45 jaar geleden, Linsey De Paul wil trouwen met de Amerikaans filmacteur James Coburn.

Lynsey De Paul, geboren als Lynsey Monckton Rubin, was een van de meest getalenteerde en onafhankelijke vrouwen in de Britse muziekscene van de jaren zeventig.

Ze was niet alleen een succesvolle zangeres, maar ook een begenadigd songschrijfster.

Haar talent om pakkende liedjes te schrijven bleek al vroeg toen ze de hit “Storm in a Teacup” pende voor de groep The Fortunes.

In 1972 brak ze zelf groots door met het onvergetelijke “Sugar Me”, een nummer dat haar direct tot een ster maakte.

Daarna volgden nog meer hits, waaronder het bekroonde “Won’t Somebody Dance with Me” en “No Honestly”.

In 1977 vertegenwoordigde ze, samen met Mike Moran, het Verenigd Koninkrijk op het Eurovisiesongfestival. Hun aanstekelijke duet “Rock Bottom” werd een grote favoriet en behaalde een verdienstelijke tweede plaats.

Lynsey De Paul was echter veel meer dan een popzangeres. Ze ontwikkelde zich tot producer, schitterde in musicals, nam interviews af voor televisie en was een veelgevraagde mediapersoonlijkheid.

Ze stond bekend als een bewust zelfstandige vrouw die nooit trouwde en overtuigd vegetariër was.

Haar onafhankelijkheid weerhield haar er niet van om relaties te hebben met enkele van de meest bekende mannen van die tijd, waaronder Ringo Starr, Sean Connery en Bernie Taupin.

Tragisch genoeg overleed de zangeres op 1 oktober 2014 onverwacht in een ziekenhuis in Londen na een hersenbloeding.

45 jaar geleden, George Benson een artiest die de zeldzame sprong maakte van een door puristen bewonderde jazzgitarist naar een wereldwijde pop- en R&B-superster.

Benson, geboren in 1943, was een waar wonderkind.

Al op achtjarige leeftijd zong hij in nachtclubs en op zijn tiende nam hij al platen op onder de naam ‘Little Georgie’.

Zijn ware roeping vond hij in de jazz, geïnspireerd door grootheden als Wes Montgomery en Charlie Parker.

Zijn reputatie als technisch begaafd gitarist groeide snel, zeker nadat hij op zijn negentiende toetrad tot de band van de bekende organist Jack McDuff.

In deze periode ontwikkelde hij zijn kenmerkende stijl: een vloeiende gitaartechniek gecombineerd met ‘scat singing’, waarbij hij de noten die hij op zijn gitaar speelde perfect meezong.

Ondanks zijn immense talent en platen voor labels als Polydor en Motown, bleef de grote commerciële doorbraak uit.

Het jaar 1976 veranderde alles. Benson tekende bij Warner Brothers en bracht het album Breezin’ uit.

Op aanraden van de producer nam hij niet alleen instrumentale nummers op, maar zong hij ook.

De cover van het Leon Russel nummer “This Masquerade” werd, tegen alle verwachtingen in, een gigantische hit en een millionseller.

Het leverde hem in 1977 de prestigieuze Grammy Award voor Plaat van het Jaar op.

Zijn samenwerking met de legendarische producer Quincy Jones resulteerde in het album Give Me the Night (1980).

De titeltrack, geschreven door Rod Temperton (die ook voor Michael Jackson schreef), werd een wereldwijde funkklassieker.

Het album was een sterrenproject, met bijdragen van muzikale vrienden als Louis Johnson (The Brothers Johnson), Lee Ritenour en de toetsenisten George Duke en Herbie Hancock.

Andere successen uit zijn Carrière, zijn onder meer “On Broadway”, “Turn Your Love Around” en “Nothing’s Gonna Change My Love for You”.

Hij wordt geëerd als een levende legende, een winnaar van tien Grammy Awards en een NEA Jazz Master, de hoogste eer voor een jazzartiest in de Verenigde Staten.

Hij blijft relevant door samen te werken met moderne artiesten zoals Gorillaz op het nummer “Humility”.

Benson toert nog steeds de wereld rond en verkoopt de prestigieuste zalen, zoals de Royal Albert Hall en het Hollywood Bowl, moeiteloos uit.

Ook in 2025 staan er nog concerten gepland, waar hij zijn publiek trakteert op een mix van zijn jazzy virtuositeit en de onsterfelijke pophits die hem wereldberoemd maakten (Joepie 10 augustus)

45 jaar geleden, Janis Ian, superstar zijn, is in feite een grote valstrik.

