Vanavond, 45 jaar geleden, start van het vierde Feniksfestival in Roosdaal (9 en 10 augustus 1980)

Het Feniksfestival was een pop- en rockfestival dat in de jaren 70 en begin jaren 80 plaatsvond op de Kapelleweide in de Vlaams-Brabantse gemeente Roosdaal.

Het festival bouwde in de regio een stevige reputatie op als een belangrijk muzikaal evenement, vergelijkbaar met andere bekende openluchtfestivals uit die periode zoals Jazz Bilzen en Rock Torhout.

De vierde editie vond plaats in het weekend van zaterdag 9 en zondag 10 augustus 1980.

Het programma was als volgt:

Op zaterdag 9 augustus 1980 traden de volgende artiesten op:

  • Kevin Coyne
  • The Shirts
  • Sector 27 (de band van Tom Robinson)

Op zondag 10 augustus 1980 was de line-up:

  • Steel Pulse
  • Rick Tubbax & The Taxis
  • Raymond van het Groenewoud & The Millionaires

Het festival was een initiatief van de plaatselijke VZW De Feniks en speelde een belangrijke rol in het culturele leven van het Pajottenland in die tijd.

45 jaar geleden, George Benson een artiest die de zeldzame sprong maakte van een door puristen bewonderde jazzgitarist naar een wereldwijde pop- en R&B-superster.

Benson, geboren in 1943, was een waar wonderkind.

Al op achtjarige leeftijd zong hij in nachtclubs en op zijn tiende nam hij al platen op onder de naam ‘Little Georgie’.

Zijn ware roeping vond hij in de jazz, geïnspireerd door grootheden als Wes Montgomery en Charlie Parker.

Zijn reputatie als technisch begaafd gitarist groeide snel, zeker nadat hij op zijn negentiende toetrad tot de band van de bekende organist Jack McDuff.

In deze periode ontwikkelde hij zijn kenmerkende stijl: een vloeiende gitaartechniek gecombineerd met ‘scat singing’, waarbij hij de noten die hij op zijn gitaar speelde perfect meezong.

Ondanks zijn immense talent en platen voor labels als Polydor en Motown, bleef de grote commerciële doorbraak uit.

Het jaar 1976 veranderde alles. Benson tekende bij Warner Brothers en bracht het album Breezin’ uit.

Op aanraden van de producer nam hij niet alleen instrumentale nummers op, maar zong hij ook.

De cover van het Leon Russel nummer “This Masquerade” werd, tegen alle verwachtingen in, een gigantische hit en een millionseller.

Het leverde hem in 1977 de prestigieuze Grammy Award voor Plaat van het Jaar op.

Zijn samenwerking met de legendarische producer Quincy Jones resulteerde in het album Give Me the Night (1980).

De titeltrack, geschreven door Rod Temperton (die ook voor Michael Jackson schreef), werd een wereldwijde funkklassieker.

Het album was een sterrenproject, met bijdragen van muzikale vrienden als Louis Johnson (The Brothers Johnson), Lee Ritenour en de toetsenisten George Duke en Herbie Hancock.

Andere successen uit zijn Carrière, zijn onder meer “On Broadway”, “Turn Your Love Around” en “Nothing’s Gonna Change My Love for You”.

Hij wordt geëerd als een levende legende, een winnaar van tien Grammy Awards en een NEA Jazz Master, de hoogste eer voor een jazzartiest in de Verenigde Staten.

Hij blijft relevant door samen te werken met moderne artiesten zoals Gorillaz op het nummer “Humility”.

Benson toert nog steeds de wereld rond en verkoopt de prestigieuste zalen, zoals de Royal Albert Hall en het Hollywood Bowl, moeiteloos uit.

Ook in 2025 staan er nog concerten gepland, waar hij zijn publiek trakteert op een mix van zijn jazzy virtuositeit en de onsterfelijke pophits die hem wereldberoemd maakten (Joepie 10 augustus)

45 jaar geleden, Janis Ian, superstar zijn, is in feite een grote valstrik.

Janis Ian, geboren als Janis Eddy Fink in New York op 7 april 1951, was een natuurtalent dat de muziekwereld al op jonge leeftijd op zijn grondvesten deed schudden.

Ze leerde piano spelen vanaf haar derde en op haar twaalfde schreef ze al haar eerste nummers. Een jaar later, op haar dertiende, koos ze de artiestennaam waaronder ze bekend zou worden: Janis Ian.

