn eerste single op, getiteld My Mother’s Eyes, onder de artiestennaam Frankie Valley, een naam die hij baseerde op de zangeres Jean Valley.

Rond deze periode besloten DeVito en Valli om The Strand te verlaten en vormden ze een nieuwe groep, The Variatones, samen met Hank Majewski, Frank Cattone en Billy Thompson.

In 1956 zocht men een groep om als achtergrondzangers op te treden voor een bekende zangeres.

De groep deed auditie en werd opgemerkt door Peter Paul, een geluidsman uit New York, die hen een week later auditie liet doen bij RCA Records.

Vanaf dat moment ging de groep door het leven als The Four Lovers.

Ze namen meerdere singles op en scoorden een kleine hit met het liedje ‘You’re the Apple of My Eye’.

Later voegden ook enkele muzikanten uit zijn begintijd zich weer bij de groep, waaronder Nickie DeVito en Nick Macioci, die zichzelf inmiddels Nick Massi noemde.

Ze bleven optreden tot 1959, het jaar waarin Bob Gaudio lid werd van de groep.

Vanaf het begin van de jaren zestig gingen ze door het leven als The Four Seasons, een naam die ze simpelweg leenden van een cocktailbar bij een bowlingbaan in Union, New Jersey.

Met zijn onmiskenbare en krachtige falsetstem leidde Valli de groep naar grote successen.

In 1962 bereikte hij de eerste plaats in de hitlijsten met het liedje Sherry. Een andere belangrijke mijlpaal in die beginjaren was hun nachtclubdebuut op 29 maart 1963 in de beroemde Copacabana in New York.

Dit gebeurde op een moment dat ze vanaf 2 maart al drie weken de Amerikaanse Billboard Hot 100 aanvoerden met het nummer ‘Walk Like A Man’.

Wat veel mensen overigens niet weten, is dat de latere grote hit ‘Silence is Golden’ van The Tremeloes voor het eerst in 1964 werd uitgebracht door Frankie Valli and The Four Seasons.

Na 1967 begon de populariteit van de band echter flink terug te lopen. Het publiek raakte meer geïnteresseerd in soul en hardere rock dan in de harmonieuze pop van de groep, waardoor de singles na 1967 steevast flopten.

Terwijl het succes van de band stagneerde, ging Valli gedurende de jaren zestig steeds vaker solo.

Met de hulp van producer Bob Crewe nam hij verschillende soloprojecten op zoals onder meer ‘The Sun Ain’t Gonna Shine (Anymore)’, wat later een groot succes werd toen het gecoverd werd door The Walker Brothers.

Later scoorde Valli een hit met ‘Can’t Take My Eyes Off You’.

Het nummer bleef in de Verenigde Staten steken op plaats 2 in de hitparade, maar wordt algemeen beschouwd als een wereldhit.

Naast zijn solowerk nam de groep van tijd tot tijd nummers op onder de naam Frankie Valli en The Four.

In deze zelfde periode kreeg de zanger te maken met ernstige gezondheidsproblemen.

Valli leed aan otosclerose, een botaandoening in zijn oren waardoor hij langzaam doof werd en jarenlang op het podium puur vanuit zijn geheugen moest zingen.

Een specialist in Los Angeles wist zijn gehoor pas eind jaren zeventig met operaties te herstellen.

Sinatra, als goede vriend, hielp de zanger door hem speciale vocale oefeningen aan te leren nadat Valli in de late jaren zestig een andere operatie aan zijn stembanden had ondergaan.

In de jaren zeventig kwam Valli wat minder vaak aan bod, maar het duurde tot 1975 voordat de band een indrukwekkende comeback wist te maken met ‘December, 1963 (Oh, What a Night)’.

Een opvallend detail over deze plaat is dat Frankie Valli er nauwelijks in te horen is als hoofdzanger, een beslissing die de platenmaatschappij had doorgedrukt.

Drummer Gerry Polci zong de coupletten, bassist Don Ciccone zong een ander deel, en Valli nam enkel de brug en de achtergrondvocalen voor zijn rekening.

Toch groeide het uit tot een enorm succes met een derde plaats in de Vlaamse BRT Top 30 en de Nederlandse Top 40.

Vrijwel tegelijkertijd kende de solocarrière van Valli een sterke heropleving dankzij succesvolle singles als ‘Swearin’ to God’ en ‘My Eyes Adored You’, waarmee hij opnieuw een grote hit scoorde.

Het bekendste werk van Valli tijdens de jaren zeventig is echter de titelsong voor de uiterst populaire bioscoopfilm Grease uit 1978.

Barry Gibb van The Bee Gees was de componist van dit titelnummer en het was bovendien het enige liedje dat hij voor de soundtrack van de film schreef.

Gibb had Frankie Valli persoonlijk gevraagd om het op te nemen.

Dit kwam de destijds 41-jarige zanger van The Four Seasons buitengewoon goed uit, want hij had dringend geld nodig.

Het nummer werd een gigantisch succes: op 26 augustus 1978 kwam ‘Grease’ binnen op de 23ste plaats in de Nederlandse Top 40, om vervolgens vanaf 30 september twee weken lang de eerste plaats te bezetten.

Op de B-kant van de single stond een instrumentale versie van de saxofonist Gary Brown.

Dit succes bleek destijds zijn laatste grote wapenfeit te zijn met betrekking tot nieuwe muziek; nadien wist hij decennialang geen successen meer te behalen met de platenverkoop, noch solo, noch met de band, uitgezonderd een succesvolle remix van ‘December 1963’ in 1988.

Pas veel later, in 2020, verscheen er online een tweede versie van het nummer Grease, in samenwerking met allerlei gastmuzikanten.

Valli zong het nummer daar op 86-jarige leeftijd opnieuw in, maar liefst 42 jaar na de eerste versie uit 1978.

De grote stempel die de groep op de muziekgeschiedenis heeft gedrukt, werd overigens al in 1990 bekroond met een opname in de Rock and Roll Hall of Fame

Hun bijzondere en roerige ontstaansgeschiedenis vormde in 2005 de basis voor de musical Jersey Boys.

Deze voorstelling ontving zeer positieve kritieken, won meerdere Tony Awards en werd in 2014 verfilmd door regisseur Clint Eastwood.

Van de originele bezetting is inmiddels een groot deel overleden of met pensioen.

Bassist en zangarrangeur Nick Massi overleed op 24 december 2000 op 73-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker.

Twintig jaar later stierf gitarist en baritonzanger Tommy DeVito in september 2020 op 92-jarige leeftijd aan de gevolgen van COVID-19.

Toetsenist Bob Gaudio, de inmiddels 84-jarige hoofdschrijver van klassiekers als Sherry en December, 1963, treedt al lang niet meer op, maar werkt nog steeds achter de schermen aan projecten zoals de musical.

In tegenstelling tot zijn voormalige bandgenoten bleef frontman Frankie Valli nog opmerkelijk lang optreden met nieuwe muzikanten onder de naam The Four Seasons.

Tijdens een interview in 2016 kreeg hij de vraag waarom hij maar bleef optreden met een groep die niet bestond uit de originele bandleden.

Valli antwoordde nuchter dat hij het nog steeds erg leuk vond om te doen en dat hij verder geen hobby’s had, zoals golf.

Zo stond hij eind 2017 en begin 2018, op bijna 84-jarige leeftijd, nog altijd met volle overgave op het podium, en ook in 2019 was de 85-jarige Valli nog volop met optredens bezig.

Uiteindelijk heeft hij pas medio 2026 definitief besloten om de resterende concerten van zijn afscheidstournee te annuleren om zich volledig op zijn gezondheid te kunnen richten.

35 jaar geleden: het ongekookte ei van Fred Bervoets, een historisch portret door Jan Haerynck.

In juni 1991 vertelde de kersverse Staatsprijswinnaar voor Beeldende Kunst,

Fred Bervoets aan verslaggever Jan Haerynck dat hij niet wilde dat het accent op zijn alcoholische uitspattingen werd gelegd.

Hij wist dat hij dronk, maar hij deed in zijn leven ook nog iets anders.

Vaak riep hij gefrustreerd uit dat zijn schilderij al af was, maar zijn ei nog niet gekookt.

Hij had met de prijs eindelijk zijn langverwachte erkenning beet.

Het was toen elf uur ’s morgens in de huiskamer van zijn manager en boezemvriend Adriaan Raemdonck, de eigenaar van galerij De Zwarte Panter.

Schilder Fred Bervoets tartte er met zijn stoel alle evenwichtswetten.

Hij dronk koffie met whisky en wees de aangeboden sigaretten van de verslaggever af. Barclay was te licht voor hem; hij hield het bij Groene Michel, wat hij stukken gezonder vond.

De toen 49-jarige Bervoets grijnsde en legde uit dat er in die dagen in Antwerpen weinig of niets te beleven viel. Vroeger was dat anders geweest.

Hij vroeg of de verslaggever ook een borrel wilde en nam een stevige teug van de zijne alvorens zijn Antwerpen-theorie te verkondigen.

Hij zei dat de bezoeker goed moest luisteren, tenzij die daar geen zin in had.

Volgens hem leefden Antwerpenaars vroeger een beetje anders.

De jaren zestig waren een beweeglijke periode geweest waarin men het zich niet kon permitteren om een nacht in bed te liggen, uit schrik om iets belangrijks te missen.

In de beginjaren van de negentig was de situatie anders.

Als men toen een week sliep, stelde men op vrijdag vast dat er niks was gebeurd.

