Het is inmiddels alweer 45 jaar geleden dat Elton John het nummer Nobody Wins uitbracht, afkomstig van zijn album The Fox uit 1981.

Voor zover ik weet, was het de eerste keer dat Elton zich waagde aan een Franstalige cover.

Het origineel, ‘J’veux d’la tendresse’, werd geschreven door Jean-Paul Dreau en destijds gezongen door de Franse zangeres Janic Prevost.

Op uitdrukkelijk aandringen van Elton voorzag zijn toenmalige schrijfpartner Gary Osborne de track van een Engelse tekst.

Het resultaat is een aangrijpend nummer dat de scheefgegroeide verhoudingen in het mislukte huwelijk van zijn ouders beschrijft, en de diepe impact die deze situatie op hem had.

Een leuk detail is dat Elton het nummer ook met de originele Franse tekst heeft opgenomen; deze versie werd uitsluitend in Frankrijk op single uitgebracht.

Het was overigens niet de eerste keer dat Elton John in het Frans zong.

Een jaar eerder, in 1980, scoorde hij in Frankrijk al een enorme hit met de Franstalige duetten ‘Les Aveux’ en ‘Donner Pour Donner’, samen met de Franse zangeres France Gall.

Die nummers waren destijds echter speciaal voor hen geschreven door Michel Berger en Bernie Taupin.

The Fox wordt vaak beschouwd als een minder commercieel en daardoor sterk ondergewaardeerd album in zijn repertoire.

Voor mij persoonlijk behoort het echter tot zijn absolute topwerk.

Dat kan ook haast niet anders, zeker met het prachtige eerbetoon aan ons land in de vorm van het nummer ‘Just like Belgium’, voor mij het absolute meesterwerk van de plaat.

Dit vrolijk klinkende popnummer is voorzien van een sterk nostalgische tekst van zijn vaste schrijfpartner Bernie Taupin over maatschappelijke buitenbeentjes die troost bij elkaar zoeken.

De tekst leest tegelijkertijd als een vluchtig, weemoedig reisverslag over de herinneringen aan een jeugdige, ietwat wilde trip naar Brussel. Taupin beschrijft heel specifieke beelden, zoals het rondhangen op de trappen van het museum als zorgeloze avonturiers, het kopen van souvenirs met de laatste paar franken, en de ruwere kant van het nachtleven met goedkope kroegen, straatprostituees en opstootjes in de rosse buurt.

In het nummer wordt die herinnering bovendien gebruikt als een metafoor.

De zanger bevindt zich in een situatie met een vrouw die afstandelijk, chaotisch of berekend overkomt, waardoor hij zingt dat haar gedrag hem precies doet denken aan dat rauwe België van toen.

Het is in de kern een lied over reisherinneringen, vervlogen jeugd en de prijs die je betaalt wanneer je een beetje buiten de lijntjes kleurt.

Wat de opname muzikaal extra interessant maakt, is dat de Franse actrice Colette Bertrand een gesproken stukje toevoegt en Jim Horn een opvallende saxofoonsolo speelt.

Hoewel het buiten de Verenigde Staten destijds als tweede single werd uitgebracht, wist het geen notering in de BRT Top 30 te bemachtigen. Trouwens, ook in Nederland bereikte de single de Top 40 niet.

Een mooi detail in de popgeschiedenis is nog dat het nummer eigenlijk was geschreven met Rod Stewart in gedachten.

Toen hij het echter afwees, besloot Elton John er zelf mee aan de slag te gaan.

Daarnaast staat het album vol met andere pareltjes.

Zo is er Carla/Etude, een schitterend klassiek instrumentaal stuk dat hij componeerde als eerbetoon aan zijn toenmalige vrouw Carla.

Deze compositie vloeit naadloos over in Chloe, een werkelijk heerlijke vocale ballad.

Tot slot is er Elton’s Song, een nummer met een zwaar strijkersarrangement.

Voor dit muzikaal briljante nummer schreef Elton de muziek, terwijl de tekst werd geleverd door de Britse zanger en bekende voorvechter van LGBTQ-rechten Tom Robinson.

Het nummer gaat over een tienerjongen die ontdekt dat hij homoseksueel is en in het geheim worstelt met een diepe verliefdheid op een oudere jongen bij hem op school.

De tekst beschrijft heel puur en kwetsbaar de verwarring, de eenzaamheid en het onbeantwoorde verlangen dat bij zo’n verborgen liefde komt kijken.

Omdat homoseksualiteit, en zeker de ontdekking daarvan door een jongere in een schoolomgeving, in die tijd nog een behoorlijk taboe was, bracht het nummer aanzienlijke controverse met zich mee.

Dit werd nog versterkt door de bijbehorende videoclip, geregisseerd door Russell Mulcahy.

Deze video bracht de verhaallijn van de tekst duidelijk in beeld, wat er destijds voor zorgde dat zenders zoals de BBC weigerden om de clip uit te zenden.

Ondanks deze censuur en het feit dat het geen commerciële hit werd, wordt het nummer vaak geprezen om de eerlijke, emotionele lading en de moedige keuze om dit onderwerp in het begin van de jaren tachtig zo openhartig aan te snijden.

In de zomer van 1976 deelde Elton John in de Joepie heel wat persoonlijke weetjes, die een fascinerende mix vormden van waargebeurde feiten, lichte overdrijvingen en zijn typische droge humor.

Hij had toen een heel duidelijke droomwens: hij wilde ooit Elvis Presley persoonlijk ontmoeten.

Opvallend genoeg is dat vlak voor de publicatie van dit lijstje ook echt gelukt.

Op 27 juni 1976 woonde Elton samen met zijn moeder een concert van The King bij in Maryland en werd hij na de show backstage uitgenodigd.

Het werd echter een trieste ervaring, want Elvis was toen al fysiek enorm afgetakeld.

Elton vertelde later in interviews dat de ontmoeting hem diep raakte en dat hij huilde, omdat hij besefte dat het niet lang meer goed zou gaan met zijn grote idool.

Ondanks dat verdrietige moment had zijn eigen sterrenstatus hem toen al ver gebracht, want een paar jaar eerder was hij als speciale gast uitgenodigd voor een diner bij prinses Margaret.

Op muzikaal vlak zong hij destijds liever dan dat hij nummers schreef, en hij was volop bezig met het nemen van gitaarlessen.

Hoewel hij zelf geen noten kon lezen, koesterde hij grote ambities.

Zo wilde hij dolgraag een duo-album vol liefdesliedjes opnemen met Kiki Dee. Dat klopte overigens helemaal met de realiteit, want die wens resulteerde exact in die periode in de gigantische wereldhit ‘Don’t Go Breaking My Heart’.

Verder wilde hij zich graag verdiepen in de countrymuziek, beweerde hij de grootste platenverzameling ter wereld te bezitten en luisterde hij naar klassieke muziek om te kalmeren als hij zenuwachtig was.

Zijn favoriete componist in die tijd was Randy Newman.

Elton had een uitgesproken levensstijl met opmerkelijke voorkeuren en afkeren.

Hij had een hekel aan vliegen en reisde veel liever met de trein, deels door zijn hoogtevrees.

Hij had een bloedhekel aan scheerapparaten en verafschuwde alles wat met plastic en namaak te maken had.

In plaats van zich in het nachtleven te storten of feestjes af te schuimen, ging hij liever vroeg naar bed, steevast aan de rechterkant, om er vroeg weer uit te komen.

Hij rookte niet en begon elke ochtend met het slikken van vitaminen.

Daarnaast was hij dol op de zon, kookte hij ontzettend graag en was hij een echte zoetekauw met een zwak voor chocolade en vruchtensap.

Urenlange telefoongesprekken voeren was een favoriete bezigheid.

Als hij een dochter zou krijgen, vond hij Umbrella de mooiste meisjesnaam, al klinkt dat veeleer als een typisch plagerijtje tijdens een interview.

Dat geldt wellicht ook voor zijn bewering dat hij erg bijgelovig was en exact 96 boeken over de Tweede Wereldoorlog had, al was hij wel een enorme filmliefhebber met Katharine Hepburn als favoriete actrice.

Het geld dat hij verdiende, spendeerde hij het liefst aan kunstwerken.

Ook had hij de luxueuze gewoonte om alles in het dubbel te kopen voor zijn verschillende peperdure huizen, een extreem koopgedrag dat destijds beroemd en berucht was.

In zijn Engelse stulpje had hij in elke kamer een kleurentelevisie staan.

Mensen verraste hij het liefst met honden als geschenk.

Zijn eigen vrienden waren erg belangrijk voor hem.

Tot een paar maanden voor juli 1976 woonde hij op nog geen honderd meter van zijn beste vriend Alice Cooper, totdat diens woning afbrandde, een hechte vriendschap die doorheen de jaren goed gedocumenteerd bleef.

Acteur Steve McQueen was dan weer een van Eltons grootste fans.

De zanger, die al op negentienjarige leeftijd het ouderlijk huis had verlaten, zat destijds vol veranderingen.

Hij had net een haartransplantatie achter de rug om zijn beginnende kaalheid te bestrijden en had even overwogen om onder een andere naam te gaan optreden.

Omdat hij niets geschikts bedacht, liet hij dat plan uiteindelijk varen.

Al deze feitjes en aangedikte details samen gaven uiteindelijk een verrassend sfeervol beeld van de flamboyante popster die hij in dat decennium was.

Vandaag is het precies veertig jaar geleden dat de vooraanstaande Franse industrieel ontwerper Raymond Loewy overleed.

Na zijn studietijd in Parijs tussen 1910 en 1914 diende hij tijdens de Eerste Wereldoorlog als tweede luitenant in het Franse leger.

In 1919 maakte hij de oversteek naar New York, waar hij aanvankelijk aan de slag ging als etaleur voor warenhuizen en als mode-illustrator voor bekende tijdschriften zoals Vogue, Harper’s Bazaar en Vanity Fair.

Tien jaar later, in 1929, richtte hij zijn eigen ontwerpbureau op.

Zijn filosofie was even simpel als doeltreffend, getuige de tekst op zijn visitekaartjes: als twee producten in prijs, functie en kwaliteit gelijk zijn, dan verkoopt het mooiste beter.

Dit bewees hij al snel met zijn eerste grote succes: het restylen van de Gestetner-stencilmachine.

Hoewel het apparaat technisch vrijwel identiek bleef aan zijn voorganger, zorgde de vereenvoudigde en strakkere vormgeving voor een efficiëntere productie en hogere verkoopcijfers.

In de decennia die volgden, leek het alsof Loewy alles ontwierp wat er maar te ontwerpen viel.

Van gestroomlijnde stoomlocomotieven, auto’s en vliegtuigen tot frisdrankautomaten, ijskasten en het interieur van NASA’s Skylab; hij stond altijd vooraan.

Hij werkte voor giganten als Pennsylvania Railroad, Greyhound, Coca-Cola en Studebaker.

Daarnaast was hij verantwoordelijk voor het ontwerpen van verpakkingen voor Lucky Strike en beeldmerken voor grote bedrijven als Spar, Exxon en Shell.

Bij Shell bewees hij bovendien zijn scherpe zakelijke inzicht door niet alleen het logo af te leveren, maar ook strikte wereldwijde richtlijnen voor het uniforme gebruik ervan op te stellen.

Zijn benadering van het vak legde hij vast in zijn autobiografie Never Leave Well Enough Alone uit 1951.

Loewy’s invloed was op het hoogtepunt van zijn carrière zo groot dat naar schatting meer dan vijfenzeventig procent van de Amerikanen dagelijks met zijn ontwerpen in aanraking kwam.

Dit bracht hem ongekende roem, die vergelijkbaar was met die van een filmster, wat in 1949 resulteerde in een coververhaal in Time Magazine.

In de jaren zeventig kreeg zijn loopbaan een diplomatiek tintje toen hij, op verzoek van de Amerikaanse regering, voor de Sovjet-Unie ging werken in een poging de spanningen van de Koude Oorlog te verzachten.

Hij ontwierp voor hen onder meer een motorfiets, auto, tractor en diverse huishoudelijke apparaten, al zijn deze plannen helaas nooit gerealiseerd.

Ondanks zijn fenomenale staat van dienst eindigde zijn verhaal in mineur.

Waar zijn kantoor rond 1960 nog honderdtachtig werknemers telde, moest hij in 1977 wegens financiële problemen zijn Amerikaanse vestiging sluiten.

Toen Raymond Loewy in 1986 stierf, liet hij een onuitwisbare stempel achter op de moderne vormgeving, maar was hij zelf volledig bankroet.