Janis Ian, geboren als Janis Eddy Fink in New York op 7 april 1951, was een natuurtalent dat de muziekwereld al op jonge leeftijd op zijn grondvesten deed schudden.

Ze leerde piano spelen vanaf haar derde en op haar twaalfde schreef ze al haar eerste nummers. Een jaar later, op haar dertiende, koos ze de artiestennaam waaronder ze bekend zou worden: Janis Ian.

Op haar veertiende schreef ze het lied dat haar leven zou bepalen: “Society’s Child”. Het nummer, dat de destijds uiterst gevoelige thematiek van een relatie tussen een blank meisje en een zwarte jongen behandelde, werd een onverwachte hit.

Ondanks dat veel radiostations het weigerden te draaien, bereikte de single in 1966 de top 20, met een verkoop van 600.000 exemplaren.

Haar debuut-lp, geproduceerd door de legendarische George “Shadow” Morton (bekend van The Shangri-Las), was eveneens een succes.

De controverse en het commerciële succes zorgden ervoor dat het nummer later een verdiende plaats kreeg in de Grammy Hall of Fame vanwege de historische impact.

Na dit vroege hoogtepunt volgden er echter moeilijkere jaren. Haar volgende albums verkochten beduidend minder, waardoor ze al snel het stempel van ‘eendagsvlieg’ kreeg.

Maar Janis Ian bewees het tegendeel. Met het album Stars vocht ze zich terug in de aandacht, en de opvolger Between the Lines bereikte zelfs de eerste plaats in de hitlijsten.

Deze succesvolle comeback werd in 1976 bekroond met een Grammy Award voor Beste Vrouwelijke Popartiest.

Aan het einde van de jaren 70 toonde Ian haar veelzijdigheid opnieuw.

Samen met discoproducer Giorgio Moroder schreef ze het nummer “Fly Too High” voor de film Foxes.

Het werd een wereldwijde hit die in veel landen, waaronder Vlaanderen en Nederland, de eerste plaats bereikte. I

n diezelfde periode nam ze in 1980 ook het duet “Don’t leave tonight” op met Conny Vandenbos.

Na een scheiding werd het stil rond Ian. Een nog zwaardere klap volgde toen ze door het bedrog van haar boekhouder bijna failliet was.

In 1993 maakte ze een krachtige rentree met het album Breaking Silence, waarop ze openlijk uitkwam voor haar homoseksualiteit.

In 2003 trouwde ze met haar partner, Patricia Snyder,

Recentelijk heeft Janis Ian een punt gezet achter haar lange carrière.

De moeilijke beslissing om te stoppen met optreden kwam er wegens aanhoudende gezondheidsproblemen.

Een hardnekkige laryngitis heeft permanente littekens op haar stembanden achtergelaten, wat consistent toeren onmogelijk maakt.

Haar afscheid van het podium viel samen met de release van wat ze haar laatste album noemt, The Light at the End of the Line (2022)

Toch bracht ze in 2024 nog de single When he was here uit.

Vandaag, vijf jaar geleden, komt de Franse zanger Alain Delorme te overlijden.

Delorme was jarenlang de frontman van de populaire Belgische formatie Crazy Horse.

Crazy Horse scoorde hits met nummers als “J’ai tant besoin de toi” (een nummer van Paul Severs), “Une fleur, rien qu’une rose”, “Un jour sans toi” en “L’amour la première fois”.

Hun grootste succes behaalden ze echter in 1973 met “Et surtout ne m’oublie pas”, waarvan alleen al in Frankrijk 550.000 exemplaren werden verkocht.

In 1975 besloot Alain Delorme uit de groep te stappen, wat meteen het einde van Crazy Horse betekende.

Met zijn eerste solosingle “Romantique avec toi” was het meteen raak; de single was goed voor een verkoop van 350.000 exemplaren.

Het nummer werd geschreven door Jean Géral en Elisabeth Vigna.

Vreemd genoeg was het in Vlaanderen geen hit en kwam de single niet verder dan de Tipparade.

Ook de opvolger, “Je Rêve Souvent D’une Femme”, was een groot succes in Frankrijk, evenals zijn derde single “Livre d’Amour” die het meer dan behoorlijk deed.

Later haalde hij nog de hitlijsten met singles als “On Danse En France” (1976) en “J’ai Un Petit Faible Pour Toi” (1977).

Alain Delorme overleed vijf jaar geleden, op 7 augustus 2020.