Hij voegde eraan toe dat als hij toen een café binnenstapte en iets te hevig met zijn armen zwaaide, de mensen al snel dachten dat hij uit het zothuis was gevlucht.

Fred Bervoets was toen een belangrijk kunstenaar en een monument, maar over geen enkele andere Vlaamse artiest werden in die tijd zoveel woeste verhalen rondgebazuind.

Hij noemde het geheimzinnig, een beetje verzonnen en een beetje waarheid, maar hij wilde vooral over schilderijen praten.

Dat was zijn leven en al de rest hoorde er voor hem gewoon bij.

Hij was destijds al twintig jaar een van de duurste, maar ook een van de meest eigenzinnige kunstenaars.

In de jaren zestig en zeventig hadden zijn woest-erotische schilderijen sterk gechoqueerd, waarbij kerk en staat niet ontsnapten aan zijn plastische spot.

Het had hem bijna de kop gekost, maar begin jaren negentig reageerde Vlaanderen met applaus.

Hij gaf toe dat hij over een gebrek aan succes niet mocht klagen, hoewel dat vroeger helemaal anders was geweest.

Over hem ging toen het verhaal dat zijn kunstwerken vlugger werden verkocht dan geschilderd, en hij schilderde zéér vlug.

Zelf zei hij soms vloekend dat zijn schilderij al klaar was, terwijl zijn ei nog niet was gekookt.

Dat wilde voor hem echter niet zeggen dat het allemaal zo makkelijk ging.

Het was telkens een hele worsteling in zijn hoofd, maar als de strijd daar eenmaal was uitgevochten, ging het razendsnel.

En als het resultaat hem niet beviel, gooide hij het gewoon in een hoek en nam hij een ander doek.

Tijdens zijn meest recente tentoonstelling had Bervoets zich gepresenteerd met bijna witte doeken, maar hij verzekerde de verslaggever dat zijn volgende expositie volledig anders zou zijn.

Dat moest ook wel, vond hij, want op dat moment in 1991 werkte hij met etsen.

Hij had elk jaar zo’n periode en geloofde sterk dat een artiest in zijn werk afwisseling moest vinden om niet gek te worden.

Voor een expositie maakte hij destijds altijd een serie schilderijen, wat volgens hem ook gevaren inhield.

Als hij in een bepaalde sfeer zat, was het mogelijk dat hij op den duur alleen nog met het plastische bezig was en zijn gevoelens vergat.

Vaak viel er dan een werk tussenuit waarvan hij voelde dat hij het moest maken, maar dat niet in het strakke concept van het moment paste.

Hij noemde dat een werk dat tussen de soep en de patatten viel. Jaren later werd zoiets dan in ere hersteld.

Zijn geplande volgende expositie zou dan ook volledig uit zulke bijna-vergeten werken bestaan, waardoor hij zich op dat moment de restaurateur van zijn eigen oeuvre voelde.

In een serie zaten voor hem altijd mindere en betere werken, maar een slecht werk gaf hij naar eigen zeggen nooit mee.

Na een diepe zucht stelde hij dat hij dat niet over zijn hart kon verkrijgen.

Een werk moest buiten de serie immers een eigen leven kunnen leiden; pas dan was het af, was het geboren en moest het op eigen benen staan.

Daarnaast wilde hij af en toe direct resultaat zien.

Met etsen was het eindproduct er pas na drie weken, dus om zichzelf wat op te krikken maakte hij dan vlug een schilderij tussendoor.

Dat deed hij gewoon om te weten of hij het nog wel kon en om zichzelf mentaal te beschermen.

Hij leefde immers in zijn eigen wereld en als hij niet onmiddellijk resultaat zag, dreigde hij te flippen.

Hij zou nooit hebben kunnen leven als een beeldhouwer die pas na maanden vaststelde dat hij een bepaald stuk niet had mogen afkappen.

Dat vond hij meer dan een verschrikking en absoluut geen leven meer.

Bervoets lachte toen en keek verstoord naar zijn twee kwetterende kanaries.

Hij schonk zijn glas nog eens vol, rookte in een ruk de helft van zijn sigaret op en legde uit dat hij absoluut geen reiziger was.

Hij bleef het liefst thuis, zodat hij op elk tijdstip kon schilderen. Op reis vond hij niet altijd het juiste doek of de juiste verf, en daar kon de schilder niet mee leven.

Een paar jaar eerder was hij op uitnodiging van een vriend naar de Amerikaanse woestijnstaat Nevada getrokken.

Daar had hij al na een paar uur door dat er weinig of niets te beleven viel.

De eerste dag had hij zich dan maar beziggehouden met het telkens opnieuw bekijken van een film over een onderzeeër die vastzat in een mijnenveld.

Meteen daarna had hij op een stuk van een oude parachute een televisieschilderij gemaakt.

Als hij zin kreeg, moest hij onmiddellijk iets op doek kunnen zetten, anders werd hij naar eigen zeggen zot.

Daarom zag men hem in die tijd nooit ver van zijn atelier ronddwalen; daar had hij alles, het was zijn paradijs.

In Nevada had hij 250 kilometer heen en terug moeten rijden om enkel een potje verf te kunnen kopen.

Hij begreep dan ook niet wat er zo leuk was aan reizen; het maakte hem alleen maar ontzettend zenuwachtig.

Zelfs een treinreis naar Brussel vond hij destijds al een kwelling, puur omdat hij zijn atelier moest kunnen ruiken.

Na dertig jaar schilderen zorgde een slecht werk bij hem nog steeds voor een kleine depressie.

Hij liet zijn stoel op één poot draaien, hoestte luidruchtig en sloeg met zijn vuist op tafel.

Hij weigerde te prutsen aan zijn schilderijen; voor hem was het af of niet. Een slecht schilderij bleef een vreselijk ding.

Vroeger schopte hij het gewoon kapot, omdat hij het niet meer kon zien.

Als hij toen in 1991 in zijn album bladerde, had hij wel eens spijt van die uitbarstingen, want er waren op die manier ook mooie dingen voor de eeuwigheid verloren gegaan.

Hij was daar stilaan rustiger in geworden; de houtblokken vlogen niet meer in het rond en hij draaide zo’n mislukt doek gewoon om, waarna hij er in de toekomst altijd naar kon teruggrijpen.

Hij gaf eerlijk toe dat slecht werk steevast leidde tot een kleine depressie.

Hij begon altijd met groot enthousiasme en als hij dan zag dat het de verkeerde kant uitging, deed dat pijn, waar zijn omgeving dan ook onder leed.

Daar stond tegenover dat als hij in een euforie leefde, zijn omgeving daar ten volle van kon meegenieten.

Met die euforie moest men volgens hem wel voorzichtig zijn.

Twee dagen tegen het plafond leven in de waan het helemaal te pakken te hebben, zorgde nadien voor nog veel meer pijn toen hij vaststelde dat het toch weer niet gelukt was.

Op de vraag van de journalist of het laatste schilderij altijd het beste was, mompelde hij iets in zichzelf, keek streng en ontkende dat ten stelligste.

Maar het was voor hem wel altijd een onmisbare stap op de weg, waarbij elke periode zijn specifieke toppers kende.

Als hij in zijn documentatiemappen bladerde, vloekte hij soms spijtig dat hij ergens niet mee was doorgegaan.

Alles bewust sturen was echter onmogelijk; hij leefde op intuïtie en die was onlosmakelijk verbonden met de levensomstandigheden van dat moment.

Hij keek toen door het raam en merkte filosofisch op dat het leven niet altijd even makkelijk was.

Maar het maken van donkere schilderijen betekende volgens hem absoluut niet automatisch dat hij een moeilijke periode beleefde.

Dat noemde hij een groot misverstand.

Hij had in het verleden grijze doeken met veel geweld geschilderd, maar vond het ronduit debiel om te denken dat hij in die tijd de hele dag met een pistool in het rond liep te zwaaien.

Hij vond dat zijn werk helemaal veel te eng werd bekeken.

Toen hij in een periode zat waarin hij bezeten was van witte doeken, had iedereen geroepen dat Bervoets milder was geworden.

Dat noemde hij puur gezichtsbedrog, want hij besefte dat hij nog nooit in zijn werk zo agressief was geweest als toen.

Het draaide voor hem immers niet om een kleur, maar om de pure kracht van de plasticiteit.

Hij vroeg zich in de zomer van 1991 luidop af wanneer de mensen dat eindelijk eens zouden gaan begrijpen.

Jan Haerynck, de journalist die het bewuste interview afnam, was een gewaardeerde Belgische reporter en schrijver.

Hij werd geboren in Tielt op 17 oktober 1964 en is helaas overleden in Gent op 14 april 2023.

Als zoon van de bekende dichter Gwij Mandelinck groeide hij op met een grote affiniteit voor taal en kunst.

Tijdens zijn succesvolle journalistieke carrière werkte hij voor diverse vooraanstaande kranten en tijdschriften, en was hij eveneens de auteur van onder andere De luchtkunstenaar, een veelbesproken biografisch boek waarin hij het leven van kunstpaus Jan Hoet belichtte.

Fred Bervoets werd geboren op 12 mei 1942 in Burcht en is uitgegroeid tot een van de meest markante figuren binnen de hedendaagse Belgische kunst.

Hij studeerde aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen en het Nationaal Hoger Instituut.

Zijn werk is moeilijk in een enkel hokje te plaatsen, maar wordt vaak omschreven als neo-expressionistisch met een rauw, verhalend en soms chaotisch karakter.