Vandaag 45 jaar geleden: eerste aflevering van de Knokke Cup op BRT 1 en Nederland 2

Zou het ooit nog eens worden zoals vroeger, met een tierende Lou van Rees en een woedende Willem O. Duys?

Kregen we na jaren weer een echt rel-festival terug met keiharde, door en door gemene Belgen- en Hollander-grappen?

Of werd het Knokke-festival ook dit jaar weer een zouteloos liedjesgedoe waarin iedereen lief was voor iedereen?

Ach, had de oude heer Gustaaf Nellens nog maar geleefd.

Ivo Niehe was de kapitein van de ploeg en samen met Lori Spee, Suzanne Michaels en Wim Hogenkamp probeerde hij het Nederlandse team naar een goede prestatie te leiden.

Ivo Niehe was toen kapitein van de ploeg.

Lori Spee blonk dit jaar uit met haar zang.

Als kind zong Lori al opvallend hoog en goedbedoelde kennissen brachten haar en Ruud Jacobs (broer van Pim Jacobs, zwager van Rita Reys en ex-vriend van Liselore Gerritsen) bij elkaar.

Lori bleek over een schitterende stem te beschikken en mocht een heuse langspeelplaat volzingen met als titel “Behind those eyes”.

Lori schreef al haar teksten zelf en dat was in het hitgevoelige wereldje geen voordeel, want onzichtbare krachten wonnen meestal.

Maar misschien werden we eindelijk wakker en hoorden we dat Lori heel mooie liedjes schreef.

Suzanne Michaels leek het sprookje van ieder schoolmeisje te beleven: zo van de klas naar de platenstudio.

Haar eerste single werd eind 1979 een succes: “It should be Christmas every day”. In één keer werd dat plaatje opgenomen, omdat Suzanne het lied in één keer hemels zuiver zong.

In de platenindustrie hadden ze nog nooit eerder zoiets meegemaakt.

In 1981 zong ze onder meer “It’s you” en “Love me tender”.

Het werden geen dikke hits, maar ze had net haar diploma gehaald aan het begin van haar zesde jaar atheneum.

Eerst een diploma, vond haar moeder, en zo gebeurde het.

Maar wie weet lag straks heel België plat aan haar voeten.

Wim Hogenkamp, helaas ook al overleden in 1989, was het derde lid van de Holland-equipe, en hij werd door een klein aantal liefhebbers op handen gedragen.

Wim schreef ooit het liedje “De mallemolen” voor Heddy Lester, die er tijdens het Eurovisie Songfestival slechts weinig punten mee behaalde.

Aangespoord door dit “succes” stortte Wim Hogenkamp zich als uitvoerend artiest op zijn eigen werk.

Er werd een langspeelplaat gemaakt met de titel “Heel gewoon”, waarvoor hij een Edison ontving.

Toen droeg hij eenmaal de Louis Davids-ring om de ringvinger; de zanger zat helemaal gebeiteld.

Niets kon hem een tweede langspeelplaat meer in de weg staan en die kwam er dan ook, met als titel “Punt uit”.

Zoiets deed je vermoeden dat het de laatste plaat van Wim was.

Maar nee, volgens de biografie van de platenmaatschappij was de nabije toekomst voor Wim van groot belang: hij was met zoveel dingen tegelijk bezig dat het hem vaak moeilijk viel zijn gedachten op één activiteit te concentreren.

Plannen voor de toekomst waren er in ieder geval genoeg.

Nederland wist de Knokke Cup in 1981 niet te winnen.

De hoofdprijs ging dat jaar naar het Vlaamse team met Sofie (Sofie Verbruggen).

Ze vertegenwoordigde dat jaar ons land samen met haar collega-artiesten Johan Verminnen en actrice en zangeres Liliane Dorekens.

Liliane Dorekens, geboren op 29 oktober 1950 te Antwerpen, studeerde in 1972 af aan de Studio Herman Teirlinck als onderdeel van de allereerste lichting van de opleiding kleinkunst.

Ze deed dit samen met onder andere Connie Neefs en Luc Appermont.

Haar bekendste rollen zijn Melanie in de populaire komische serie Slisse & Cesar en Micheline Hoefkens (de vriendin van Rita) in de soap Familie.

Ze had daarnaast gastrollen in onder andere Thuis.

Ze speelde mee in grote producties zoals de musicals Je Anne (Koninklijk Ballet van Vlaanderen) en Fiddler on the Roof.

Recent vierde ze nog haar 55-jarige vriendschap met Connie Neefs in de muzikale theatervoorstelling Vrienden voor het leven.

De oorspronkelijke, grote zangwedstrijd De Knokke Cup (voorheen bekend als het Songfestival van Knokke of de Europabeker voor Zangvoordracht) liep jaarlijks van 1959 tot en met 1973.

In de jaren 80 werd er in het Casino van Knokke nog vijf keer een kleinschaligere versie onder de naam ‘Knokke Cup’ georganiseerd.

De allerlaatste editie van deze reeks vond plaats in 1986.

Als chef d’équipe (kapitein van de ploeg) deed Lou van Rees vanaf 1959 voor Nederland maar liefst 15 keer mee aan het befaamde Knokkefestival.

Regelmatig mondde dit uit in een relletje, maar volgens Van Rees was dat altijd weer goed voor de publiciteit.

Nederland won onder zijn leiding in 1964 met Willeke Alberti, Shirley, Trea Dobbs, Ilonka Biluska en Rita Hovink en in 1965 met Greetje Kauffeld, Liesbeth List, Conny van Bergen, Suzie en Jan Arntz.

Willem O. Duys schreef in diverse muziekbladen en werd wegens zijn grote vakkennis uitgenodigd om een optreden van Johnnie Ray voor de AVRO aan te kondigen.

Zo maakte hij op 1 juli 1959 zijn debuut als televisiepresentator en volgden er meer opdrachten.

In die tijd liet hij zich Willem ‘O’ Duys noemen.

Het was trouwens Willem Duys die Nederland in 1975 liet kennismaken met een nieuw fenomeen, namelijk Lee Towers.

Gustave (Gustaaf) Nellens (1907–1971) was een visionaire Belgische kunstverzamelaar en de legendarische directeur van het Casino Knokke.

Onder zijn leiding groeide de kustgemeente uit tot een internationale ontmoetingsplaats voor de absolute wereldtop uit de kunst- en muziekwereld.

Hij haalde iconen zoals Frank Sinatra, Edith Piaf, Jacques Brel en Nat King Cole naar het podium.

In 1952 bestelde hij de destijds grootste kristallen kroonluchter ter wereld (7 ton zwaar) voor de grote feestzaal.

Hij onderhield nauwe vriendschappen met meesters zoals Pablo Picasso, Salvador Dalí en Max Ernst, die er allemaal exposeerden.

Zijn meest permanente nalatenschap in het casino is de opdracht aan de surrealistische schilder René Magritte.

In 1953 realiseerde Magritte er de monumentale, 71 meter lange 360°-muurschildering Het betoverde rijk (Le Domaine Enchanté) in de zaal die vandaag de dag de Magrittezaal heet.

Na zijn onverwachte overlijden in 1971 werd het artistieke roer overgenomen door zijn zonen Jacques en Roger Nellens.

Zij zetten de familietraditie voort door onder andere popart-icoon Keith Haring naar Knokke te halen.

Ter nagedachtenis aan Gustave werd in 1974 het iconische stenen beeld Eva van Eugène Dodeigne in Knokke ingehuldigd.

De familie Nellens droeg de concessie van het casino in de jaren 90 van de vorige eeuw over aan de Franse casinogroep Partouche.

Hiermee kwam een einde aan de rechtstreekse creatieve en familiale leiding.

De Belgische gokgroep Napoleon Games nam de exploitatie in 2013 over. Het casino draagt vandaag de dag ook de naam Napoleon Casino Knokke.

Het gebouw zelf is eigendom van de gemeente Knokke-Heist.

De gemeente heeft recent grote plannen goedgekeurd voor een volledige vernieuwing en uitbreiding van de site.

Aan de renovatie van het casino hangt een stevig prijskaartje van 95 miljoen euro.

De bedoeling is dat de werken klaar zijn tegen 2032.

40 jaar geleden, Madonna met haar hit ‘Papa Don’t Preach’.

De videoclip bij Papa Don’t Preach uit 1986 is een legendarisch moment in de carrière van Madonna en markeerde een belangrijke stijlverandering.

De regie van de videoclip was in handen van James Foley, die destijds ook de clip voor Live to Tell regisseerde.

In de video introduceerde Madonna een nieuwe look die bekend kwam te staan als de gamine-stijl, geïnspireerd op actrices als Audrey Hepburn en Shirley MacLaine.

Dit was een bewuste breuk met haar eerdere imago van zware make-up en opzichtige sieraden.

Ze droeg kort, platinablond haar en een atletisch, gespierd figuur, vaak gekleed in eenvoudige jeans of een zwarte bustier met capribroek.

Een opvallend element is het T-shirt dat Madonna in de clip draagt met de tekst Italians Do It Better.

Dit was een duidelijke verwijzing naar haar eigen Italiaanse afkomst en droeg bij aan het rebelse, maar zelfverzekerde imago dat ze wilde uitstralen.

De rol van de vader in de clip werd gespeeld door de bekende acteur Danny Aiello.

De clip wisselt af tussen scènes waarin Madonna als tomboy door het leven gaat en momenten waarin ze een meer volwassen, sensuele kant van zichzelf laat zien terwijl ze danst in een verduisterde studio.

Deze afwisseling benadrukte de innerlijke strijd van het personage in het nummer: een tiener die geconfronteerd wordt met een onverwachte zwangerschap en een besluit moet nemen waarvoor ze de goedkeuring van haar vader zoekt.

De videoclip veroorzaakte, net als het nummer zelf, veel maatschappelijke discussie.

Door het onderwerp tienerzwangerschap en de keuze om het kind te houden, werd het nummer door verschillende groepen verschillend geïnterpreteerd.

Terwijl sommige conservatieve groepen de pro-life-boodschap in de video prezen, zagen feministen en andere organisaties het als een gevaarlijke verheerlijking van tienerzwangerschappen.

Madonna zelf hield zich op de vlakte en benadrukte vooral dat het nummer ging over een meisje dat voor haar eigen keuzes durft te staan en de band met haar vader wil behouden.

De single was in Vlaanderen goed voor een eerste plaats in de BRT Top 30 en dat voor drie weken lang. In Nederland bereikte het nummer de tweede plaats in de Top 40.

Brian Elliot baseerde de tekst op tienerroddels en gesprekken die hij hoorde buiten zijn opnamestudio in Los Angeles, waar schoolmeisjes vaak even stopten om hun haar te doen en te kletsen.

In eerste instantie schreef Elliot het nummer voor een zangeres genaamd Christina Dent.

Zij werkte toen vooral als backing vocal in de platenstudio.

In 1980 was ze lid van de groep The Friends Band.

Andere leden van deze groep waren Barbara Paige, Deborah Morton, Larry Fulcher, Peter Dobson, Ron Rhoades en Ruthie Lewis.

Deze groep heeft één album uitgebracht met als titel ‘All Kinds Of People In Every Room’ in 1980.

Een platenbaas van Warner Bros. hoorde de demo en vond dat het perfect bij Madonna paste.

Madonna paste na ontvangst kleine delen van de songtekst aan. Ze bracht het in de zomer van 1986 uit als de tweede single van haar succesvolle derde studioalbum, True Blue.

40 jaar geleden, de klacht van Pa (Danny Aiello)

Danny Aiello begon pas op latere leeftijd met acteren. Om in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin te voorzien, werkte hij aanvankelijk in uiteenlopende functies, zoals bij een busdienst en als uitsmijter in een nachtclub.

Pas rond zijn veertigste kreeg hij voet aan de grond in de acteerwereld en in 1973 beleefde hij zijn filmdebuut, onder meer in Bang the Drum Slowly.

In de jaren daarna bouwde Aiello een veelzijdige carrière op in films, op televisie en in het theater.

Halverwege de jaren zeventig maakte hij diepe indruk in Chicago met een rol in het toneelstuk That Championship Season van Jason Miller, wat hem verschillende prijzen en nominaties opleverde.

In 1981 werd zijn werk voor televisie bekroond met een Daytime Emmy Award voor zijn vertolking in ‘A Family of Strangers’.

Zijn grote doorbraak op het witte doek volgde in 1987, toen hij de verloofde van Cher speelde in Moonstruck.

Twee jaar later volgde zijn iconische rol als pizzeriaeigenaar Sal in de film Do the Right Thing van Spike Lee, een prestatie die hem een nominatie voor een Academy Award voor beste mannelijke bijrol opleverde.