Het verhaal van Pilot: van ‘Magic’ tot The Alan Parsons Project

In het muzikale landschap van 1973, in Schotland, besloten twee leden van de Bay City Rollers, David Paton en Billy Lyall, een nieuwe koers te varen.

Ze richtten de band Pilot op, een naam die al snel synoniem zou staan voor een reeks onvergetelijke popsongs.

Hun muziek sloeg verrassend snel aan. Singles als ‘Magic’, ‘January’, ‘Just a Smile’ en ‘Call Me Round’ vonden vlot hun weg naar de hogere regionen van de Britse hitlijsten.

Het was vooral het nummer ‘Magic’, afkomstig van hun debuutalbum dat de band internationale bekendheid bracht.

De productie was in handen van de legendarische Alan Parsons, en dat was te horen.

De single werd in 1974 een ‘million seller’, bereikte een indrukwekkende vijfde plaats in de hitlijsten van de Verenigde Staten en een elfde plek in hun thuisland.

De opvolger, ‘January’, deed het zelfs nog beter. Begin 1975 schoot het nummer naar de eerste plaats in zowel het Verenigd Koninkrijk als Australië, en vestigde de naam van Pilot definitief.

Een interessant detail is de rol van arrangeur Andrew Powell. Direct na de opnames van ‘January’ dook hij de studio in met een jonge, opkomende artieste: Kate Bush.

Omdat zowel Pilot als Kate Bush onder contract stonden bij EMI Records, waren de lijntjes kort en de samenwerkingen snel gelegd.

Dit leidde ertoe dat de leden van Pilot meespeelden op Kate’s iconische debuutalbum “The Kick Inside” en later ook op “Lionheart”.

Zoals dat wel vaker gaat in de muziekwereld, was de oorspronkelijke bezetting geen lang leven beschoren.

Gisteren nog vandaag

In 1977 waren alleen Paton en gitarist Ian Bairnson nog over. Samen met een groep sessiemuzikanten namen ze nog het album “Two’s a Crowd” op, wat de zwanenzang voor de band zou inluiden.

Het einde van Pilot betekende echter een nieuw begin voor de kernleden.

In 1978 werden Paton, Bairnson en drummer Stuart Tosh vaste leden van The Alan Parsons Project, de groep van hun voormalige producer.

Tosh liet ook van zich horen als drummer bij de band 10cc.

Medeoprichter Billy Lyall overleed helaas in 1989 aan de gevolgen van aids.

Decennia later kwam de magie van Pilot onverwacht weer tot leven. In augustus 2014, precies veertig jaar na het verschijnen van hun debuut, kwamen Paton, Bairnson en Tosh weer samen.

Onder de naam “A Pilot Project” brachten ze een album uit als een hommage aan Eric Woolfson, de zanger en componist van The Alan Parsons Project.

Gisteren nog vandaag

Vandaag mogen Billy en Bobby Alessi 72 kaarsjes uitblazen.

Billy en Bobby Alessi begonnen hun carrière eind jaren zestig met de groep Barnaby Bye en speelden in een van de eerste bezettingen van de musical Hair op Broadway.

Ze braken in 1977 door met de single “Oh, Lori” en toerden eind jaren zeventig met Andy Gibb tijdens zijn Shadow Dancing Tour.

Naast hun eigen successen hebben de broers liedjes geschreven en geproduceerd voor een breed scala aan artiesten, waaronder Paul McCartney, Christopher Cross, Frankie Valli, Michael McDonald, Whitney Houston, Richie Havens en Olivia Newton-John.

Hun talent strekte zich ook uit tot filmmuziek, met composities voor films als “The Main Event” en “Ghostbusters”.

Verder hebben ze als achtergrondzangers bijgedragen aan albums van John Lennon en Yoko Ono (“Milk & Honey”), Art Garfunkel (“Fate for Breakfast”) en Sting.

De broers Alessi specialiseerden zich ook in het maken van commercials en creëerden spots voor merken als Ford, Twix, McDonald’s, Kentucky Fried Chicken en Seven-Up.

Billy was de componist van de themamuziek voor de Diet-Coke reclame.

Voor hun werk in de reclamewereld wonnen ze diverse onderscheidingen, waaronder de prestigieuze Clio Award.

Ze woonden jaren in Nederland en traden nog wel eens onverwachts op tijdens de jazzsessies in het helaas ter ziele gegane restaurant/café ‘Wakker’ aan de Wakkerendijk in Eemnes, jaren 2010/2015 (met dank aan René Bouwman voor de info over hun verblijf in Nederland)