Bervoets put inspiratie uit zijn eigen leven, zijn dromen, angsten en de zelfkant van de samenleving, die hij met een intense wirwar aan lijnen op het doek of papier zet.

Naast schilder is hij een meesterlijk graficus die de etstechniek tot in de puntjes beheerst.

Hij gaf zijn enorme vakkennis ook decennialang door als geliefd docent aan de Antwerpse Academie, waar hij vele generaties jonge kunstenaars wist te inspireren en begeleiden.

De naam Fred Bervoets is onlosmakelijk verbonden met de bekende Antwerpse galerie De Zwarte Panter.

Deze galerie werd in 1968 opgericht door Adriaan Raemdonck en is daarmee de oudste nog actieve galerie voor hedendaagse kunst in Vlaanderen.

De Zwarte Panter is prachtig gevestigd in de historische kapel van het Sint-Julianusgasthuis in de Hoogstraat.

Bervoets is er al meer dan een halve eeuw de absolute huisartiest.

De band tussen de kunstenaar en de galeriehouder is uitzonderlijk; ze zijn veel meer dan alleen zakenpartners, ze zijn boezemvrienden die samen de hele evolutie van de Antwerpse kunstscene hebben meegemaakt en mee vormgegeven.

De vernissages van Bervoets in De Zwarte Panter zijn al jarenlang heuse volkstoelopen, waarbij zowat de hele artistieke en bohémien-scene van de stad samentroept.

Een leuk weetje over Bervoets is dat hij bekendstaat om vaak nachtenlang vol overgave in zijn atelier te werken, gedreven door een onstuitbare scheppingsdrang.

Zijn werken zitten vol verborgen zelfportretten, waarop je hem vaak kan herkennen met zijn kenmerkende hoed, dwalend door een absurde of soms nachtmerrieachtige wereld vol vreemde figuren.

Wat de galerie betreft, fungeert De Zwarte Panter niet enkel als een gewone tentoonstellingsruimte, maar als een echt kloppend hart voor cultuur.

Het is een levendige ontmoetingsplaats waar ook schrijvers, dichters en muzikanten kind aan huis zijn.

Bervoets liet zijn etsen en tekeningen daar dan ook regelmatig samensmelten met poëziebundels van bevriende schrijvers.

Adriaan Raemdonck en Fred Bervoets hebben in de loop der jaren samen talloze prachtige kunstmappen uitgebracht die inmiddels erg gezocht zijn door kunstliefhebbers en verzamelaars.

Achter de grollen van de Marx Brothers, de complete geschiedenis en verborgen weetjes

Toen de vier inmiddels wereldberoemde Marx Brothers voor het eerst voor een publiek optraden, hadden zij aanvankelijk helemaal niet de intentie om komieken te worden.

De broers waren destijds jong, bezeten door hoge idealen en hadden enkel de ambitie om klassieke muziek op een perfecte wijze aan hun toehoorders te presenteren.

Alle vier de broers beschikten echter over een groot gevoel voor humor en kampten bovendien met een hevige plankenkoorts.

Deze beklemming verdween alleen wanneer zij tijdens het optreden enkele woorden met elkaar konden wisselen, wat de spanning direct doorbrak.

Dit leidde ertoe dat de broers op een bescheiden manier grappen met elkaar begonnen te maken zodra het publiek ongevoelig bleek te zijn voor de schoonheid van de composities van Chopin of Brahms.

Zo rolden ze langzaam maar zeker het komische vak in.

Later stonden zij bekend als drie dwazen, terwijl Zeppo de rol van impresario op zich nam, en lieten zij het publiek onbedaarlijk lachen met hun grollen.

Hun passie voor muziek lieten de broers overigens nooit helemaal los.

Groucho Marx werd in Amerika beschouwd als een van de beste gitaristen en hij was daarnaast zeer vaardig op de piano, de mandoline en de harp.

Harpo dankte zijn naam aan zijn virtuoze harpspel, al speelde hij ook verdienstelijk piano, fluit en trombone.

De bekende pianist Arthur Shattuck verklaarde destijds zelfs dat Harpo het in zich had om een meesterpianist van de eerste rang te worden, mits hij maar lang en serieus genoeg zou studeren.

Chico speelde op het toneel en in films altijd op een belachelijke manier piano, waarmee hij zijn eigen spel karikaturiseerde.

Als hij dat wilde, kon hij echter spelen als een ware kunstenaar.

Naast de piano wist hij ook aan de kornet, de citer en de viool de prachtigste klanken te ontlokken.

Zeppo bespeelde op zijn beurt de saxofoon, piano, cello en fluit.

Deze buitengewone muzikale vaardigheid vormde de belangrijkste basis voor hun grote succes.

Hoewel de geschilderde snor van Groucho en de zoete ernst van Zeppo de vaste kenmerken van een Marx-voorstelling waren, vergat Chico nooit om even de pianotoetsen te beroeren en liet Harpo steevast zijn gekke houding even varen om melodieuze akkoorden uit de snaren te halen.

Gisteren nog vandaag

Hun veelzijdige artistieke aanleg hadden de broers niet van vreemden.

Hun moeder, Minnie Palmer, was een voormalige actrice en vaudevillester.

Zij stelde hun eerste nummer samen en stuurde de jongemannen ermee op pad, wat hen destijds een gemiddeld bruto-inkomen van vijftig dollar per week opleverde.

Hun grootvader was eveneens een opmerkelijke verschijning; hij reisde als goochelaar en beoefenaar van de zwarte kunst door Duitsland, emigreerde daarna naar Amerika en overleed in Chicago op de hoge leeftijd van honderdeen jaar, nadat hij Harpo al zijn kunstgrepen had geleerd.

Van zijn grootmoeder, die harpiste was, erfde Harpo een versleten en zwaar beschadigde harp die hij zichzelf leerde bespelen.

Hij deed dit op een manier die vakmensen de haren te berge deed rijzen, maar het resultaat was zo schitterend dat elk onbevooroordeeld publiek verrukt was over zijn spel.

De Marx Brothers begonnen hun carrière door als muzikaal nummer langs kermissen te reizen.

Samen met hun moeder en een tante traden zij destijds op onder de naam De zes muzikale mascottes, en in latere jaren noemden zij zichzelf De Vier Nachtegalen.

Op een avond moesten zij in Texas door onvoorziene omstandigheden invallen en een volledig nieuw nummer improviseren.

Dit brachten zij ten gehore onder de naam De Vier Marx Brothers, waardoor plotseling werd ontdekt dat zij clowns waren met een ongelooflijke handigheid en vindingrijkheid.

Vanaf dat moment bleven zij actief als komieken, waar noch de broers, noch het publiek ooit spijt van kregen, aangezien zij in die rol werkelijk grandioos waren.

Voor Paramount en later voor Metro-Goldwyn-Mayer maakten zij verschillende films die hen in Amerika en ver daarbuiten transformeerden tot de absolute koningen van de lach.

Zij verkwikten het grootste deel van de wereld met hun frisse humor, hun uitbundige overmoed en hun kostelijke dwaasheden.

De vier broers bezorgden talloze mensen lachkrampen en slaagden er telkens weer in om zelfs het meest stijve en ongemakkelijke publiek volledig te ontdooien.

Hun succes was vooral te danken aan het feit dat zij spotten met alle vormen en conventies.

Op het witte doek haalden zij streken uit die ieder ander stiekem ook had willen doen, als het fatsoen daar geen onoverkomelijke barrière voor had gevormd, en daardoor maakten zij direct contact met de zaal.

In de vroege jaren speelde Gummo nog mee in plaats van Zeppo, maar na de oorlog nam Zeppo zijn plaats in.

Hoewel Zeppo later zelf minder meespeelde, zorgde hij achter de schermen voor de gags.

Bovendien kon hij zijn broers zo voortreffelijk imiteren dat hij bij ziekte van een van hen onmiddellijk de opengevallen plaats kon innemen.

De vier bekende Marx Brothers bestonden destijds uit Groucho, Chico, Harpo en Zeppo.

De vier oorspronkelijke Marx Brothers, toen zij nog optraden onder de naam The Four Nightingales, circa 1905. Van boven naar onder: Harpo, Groucho, Gummo en Lou Levy (aka Leo Levin). (foto met dank aan (Jef Davidse)

Naast hun gezamenlijke filmcarrière hadden de broers ook elk hun eigen opmerkelijke levensloop en eigenaardigheden, wat een onuitputtelijke bron van weetjes opleverde.

Chico, wiens echte naam Leonard was, stond in het dagelijks leven bekend als een fervent gokker.

Zijn gokverslaving nam zulke proporties aan dat dit de belangrijkste reden was waarom de broers in latere jaren films zoals A Night in Casablanca bleven maken; de inkomsten waren simpelweg nodig om zijn torenhoge schulden af te betalen.

Chico overleed op 11 oktober 1961 op 74-jarige leeftijd aan de gevolgen van aderverkalking.

Harpo, geboren als Adolph, veranderde zijn naam al in 1911 legaal naar Arthur, omdat hij een hekel had aan zijn geboortenaam.

Hoewel hij op het scherm steevast de zwijgende vagabond speelde die communiceerde via een toeter en altijd een overjas droeg vol onmogelijke voorwerpen, was hij in de realiteit een zeer welbespraakte man.

Hij bewoog zich met groot gemak in de hoogste literaire kringen van New York en was een gewaardeerde gast op intellectuele bijeenkomsten.

Harpo stierf op 28 september 1964 na complicaties bij een hartoperatie.