Aiello speelde ook de rol van de vader in de bekende videoclip van Madonna bij het nummer ‘Papa Don’t Preach’.

Hij was zo overtuigd van zijn personage dat hij later een antwoordnummer uitbracht onder de titel ‘Papa Wants the Best for You’, waarin het verhaal vanuit het perspectief van de vader werd verteld.

Er waren plannen voor een videoclip bij dit nummer, maar omdat Madonna weigerde haar rol als dochter opnieuw te spelen, werd voor de video een dubbelganger ingezet (Joepie 12 oktober 1986).

Het is inmiddels al vijfentwintig jaar geleden dat Kylie Minogue de wereld veroverde met haar gigantische hit Can’t Get You Out Of My Head.

Dit aanstekelijke nummer werd geschreven door de Britse zangeres, componiste en producer Cathy Dennis, samen met oude rot in het vak Rob Davis.

De wat oudere muziekliefhebbers zullen Davis misschien nog wel herkennen uit zijn tijd als gitarist van de legendarische Britse glamrockband Mud.

De samenwerking bleek een schot in de roos, want de single veroverde moeiteloos de eerste plaats in de Vlaamse Ultratop 50 en wist die positie maar liefst zes weken lang vast te houden.

In de BRT Top 30 deed het nummer het zo mogelijk nog beter door daar maar liefst acht weken lang de absolute eerste plaats te bezetten.

Eveneens in Nederland en in vrijwel de rest van de wereld domineerde het nummer de hitlijsten en behaalde het overal de nummer één-positie.

De pers was destijds laaiend enthousiast over deze fenomenale comeback en schreef dat Kylie er weer helemaal mocht zijn.

Het kon inderdaad verkeren, want nog niet zo heel lang daarvoor werd ze gezien als een simpel tienersterretje met zo weinig geloofwaardigheid dat zelfs de Joepie of de Hitkrant er zijn neus voor zou ophalen.

Ze onderging echter een indrukwekkende transformatie tot een ware vamp en bouwde aan een heel nieuw imago.

Ze had een spraakmakende relatie met INXS-frontman Michael Hutchence, zong een onvergetelijk duet met Nick Cave, werkte samen met de Manic Street Preachers en nam muziek op met Robbie Williams.

Haar geloofwaardigheid steeg naar zulke grote hoogten dat popkoningin Madonna destijds zelfs met een T-shirt met de naam van Kylie erop rondliep.

Om haar nieuwe, zelfverzekerde imago nog wat extra in de verf te zetten, poseerde ze in die periode regelmatig met zo min mogelijk kleding aan voor diverse vooraanstaande fotografen.

Naast deze opmerkelijke feiten over haar megahit en transformatie, is de carrière van de Australische zangeres rijk aan nog veel meer bijzondere details.

Wat veel mensen zich wellicht nog herinneren, is dat ze haar doorbraak niet in de muziek beleefde, maar als actrice in de populaire Australische soapserie Neighbours.

Daar vertolkte ze de rol van de stoere monteur Charlene Robinson, en haar bruiloft op het scherm met Jason Donovan behoort nog altijd tot de best bekeken televisiemomenten uit die tijd.

Het beroemde en onweerstaanbare la-la-la-gedeelte uit Can’t Get You Out Of My Head was overigens in eerste instantie bedacht als een tijdelijke opvulling voor de melodie, maar bleek zo aanstekelijk dat het ongewijzigd werd behouden en uitgroeide tot de grootste hook van het decennium.

Ook de futuristische muziekvideo, geregisseerd door Dawn Shadforth, droeg enorm bij aan het wereldwijde succes.

In deze clip is Kylie onder meer te zien in een sportieve wagen tegen een futuristische achtergrond en voert ze samen met haar dansers een strakke choreografie uit, bedacht door Michael Rooney, die hiervoor in 2002 zelfs een MTV Video Music Award voor Best Choreography won.

Minstens zo memorabel was haar kleding in de clip: een uiterst opvallende witte jumpsuit met diepe uitsnijdingen en een kap, speciaal voor haar ontworpen door de Londense modeontwerpster Fee Doran onder het label Mrs Jones.

Bovendien is Kylie niet de enige ster in de familie; haar jongere zus Dannii Minogue heeft eveneens een enorm succesvolle carrière opgebouwd als zangeres en televisiepersoonlijkheid.

Misschien wel het meest bewonderenswaardige aan Kylie is haar immense veerkracht, want na een zware strijd tegen borstkanker in 2005 keerde ze wonderbaarlijk snel en succesvol terug naar het podium om haar unieke status in de popmuziek verder voort te zetten.

Dat de inmiddels 58-jarige zangeres nog absoluut geen zin heeft om te stoppen met haar passie, bewees ze onlangs nog maar eens.

Op 1 juli van dit jaar bracht ze namelijk in samenwerking met Snow Control de nieuwe single ‘These Alarm’ uit.

Ook op andere vlakken blijft ze volop actief, want ook dit jaar verscheen er een gloednieuwe documentaire over haar leven op Netflix, simpelweg getiteld Kylie.

Na bijna dertig jaar in Londen te hebben gewoond, is ze inmiddels teruggekeerd naar haar roots en geniet ze tegenwoordig van het leven in haar thuisland Australië, waar ze zich nabij Melbourne heeft gevestigd.

Een passend eerbetoon aan een icoon: de muzikale erfenis van Bonnie Tyler

Gisteren is de zangeres Bonnie Tyler op 75-jarige leeftijd overleden. Haar verhaal begon in 1953, toen ze als Gaynor Hopkins ter wereld kwam in het Zuid-Welshe Skewen.

Ze groeide op met de muziek van Tina Turner en Janis Joplin, die ze gedurende haar hele leven als haar twee grote voorbeelden bleef zien.

Haar muzikale talent bleek al vroeg, toen ze op 17-jarige leeftijd deelnam aan een zangwedstrijd.

Dankzij een indrukwekkende vertolking van het nummer Those Were The Days van Mary Hopkin behaalde ze de tweede plaats.

De sensatie van het optreden en de waardering van het publiek gaven haar zoveel voldoening dat ze besloot voluit voor een zangcarrière te gaan.

Na een succesvolle auditie sloot ze zich aan bij Bobby Wayne And The Dixies. Deze formatie verliet ze na twee jaar om haar eigen band, Imagination, op te richten.

Omdat Hopkins vond dat haar geboortenaam te weinig uitstraling had voor een artiest, nam ze de artiestennaam Bonnie Tyler aan.

Later gaf ze overigens toe dat ze spijt had van die keuze. Als Bonnie Tyler trad ze aanvankelijk op in diverse bars en clubs in Zuid-Wales.

Daar werd ze ontdekt door Ronnie Scott en Steve Wolfe.

Deze producers en liedjesschrijvers namen haar direct onder hun hoede en bleven tot 1981 actief als haar managers, schrijvers en producers.

Zij wisten een platencontract voor haar te regelen bij RCA Records, waar haar allereerste single My My Honeycomb verscheen.

Dit typische popnummer deed echter erg denken aan de dertien-in-een-dozijn-popsongs uit de vroege jaren zeventig en wist de hitlijsten dan ook niet te bereiken.

Tyler zelf dacht later liever zo min mogelijk aan deze debuutsingle terug.

In 1976 kreeg de zangeres te maken met fysieke tegenslag en moest ze een keeloperatie ondergaan.

Na de ingreep kreeg ze het dwingende advies om zes weken lang volledig te zwijgen, waardoor ze zich alleen via geschreven briefjes verstaanbaar kon maken.

Omdat ze zich niet aan deze rustperiode hield, hield ze permanent een karakteristieke, schorre stem over aan de operatie.

Kort na deze medische ingreep scoorde ze haar eerste hit met ‘Lost in France’.

Dit nummer was nog voor de operatie opgenomen, waardoor luisteraars haar oude stemgeluid hoorden.

In Nederland behaalde de single een bescheiden 24e positie, in Vlaanderen was de single goed voor een vijftiende plaats in de BRT Top 30 en in haar thuisland Groot-Brittannië reikte het nummer tot de 9e plaats.

Haar grootste succes met deze plaat beleefde ze echter in Duitsland, waar het nummer ruim een half jaar in de Top 10 genoteerd stond.

De opvolger ‘More Than A Lover’ slaagde er vervolgens niet in om dit succes te evenaren.

Dat lukte haar derde single ‘It’s A Heartache’ daarentegen wel. Dit nummer groeide uit tot een internationale hit die in Groot-Brittannië de 4e plaats bereikte, in Nederland doorstootte naar de 3e positie en ook in de Verenigde Staten de Top 5 behaalde.

Toch bleek het lastig om deze populariteit vast te houden, want de zeven daaropvolgende singles flopten stuk voor stuk.

Tyler nam in totaal vier albums op voor RCA Records, waarbij ze door de maatschappij steeds nadrukkelijker in de richting van de countrymuziek werd gestuurd.

Mede door deze muzikale koers en het feit dat ze uitsluitend materiaal van Scott en Wolfe mocht opnemen, besloot ze in 1981 te breken met haar managers, producers en platenlabel.

Ze moest op zoek naar een volledig nieuw team, dat ze vond in CBS Records, manager David Aspden en producer Jim Steinman.

Hun samenwerking leidde tot het album Faster Than The Speed Of Night, waarmee ze resoluut brak met haar muzikale verleden en een compleet nieuwe sound introduceerde.

Op dit album stond de wereldhit ‘Total Eclipse Of The Heart’, die Tyler haar allereerste nummer 1-hit opleverde in zowel Groot-Brittannië als de Verenigde Staten, hoewel het nummer in Nederland vreemd genoeg bleef steken op de 24e plek.

In Vlaanderen was de single goed voor een zestiende plaats in de BRT Top-30.

Ondanks het beperkte succes in Vlaanderen en Nederland, blijft ‘Total Eclipse Of The Heart’ voor de meeste mensen nog altijd het nummer dat zij het meest associëren met Bonnie Tyler

Op Spotify is het nummer inmiddels al meer dan 1 miljard keer gestreamd.

Het album zelf bereikte eveneens de top van de hitlijsten.

Nieuwe hitsingles bleven daarna echter uit en ook het daaropvolgende album Secret Dreams And Forbidden Fire werd geen commercieel succes.

Zelfs de inzet van een andere producer, Desmond Child, kon het tij niet keren; hoewel Secret Dreams goede kritieken ontving, liet de promotie vanuit de platenmaatschappij te wensen over.

Wat veel mensen niet weten, is dat ‘The Best’ van Tina Turner een cover was.

Bonnie Tyler bracht het nummer namelijk al in 1988 uit, een jaar voordat Tina Turner met haar versie kwam.

Het nummer was geschreven door de bekende producer en componist Mike Chapman, in samenwerking met Holly Knight, die geboren werd als Holly Erlanger.

Om haar carrière nieuw leven in te blazen, besloot de zangeres in 1991 tot een radicale koerswijziging en verhuisde ze naar Duitsland, het land waar ze historisch gezien altijd veel succes had gehad.

Deze stap wierp al snel zijn vruchten af, want haar albums Bitterblue en Angelheart werden in diverse Europese landen bekroond met goud of platina.

Opvallend genoeg werden deze platen destijds niet eens uitgebracht in Groot-Brittannië.

In 1995 bracht ze het album Free Spirit uit via East West in Europa en Atlantic Records in de Verenigde Staten.

Ondanks uitstekende recensies vielen de verkoopcijfers van het album erg tegen.

De single ‘Making Love Out Of Nothing At All’ werd daarentegen wel populair.

In Engeland miste het nummer de hitlijsten, omdat er simpelweg te weinig fysieke exemplaren in de winkels lagen, maar in Nederland wist de single wel door te dringen tot een mooie 12e positie in de Top 40.

In Vlaanderen bereikte het nummer niet de hitparade.

Het nummer ‘Making Love (Out Of Nothing At All)’ is geschreven door Steinman en voor het eerst uitgebracht door Air Supply in 1983.

In maart 2013 lanceerde Tyler haar album Rocks And Honey.

Dit project was opgenomen in de Amerikaanse muziekstad Nashville, waarmee de zangeres na vele jaren weer bewust terugkeerde naar haar oude country-roots.

Op haar 62e vertegenwoordigde Tyler in 2013 het Verenigd Koninkrijk tijdens het Eurovisiesongfestival in Malmö met het nummer Believe In Me, waarmee ze uiteindelijk op de 19e plaats eindigde.

Gedurende haar carrière werd Bonnie Tyler in totaal drie keer genomineerd voor een Grammy, de belangrijkste Amerikaanse muziekprijzen.