Op haar veertiende schreef ze het lied dat haar leven zou bepalen: “Society’s Child”. Het nummer, dat de destijds uiterst gevoelige thematiek van een relatie tussen een blank meisje en een zwarte jongen behandelde, werd een onverwachte hit.

Ondanks dat veel radiostations het weigerden te draaien, bereikte de single in 1966 de top 20, met een verkoop van 600.000 exemplaren.

Haar debuut-lp, geproduceerd door de legendarische George “Shadow” Morton (bekend van The Shangri-Las), was eveneens een succes.

De controverse en het commerciële succes zorgden ervoor dat het nummer later een verdiende plaats kreeg in de Grammy Hall of Fame vanwege de historische impact.

Na dit vroege hoogtepunt volgden er echter moeilijkere jaren. Haar volgende albums verkochten beduidend minder, waardoor ze al snel het stempel van ‘eendagsvlieg’ kreeg.

Maar Janis Ian bewees het tegendeel. Met het album Stars vocht ze zich terug in de aandacht, en de opvolger Between the Lines bereikte zelfs de eerste plaats in de hitlijsten.

Deze succesvolle comeback werd in 1976 bekroond met een Grammy Award voor Beste Vrouwelijke Popartiest.

Aan het einde van de jaren 70 toonde Ian haar veelzijdigheid opnieuw.

Samen met discoproducer Giorgio Moroder schreef ze het nummer “Fly Too High” voor de film Foxes.

Het werd een wereldwijde hit die in veel landen, waaronder Vlaanderen en Nederland, de eerste plaats bereikte. I

n diezelfde periode nam ze in 1980 ook het duet “Don’t leave tonight” op met Conny Vandenbos.

Na een scheiding werd het stil rond Ian. Een nog zwaardere klap volgde toen ze door het bedrog van haar boekhouder bijna failliet was.

In 1993 maakte ze een krachtige rentree met het album Breaking Silence, waarop ze openlijk uitkwam voor haar homoseksualiteit.

In 2003 trouwde ze met haar partner, Patricia Snyder,

Recentelijk heeft Janis Ian een punt gezet achter haar lange carrière.

De moeilijke beslissing om te stoppen met optreden kwam er wegens aanhoudende gezondheidsproblemen.

Een hardnekkige laryngitis heeft permanente littekens op haar stembanden achtergelaten, wat consistent toeren onmogelijk maakt.

Haar afscheid van het podium viel samen met de release van wat ze haar laatste album noemt, The Light at the End of the Line (2022)

Toch bracht ze in 2024 nog de single When he was here uit.

Vandaag mogen Billy en Bobby Alessi 72 kaarsjes uitblazen.

Billy en Bobby Alessi begonnen hun carrière eind jaren zestig met de groep Barnaby Bye en speelden in een van de eerste bezettingen van de musical Hair op Broadway.

Ze braken in 1977 door met de single “Oh, Lori” en toerden eind jaren zeventig met Andy Gibb tijdens zijn Shadow Dancing Tour.

Naast hun eigen successen hebben de broers liedjes geschreven en geproduceerd voor een breed scala aan artiesten, waaronder Paul McCartney, Christopher Cross, Frankie Valli, Michael McDonald, Whitney Houston, Richie Havens en Olivia Newton-John.

Hun talent strekte zich ook uit tot filmmuziek, met composities voor films als “The Main Event” en “Ghostbusters”.

Verder hebben ze als achtergrondzangers bijgedragen aan albums van John Lennon en Yoko Ono (“Milk & Honey”), Art Garfunkel (“Fate for Breakfast”) en Sting.

De broers Alessi specialiseerden zich ook in het maken van commercials en creëerden spots voor merken als Ford, Twix, McDonald’s, Kentucky Fried Chicken en Seven-Up.

Billy was de componist van de themamuziek voor de Diet-Coke reclame.

Voor hun werk in de reclamewereld wonnen ze diverse onderscheidingen, waaronder de prestigieuze Clio Award.

Ze woonden jaren in Nederland en traden nog wel eens onverwachts op tijdens de jazzsessies in het helaas ter ziele gegane restaurant/café ‘Wakker’ aan de Wakkerendijk in Eemnes, jaren 2010/2015 (met dank aan René Bouwman voor de info over hun verblijf in Nederland)