Groucho, wiens werkelijke naam Julius Henry luidde, kende na de gezamenlijke films een bijzonder succesvolle solocarrière.

Hij werd een geliefd presentator van het komische spelprogramma You Bet Your Life op televisie en radio.

Hij was bovendien een groot liefhebber van literatuur en onderhield een jarenlange, levendige correspondentie met de beroemde dichter T. S. Eliot.

Groucho overleed op 19 augustus 1977 aan een longontsteking.

Zijn overlijden viel slechts drie dagen na de dood van Elvis Presley, waardoor dit nieuws in de wereldwijde media ietwat werd overschaduwd door het heengaan van de bekende zanger.

Gummo, ofwel Milton, nam al afscheid van de act voordat de grote filmcarrière begon, omdat hij besloot te dienen in de Eerste Wereldoorlog.

Na zijn militaire dienst keerde hij niet terug naar het podium, maar werd hij een buitengewoon succesvolle impresario.

Hij behartigde niet alleen de zakelijke belangen van zijn eigen broers, maar ook van vele andere bekende artiesten.

Daarnaast was hij ook een verdienstelijk uitvinder met een officieel patent op een speciaal soort verpakkingsdoos.

Gummo stierf op 21 april 1977, enkele maanden voor Groucho.

De jongste broer Zeppo, geboren als Herbert, besloot de komische groep te verlaten na het verschijnen van de film Duck Soup.

Hij sloot zich aan bij het agentschap van Gummo en boekte eveneens grote successen als impresario.

Wat veel mensen niet wisten, was dat Zeppo een indrukwekkend technisch inzicht had.

Hij was verantwoordelijk voor meerdere gepatenteerde uitvindingen, waaronder een speciaal polshorloge dat was ontworpen om de hartslag van hartpatiënten continu te kunnen meten.

Zeppo was de langstlevende van de beroemde broers en overleed uiteindelijk op 30 november 1979 aan de gevolgen van longkanker.

Foto: De laatste foto waarop alle vijf Marx brothers samen te zien zijn: Harpo, Zeppo, Chico, Groucho en Gummo, waarschijnlijk in 1961 (foto met dank aan Jef Davidse)

Yvette Mimieux

Yvette Carmen Mimieux zag het levenslicht op 8 januari 1942 in het bruisende Los Angeles en verliet deze wereld op 17 januari 2022.

Ze was een Amerikaanse actrice die in de jaren zestig en zeventig grote bekendheid genoot. Ze had een vader van Franse afkomst en een Mexicaanse moeder.

Haar doorbraak op het witte doek kwam in 1960 met twee zeer verschillende rollen die haar veelzijdigheid lieten zien. In The Time Machine, de beroemde verfilming van het boek van H.G. Wells, speelde ze Weena, een wezen uit een verre toekomst.

In datzelfde jaar was ze te zien in de succesvolle film Where the Boys Are.

Voor haar rol in de film Platinum High School, eveneens uit 1960, ontving ze een Golden Globe-nominatie voor beste nieuwkomer.

Naast deze vroege successen speelde Yvette in een groot aantal films en televisieseries.

Zo kreeg ze veel lof voor haar gevoelige vertolking in ‘Light in the Piazza’ uit 1962, waarin ze een jonge vrouw met een verstandelijke beperking speelde die verliefd wordt tijdens een vakantie in Italië.

Daarnaast speelde ze ook in de Disney-sciencefictionfilm ‘The Black Hole’ uit 1979 en in de cultfilm ‘Jackson County Jail’ uit de jaren zeventig.

Op televisie had ze gastrollen in populaire series zoals ‘Dr. Kildare’ en ‘The Love Boat’.

Een interessant weetje is dat ze, voordat haar filmcarrière begon, meedeed aan een schoonheidswedstrijd waarbij Elvis Presley de jury was.

Ze was een van de vier finalisten die werden uitgenodigd op de set van Jailhouse Rock om te strijden voor een kleine figurantenrol, al werd ze uiteindelijk niet gekozen.

Wat veel mensen ook niet weten, is dat Yvette Mimieux niet alleen acteerde, maar zich later ook toelegde op het schrijven en produceren.

Ze wilde niet vastzitten aan het imago van enkel een mooie, kwetsbare vrouw.

Ze schreef en produceerde de televisiefilm ‘Obsessive Love’ uit 1984, waarin ze zelf de uitdagende hoofdrol van een stalker op zich nam.

Eerder schreef ze al het script voor de televisiefilm ‘Hit Lady’ in 1974, waarin ze een meedogenloze huurmoordenaar speelde.

Na haar rol in de miniserie ‘Lady Boss ‘in 1992 besloot ze afscheid te nemen van de acteerwereld.

Ze begon een geheel nieuw en succesvol hoofdstuk in haar leven als zakenvrouw in de vastgoedsector.

Ze had een brede interesse in de wereld om haar heen, wat leidde tot studies in de antropologie en archeologie.

Ze reisde veel, hield zich bezig met schilderen en was een toegewijd beoefenaar van yoga.

Samen met een voormalige actrice begon ze bovendien een bedrijf dat gespecialiseerd was in textiel en borduurwerk, gebaseerd op ontwerpen uit Haïti.

Op persoonlijk vlak was Yvette Mimieux drie keer getrouwd.

Haar tweede huwelijk was met de bekende filmregisseur Stanley Donen, met wie ze van 1972 tot 1985 getrouwd was.

In 1986 trouwde ze met zakenman en National Geographic-fotograaf Howard F. Ruby, met wie ze samenbleef tot aan haar overlijden.

Ze had geen kinderen en leidde na haar acteerpensioen een rijk en fascinerend leven ver buiten de schijnwerpers van Hollywood.

Vandaag is het ook al 60 jaar geleden dat de Amerikaanse acteur Ed Wynn overleed.

Ed Wynn werd op 9 november 1886 in Philadelphia geboren als Isaiah Edwin Leopold, zoon van Joodse immigranten.

Zijn vader, oorspronkelijk afkomstig uit Bohemen, runde een bloeiende hoedenzaak en hoopte dat zijn zonen het familiebedrijf zouden overnemen.

De jonge Isaiah had echter een heel andere toekomst voor ogen.

Al op vijftienjarige leeftijd liep hij van huis weg om zich aan te sluiten bij een theatergezelschap.

Om zijn familie de schande van een zoon in de amusementswereld te besparen, besloot hij zijn middelste naam in tweeën te splitsen en zo de artiestennaam Ed Wynn aan te nemen.

Zijn carrière begon in het vaudevillecircuit, waar hij de kunst van de visuele komedie al snel in de vingers kreeg.

In 1921 boekte hij een enorm succes met de Broadway-voorstelling The Perfect Fool, een show die hij zelf schreef, regisseerde en produceerde.

In deze periode perfectioneerde hij zijn kenmerkende typetje, dat opviel door een giechelende stem, fladderende handgebaren en een absurde garderobe van honderden grappige hoedjes en slecht passende jassen.

Zijn visuele humor en cartooneske verschijning maakten hem tot een geliefde ster op het podium.

Tijdens de jaren dertig veroverde Wynn ook de radio met zijn populaire programma The Fire Chief.

Hoewel hij enorme successen vierde, kende zijn leven eveneens flinke tegenslagen.

Een mislukte poging om in 1933 een eigen radiostation op te richten, liep al na enkele weken uit op een faillissement, wat hem zowel financieel als emotioneel zwaar trof.

Toch wist hij zich in de daaropvolgende jaren sterk te herpakken. In juni 1946 maakte hij een triomfantelijke comeback in de openbaarheid.

Destijds werd hij geprezen als de gekke clown die de Engelsen massaal vreugde bracht.

Als een bekende naam voor alle luisteraars van de Engelse radio trad hij op voor de toeschouwers van het Texaco Star Theatre in Londen, waar hij zorgde voor een daverende lach met zijn parodieën op enkele grote opera’s.

Hij leek toen goed op weg om een van de grote Engelse clowns te worden, een opvallende prestatie in een land dat van oudsher als het vaderland van de clown werd gezien.

Clowns waren er immers een vast onderdeel in alle stukken van het oude repertoire, met historische grootheden in de annalen van het circus zoals Footit en Chocolat of Billy Hayden als onbetwiste internationale sterren.

De clowneske persoonlijkheid van Ed Wynn viel in deze periode vooral op door de uiterst komische mimiek van zijn gezicht.

Hij verzon onophoudelijk nieuwe gags en burleske absurditeiten. Met een opvallende, verbijsterde blik voerde hij allerlei zelfbedachte trucs uit.

Zelfs als het publiek besefte hoe waanzinnig het allemaal was, was een lachbui simpelweg niet te onderdrukken en had de clown de zaal volledig voor zich gewonnen.

Naast zijn optredens stond hij ook bekend om zijn waanzinnige en ingenieuze uitvindingen die zijn humoristische reputatie versterkten.

Zo bedacht hij een aansteker met een onfeilbaar effect: zodra men deze activeerde, wees een windwijzerpijltje feilloos de dichtstbijzijnde persoon aan die lucifers op zak had.

Een andere opmerkelijke creatie was een kaars die precies acht uur brandde, om vervolgens met het vlammetje de oorlel van de slaper te kietelen als wekker.

Hij ontwierp tevens een speciale scharnierschoen die uitglijden onmogelijk maakte en overtollig water moeiteloos afvoerde, wat rubberen overschoenen volstrekt overbodig maakte.