Daarnaast werd ze opgenomen in de Orde van het Britse Rijk voor haar grote verdiensten voor de muziek.

Tijdens haar indrukwekkende muzikale loopbaan bracht de Welshe zangeres 18 studioalbums en 83 singles uit, waarmee ze wereldwijd meer dan 100 miljoen platen wist te verkopen.

David Jason, door pech achtervolgd

In juli 1976 was de Engelse acteur David Jason bij het Nederlandse publiek vooral bekend van de komedieserie Tsjongejonge, wat de nogal vrije AVRO-vertaling was van de Britse reeks A sharp intake of breath.

Elke vrijdagavond zagen de kijkers hem in de rol van Peter Barnes, een man die werkelijk altijd pech had en het ongeluk leek aan te trekken.

Wat velen toen echter niet wisten, was dat deze rol de acteur op het lijf geschreven was.

Ook in zijn dagelijks leven werd de acteur constant door het noodlot achtervolgd.

Hoewel Jason oorspronkelijk een opleiding tot elektricien had gevolgd voordat hij definitief voor het acteren koos, kon je hem halverwege de jaren zeventig allesbehalve een handige klusjesman noemen.

Hij had naar eigen zeggen twee linkerhanden, maar steevast als hij na zijn werk thuiskwam, begon hij aan een of ander project dat gegarandeerd finaal fout afliep.

Het absolute dieptepunt van zijn doe-het-zelf-drang speelde zich af rond een schattig boerderijtje dat hij als weekendhuisje had gekocht.

Hij wist dat er wat opknapwerk nodig was en had een strak schema opgesteld om in een maand of drie de kamers en de keuken stuk voor stuk aan te pakken.

Ironisch genoeg, gezien zijn eerdere beroepskeuze, liep het mis bij de elektriciteit. De bedrading was compleet verrot.

Hij dacht de klus wel even te klaren en draaide er zijn hand niet voor om, maar nadat hij de oude draden had verwijderd, overzag hij het geheel totaal niet meer en zag hij er geen begin en geen eind meer aan.

Dit leidde ertoe dat hij en zijn vrouw twee weekenden lang bij kaarslicht moesten zitten.

Toen hij op een avond met een kaars in zijn hand naar de zolder liep, werd deze plotseling gedoofd door een regendruppel.

De volgende dag inspecteerde hij het dak en ontdekte dat ook dit volledig verrot was.

Zonder aarzelen haalde hij een ladder, zette deze tegen het strodak en klom naar boven.

Halverwege zat een flink gat in het stro.

Toen hij er voorzichtig omheen probeerde te stappen, verloor hij zijn evenwicht en viel dwars door het verrotte dakgebinte heen.

Hij belandde beneden op de deel, met diverse gebroken botten als gevolg.

Dit ongeval kostte hem bijna zijn leven en zorgde ervoor dat de acteur de hele zomer, maar liefst zes maanden lang, in het ziekenhuis moest doorbrengen.

Hij kon wel janken toen hij daar lag.

Gedurende die tijd tussen de witte lakens kreeg hij van alle kanten te horen dat hij voortaan van de klusjes moest afblijven en het aan echte doe-het-zelvers moest overlaten.

Jason nam zich in het ziekenhuis stellig voor om die uitstekende raad op te volgen.

Helaas bleek dit voornemen niet vol te houden.

Daags na zijn thuiskomst verviel hij alweer in dezelfde fout.

Hij zag dat het gras rond het huisje veel te hoog stond, rende in een onbewaakt ogenblik naar de garage en haalde de grasmaaier.

Zodra hij begon te maaien, sloeg het kreng plotseling om tot vlak voor zijn tenen.

Hij kon nog maar net op tijd wegspringen om te voorkomen dat hij zijn tenen van zijn voeten maaide.

Een jaar na deze reeks pijnlijke gebeurtenissen, in de zomer van 1976, verbleven Jason en zijn vrouw nog steeds regelmatig in hun weekendhuisje.

Hij verveelde zich daar naar eigen zeggen geen moment.

Ze lazen veel en wandelden graag, maar ondanks alle tegenslagen bekende de acteur dat hij altijd wel weer op zoek ging naar een nieuw klusje als hij even niets te doen had.

Gelukkig voor hem zou het tij in zijn latere leven keren, voornamelijk op professioneel vlak

Sir David Jason werd op 2 februari 1940 geboren als David John White in Edmonton, Londen.

Omdat er al een acteur actief was onder de naam David White, koos hij een nieuwe artiestennaam, geïnspireerd op zijn voorliefde voor de film Jason and the Argonauts.

Hoewel hij na zijn schooltijd dus oorspronkelijk die opleiding tot elektricien volgde, bleef de acteerwereld aan hem trekken.

In de loop van de jaren zestig zette hij zijn eerste stappen in het theater, waarna hij langzaam maar zeker de overstap maakte naar televisie en begon te bouwen aan een carrière die decennia zou omspannen.

Zijn vroege televisiewerk bestond vooral uit komische bijrollen en veel stemmenwerk, waaronder populaire animatieseries voor kinderen zoals Danger Mouse en The Wind in the Willows.

In de jaren zeventig en tachtig kreeg hij steeds grotere kansen.

Een bekende vroege rol was die van de onhandige Granville in de comedyserie Open All Hours.

Ver na de gevaarlijke klusavonturen uit de jaren zeventig kwam zijn absolute doorbraak bij het grote publiek in 1981 met de rol van de ambitieuze, vlotte marktkramer Derek Trotter, beter bekend als Del Boy, in Only Fools and Horses.

Deze serie liep met enorme kijkcijfers door tot het begin van de eenentwintigste eeuw en verankerde hem definitief in het Britse culturele geheugen als een onmiskenbaar komisch talent.

Naast de pure komedie toonde Jason in de jaren negentig aan dat hij ook in andere genres bijzonder sterk voor de dag kwam.

In The Darling Buds of May speelde hij de rol van de kleurrijke Pop Larkin, een succesvolle en nostalgische serie die tevens de doorbraak van actrice Catherine Zeta-Jones betekende.

Niet veel later verraste hij vriend en vijand door de rol aan te nemen van de norse, onconventionele maar briljante inspecteur Jack Frost in de misdaadserie A Touch of Frost.

Deze reeks liep van 1992 tot 2010 en toonde miljoenen kijkers een veel serieuzere en gelaagde kant van zijn acteerkunsten.

Voor zijn aanzienlijke bijdrage aan de Britse televisie werd hij in 2005 geridderd door koningin Elizabeth, waarna hij zich definitief Sir David Jason mocht noemen.

In de meer recente jaren heeft hij zijn herinneringen gedeeld via verschillende succesvolle autobiografische boeken en is hij blijven acteren, onder andere in Still Open All Hours, een vervolg op zijn eerdere succes.

Hij blijft een van de meest gerespecteerde en geliefde figuren binnen de Britse entertainmentindustrie, met een oeuvre dat meerdere generaties televisiekijkers aan de buis wist te kluisteren.

Zijn privéleven kende overigens ook veel bewogen momenten.

Zo was hij maar liefst achttien jaar samen met de Welshe actrice Myfanwy Talog, totdat zij in 1995 overleed aan borstkanker.

Uiteindelijk vond hij nieuw geluk bij televisieproducente Gill Hinchcliffe.

Met haar kreeg hij in 2001 op 61-jarige leeftijd zijn eerste dochter, waarna het koppel in 2005 in het huwelijksbootje stapte.

In 2023 ontdekte de inmiddels hoogbejaarde acteur bovendien tot zijn grote verrassing dat hij nog een oudere, tot dan toe onbekende dochter had uit een korte relatie in 1970, wat zijn opmerkelijke levensverhaal alleen maar verder verrijkte.

Tegenwoordig leidt David Jason al vele jaren een rustig en teruggetrokken leven in het dorpje Ellesborough in het graafschap Buckinghamshire in Zuid-Engeland.

Hij woont daar samen met zijn vrouw Gill Hinchcliffe en hun dochter Sophie Mae.

Ondanks deze rustige thuisbasis is de nu 86-jarige acteur nog altijd actief in de entertainmentwereld.

Hij is regelmatig te zien in speciale tv-documentaires en jubileumuitzendingen van zijn klassieke series, waaronder een speciaal eerbetoon voor het vijftigjarig bestaan van Open All Hours.

Daarnaast treedt hij op in het theater met zijn eigen liveshow An Evening with Sir David Jason, waarin hij met veel plezier verhalen en anekdotes ophaalt uit zijn lange carrière.

Verder maakt hij nog altijd programma’s en treedt hij op als gastheer in verschillende documentaires en talkshows op de Britse televisie.

30 jaar geleden: de Fugees, de impact van The Score en het ware verhaal achter Killing Me Softly

De Fugees vormden een invloedrijke Amerikaanse hiphopgroep die in de vroege jaren negentig werd opgericht in New Jersey.

Het trio bestond uit zangeres en rapper Lauryn Hill, rapper en producer Wyclef Jean en rapper Pras Michel.

De naam van de groep is afgeleid van het woord refugee, wat vluchteling betekent, een verwijzing naar de Haïtiaanse afkomst van Wyclef en Pras.

Hun unieke geluid was een vernieuwende mix van hiphop, soul, r&b en Caraïbische invloeden zoals reggae.

Hun muzikale reis begon met het debuutalbum Blunted on Reality uit 1994.

Hoewel dit album niet onmiddellijk voor een grote internationale doorbraak zorgde, legde het wel de basis voor hun kenmerkende stijl en trok het de aandacht van de underground hiphopscene.

De wereldwijde roem volgde twee jaar later met de release van The Score in 1996.

Dit album was een enorm commercieel en kritisch succes en wordt geprezen als een absoluut meesterwerk uit de jaren negentig. Hitsingles zoals ‘Killing Me Softly’, ‘Ready or Not’ en ‘Fu-Gee-La’ stonden wereldwijd bovenaan de hitlijsten en maakten van de groepsleden wereldsterren.

Hun cover van het nummer ‘Killing Me Softly With His Song’ was zowel in Vlaanderen als in Nederland goed voor de eerste plaats in de BRT Top 30 en de Nederlandse Top 40.

The Score won meerdere Grammy Awards en behoort tot de bestverkochte hiphopalbums aller tijden.

De oorsprong van hun grootste hit, ‘Killing Me Softly’, kent overigens een rijke geschiedenis.

Zangeres Lori Lieberman schreef het gedicht ‘Killing Me Softly With His Blues’ nadat ze een show van Don McLean had bijgewoond.

Tijdens dat optreden kreeg ze het gevoel alsof hij recht in haar ziel zong.

De schrijvers Gimbel en Fox maakten er vervolgens voor Lieberman een lied van en veranderden het in ‘Killing Me Softly’.

Tijdens het wachten op haar vlucht hoorde Roberta Flack het nummer in de luchthaven en ze was meteen verkocht.

Ze werkte drie maanden aan het nummer, maakte wat aanpassingen en scoorde er in 1973 een serieuze hit mee, ruim twintig jaar voordat de Fugees er wereldwijd de hitlijsten mee zouden aanvoeren.

Gimbels carrière begon bij muziekuitgevers David Blum en Edwin H. Morris.

Een van zijn vroege successen was de Engelse tekst voor het gekende nummer Sway, dat we kennen dankzij de uitvoering van Dean Martin in 1954 en later van Michael Bublé.

De muziek, geschreven door Luis Demetrio en Pablo Beltrán Ruiz in 1953, droeg toen de titel ‘Quien Será’ en werd voor het eerst uitgebracht door Nelson Pinedo con la Sonora Matancera.

Twee jaar later, in 1956, scoorde hij opnieuw met de liedjestekst voor ‘Canadian Sunset’, de hitsingle van Andy Williams.

Het meest bekend was hij voor zijn werk in de film- en televisiewereld.

Hij schreef de teksten voor onder meer ‘Laverne and Shirley’ ‘Wonder Woman’ en ‘HR Pufnstuf’.

Ook de begintune van de cultcomedyreeks ‘Happy Days’ is van zijn hand.

Lange tijd vormde Gimbel een duo met Charles Fox, wat hen in 1973 voor hun tekst van “Killing Me Softly” een Grammy Award opleverde.

Daarnaast schreef Gimbel ook de Engelse tekst voor verschillende Braziliaanse bossanova-artiesten.

Voor de Engelse versie van de klassieker ‘The Girl from Ipanema’, in 1964 ingezongen door Astrud Gilberto, won hij de Grammy voor beste nummer van het jaar.