Voor reizen in de drukke metro droeg hij een op maat gemaakt kledingstuk bezaaid met stalen punten om zich tegen het geduw te beschermen, gecombineerd met een afneembare hoedrand om bekenden beleefd te kunnen begroeten zonder risico op een verkoudheid.

Zijn destijds meest recente vondst was een kolossale bamboestok van ruim elf voet lang, met als enige specifieke doel het opmeten van mensen die langer dan tien voet waren.

Aangemoedigd door zijn zoon, de acteur Keenan Wynn, maakte hij in de jaren vijftig een verrassende en zeer succesvolle overstap naar serieus acteerwerk.

Voor zijn dramatische rol in de televisieproductie Requiem for a Heavyweight ontving hij in 1956 een Emmy Award.

Niet lang daarna kreeg hij lovende kritieken en een Oscarnominatie voor zijn ontroerende bijrol als Albert Dussell in de filmverfilming van The Diary of Anne Frank uit 1959.

Bij een jonger publiek is Ed Wynn vooral bekend gebleven door zijn vele samenwerkingen met Walt Disney.

Hij leende in 1951 zijn stem aan de Mad Hatter in de animatiefilm Alice in Wonderland.

Later was hij in levende lijve te zien in familiefilms zoals Babes in Toyland en Mary Poppins, waarin hij de rol van de vrolijke, zwevende Uncle Albert speelde.

Ed Wynn bleef nagenoeg zijn hele leven actief in de showbusiness, tot aan zijn overlijden aan slokdarmkanker op 19 juni 1966 in Beverly Hills.

Bernard en Sara Giraudeau, en hoe de passie voor acteren van vader op dochter werd doorgegeven.

Bernard Giraudeau werd geboren op 18 juni 1947 in La Rochelle en overleed op 17 juli 2010 in Parijs.

Voordat hij een bekende naam in de Franse film- en theaterwereld werd, koos hij voor een heel ander pad.

Al op jonge leeftijd schreef hij zich in bij de Franse marine. Hij voer twee keer de wereld rond, onder meer aan boord van het bekende schip Jeanne d’Arc.

Deze reizen en zijn diepe verbondenheid met de zee zouden de rest van zijn leven en later ook zijn literaire werk sterk beïnvloeden.

Na zijn jaren op zee ontdekte hij de acteerwereld en trok hij naar Parijs om aan het conservatorium te studeren, waar hij in 1974 de eerste prijs voor klassieke en moderne komedie behaalde.

Zijn filmcarrière begon indrukwekkend naast grootheden als Jean Gabin en Alain Delon in Deux hommes dans la ville.

In de decennia die volgden, groeide hij uit tot een van de meest veelzijdige Franse acteurs, met geprezen rollen in films als Le Fils préféré, Ridicule en Une affaire de goût.

Naast acteren ging hij ook zelf achter de camera staan en regisseerde hij onder andere L’Autre en Les Caprices d’un fleuve.

Wat veel mensen buiten Frankrijk misschien niet weten, is dat zijn warme stem voor een hele generatie Franse jongeren onlosmakelijk verbonden is met magie.

Giraudeau was namelijk de verteller van de eerste vier Franstalige audioboeken van Harry Potter.

Daarnaast sprak hij ook met veel succes de klassieker Le Petit Prince van Antoine de Saint-Exupéry in.

In zijn persoonlijke leven vormde hij vijftien jaar lang een beroemd koppel met de actrice Anny Duperey.

Anny Duperey werd geboren als Annie Legras in 1947 in Rouen.

Op jonge leeftijd werd ze wees nadat haar beide ouders tragisch omkwamen door koolmonoxidevergiftiging, een zwaar trauma dat ze vele jaren later op indrukwekkende wijze beschreef in haar autobiografische bestseller Le Voile noir.

Bij het grote publiek brak ze in de jaren zeventig door met haar rol in de Franse komedie Un éléphant ça trompe énormément, en ze speelde ook internationaal aan de zijde van Al Pacino in de film Bobby Deerfield.

Toch kennen miljoenen Fransen haar vandaag de dag vooral als Catherine Beaumont, de warme moeder in de populaire en enorm langlopende televisieserie Une famille formidable, een rol die ze meer dan vijfentwintig jaar lang vertolkte.

Samen kregen ze twee kinderen, onder wie Sara Giraudeau.

Sara Giraudeau professionele carrière nam al snel een hoge vlucht op de planken.

In 2007 brak ze door in de theaterwereld met haar rol in La Valse des pingouins, waarvoor ze de prestigieuze Prix Molière won voor beste vrouwelijke belofte.

Jaren later, in 2023, mocht ze opnieuw een Molière in ontvangst nemen, ditmaal als beste actrice in een publiek theaterstuk voor haar indrukwekkende prestatie in Le Syndrome de l’oiseau.

Ze wist zich daarmee al snel te ontdoen van het stempel van de dochter van te zijn en bouwde haar eigen veelzijdige carrière op.

Bij het grote internationale publiek verwierf ze enorme bekendheid door haar rol in de veelgeprezen Franse spionageserie Le Bureau des Légendes.

Tussen 2015 en 2020 vertolkte ze de rol van Marina Loiseau, een briljante maar fragiel ogende jonge agente die uitgroeit tot een onmisbare spionne in het Midden-Oosten en Rusland.

Ook op het witte doek boekte ze grote successen. Voor haar ontroerende bijrol als dierenarts in het landbouwersdrama Petit Paysan werd ze in 2018 bekroond met een César.

Toen Bernard Giraudeau in het jaar 2000 de diagnose kanker kreeg, veranderde zijn leven ingrijpend.

Hij moest het acteren grotendeels opgeven door de zware behandelingen, maar hij vond een nieuwe en succesvolle uitlaatklep in de literatuur.

Hij begon romans en reisverhalen te schrijven die vaak doordrenkt waren van zijn maritieme verleden en zijn passie voor verre reizen. Boeken zoals Le Marin à l’ancre, Les Dames de nage en Cher amour werden niet alleen bestsellers, maar leverden hem ook prestigieuze literaire prijzen op.

Tijdens zijn laatste levensjaren sprak hij bovendien zeer openhartig over zijn strijd tegen zijn ziekte en zette hij zich onvermoeibaar in om andere patiënten te steunen en fondsen in te zamelen voor medisch onderzoek.

Vandaag, 50 jaar geleden, was Charles Aznavour te zien met het nummer Mes Emmerdes in het muziekprogramma TopPop.

Het nummer is door hemzelf geschreven en staat op zijn album Voilà que tu reviens.

Naast dit nummer bevat datzelfde album ook bekende hits zoals ‘Par Gourmandise’ en ‘Ils sont tombés’.

Er doen hardnekkige geruchten de ronde dat de tekst van het nummer verwijst naar de moeizame relatie van de zanger met de Franse fiscus.

Nadat hij naar Zwitserland verhuisde, werd hij in 1972 beschuldigd van fiscale fraude.

Dit juridische getouwtrek leidde in 1979 tot een boete van drie miljoen Franse frank (FRF), wat neerkomt op ongeveer 450.000 euro, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een jaar.

Pas na de uiteindelijke betaling in 1980 werd de rechtsvervolging officieel gestaakt.

De titel ‘Mes Emmerdes’ draagt een interessante dubbele lading die perfect aansluit bij dit verhaal.

In het Frans wordt het woord emmerdes vaak gebruikt om te verwijzen naar dagelijkse beslommeringen en kleine ergernissen waarover de zanger in de tekst zingt.

Tegelijkertijd heeft de term een veel plattere, volkse bijbetekenis die verwijst naar diepe narigheid of stront aan de knikker.

Met deze titel wist Aznavour op een ironische en melancholische manier zowel de onschuldige kopzorgen van vroeger als zijn zware juridische strijd met de overheid te vatten.

Hoewel ‘Mes Emmerdes’ in Wallonië een groot succes was met een vierde plaats in de hitlijsten, bleef het succes in Vlaanderen opvallend genoeg beperkt tot een notering in de tipparade.

In Nederland wist het nummer door te dringen tot de vijfentwintigste positie in de Top 40.

Stampeders mogen een dikke kaars branden voor dj Wolfman Jack.

De Stampeders, een van Canada’s meest gewaardeerde formaties, mochten een dikke kaars branden voor deejay Wolfman Jack, ongetwijfeld Amerika’s beroemdste en origineelste platenruiter.

Want alhoewel hun versie van de Ray Charles-hit ‘Hit the Road Jack’ verre van slecht genoemd kon worden, toch hadden ze de Europese doorbraak ervan vooral aan deejay Jack te danken.

De jongens waren op het idee gekomen de plaat te beginnen en te eindigen met een sentimenteel telefonisch onderonsje met de superdikkerd onder de platendraaiers.

In het kort kwam het hierop neer dat een van de Stampeders schreeuwde dat zijn meisje was gaan lopen en hij verrekt in de put zat, waarna Wolfman Jack in zijn klassieke gillende stijl antwoordde dat hij maar eens een weekendje moest afkomen om alles uit te praten.

Dat viel zodanig in de smaak van de meeste deejays in Europa en elders dat ze daarom alleen al ‘Hit the Road Jack’ van The Stampeders waren gaan ronddraaien.

Het publiek pikte daar meteen op in, maar dan ook echt voor het nummer zelf. Het betekende voor deze Canadese formatie na hitjes als ‘Morning Magic’ en ‘Be a woman’ uiteindelijk de eerste grote hit.

Het nummer kende een rijke voorgeschiedenis, want het werd al in 1960 geschreven door Percy Mayfield en vervolgens in 1961 opgenomen door Ray Charles.

Op die bewuste opname, waarop ook The Raelettes-zangeres Margie Hendrix te horen was, groeide het uit tot een van de allerbekendste nummers van Charles.

Het stond destijds zelfs twee weken lang op de eerste plaats in de Amerikaanse Billboard Hot 100. In 1976 besloten The Stampeders het nummer in een nieuw, rockend jasje te steken.

Een opvallend element in deze versie was het telefoongesprek dat de hoofdpersoon voerde met de bekende Amerikaanse radio-dj Wolfman Jack, wiens echte naam Robert Weston Smith is.

Deze unieke aanpak bracht hen internationaal succes in de hitlijsten. In hun thuisland Canada klom de single naar de zesde plaats, en in de Verenigde Staten werd de veertigste positie bereikt.

Ook in de Lage Landen viel het nummer erg in de smaak: in Vlaanderen stootte de plaat door naar een mooie derde plek in de BRT Top 30, terwijl de hit in Nederland goed was voor een zesde plaats in de Top 40.

De Stampeders bestonden op dat moment, in juni 1976, al sedert 1965.

De groep was destijds opgericht door gitarist en componist Rich Dobson, gitarist en componist Ronnie King en gitarist, drummer en componist Kim Berly.

Dit trio was altijd de basis gebleven van de formatie, maar ze lieten zich geregeld door andere muzikanten omringen.

Wolfman Jack overleed op 1 juli 1995. Hij stierf op 57-jarige leeftijd aan de gevolgen van een hartaanval.

Alvin Stardust, de man in het zwarte leer en zijn onverwachte succesverhaal.

Aanvankelijk begon Bernard William Lewry zijn muzikale carrière in het begin van de jaren zestig onder de artiestennaam Shane Fenton.

Met zijn band The Fentones kende hij wat lokaal succes. Een opmerkelijk weetje uit die tijd is dat Lewry eigenlijk de roadie van de band was.

Toen de oorspronkelijke zanger, de echte Shane Fenton, vlak voor een belangrijke BBC-auditie door gezondheidsproblemen plotseling overleed, nam Lewry noodgedwongen zijn plaats én zijn naam over om de kans niet aan de band voorbij te laten gaan.

Jaren later kreeg zijn carrière een onverwachte en zeer succesvolle wending.

Componist Peter Shelley had het nummer ‘My coo ca choo’ geschreven en was oorspronkelijk van plan om dit zelf uit te brengen.

Hij had daarvoor zelfs al de extravagante artiestennaam Alvin Stardust bedacht.

Omdat Shelley echter in 1973 samen met Michael Levy een doorstart maakte van hun eigen platenfirma, Shelley Magnet Records, ontbrak het hem simpelweg aan tijd om zelf op te treden en promotie te voeren.

Shelley vond voormalig tieneridool Shane Fenton bereid om in de huid van Alvin Stardust te kruipen en het nummer op het podium te promoten.

Deze samenwerking legde hen geen windeieren, want ‘My coo ca choo’ werd een daverend mondiaal succes.

In Australië stond het nummer maar liefst zeven weken op de eerste plaats.

Ook in Oostenrijk en Noorwegen liep de verkoop uitstekend, met respectievelijk een tweede plaats gedurende zestien weken en een vierde plaats in negen weken.

In Vlaanderen bereikte de single op 2 februari 1974 een mooie derde plaats in de BRT Top 30.

Wat Peter Shelley betreft: hij zou een jaar na dit succes alsnog zelf singles gaan uitbrengen onder zijn eigen naam.

Zijn single ‘Love Me Love My Dog’ uit 1975 deed het behoorlijk goed.

In de Lage Landen kennen we de melodie van dit nummer vooral dankzij Rudi Carrell, die er in 1976 met ‘Samen ’n straatje’ een hit mee scoorde in de Nederlandse vertaling.

Na het gigantische succes van zijn debuutsingle bracht Alvin Stardust nog enkele opvolgers uit, waaronder ‘Red dress’ en ‘You, you, you’.

De zanger cultiveerde in deze periode een zeer kenmerkend imago: strak in het zwarte leer, met grote bakkebaarden, opvallende zwarte handschoenen en een grote, dikke ring om zijn vinger.

Hij nam tijdens tv-optredens steevast een mysterieuze, ietwat norse houding aan die sterk deed denken aan rock-‘n-roll-legendes zoals Gene Vincent.

Bovendien werd hij in Groot-Brittannië een iconisch gezicht door zijn deelname aan een beroemde verkeersveiligheidscampagne, waarin hij Britse kinderen op het matje riep als ze niet goed uitkeken bij het oversteken.

Na de hoogtijdagen in de jaren zeventig werd het even wachten, maar in 1981 maakte hij een krachtige comeback met zijn coverversie van ‘Pretend’.

Dit nummer werd oorspronkelijk in 1952 geschreven door Lew Douglas, Dan Belloc en Frank Lavere en werd destijds wereldberoemd gemaakt door Nat King Cole.

De uitvoering van Alvin Stardust bleek een groot succes te zijn.

Een leuk detail over deze comeback is dat ‘Pretend’ hem in het Verenigd Koninkrijk zijn grootste succes sinds lange tijd opleverde en de deuren naar het legendarische televisieprogramma Top of the Pops opnieuw wijd voor hem opende.

Ook in de Benelux was het een voltreffer: de single bereikte op 12 december 1981 de eerste plaats in de Vlaamse BRT Top 30 en behaalde in de Nederlandse Top 40 een knappe derde plaats.

Ook in de jaren die daarop volgden, wist Alvin Stardust nog enkele hits te scoren.

Zo was hij in 1982 succesvol met ‘A Wonderful Time Up There’ en had hij in 1985 nog een notering met ‘I Feel Like Buddy Holly’.

Naast zijn muziekcarrière speelde hij succesvol mee in diverse theatermusicals zoals Godspell en Chitty Chitty Bang Bang, en verscheen hij regelmatig in Britse televisieseries.

Het leven van deze veelzijdige artiest kwam ten einde in oktober 2014, slechts enkele weken nadat er uitgezaaide prostaatkanker bij hem was vastgesteld.

Bernard William Lewry, de man die we ons altijd zullen herinneren als de in leer gehulde Alvin Stardust, werd 72 jaar oud.

In memoriam Frank Michael: Italiaans-Belgische charmezanger vandaag op 79-jarige leeftijd overleden

De Belgische zanger Frank Michael werd op 7 mei 1947 als Franco Gabelli geboren in het Italiaanse Bedonia, in de provincie Parma.

Al op driejarige leeftijd verhuisde hij met zijn familie naar België, waar het gezin zich vestigde in Seraing, in de provincie Luik.

Als tiener al nam Gabelli met enig succes deel aan radiowedstrijden, een populair fenomeen in die tijd.

Voordat hij definitief voor een muzikale loopbaan koos, werkte hij vanaf zijn zestiende als technicus in de televisie-elektronica.

Zijn muzikale carrière ging officieel van start midden jaren zeventig, toen hij een eerste plaat opnam.

Deze eerste single, Je ne peux vivre sans toi, werd in 1974 uitgebracht door platenmaatschappij RCA.

Eind 1974 verscheen zijn tweede single, Dites-lui que je l’aime, wat een cover was van de klassieker Tell Laura I Love Her uit 1960.

Geleidelijk vond hij zijn plek binnen het genre van de charmezangers en wist hij een trouw publiek op te bouwen met zijn romantische repertoire en charmante stemgeluid.

In 1976 scoorde hij een hit met het nummer Dis-moi. In de jaren die volgden scoorde hij verschillende successen met nummers zoals ‘Souviens toi de ma chanson’, ‘Eternamente’, ‘Ballade pour un je t’aime’, ‘Une autre vie, un autre homme’,’ En Italie’ en ‘Laisse-moi une chance’ .

Een van zijn laatste grootste successen was het nummer ‘La Saint-Amour’.

Het nummer La Saint-Amour van Frank Michael verscheen in het najaar van 2017 als de titelsong van zijn gelijknamige album.

De melodie van dit nummer is gebaseerd op een zeer bekend klassiek meesterwerk, namelijk de Second Waltz (Wals nr. 2) uit de Suite voor Variété-orkest van de Russische componist Dmitri Sjostakovitsj.

Dit klassieke stuk kreeg in de jaren negentig al een enorme heropleving in de populaire cultuur door de bekende uitvoering van André Rieu.

Voor deze Franstalige bewerking in 2017 werd de muziek van Dmitri Sjostakovitsj voorzien van een nieuwe tekst.

Die Franse tekst werd geschreven door Michel Jourdan, een trouwe vriend en de vaste tekstschrijver van Frank Michael.

Jourdan is een grote naam in de Franse muziekwereld en schreef in zijn rijke carrière ook talloze successen voor artiesten als Mike Brant, Julio Iglesias en Marie Laforêt.

Frank Michael bracht met ‘La Saint-Amour’ een romantische chansonversie van de meeslepende wals, waarbij de grootsheid van de klassieke melodie werd gecombineerd met zijn vertrouwde stijl als charmezanger.

De zanger bouwde zijn reputatie zeer discreet op, buiten de klassieke promotiecircuits om.

Toch heeft hij een indrukwekkend palmares met meer dan 350 nummers, een twintigtal albums, talrijke singles en een lange reeks gouden en platina platen.

Ook vulde hij meermaals de prestigieuze concertzaal Olympia in Parijs.