Voor ‘It goes like it goes’ uit de film Norma Rae won Gimbel samen met David Shire een Oscar voor beste originele nummer.

In 1984 werd Gimbel opgenomen in de Songwriters Hall of Fame.

Norman Gimbel kwam te overlijden op 19 december 2018 op 91-jarige leeftijd.

Zijn toenmalige muzikale partner, de nu 85-jarige Charles Fox, is daarentegen nog altijd actief in de muziekwereld.

De documentaire over hem, met de toepasselijke naam Killing Me Softly with His Songs, ging in 2022 in première op filmfestivals en werd in april 2024 officieel digitaal en op Blu-ray uitgebracht.

Deze film is momenteel ook nog te bekijken via Amazon Prime.

Ondanks het gigantische succes van The Score begonnen onderlinge spanningen al snel hun tol te eisen.

Het trio besloot uit elkaar te gaan om zich te concentreren op soloprojecten, die aanvankelijk bijzonder succesvol waren.

Wyclef Jean bracht het geprezen album The Carnival uit, terwijl Lauryn Hill de muziekwereld veroverde met haar veelgeprezen soloalbum The Miseducation of Lauryn Hill, dat in 1998 verscheen.

Ze ontving hiervoor vijf Grammy’s en wereldwijd werden er negentien miljoen exemplaren van de plaat verkocht.

Pras Michel scoorde dan weer een grote wereldhit met ‘Ghetto Supastar’.

In de jaren die volgden, kwamen de leden van de groep nog enkele keren samen voor optredens en probeerden ze sporadisch nieuwe muziek op te nemen.

Een volledige en langdurige reünie vond echter niet plaats als gevolg van voortdurende meningsverschillen en latere juridische obstakels.

Desondanks blijft hun muzikale erfenis een onmisbare schakel in de popcultuur van de late twintigste eeuw.

Voor muziekliefhebbers en verzamelaars die terugkijken op de jaren negentig, blijft de unieke samenklank van dit trio een bepalend en onvergetelijk geluid.

Vandaag de dag bewandelen de drie leden heel uiteenlopende paden.

Wyclef Jean is nog altijd wereldwijd actief als muzikant, producer en activist.

Dit jaar verscheen hij onder meer op het podium tijdens de countdown-concerten voor het FIFA Wereldkampioenschap voetbal in Toronto.

Ook bracht hij recent de veelbesproken zevenledige albumreeks Quantum Leap uit.

Lauryn Hill blijft een invloedrijke stem binnen de muziek en wordt geregeld geëerd om haar nalatenschap.

Zo ontving zij in de zomer van 2026 de inaugurele Living Legend Icon Award bij de BET Awards.

Samen met Wyclef Jean treedt ze op onder de vlag van Diaspora Calling!, inclusief headliner-shows op festivals.

Eerder dat jaar verzorgde ze ook al een opvallend eerbetoon tijdens de Grammy Awards.

Haar persoonlijke pad ging echter niet altijd over rozen; zo zat Hill in 2013 een gevangenisstraf van drie maanden uit wegens belastingfraude.

Voor Pras Michel, de rapper en medeoprichter van de groep, nam het leven een andere wending.

Hij werd in 2023 schuldig bevonden aan betrokkenheid bij een illegale politieke beïnvloedingscampagne en witwaspraktijken.

Na zijn veroordeling heeft hij in mei 2026 zijn gevangenisstraf van veertien jaar in de Verenigde Staten aangevangen, al vecht zijn juridische team de uitspraak nog altijd in hoger beroep aan.

Alles wat je wilde weten over The Fugees

De Britse actrice Charlotte Lewis

Charlotte Lewis werd op 7 augustus 1967 geboren in de wijk Kensington in Londen.

Ze groeide op in een diverse omgeving met een Ierse moeder en een half-Chileense, half-Iraakse vader, die ze tijdens haar jeugd echter niet heeft gekend.

Ze ging naar school op de Bishop Douglass School in het noorden van Londen en maakte in 1978 als kind al haar eerste opwachting op televisie in de Britse jeugdserie Grange Hill.

Daarna begon ze als tiener te werken als model. Haar opvallende verschijning trok al snel de aandacht van de internationale filmindustrie, wat resulteerde in haar grote doorbraak halverwege de jaren tachtig.

Op achttienjarige leeftijd werd ze gecast voor de vrouwelijke hoofdrol in de avonturenfilm Pirates uit 1986, geregisseerd door Roman Polański.

Deze rol zette haar direct op de kaart in Hollywood en leverde haar veel publiciteit op.

Datzelfde jaar schitterde ze naast Eddie Murphy in de succesvolle actiekomedie The Golden Child.

Haar vertolking van de mysterieuze Kee Nang maakte haar wereldwijd bekend bij het grote publiek en vormde het absolute hoogtepunt van haar acteercarrière.

In de jaren die volgden speelde ze in diverse films en televisieseries, hoewel het overweldigende commerciële succes van haar eerste twee grote producties moeilijk te evenaren bleek.

Ze werkte in de late jaren tachtig en begin jaren negentig mee aan uiteenlopende projecten, zoals de thriller Tripwire en de actiefilm Men of War, waarin ze samen met Dolph Lundgren te zien was.

Daarnaast verscheen ze als gastactrice in populaire Amerikaanse televisieseries, met als opvallend weetje haar rol als Nina in een aflevering van de bekende sitcom Seinfeld in 1995.

Haar uiterlijk leverde haar niet alleen lof op het witte doek op; zo riep het tijdschrift Shape haar in de jaren negentig uit tot een van de vrouwen met het beste lichaam en haalde ze in 1993 de cover van het tijdschrift Playboy.

Gedurende haar carrière stond ook haar liefdesleven geregeld in de belangstelling, mede door haar banden met grote namen uit de entertainmentwereld.

Hoewel Lewis nooit in het huwelijk is getreden, werd ze romantisch gelinkt aan een reeks beroemde mannen.

Zo had ze kortstondige of langere relaties met onder meer haar tegenspeler Eddie Murphy, komiek Jim Carrey, en acteurs als Warren Beatty en Charlie Sheen.

Ook de beroemde muzikanten Eric Clapton en Michael Hutchence behoorden tot de mannen met wie ze een romantische connectie had.

Vanaf het einde van de jaren negentig nam ze geleidelijk meer afstand van de schijnwerpers in Hollywood om zich te concentreren op haar privéleven en de opvoeding van haar zoon, die in 2004 ter wereld kwam.

In mei 2010 kwam ze opnieuw in de publieke belangstelling toen ze naar buiten trad met onthullingen over haar vroege carrière.

Lewis maakte bekend dat regisseur Roman Polański haar in 1983 tijdens een casting in Parijs had misbruikt en beschuldigde hem er tevens van dat hij voorafgaand aan de opnamen van de film Pirates met alle actrices in deze film naar bed was geweest.

Ze was op dat moment zestien jaar oud. In een interview met het Franse tijdschrift Paris Match in 2019 noemde Polański haar beschuldigingen een gruwelijke leugen.

Hij haalde daarbij een oud tabloid-interview uit 1999 aan waarin Lewis volgens hem zou hebben gezegd dat ze juist zijn minnares wilde worden, iets wat Lewis stellig ontkent.

Omdat de verjaringstermijn voor het indienen van een aanklacht wegens het vermeende misbruik inmiddels was verstreken, diende Lewis in Frankrijk een aanklacht in wegens smaad tegen de regisseur.

In mei 2024 sprak de rechtbank in Parijs Polański vrij van smaad.

De rechters oordeelden dat Polański binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting was gebleven toen hij de aantijgingen in de media publiekelijk ontkende en zich verdedigde.

De rechtbank deed in deze specifieke zaak geen uitspraak over de waarheid van Lewis’ beschuldigingen van misbruik.

Lewis ging in hoger beroep, maar in december 2024 bevestigde een Frans hof van beroep haar vrijspraak en oordeelde de rechter dat Polański haar niet had belasterd en haar geen schadevergoeding hoefde te betalen.

Hoewel ze in de eenentwintigste eeuw nog slechts sporadisch voor de camera verscheen, blijft haar naam voor veel filmliefhebbers onlosmakelijk verbonden met de grote Amerikaanse spektakelfilms van de jaren tachtig.

50 jaar geleden, Archie Bunker wordt opa

All in the Family is een van de meest invloedrijke Amerikaanse komedieseries uit de televisiegeschiedenis en werd oorspronkelijk uitgezonden van januari 1971 tot 1979.

De reeks, bedacht, geschreven en geproduceerd door de legendarische televisieproducent Norman Lear, was gebaseerd op de Britse sitcom ‘Till Death Us Do Part’.

Het verhaal volgde de ups en downs in het leven van een werkende-klassefamilie in Queens, New York, met een onverdraagzame man als patriarch.

De pater familias, Archie Bunker, gespeeld door Carroll O’Connor, werd al snel een ongekend populair personage.

Archie was een havenarbeider die een taxi bestuurde voor extra inkomsten, en zijn persoonlijkheid was specifiek bedoeld als een satirische weergave van onzinnige intolerantie.

Hij was onbehouwen, vaak bevooroordeeld en ronduit conservatief, wat voortdurend botste met de vooruitstrevende idealen van zijn liberale schoonzoon Michael Stivic, die hij steevast Meathead of gehaktbal noemde.

Naast hen stonden de zachtaardige, maar ietwat naïeve echtgenote Edith, gespeeld door Jean Stapleton, en hun feministische dochter Gloria, vertolkt door Sally Struthers.

Wat de baanbrekende sitcom zo uitzonderlijk maakte, was dat het de eerste show op televisie was die de dringende sociale kwesties van die tijd, waaronder racisme, seksisme, vrouwenrechten, homoseksualiteit, religie en de oorlog in Vietnam, openlijk aan de orde stelde en niet uit de weg ging.

Voor de komst van deze reeks waren komedies vooral luchtige, vrolijke familieprogramma’s waarin zelden of nooit controversiële thema’s werden aangesneden.

De impact op het publiek was destijds gigantisch, want de show behield de eerste plek in de Nielsen-ratings gedurende vijf van de negen jaar dat de serie liep.

In juli 1976 was Archie Bunker een ware sensatie in Amerika.

Om tijdens de reclameblokken van All in the Family een spotje van dertig seconden uit te zenden, moest een adverteerder destijds maar liefst 125.000 dollar neertellen.

Dit fabelachtige bedrag toonde de enorme populariteit van het programma aan, dat toen al twee jaar onafgebroken de lijst van best bekeken Amerikaanse televisieprogramma’s aanvoerde.

De verwachting was bovendien dat de kijkcijfers nog verder zouden stijgen, want de producenten hadden besloten om van Archie een grootvader te maken.

Wat het scenario betrof, was het een zeer logische stap om Gloria een kind te laten krijgen.

Zij en Mike liepen al enkele jaren als getrouwd stel mee in de serie, dus een mini-gehaktbal op de proppen laten komen was een natuurlijke toevoeging.

De gezinsuitbreiding bestond uit zoon Joseph, die na een spontane zwangerschap van Gloria ter wereld kwam.

Het idee alleen al van de stugge Midas Bunker met een baby in zijn armen, of van Archie die de kleine Joey een schone luier moest omdoen, sprak enorm tot de verbeelding.

De zoektocht naar een geschikte kleinzoon had echter heel wat voeten in de aarde.

Voor dergelijke televisieopnamen was altijd een tweeling nodig, zodat de een voor de ander kon invallen.

Hoewel er in Amerika genoeg tweelingen werden geboren en ouders vaak zeer bereidwillig waren om hun kinderen tegen een fikse spaarcent uit te lenen, golden er in Californië, waar de studio-opnamen plaatsvonden, destijds strenge wetten op kinderarbeid.

In tegenstelling tot vroeger, toen men niet zo nauwkeurig keek, mochten kleine kinderen in 1976 hooguit drie uur per dag in de studio aanwezig zijn.

Voor oudere, leerplichtige kinderen moest de filmmaatschappij zelfs verplicht onderwijs en eigen docenten op de set regelen, soms compleet met heuse schoolklassen in de studio’s.

Bovendien verdienden de ouders zelf niet meer direct aan deze kinderarbeid; het geld moest op een speciale rekening worden gestort die het kind pas bij meerderjarigheid kon opnemen.

Voor baby’s was de wetgeving in die tijd nog veel strenger.

Zij mochten om de twee uur maximaal twintig minuten op de set verschijnen, en dat mocht niet eens aan één stuk door.

Daarbij was de constante aanwezigheid van een verpleegster en een sociaal werkster verplicht.

De rol van de kersverse kleinzoon werd uiteindelijk ingevuld door Justin en Jason, een eeneiige tweeling van de familie Dräger uit Los Angeles, die zelfs in hun geschreeuw elkaars gelijken waren.

De producenten hadden precies op het juiste moment baby’s nodig en deze twee jongens, die maximaal drie weken oud mochten zijn, bleken perfect.

Moeder Dräger voelde er aanvankelijk weinig voor om haar kinderen na amper drie weken voor een paar maanden af te staan, hoe aanlokkelijk het financiële aanbod ook was.

Pas toen ze hoorde hoe uitstekend er voor haar kleintjes gezorgd zou worden, gaf ze haar toestemming en was ze samen met haar man vaak bij de opnamen aanwezig.

Haar man, een zakelijk ingestelde autohandelaar, merkte destijds gekscherend op dat niet alle ouders hun kinderen al zo jong aan het werk zagen.

Hij speelde toen al met de gedachte dat het perspectieven bood voor andere series en een aardige cent zou opleveren als de tweeling het goed zou doen op de buis.

De nieuwe verhaallijn bracht achter de schermen behoorlijk wat teweeg.

Het kostte zowel de technische ploeg als de acteurs veel moeite om aan de situatie te wennen. Omdat Carroll O’Connor erom bekendstond niet de makkelijkste te zijn, verliepen de opnamen van All in the Family doorgaans al niet heel vlot, maar met de komst van de tweeling liep alles aanvankelijk compleet uit de hand.

Hoewel de filmmaatschappij voor een keurig ingerichte kinderkamer had gezorgd, lieten de baby’s al snel merken dat ze een eigen willetje hadden.

Het gekrijs op momenten dat het script er niet om vroeg, gooide meermaals roet in het eten, tot groot ongenoegen van Archie, die uiteraard geen Bunker zou zijn als hij daar niets over te zeggen had.

Na de eerste draaidagen verzuchtte O’Connor dan ook dat, als hij dit allemaal had geweten, hij die Stivic nooit met zijn dochter had laten trouwen.

Vooral het verwisselen van luiers leverde grote problemen op.

O’Connor was als de dood toen hij dit voor het eerst bij Joey moest doen, vrezend dat hij de kleine zou prikken in zijn buik.

Ook Rob Reiner en Sally Struthers deelden die angst.

Zij hadden weliswaar uitgebreid geoefend op een pop, maar die lag tenminste stil, terwijl het echte kind zich tijdens de opnamen steeds bewoog.

Tot grote verbazing van zowel het studiopersoneel als de andere acteurs bleek O’Connor achter de schermen echter ontzettend lief en aardig met de kleintjes om te gaan.

Vader Dräger vond All in the Family altijd al een goede serie die met de komst van de baby’s alleen maar beter werd, en gaf toe dat hij Archie nog nooit zo gelukzalig had zien lachen als op de momenten dat hij een kleintje in zijn armen had 

Naast de grote maatschappelijke rol en de perikelen op de set, zijn er nog talloze andere fascinerende weetjes over de productie te vertellen.

Wist je bijvoorbeeld dat All in the Family de allereerste Amerikaanse televisieserie was waarin het geluid van een doortrekkend toilet te horen was?

Dat was in die tijd een ongekende breuk met de preutse regels over wat er wel en niet op de beeldbuis gehoord mocht worden.

Ook opvallend is de uiterst herkenbare intromuziek, ‘Those Were the Days’, die niet door een gladjes geproduceerd orkest werd ingezongen, maar gewoon op de set door hoofdrolspelers Carroll O’Connor en Jean Stapleton zelf werd vertolkt vanachter een piano.

Het succes van de Bunkers was bovendien zo overweldigend dat de reeks maar liefst zeven spin-offs voortbracht, waaronder de zeer bekende en succesvolle series The Jeffersons en Maude.

Zelfs nadat de originele reeks officieel stopte, liep het verhaal nog enkele jaren door onder de titel Archie Bunker’s Place.

Tot op de dag van vandaag wordt de invloed van dit televisiekapitaal nog steeds gevoeld, simpelweg omdat ‘All in the Family’ voorgoed de deuren opende voor diepgaand realisme en scherpe maatschappijkritiek binnen het doordeweekse televisiegenre.

Na het einde van de oorspronkelijke reeks in 1979 gingen de wegen van de acteurs uiteen.

Carroll O’Connor bleef het personage Archie Bunker nog tot 1983 spelen in het vervolg Archie Bunker’s Place.

Daarna kende hij een groot succes als politiechef Bill Gillespie in de politieserie ‘In the Heat of the Night’, een rol die hij van 1988 tot 1995 met veel overtuiging vertolkte.

Hij bleef nog vele jaren trouw aan het acteervak.

In 2001 overleed hij op zesenzeventigjarige leeftijd aan de gevolgen van een hartaanval.

Jean Stapleton, die de rol van Edith speelde, wilde voorkomen dat ze voor de rest van haar leven met één personage werd vereenzelvigd en verliet Archie Bunker’s Place al in het eerste seizoen.

Ze bouwde vervolgens een lange en zeer gerespecteerde carrière op in het theater en speelde daarnaast mee in diverse bekende films en televisieseries, waaronder de romantische komedie ‘You’ve Got Mail’ in 1998.

Zij stierf in 2013 op negentigjarige leeftijd.

Rob Reiner, de acteur achter schoonzoon Michael Stivic, maakte een bijzonder succesvolle overstap naar de regisseursstoel en groeide uit tot een van de meest invloedrijke filmregisseurs in Hollywood.

Hij regisseerde onvergetelijke klassiekers zoals Stand by Me, The Princess Bride, When Harry Met Sally en A Few Good Men. Vandaag de dag is hij nog steeds actief in de filmindustrie als producent en regisseur, en laat hij zich bovendien nadrukkelijk horen in het Amerikaanse publieke en politieke debat.

Sally Struthers, die de rol van dochter Gloria speelde, kreeg begin jaren tachtig haar eigen, zij het kortlopende, serie genaamd Gloria en bleef daarna gestaag acteren.

Een hele nieuwe generatie televisiekijkers sloot haar in de vroege jaren tweeduizend in de armen als de excentrieke en luidruchtige Babette Dell in de populaire serie Gilmore Girls.

Momenteel is ze nog steeds een bezige bij en reist ze vol passie door de Verenigde Staten om op te treden in diverse regionale theaterproducties.

De eeneiige tweeling Justin en Jason Dräger ten slotte, die als baby de kleine Joey speelden, zijn na hun tijd op de set van All in the Family volledig buiten de schijnwerpers getreden.

Zij hebben later een normaal leven opgebouwd en hebben geen verdere carrière in de acteerwereld nagestreefd.

Vandaag is het ook al 55 jaar geleden dat Louis Armstrong is overleden.

De laatste grote van een heroïsch tijdperk was heengegaan. Mister Jazz was niet meer.

Het laatste wat Lucille Armstrong nog voor haar overleden echtgenoot had kunnen doen, was met veel liefde en toewijding de kraakwitte zakdoek, die hij steeds had gebruikt om zijn zweet af te wissen, tussen zijn koude handen steken.

Duizenden mensen waren opgekomen om een groet te brengen aan Mister Jazz.

De uitvaart in de Corona-kerk van New Yorks Queenswijk werd bijgewoond door onder andere Ella Fitzgerald, Dizzy Gillespie, Benny Goodman, Peggy Lee en gouverneur Rockefeller van de staat New York.

Er had nog één korte Europese tournee op zijn najaarsprogramma gestaan met een vijftal concerten, waarvan één te Brussel.

Want nadat hij enkele weken daarvoor uit de kliniek was gekomen, was het zijn enige droom geweest ooit nog eens in Europa te spelen.

Gisteren nog vandaag

Dat was het Europa waar hij steeds zo uitbundig was ontvangen en waar men hem op de handen had gedragen.

Hij was daar in 1932 na een eerste concertreis vandaan gekomen met de vreugdekreet dat men daar niet eens zag wie hij was.

Hij overleed eenenzeventig jaar en twee dagen na zijn geboorte in New Orleans. Amerika had zijn beste ambassadeur verloren, en de veertigers van de hele wereld ervoeren dit afsterven als een persoonlijk verlies.

Weer had een van de idolen uit hun jeugd het bijltje erbij neergelegd.

Maar de muziek van Satchmo was onsterfelijk. Hij was niet alleen de King of Jazz geweest, hij was de jazz zelf.

Hij vertegenwoordigde, de laatste tijd bijna helemaal alleen, het beste in de jazz: opgewekte levensvreugde

Louis Armstrong, de legendarische jazztrompettist uit New Orleans, hield zijn hele leven vast aan de overtuiging dat hij op 4 juli 1900 ter wereld kwam.

Hoewel hij publiekelijk vaak beweerde zijn exacte geboortedag niet te kennen, koos hij symbolisch voor de Amerikaanse onafhankelijkheidsdag om het leven te vieren.

Op officiële documenten varieerde het jaartal soms naar 1901, maar de werkelijke datum bleef decennialang een mysterie.

Pas in 1988 ontdekte muziekhistoricus Tad Jones de waarheid in de dooparchieven van de Rooms-katholieke kerk; Armstrong bleek op 4 augustus 1901 te zijn geboren.

Deze datum wordt inmiddels door kenners wereldwijd als de enige juiste geaccepteerd.

Zijn begin was allesbehalve koninklijk. Geboren in extreme armoede in New Orleans, groeide Louis op in een rauwe wereld van hoerenkasten, straatorkesten en rivierboten.

Op zijn twaalfde belandde hij in een opvoedingsgesticht voor gekleurde jongeren, nadat hij tijdens Oud en Nieuw met een pistool in de lucht had geschoten.

Het was daar dat hij zijn eerste cornet kreeg, een moment dat de koers van de muziekgeschiedenis zou veranderen.

Wat volgde was een van de meest legendarische carrières ooit.

Hij ontwikkelde zijn talent bij grootheden als King Oliver, Fletcher Henderson en Earl Hines, om later zijn eigen iconische groepen, de Hot Five en Hot Seven, te vormen.

Hij scoorde wereldhits die generaties overstijgen, zoals What a Wonderful World, Hello, Dolly! en Mack the Knife.

Zelfs toen moderne stromingen zoals jazzrock en free jazz opkwamen, bleef Armstrong trouw aan zijn eigen stijl: melodieus, swingend en vol gevoel.

Achter de eeuwige glimlach en de bijnaam Satchmo zat een man die veel had getrotseerd, van racisme en uitbuiting tot ernstige ziekte.

Toch koos hij nooit voor bitterheid. Hij hanteerde een eenvoudige filosofie: er zijn twee soorten muziek, goede en slechte, en hij speelde simpelweg de goede.

Hij stond ook bekend om zijn opvallende persoonlijke gewoontes; zo droeg hij altijd een zakje met een sterrenbeeldmedaillon bij zich en was hij een vurig pleitbezorger van specifieke dieetvoorschriften en laxeermiddelen, die hij enthousiast uitdeelde aan vrienden.

Zijn onverwoestbare werkethiek bleef hem bij tot het einde. In maart 1971 gaf hij, tegen het dringende advies van zijn artsen in, nog een reeks optredens in de Waldorf-Astoria Empire Room.

Dit eiste een zware tol, want direct daarna werd hij opgenomen met een hartaanval.

Hoewel hij in mei het ziekenhuis mocht verlaten en direct weer naar zijn trompet greep, was zijn hart verzwakt.

Hij overleed uiteindelijk in zijn slaap op 6 juli 1971, slechts een maand voor zijn zeventigste verjaardag.

De uitvaart in de Corona-kerk in Queens weerspiegelde zijn enorme status en werd bijgewoond door grootheden als Ella Fitzgerald, Dizzy Gillespie, Benny Goodman en Peggy Lee, evenals gouverneur Rockefeller.

De woorden van zijn tijdgenoten vormen zijn definitieve eerbetoon.

Bing Crosby noemde hem onvervangbaar, Miles Davis stelde dat elke blazer in zijn schaduw stond, en Duke Ellington vatte het treffend samen: hij werd arm geboren, stierf rijk en heeft in de tussentijd niemand benadeeld.

Louis Armstrong vond zijn laatste rustplaats op de Flushing Cemetery in Queens, New York.

Gisteren nog vandaag

Vandaag 45 jaar geleden overlijdt de veertienjarige David, de zoon van Romy Schneider, na een klimongeluk.

Op 5 juli 1981 voltrok zich een onvoorstelbaar drama in het leven van de beroemde actrice Romy Schneider, toen haar veertienjarige zoon David om het leven kwam bij een tragisch ongeluk.