Hoewel hij in België al een gevestigde naam was, nam zijn populariteit in Frankrijk aan het einde van de jaren negentig nog grotere vormen aan.

Dat succes werd mede aangedreven door het album Toutes les femmes sont belles uit 1997.

Dit gelijknamige nummer werd later ook in het Nederlands gecoverd door Benny Neyman en Luc Steeno.

Frank Michael profileerde zich als een rasechte crooner en richtte zich met zijn romantische liedjes en ballades specifiek op een groter, vaak wat ouder publiek.

Een bijzonder teder en melancholisch nummer in zijn repertoire is L’absence, dat onder meer op zijn album La Saint Amour verscheen.

Dit nummer snijdt een universeel en diepmenselijk thema aan: de diepe leegte, de eenzaamheid en de desoriëntatie die achterblijven na het vertrek of het verlies van een geliefde.

In de tekst vergelijkt de zanger zichzelf met een stuurloos schip op een oceaan van afwezigheid, waarbij hij beschrijft hoe de tijd de wonden niet kan helen en het huis zonder de aanwezigheid van de ander slechts als een verlaten nest aanvoelt.

In 2003 bracht hij bovendien het album Thank You Elvis uit, een bijzonder project waarop hij vijftien nummers van Elvis Presley vertolkte in het Frans en het Italiaans.

Met bijna 60 gouden platen behoort de Italiaans-Belgische crooner tot de tien Belgische persoonlijkheden die wereldwijd de meeste platen hebben verkocht.

Gedurende zijn decennialange loopbaan verkocht hij in totaal bijna 15 miljoen exemplaren, en wist hij met grote regelmaat de hitlijsten in Wallonië en Frankrijk te bereiken.

Zijn betekenis voor de cultuur werd in 2004 officieel erkend toen hij werd benoemd tot Officier in de Kroonorde.

Vandaag is het alweer twee jaar geleden dat Françoise Hardy, een onuitwisbare stem in de Franse popwereld, op 80-jarige leeftijd overleed na een slepende ziekte.

De Parijse, geboren op 17 januari 1944, begon haar carrière als tieneridool met dromerige, melancholische liedjes.

Ze oogstte al snel de bewondering van talloze beroemdheden; zo bekende David Bowie ooit dat hij stiekem verliefd op haar was.

Een van haar absolute tophits is ‘Comment te dire adieu’.

Dit nummer is de Franse bewerking van ‘It Hurts To Say Goodbye’, dat oorspronkelijk door Jack Gold was geschreven voor Margaret Whiting.

De gevatte Franse tekst kwam van de hand van Serge Gainsbourg.

Door de jaren heen is het lied veelvuldig gecoverd door onder meer Jim Nabors, Amanda Lear en uiteraard Jimmy Somerville.

Hardy’s privéleven werd sterk getekend door haar relatie met zanger en acteur Jacques Dutronc.

Na een jarenlange latrelatie traden ze in 1981 in het huwelijk. In haar autobiografie omschrijft ze hem als een ongrijpbare man, steevast verscholen achter een zonnebril en een wolk van sigarenrook.

Hij was bovendien zelden thuis vanwege tournees of filmopnames.

Hoewel ze officieel altijd getrouwd zijn gebleven, bouwde hij later een nieuw leven op Corsica op met actrice Sylvie Duval.

In een openhartig interview blikte de zangeres ooit terug op dit complexe huwelijk.

Ze omschreef Dutronc als een man van weinig woorden, die over haar opmerkte dat ze slim was, omdat ze kritiek altijd behendig verzachtte met een compliment.

Hun relatie vormde een enorme inspiratiebron voor haar liefdesliedjes en de ontelbare brieven die ze hem schreef.

Hoewel de romantische liefde uiteindelijk uitdoofde, bleef hij wel bij haar overnachten wanneer hij in Parijs was.

Hardy besefte naar eigen zeggen pas op latere leeftijd dat haar echtgenoot behoefte had aan een dubbelleven.

Enerzijds zette hij de vrouw van wie hij hield op een voetstuk, maar anderzijds zocht hij stiekem de spanning op in vluchtige avontuurtjes.

Achteraf was ze opgelucht dat ze dit als jonge vrouw niet volledig had beseft, omdat het haar destijds ongetwijfeld gebroken zou hebben.

Met de jaren kon ze zijn hang naar avontuur echter loslaten en accepteerde ze hem zoals hij was.

In hetzelfde interview gaf ze toe lange tijd ongelukkig te zijn geweest, wat haar juist aanzette tot schrijven.

Ze herkende daarin een zekere hang naar tragiek, aangezien ze zich simpelweg niet kon aangetrokken voelen tot een brave, stabiele man.

Hoewel ze later in haar leven emotionele rust vond, werd haar laatste levensfase getekend door zwaar fysiek lijden.

De zangeres kampte jarenlang met lymfeklier- en keelkanker.

Deze ingrijpende ziektegeschiedenis zorgde ervoor dat ze zich in haar laatste jaren nadrukkelijk begon uit te spreken voor het recht op euthanasie.

Ondanks haar roem was Hardy naar eigen zeggen een kluizenaar van nature.

Ze hield het schrijven van een autobiografie lang af met de smoes dat haar leven te saai zou zijn om over te lezen.

Ze verbleef immers het liefst ongestoord tussen haar vier muren met boeken, muziek en schrijfwerk.

Haar wereldje was klein en bestond vooral uit haar zoon Thomas Dutronc en enkele hechte vrienden.

Haar geluk vond ze in kleine, alledaagse momenten: goed eten, wandelen in het Bois de Boulogne en in alle stilte genieten van de bomen en de zonsondergang.

De natuur bood haar een meditatieve rust en een vredige manier om zich van de buitenwereld af te sluiten.

Gisteren nog vandaag

Het veelzijdige acteertalent van Claude Rich, van Panoramix tot Talleyrand.

Claude Rich werd op 8 februari 1929 geboren in Straatsburg en groeide uit tot een van de meest herkenbare en geliefde acteurs van de Franse film en het theater.

Na het verlies van zijn vader op jonge leeftijd verhuisde hij met zijn moeder naar Parijs, waar hij de liefde voor het acteren ontdekte.

Hij begon zijn opleiding aan het bekende Conservatoire national supérieur d’art dramatique en maakte daar deel uit van een uitzonderlijke lichting, samen met andere latere grootheden zoals Jean-Paul Belmondo en Jean Rochefort.

Zijn filmcarrière kwam in de vroege jaren zestig echt van de grond. Met zijn ietwat hese stem en kenmerkende fijne glimlach werd hij vaak gecast als charmante aristocraat, intellectueel of sluwe politicus.

Een mooi weetje over zijn beginjaren is zijn geweldige komische timing in de film Oscar uit 1967, waarin hij als aanstaande schoonzoon op onnavolgbare wijze tegenspel bood aan de energieke Louis de Funès.

Slechts een jaar later liet hij een heel andere kant van zichzelf zien in de melancholische sciencefictionfilm Je t’aime, je t’aime van regisseur Alain Resnais, een rol die zijn enorme veelzijdigheid bewees.

Zijn absolute meesterwerk volgde in 1992 met de film Le Souper.

Hij speelde hierin de doortrapte Franse diplomaat Talleyrand en won voor deze vertolking in 1993 de prestigieuze César voor Beste Acteur.

Wat het extra bijzonder maakt, is dat hij deze veeleisende rol daarvoor al vele malen met overweldigend succes in het theater had gespeeld.

Later in zijn carrière ontdekte een geheel nieuwe generatie zijn talent toen hij in 2002 in de huid kroop van de wijze druïde Panoramix in de Franse kaskraker Astérix en Obélix: Missie Cleopatra.

Ondanks zijn indrukwekkende filmlijst met meer dan tachtig speelfilms, beschouwde hij de theaterwereld altijd als zijn ware thuis.

Een minder bekend feit is dat hij zelf ook een getalenteerd toneelschrijver was en tot ver in de tachtig op de planken bleef staan.

In 2002 werd zijn uitzonderlijke bijdrage aan de Franse cultuur bekroond met een ere-César voor zijn gehele oeuvre.

Claude Rich deelde zijn leven meer dan achtenvijftig jaar lang met actrice Catherine Renaudin, met wie hij twee dochters kreeg, waaronder actrice Delphine Rich.

Hij overleed op 20 juli 2017 op achtentachtigjarige leeftijd in zijn woning in Orgeval, waarna Frankrijk afscheid nam van een man die bekendstond om zijn zeldzame elegantie.

De verrassende wendingen in het leven en de carrière van Morgan Fairchild

Morgan Fairchild werd op 3 februari 1950 in Dallas, Texas, geboren als Patsy Ann McClenny.

Als verlegen kind werd ze door haar moeder ingeschreven voor acteerlessen, waarna ze al op tienjarige leeftijd in kindervoorstellingen begon te spelen.

Na wat kleine opdrachten in Texas verhuisde ze in 1973 naar New York, waar ze al snel de rol kreeg van de wispelturige Jennifer Pace in de soapserie Search for Tomorrow.

Haar ware doorbraak bij het grote publiek kwam eind jaren zeventig, toen ze naar Los Angeles trok en gestalte gaf aan Jenna Wade in de immens populaire reeks Dallas.

Deze rol zette de toon voor haar verdere carrière, waarin ze vaak werd gecast als de glamoureuze, ambitieuze en soms meedogenloze vrouw.