In de periode voorafgaand aan dit fatale incident probeerde Romy haar leven wanhopig weer op de rit te krijgen.

Haar grootste drijfveer om af te kicken van haar afhankelijkheid van alcohol en pillen was haar diepe verlangen om de beschadigde relatie met David te herstellen.

De band met haar zoon was namelijk flink bekoeld geraakt na haar recente scheiding van haar tweede echtgenoot, Daniel Biasini, een man met wie David juist heel goed overweg kon.

De tiener was destijds zo overstuur door de breuk dat hij zijn moeder niet meer wilde zien. Romy toonde echter enorme wilskracht en doorstond haar ontwenning met succes.

Helaas kreeg ze daarna fysiek zware tegenslagen te verwerken: ze brak haar voet en moest een ingrijpende nieroperatie ondergaan waarbij een tumor werd verwijderd.

Toch was het de dood van haar geliefde zoon die de ultieme en onoverkomelijke genadeslag bleek.

Het fatale ongeluk vond plaats in het Franse Saint-Germain-en-Laye, bij de woning van de ouders van haar ex-man Daniel Biasini, waar David op dat moment verbleef.

Omdat het grote toegangshek gesloten was, besloot de jongen over de twee meter hoge muur met het smeedijzeren hekwerk te klimmen, iets wat hij overigens wel vaker deed.

Deze keer verloor hij echter zijn evenwicht en viel hij op de scherpe, metalen punten van het hek.

Een van de punten doorboorde zijn dijslagader.

Hoewel de zwaargewonde David nog de kracht vond om naar binnen te strompelen en om hulp te roepen, mocht het helaas niet baten.

Hij overleed later die dag in een ziekenhuis in de regio Parijs aan de gevolgen van massaal bloedverlies.

Vanuit dat bewuste ziekenhuis pleegde een totaal verwoeste Romy een hartverscheurend telefoontje naar haar eigen moeder, Magda Schneider.

Al huilend sprak ze de ontroostbare woorden: “Mammie, mijn kind… Mijn kind is dood.”

Het verdriet werd in de dagen daarna nog verder vergroot door meedogenloze paparazzi.

Fotografen verkleedden zich zelfs als verpleegkundigen om de afdeling van het ziekenhuis binnen te dringen en heimelijk foto’s van de overleden jongen te maken.

Romy heeft deze grove schending van hun privacy nooit kunnen verkroppen en sprak zich hier later in een televisie-interview ongekend fel tegen uit.

De actrice was mentaal volledig gebroken en zou de tragedie nooit meer te boven komen.

Nog geen jaar na het verlies van David, op 29 mei 1982, kwam de 43-jarige Romy Schneider in Parijs te overlijden.

Aanvankelijk deden er direct hardnekkige geruchten de ronde dat een bewuste overdosis slaappillen haar fataal zou zijn geworden.

Dit werd echter ontkracht: de officiële doodsoorzaak werd vastgesteld op een hartaanval.

Uit respect voor de zwaarbebroefde actrice en om haar eindelijk rust te gunnen, besloot de Franse magistraat destijds om geen autopsie te laten verrichten.

Vrienden, bekenden en fans wisten echter wel beter en spraken er vaak over dat Romy in werkelijkheid is gestorven aan een gebroken hart.

Pierre Mondy was een zeer gewaardeerde Franse acteur en regisseur met een indrukwekkende carrière die decennia overspande.

Zijn filmdebuut maakte hij in 1949, maar hij brak internationaal echt door in 1960 met zijn hoofdrol als Napoleon Bonaparte in de historische film Austerlitz van regisseur Abel Gance.

In zijn thuisland was hij decennialang enorm populair dankzij de komedie Mais où est donc passée la septième compagnie? in de jaren zeventig.

Een groot televisiepubliek kent hem bovendien als commissaris Cordier in de succesvolle politieserie Les Cordier, juge et flic, een rol die hij van 1992 tot 2005 met veel verve vertolkte.

Naast zijn acteerwerk voor de camera had hij een enorme passie voor het theater, zowel op de planken als achter de schermen. Hij regisseerde meer dan zestig toneelproducties.

Een bijzonder weetje over zijn carrière is dat hij in 1973 de allereerste theaterproductie van het inmiddels legendarische stuk La Cage aux Folles regisseerde, met Jean Poiret en Michel Serrault in de hoofdrollen.

Wat veel mensen ook niet weten, is dat hij als stemacteur meewerkte aan bekende animatiefilms.

Zo sprak hij de stem in van Caius Obtus in de film Asterix en de verrassing van Caesar, en de stem van Cetinlapsus in de film Asterix en de Britten.

Verder nam hij in zijn loopbaan ook de regie van vier langspeelfilms en dertien televisieafleveringen voor zijn rekening.

Het privéleven van Mondy was eveneens behoorlijk bewogen.

Hij is in zijn leven vier keer getrouwd geweest, en opvallend genoeg koos hij telkens voor een actrice als partner.

Zijn eerste huwelijk was met Claude Gensac en duurde van 1951 tot 1955.

Daarna trouwde hij in 1957 met Pascale Roberts, maar ook dit huwelijk was na enkele jaren voorbij.

In 1967 trad hij in het huwelijk met zijn derde vrouw, Annie Fournier. Met haar kreeg hij twee kinderen, onder wie de bekende Franse scenarioschrijver Laurent Mondy.

In 1991 trouwde hij voor de vierde en laatste keer met actrice Catherine Allary.

Mondy bleef een geliefde figuur in de Franse cultuurwereld tot aan zijn overlijden op 15 september 2012.

Hij is 87 jaar geworden en bezweek in een ziekenhuis in Parijs aan de gevolgen van kanker, meer bepaald een maligne lymfoom

In memoriam Jim Morrison.

Morrison overleed op zevenentwintigjarige leeftijd in Parijs op 3 juli 1971.

Zijn dood is nog steeds met mysterie omweven. Hoewel velen dachten dat een overdosis drugs de oorzaak was, is dit nooit bewezen.

Het is een feit dat Jim niet afkerig stond tegenover verdovende middelen, maar de laatste jaren van zijn leven verving hij deze steeds vaker door de traditionele Amerikaanse opkikker, alcohol.

De waarheid ligt waarschijnlijk in het midden.

Morrison leefde extreem hard en sprong brutaal om met zijn lichaam.

Alcohol, drugs, slaapgebrek en een absoluut gebrek aan zelfmedelijden, gecombineerd met een superintense manier van leven, leidden tot een te vroeg einde.

De officiële doodsoorzaak werd vastgesteld als een hartstilstand, wat een logisch verdict lijkt.

Toch geloven veel overtuigde fans nog steeds dat hij leeft en niet op een Parijse begraafplaats ligt.

Het zou een door hemzelf opgezet spel kunnen zijn, en eigenlijk zou zoiets voor iemand als Morrison niet eens zo verrassend zijn.

Hij was exact het type man om een dergelijke show op te voeren en vervolgens rustig onder te duiken, bijvoorbeeld in Afrika, waar hij poëzie zou kunnen schrijven, de wereld zou kunnen uitlachen en iedereen in de waan zou laten dat hij echt was overleden.

Zijn grote droom was altijd om een vooraanstaand schrijver te worden.

In tegenstelling tot zijn schoolvrienden waren zijn idolen geen beroemde acteurs of rockzangers, maar schrijvers, dichters en journalisten.

Hij noemde Rimbaud, Keats en de Amerikaanse beatschrijver Jack Kerouac altijd als de belangrijkste invloeden uit zijn jeugd.

Hun levensstijl en vagebondstijl spraken hem aan. Hij leefde snel en speelde met het idee van een vroege, tragische en romantische dood, net als zijn helden.

Dat de Amerikaanse pers hem later onder andere de nieuwe James Dean doopte, was dan ook geen toeval.

Zelfs toen hij miljoenen verdiende, bleef hij deze levensstijl trouw.

Hij huurde liever een motel- of hotelkamer voor de nacht dan in een luxueus huis te wonen.

Zijn garderobe bestond meestal enkel uit de kleren die hij op dat moment droeg.

Als het ’s nachts koud was, haalde hij zijn creditcard boven om een jas te kopen, die hij de volgende dag bij warmer weer gewoon aan de eerste de beste vreemdeling weggaf.

Nadat zijn rijbewijs werd ingetrokken wegens het verzamelen van te veel processen, probeerde hij het nooit meer te vernieuwen.

Hij kocht dure, nieuwe auto’s die hij in de prak reed of na een dronken nacht ergens parkeerde en vergat.

Hij ging er zelden naar op zoek en gaf ze ook niet op als gestolen.

Hij stuurde zijn vrouw Pamela de wereld rond om kleren te verzamelen voor een boetiek die hij haar cadeau deed.

Dit kostte hem een fortuin en bracht enkel enorme schulden met zich mee, maar zolang Pamela gelukkig was, kon het hem weinig schelen.

Aan het einde van de jaren zestig waren The Doors een absolute supergroep.

Toetsenist Ray Manzarek, gitarist Robbie Krieger en drummer John Densmore waren uitstekende muzikanten die zorgden voor een perfecte balans met Jims extravagante persoonlijkheid.

Hun muziek was afwisselend melancholisch en dreigend, wat perfect aansloot bij de manier waarop Morrison in zijn teksten en podiumshows zijn sentimenten kon aftasten.

De band kwam samen in Los Angeles, repeteerde een half jaar en bouwde via optredens in de Whisky a Go Go een steeds groter wordende aanhang van bijna maniakale fans op.

Daar werden ze ontdekt door Jac Holzman, directeur van Elektra, en producer Paul Rothschild.

Hun debuutalbum verscheen in de memorabele hippiezomer van 1967.

Mede dankzij de grandioze hit “Light My Fire” stootten ze The Beatles met “Sergeant Pepper” van de eerste plaats in de Amerikaanse albumlijsten.

Vier maanden later stond die plaat nog steeds in de top tien, toen deze gezelschap kreeg van de opvolger Strange Days, eveneens een meesterwerk dat staat als een huis.

The Doors en vooral Morrison groeiden uit tot een mythe.

Hij was de droom van elk meisje dat zichzelf niet als toekomstig huismoedertje zag, een idool voor jongens die precies wilden zijn zoals hij, en een gevaarlijke nachtmerrie voor ouders die hem zagen als de duivel die met alle middelen bestreden moest worden.

Tijdens liveoptredens zorgden The Doors steevast voor sensatie en relletjes, wat uiteindelijk leidde tot zoveel arrestaties en veroordelingen dat Morrison er zelf bijna bang van werd en het toeren beperkte.

Er speelden ook andere redenen mee.

De groep was een monsterorganisatie geworden met contracten en verplichtingen die hem absoluut niet lagen.

Hij wilde eruit, en na het voltooien van het verplichte aantal albums en een afgezwakte tournee, kondigde hij eind 1970 aan dat het tijd was voor een uitgebreide vakantie, iets wat ze verdiend hadden.

Hun zevende album, L.A. Woman, was inmiddels opgenomen en zou, net als de andere platen, met goud bekroond worden, een prestatie die nog geen enkele Amerikaanse groep destijds had behaald.

Morrison liet weten dat hij met Pamela in Parijs ging wonen om te reizen, poëzie te schrijven en wellicht een toneelstuk te maken.

Hij wist het nog niet zeker, maar zocht vooral een manier om te zwerven, ook in geestelijke zin.

Over de toekomst van The Doors zou na zijn terugkeer misschien nog weleens gesproken worden.

Zonder veel spijt verliet hij Los Angeles, in de hoop ergens anders helemaal opnieuw te kunnen beginnen.

Hoewel dokters hem hadden aangeraden het rustiger aan te doen, was Morrison daar simpelweg niet voor geboren.

Ook in Parijs bleef zijn verlangen naar sensaties, ervaringen en experimenten niet te stuiten.

Hij bleef balanceren op de rand van het mes, trouw aan zijn eigen gezongen woorden: “I want the world, and I want it now,” en hij was niet van plan om zich door iemand te laten belemmeren.

Op 3 juli 1971 vond hij rust, maar daarmee verdween de legende allerminst.

De drie overgebleven bandleden maakten nog enkele muzikaal uitstekende albums zonder hem, die echter pijnlijk duidelijk maakten welke enorme leemte hij had achtergelaten.

Ook in de jaren daarna bleef zijn invloed onverminderd groot, wat bleek uit langdurige hitnoteringen voor hun verzamelalbums, de onverbiddelijke bestseller-status van de biografie No One Here Gets Out Alive, en de plannen voor een film over zijn leven.

Op de begraafplaats Père-Lachaise nabij Parijs, de laatste rustplaats van vele grote kunstenaars, worden bovendien nog altijd dagelijks verse bloemen op het graf van James Douglas Morrison aangevoerd.

Wie echter door een verzameling tijdschriften en kranten uit die specifieke periode bladert, zal iets heel opvallends merken.

Het is bevreemdend hoe weinig aandacht hij direct na zijn dood kreeg in de pers.

Dat in de Muziek Expres van augustus 1971 bijvoorbeeld alleen een foto stond met een in memoriam van amper enkele zinnen, vormt een scherp contrast met zijn latere grote status.

Dit heeft een paar duidelijke en praktische oorzaken.

Ten eerste werd het overlijden van Morrison aanvankelijk strikt stilgehouden door zijn intieme kring in Parijs.

Het grote publiek en de pers kregen het nieuws pas dagen later te horen, op 9 juli, toen hij al in besloten kring was begraven op het Parijse kerkhof.

Deze geheimzinnigheid zorgde voor enorm veel onzekerheid en scepsis op de nieuwsredacties.

Omdat Morrison vaker met het idee van een in scène gezette dood had gespeeld, dachten velen in eerste instantie dat het om een zoveelste vreemde grap van de zanger ging en waren journalisten terughoudend om uitgebreide necrologieën te publiceren zonder harde bewijzen.

Bovendien werkten muziektijdschriften en maandbladen in die tijd met zeer lange aanlooptijden voor de drukpersen.

Tegen de tijd dat het nieuws over zijn dood eindelijk met zekerheid werd bevestigd, was de augustus-editie van bladen zoals Muziek Expres al drukklaar en ingepland.

Redacties hadden simpelweg de tijd en ruimte niet meer om de hele lay-out om te gooien voor een uitgebreid artikel, waardoor ze zich noodgedwongen moesten beperken tot een snelle foto en een korte toegevoegde tekst net voor het drukken.

Tot slot was Morrison in de zomer van 1971, na zijn fysieke achteruitgang en zijn vertrek uit Amerika, al enigszins naar de achtergrond van de toenmalige, snel evoluerende popwereld verdwenen.

De echte mythevorming rond zijn persoon, gestuwd door boeken en films die van hem een onsterfelijke held zouden maken, kwam pas eind jaren zeventig en in de jaren tachtig echt wereldwijd op gang.

In de zomer van 1971 was hij voor de toenmalige pers vooral een uitgedoofde rockster, en nog niet de legende die hij naderhand is geworden

Op 9 februari 1970 brachten The Doors hun vijfde studioalbum uit, getiteld Morrison Hotel. Deze plaat markeerde een stevige terugkeer naar hun rauwe, oorspronkelijke bluesrockstijl.

Hun vorige album, The Soft Parade, bevatte veel koperblazers en strijkers en was mede daardoor een stuk minder succesvol bij het grote publiek en de critici.

Met Morrison Hotel wilden ze terug naar de basis. De lp kreeg een opvallende indeling: de A-kant werd Hard Rock Café gedoopt en de B-kant kreeg de naam Morrison Hotel.

Hoewel er slechts één single van de plaat werd uitgebracht, de dubbele A-kant ‘You Make Me Real’ en ‘Roadhouse Blues’, staat het album vol met onvervalste klassiekers zoals ‘Peace Frog’ en ‘Waiting for the Sun’.

Een opvallend detail over het nummer “Waiting for the Sun” is dat het eigenlijk al geschreven was voor hun gelijknamige derde album uit 1968, maar destijds de uiteindelijke selectie net niet haalde.

In de nummers The Spy en Queen of the Highway geeft zanger Jim Morrison een erg persoonlijk inkijkje in zijn complexe en turbulente relatie met zijn vriendin Pamela Courson.

De beroemde albumhoes kent een bijzonder en ietwat brutaal ontstaansverhaal.

De gerenommeerde rockfotograaf Henry Diltz nam de foto van de band in de etalage van het bestaande Morrison Hotel in Los Angeles.

Ze hadden hiervoor echter geen toestemming gekregen van de eigenaar. Toen de receptionist heel even zijn post verliet, stormde de band naar binnen voor een snelle fotosessie en maakten ze zich snel weer uit de voeten.

Op de achterzijde van de hoes prijkt een foto van het Hard Rock Café, toentertijd een bescheiden eettentje in Los Angeles.

Een leuk weetje is dat de oprichters van de wereldwijde restaurantketen Hard Rock Cafe zich lieten inspireren door deze achterkant van de lp voor hun immens populaire naam.

Tijdens de opnames in de studio, onder leiding van hun vaste producer Paul A. Rothchild en technicus Bruce Botnick, kregen The Doors hulp van een aantal bijzondere gastmuzikanten.

Omdat de band zelf geen vaste bassist had, nam sessiemuzikant Ray Neapolitan de meeste baspartijen op Morrison Hotel voor zijn rekening.

Voor het stevige ‘Roadhouse Blues’ en ‘Maggie M’Gill’ werd echter gitaarlegende Lonnie Mack opgetrommeld om de basgitaar te bespelen.

Een andere opvallende gast op Roadhouse Blues was John Sebastian, de frontman van The Lovin’ Spoonful.

Omdat hij vanwege contractuele redenen eigenlijk niet mocht meewerken aan een album van een andere platenmaatschappij, speelde hij de mondharmonica in onder het pseudoniem G. Puglese.

Mede door deze ongedwongen, spontane samenwerkingen wordt dit album gezien als een van de meest authentieke platen uit de geschiedenis van de band.

De Parijse vlucht en zijn mysterieuze dood

Jim Morrison werd geboren als de zoon van George Stephen Morrison, een admiraal die als vlootcommandant betrokken was bij het Tonkin-incident in 1964, wat de aanleiding vormde voor de Amerikaanse deelname aan de Vietnamoorlog.

In plaats van een militaire carrière na te streven, ging Morrison naar de filmacademie in Los Angeles, Californië.

Daar leerde hij Ray Manzarek kennen, met wie hij The Doors oprichtte. Deze bandnaam was ontleend aan ‘The Doors of Perception’, de titel van een boek van Aldous Huxley.

Huxley had deze frase op zijn beurt weer ontleend aan een gedicht van William Blake, die schreef: “If the doors of perception were cleansed every thing would appear to man as it is, infinite”.

Voor veel jongeren in die dagen was Morrison een onmetelijk groot idool. Hij leefde zeer intens en gebruikte vele soorten verslavende genotsmiddelen, waarbij met name zijn enorme drankgebruik exemplarisch was.

Ondanks deze roerige levensstijl was hij diep gefascineerd door literatuur.

Hij las enorm veel en schreef fanatiek poëzie.

Zijn teksten waren vaak zeer filosofisch en dichterlijk van aard, en zijn muziek toont duidelijke invloeden van jazz en blues.

Van hem is in de loop der tijd ook een aantal dichtbundels uitgegeven, zoals ‘The Lords & The New Creatures’, ‘Wilderness’ en ‘The American Night’.

Hoewel de muziek van Jim Morrison wereldwijd en ook in ons taalgebied mateloos populair is gebleven, zijn zijn gedichtenbundels helaas nooit officieel in het Nederlands vertaald uitgegeven.

Wie de diepere, literaire ziel van de zanger wil doorgronden, is daardoor aangewezen op de Engelstalige edities die nog steeds volop te vinden zijn, al circuleren er onder bewonderaars weleens losse, zelfgemaakte vertalingen van individuele gedichten.

In de laatste periode van zijn leven verruilde Jim Morrison de overweldigende roem in Amerika voor een rustiger bestaan in Parijs.

Onder zijn doopnaam James Douglas leefde hij daar tamelijk anoniem, wat hem bijzonder goed beviel.

Hoewel hij de Franse taal niet machtig was, dompelde hij zich onder in de lokale cultuur; hij bezocht veel theatervoorstellingen en was vaak te vinden op de filmsets van diverse beroemde Franse regisseurs.

Over zijn productiviteit in deze periode lopen de meningen uiteen.

Waar sommigen beweren dat hij juist in Parijs veel schreef, menen anderen dat hij zwaar te lijden had van een schrijversblok.

Hoewel de officiële overlijdensakte een hartaanval als doodsoorzaak vermeldt, nadat hij liggend in een badkuip zou zijn aangetroffen, wordt algemeen aangenomen dat een overdosis drugs hem fataal is geworden.

Door deze voortijdige dood trad hij toe tot de beruchte 27 Club, samen met muzikanten als Janis Joplin, Jimi Hendrix en Brian Jones. Later zijn ook de namen van Kurt Cobain en Amy Winehouse door velen aan deze ledenlijst toegevoegd, omdat zij toevalligerwijs eveneens op 27-jarige leeftijd stierven.

Tijdens de bescheiden begrafenis van Jim Morrison las zijn partner Pamela Courson de laatste paragraaf voor uit Celebration of the Lizard, iets wat hij volgens de laatste biografie zelf had gewild.

Hoewel zij nooit getrouwd waren, had hij in zijn testament zijn volledige erfenis, inclusief de uiterst lucratieve muziekrechten, aan Pamela nagelaten.

Deze situatie kreeg echter een tragische wending toen zij in 1974 eveneens aan een overdosis overleed, zonder zelf een testament te hebben opgemaakt.

Haar bezittingen vielen automatisch toe aan haar ouders, wat leidde tot een bittere juridische strijd met de ouders van Jim Morrison, met wie de zanger altijd een zeer moeizame relatie had onderhouden.

Na een lang en slepend conflict schikten de twee families uiteindelijk door de nalatenschap en alle toekomstige inkomsten exact in tweeën te delen.

Zijn laatste rustplaats vond hij op de beroemde begraafplaats Père-Lachaise, een plek die tot op de dag van vandaag enorm veel bezoekers trekt.

Op zijn graf prijkt de Griekse tekst κατα τον δαιμονα εαυτου, oftewel kata ton daimona eautou.

In het Oudgrieks laat de strekking hiervan zich vertalen als trouw aan zijn ziel, terwijl de Nieuwgriekse vertaling neerkomt op je eigen demon volgen.

Volgens de Thelema wordt hierbij met een demon een externe geest of spirituele gids bedoeld, in tegenstelling tot het woord spirit dat duidt op een interne geest.

Het graf heeft in de loop der jaren de nodige visuele veranderingen ondergaan. Precies tien jaar na zijn dood, in 1981, creëerde de Kroatische kunstenaar Mladen Mikulin als herdenking een borstbeeld van Morrison dat op het graf werd geplaatst.

Dit kunstwerk werd in 1988 gestolen, waarna de familie aangaf geen nieuw beeld te willen.

Ruim dertig jaar later, in mei 2025, werd het gestolen borstbeeld echter per toeval teruggevonden in Parijs tijdens een huiszoeking in verband met een fraudezaak.

De erfenis van Jim Morrison is na al die decennia nog steeds springlevend.

Hij was een groot idool voor velen en wordt nog altijd enorm bewonderd; dagelijks luisteren tienduizenden mensen naar zijn muziek.

Daarnaast vormt zijn leven een onuitputtelijke bron van inspiratie voor schrijvers.

Er zijn talloze boeken over hem verschenen, waaronder de in 2004 uitgebrachte biografie Jim Morrison door Stephen Davis en de biografische grafische roman Dichter van de chaos uit 2012.

Ook ‘No One Here Gets Out Alive’ van Jerry Hopkins en Danny Sugerman is een zeer gewaardeerde biografie, die doorspekt is met persoonlijke ervaringen en waarvan wereldwijd meer dan twee miljoen exemplaren werden verkocht.

Bovendien boekstaafden al zijn voormalige bandleden hun herinneringen: toetsenist Ray Manzarek schreef ‘Light My Fire’, gitarist Robby Krieger bracht ‘Set the Night on Fire’ uit en drummer John Densmore publiceerde de autobiografie ‘Riders On The Storm’.

Delen uit het boek van Densmore werden door regisseur Oliver Stone gebruikt voor het scenario van The Doors, de succesvolle film uit 1991.

Daarin zette Val Kilmer een uiterst overtuigende Morrison neer met een wonderwel gelijkend stemgeluid, vergezeld door Meg Ryan in de rol van Pamela Courson.

Ook in modernere media blijft zijn verhaal verteld worden, zoals in de film ‘When You’re Strange’ uit 2010 van Tom Dicillo, die is voorzien van gesproken commentaar door fan en acteur Johnny Depp.

Zelfs in de Nederlandse popcultuur liet de zanger zijn sporen na; zo was hij het onderwerp in een aflevering van de satireserie Jiskefet, waarin onder meer zijn befaamde graf op Père-Lachaise in beeld werd gebracht.