Ze schitterde in de jaren tachtig in succesvolle producties zoals Flamingo Road, waarvoor ze een Golden Globe-nominatie ontving, Paper Dolls, Hotel en Falcon Crest.

Bij een latere generatie kijkers werd ze bijzonder geliefd door haar komische gastrol als Nora Tyler Bing, de extravagante schrijfster en moeder van Chandler in de populaire sitcom Friends.

Wat veel mensen niet weten over haar beginjaren, is dat haar allereerste klus in Hollywood die van body double was.

In de filmklassieker Bonnie and Clyde uit 1967 viel ze in voor hoofdrolspeelster Faye Dunaway tijdens de autorijscènes, simpelweg omdat Dunaway niet met een handgeschakelde versnellingsbak overweg kon.

Haar inmiddels beroemde voornaam Morgan leende ze van de Britse film Morgan: A Suitable Case for Treatment.

Naast de glitter en glamour van Hollywood heeft de actrice ook volkomen onverwachte intellectuele interesses.

Zo is ze al van jongs af aan enorm gefascineerd door dinosauriërs en paleontologie, een wetenschappelijk veld waarin ze had willen werken als haar acteercarrière niet van de grond was gekomen. Nog opvallender is haar diepgaande interesse in epidemiologie en virussen.

Tijdens de vroege jaren van de aids-epidemie verdiepte ze zich uitgebreid in de medische materie en was ze een van de weinige bekende gezichten die weigerde te zwijgen over de ziekte.

Ze trad op als voorvechter en gaf destijds op nationale televisie zelf wetenschappelijke uitleg over retrovirussen om de heersende paniek en stigma’s aan te pakken, ook al gelooft ze dat deze openhartigheid en haar uitgesproken activisme haar in die tijd bepaalde acteerrollen hebben gekost.

Wat haar privéleven betreft, stapte de actrice op zeventienjarige leeftijd in 1967 in het huwelijksbootje met muzikant en zakenman Jack Calmes.

Dit huwelijk hield niet stand en eindigde in 1973 in een scheiding, waarna ze naar New York vertrok om zich volledig op haar carrière te storten.

De grote liefde van haar leven vond ze in 1980 bij filmproducent Mark Seiler. Mark Seiler, geboren op 2 mei 1948, was een invloedrijke Amerikaanse filmproducent en leidinggevende in Hollywood.

Hij bouwde een indrukwekkende carrière op waarin hij onder meer fungeerde als president van de bekende filmstudio RKO Pictures in de jaren tachtig en later als CEO van het productie- en distributiebedrijf Capella Films.

Binnen de filmindustrie stond hij bekend om zijn scherpe zakelijke inzicht en zijn betrokkenheid bij de financiering en distributie van diverse grote internationale filmprojecten.

Hoewel Morgan Fairchild en Mark Seiler er bewust voor kozen om nooit officieel te trouwen, bleven ze meer dan veertig jaar onafscheidelijk en vormden ze een buitengewoon hecht paar tot aan zijn overlijden in juli 2023, na een jarenlange strijd tegen de ziekte van Parkinson en latere complicaties door het coronavirus.

Morgan Fairchild heeft zelf geen kinderen gekregen en heeft later in interviews openhartig verteld dat ze in het verleden meerdere miskramen heeft moeten verwerken.

Haar moedergevoelens uitte ze deels in haar enorme liefde voor dieren.

Ze is al decennialang een fanatieke pleitbezorger voor dierenrechten en heeft door de jaren heen talloze honden en katten uit asielen geadopteerd en een liefdevol thuis gegeven.

De Canadees-Amerikaanse actrice en sopraan Deanna Durbin, geboren als Edna Mae Durbin.

Al op jonge leeftijd veroverde Deanna Durbin de wereld.

Tegen de tijd dat ze eenentwintig jaar oud was, mocht ze zich de bestbetaalde vrouwelijke filmster ter wereld noemen.

Haar ongekende talent bleef niet onopgemerkt, want in 1938 werd ze bekroond met een speciale Academy Juvenile Award, ook wel de kinder-Oscar genoemd, voor haar grensverleggende bijdrage aan het witte doek.

Naast haar succes als actrice oogstte ze veel lof met haar klassieke crossover-muziek.

Ze verkocht miljoenen platen met prachtige vertolkingen van zowel populaire liedjes als operastukken, waaronder het bekende ‘Un bel dì, vedremo’ uit de opera Madama Butterfly.

Wat veel mensen niet weten, is dat haar debuutfilm uit 1936, ‘Three Smart Girls,’ zo’n gigantisch kassucces was dat het de beroemde filmstudio Universal Studios eigenhandig redde van een dreigend faillissement.

Ze had bovendien fans over de hele wereld en in de meest opmerkelijke kringen.

De Britse premier Winston Churchill was bijvoorbeeld een enorm groot bewonderaar en eiste regelmatig om haar nieuwste films in een privébioscoop te mogen bekijken, nog voordat ze officieel voor het grote publiek in première gingen.

Ondanks haar wereldwijde roem en aanhoudende succes koos Durbin er op 27-jarige leeftijd voor om Hollywood en de filmwereld abrupt de rug toe te keren.

Ze wees alle verdere filmaanbiedingen af en vertrok naar Frankrijk om daar samen met haar man een rustig, anoniem leven te leiden, ver weg van de pers en de schijnwerpers.

In datzelfde land is ze uiteindelijk vele decennia later, in april 2013, op 91-jarige leeftijd in alle rust overleden.

Diane Catherine Sealy, beter bekend onder haar artiestennaam Dee C Lee mag vandaag 65 kaarsjes uitblazen.

Dee C Lee is een Britse zangeres die haar sporen heeft verdiend in de soul- en popmuziek.

Hoewel ze later bekend werd als een intelligente en ambitieuze artiest, was ze in haar jeugd naar eigen zeggen een onhandelbaar kind. spijbelde vaak, was haantje-de-voorste en liet niet over zich heen lopen, wat er uiteindelijk toe leidde dat ze van school werd gestuurd.

Na enkele vervelende baantjes begon haar muzikale carrière echt toen ze aan de slag ging als achtergrondzangeres bij Wham!, waarna ze werd opgemerkt door Paul Weller die haar bij The Style Council haalde.

Naast haar werk in groepen profileerde Lee zich ook als soloartiest.

Het was Paul Weller die haar aanmoedigde om zelf nummers te gaan schrijven, iets wat ze aanvankelijk niet durfde omdat ze opkeek tegen grootheden als Aretha Franklin.

Dit resulteerde uiteindelijk in haar hit “See The Day”, het eerste nummer waarover ze zelf tevreden was.

In Vlaanderen werd de single goed ontvangen en bereikte deze de dertiende plaats in de BRT Top 30, maar vreemd genoeg kwam het nummer in Nederland niet verder dan de Tipparade.

Lee staat daarnaast bekend om haar uitgesproken meningen over de muziekindustrie, die ze in de jaren tachtig als seksistisch ervoer.

Ze hekelde het feit dat vrouwen aan een stereotype moesten voldoen, terwijl er nauwelijks aandacht was voor hun stem of ideeën.

Ook gebruikte ze haar bekendheid om maatschappelijke problemen aan te kaarten, zoals het toenemende racisme en de agressie in Engeland.

Na haar periode bij The Style Council bleef ze muzikaal zeer actief.

Van 1989 tot 1991 vormde ze samen met Robert Howard, de frontman van The Blow Monkeys, het duo Slam Slam.

Nummers als Move (Dance All Night) en het door The Young Disciples geproduceerde Free Your Feelings werden bescheiden clubsuccessen.

Daarna verleende Lee haar medewerking aan het Jazzmatazz-project van Gang Starr-rapper Guru. Het nummer No Time To Play, waarop ook gitarist Ronny Jordan meespeelde, werd eind 1993 een hit.

In de jaren negentig bracht ze ook eigen werk uit, met de solo-albums Things Will Be Sweeter in 1994 en Smiles in 1998.

In de jaren daarna bleef Lee optreden en maakte ze uitstapjes naar de filmwereld; zo was ze als actrice te zien in Rabbit Fever en The Town that Boars Me.

In september 2007 verscheen ze in de talkshow Loose Women en zong ze op een benefietconcert tegen huiselijk geweld. Een opvallend optreden volgde op 31 mei 2009 in de wijk Shepherd’s Bush, waar ze op het podium stond met Mike Lindup en Phil Gould van Level 42 en het collectief Favoured Nations.

Een bijzonder moment voor de fans vond plaats in augustus 2019, toen Lee werd herenigd met Weller, Talbot en White voor een eenmalig akoestisch optreden in een documentaire over The Style Council, waarbij ze de albumtrack It’s A Very Deep Sea ten gehore brachten.

In 2024 bracht ze na zesentwintig jaar een nieuw album uit, getiteld Just Something, dat verscheen op het label Acid Jazz.

De productie was in handen van Tristan Longworth.

Het album, met nummers als Don’t Forget About Love, Anything, Be There In The Morning en Walk Away, werd kwalitatief sterk bevonden en had wellicht meer aandacht verdiend.

Verleden jaar kwam er nog een remix uit van het nummer Back in time, dat eerder al in 2024 verscheen als voorbode van het album.

Op persoonlijk vlak was Lee jarenlang nauw verbonden met haar collega Paul Weller.

Ze voerden vaak lange discussies over het vinden van de balans tussen engagement en entertainment.

Het paar was van 1987 tot 1998 getrouwd en kreeg twee kinderen: dochter Leah Weller en zoon Nathaniel, ook wel bekend als Natt Weller.