50 jaar geleden, Pierre Rapsat over zijn deelname aan het Eurovisiesongfestival in Den Haag.

Hoewel hij vereerd was dat hij België mocht vertegenwoordigen op het Eurovisiesongfestival op 3 april 1976 in Den Haag met het nummer ‘Judy et Cie’, stak hij zijn teleurstelling over de gang van zaken in eigen land niet onder stoelen of banken.

Rapsat merkte op dat de beleving van het festival in Wallonië aanzienlijk minder intens was dan in Vlaanderen, wat onder meer bleek uit de sobere manier waarop de RTBF de selectie organiseerde.

De kandidaten werden op verschillende tijdstippen gefilmd zonder publiek, waardoor de kijkers en de jury de artiesten nooit live aan het werk hadden gezien.

De zanger omschreef het proces als een nogal afstandelijke ervaring waarbij hij zelf als een gewone toeschouwer voor de televisie zat te wachten op het oordeel.

Ondanks deze kritiek zag Rapsat het festival als een unieke kans op internationale promotie, zeker omdat zijn eerdere albums ondanks goede recensies commercieel weinig succesvol waren.

Hij benaderde de wedstrijd dan ook met een zakelijke nuchterheid en hoopte vooral dat het een springplank zou zijn voor zijn verdere carrière.

Hij vergeleek zijn situatie met die van de Nederlandse inzending Sandra Reemer, die volgens hem direct na haar selectie volop de ruimte kreeg in diverse televisieprogramma’s en binnen een week een hit scoorde.

Volgens Rapsat moesten Belgische artiesten veel harder vechten voor een plek op het kleine scherm en ontbrak het in België vaak aan de nodige professionele omkadering en steun om internationaal echt door te kunnen breken.

Uiteindelijk behaalde Pierre Rapsat op het festival de achtste plaats op een totaal van 18 deelnemers.

In Wallonië bereikte het nummer de zevende plaats in de hitparade, terwijl hij in Vlaanderen met zijn nummer de zestiende plaats in de BRT Top 30 behaalde.

In Nederland bereikte de single de eenendertigste plaats in de Top 40.

De muzikale wortels van Rapsat lagen in Verviers, de stad waarheen hij met zijn familie verhuisde toen hij tien jaar oud was en waar hij de rest van zijn leven zou blijven wonen.

Na in verschillende bands gespeeld te hebben, startte hij in 1973 zijn solocarrière.

Enkele jaren na zijn Eurovisie-avontuur vertegenwoordigde hij België in 1979 opnieuw op een internationaal podium, ditmaal op het Intervisiesongfestival in Sopot, waar hij als tiende eindigde van dertien deelnemers.

In 1982 scoorde hij een radiohit met het nummer ‘Passagers de la nuit’.

Zijn grote artistieke triomf volgde in 2001 met het album Dazibao, dat zowel in België als Frankrijk zeer lovend werd onthaald.

Het bleek een van zijn laatste grote wapenfeiten, want in 2002 overleed hij op 53-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker.

Zijn impact op de Belgische cultuur bleef groot; in 2005 eindigde hij op de 51ste plaats in de Waalse verkiezing van De Grootste Belg.

De geslaagde aprilgrap van de Belgische groep The Bowling Balls.

Het Belgische pop- en rockarchief kent vele bijzondere verhalen, maar de ontstaansgeschiedenis van The Bowling Balls is zonder twijfel de meest opmerkelijke.

De groep werd namelijk opgericht om een stripfiguur tot leven te wekken.

Oorspronkelijk werden ze bedacht door Frédéric Jannin en Thierry Culliford, de zoon van Smurfen-bedenker Peyo, voor een grap in Le Trombone Illustré.

Dit was een rebelse bijlage bij het weekblad Robbedoes waarin de strip Germain et nous verscheen.

In die strip luisterden verveelde jongeren de hele dag naar platen van een fictief bandje genaamd The Bowling Balls.

De makers besloten dit grapje door te trekken naar de werkelijkheid.

De fictieve bandleden gaven plotseling echte interviews en er ontstond een plan om een flexidisc bij het tijdschrift te voegen.

De bezetting bestond uit Frédéric Jannin als Averell Ball op toetsen en Bert Bertrand als zanger Billy Ball. Bertrand was een bekende punkjournalist en de zoon van Yvan Delporte; volgens de legende was hij ook de man die de naam Plastic Bertrand bedacht.

Het kwartet werd gecompleteerd door Thierry Culliford als Elton Ball en Christian Lanckvrind als Fernand Ball.

Hoewel Robbedoes uiteindelijk geen budget had voor de release, zag platenlabel EMI wel brood in het project.

Op 1 april 1979 verscheen hun debuutsingle God Save the Night Fever.

Die datum was symbolisch, want de buitenwereld twijfelde voortdurend of de groep wel echt bestond. T

he Bowling Balls specialiseerden zich in nonsensicale teksten en humoristische playbackoptredens waarbij ze hun eigen amateurisme cultiveerden.

Jannin vatte die periode later treffend samen door te zeggen dat het een tijd was waarin iedereen maar wat deed, en aangezien zij ook maar iemand waren, deden zij dus ook maar wat. Toch lieten ze met nummers als ‘You Don’t Know’ en hun cover van ‘When You Walk in the Room’ een blijvende indruk achter.

Het einde van de band kwam even plotseling als het begin.

Kort na het verschijnen van hun enige album kondigde Bert Bertrand aan dat hij naar Bora-Bora zou vertrekken.

De overige leden dachten dat het een grap was, maar Bertrand vertrok daadwerkelijk en keerde nooit meer terug.

Hij maakte een einde aan zijn leven in New York, vlak nadat hij Lou Reed had geïnterviewd.

Van de overgebleven leden bleef Frédéric Jannin de bekendste als striptekenaar, radio- en televisiepersoonlijkheid en muzikant.

Zo scoorde hij in 1990 nog een grote hit met het project Zinno.

In de jaren negentig volgde een bescheiden revival van The Bowling Balls met een verzamel-cd en een documentaire op Canal+.

Critici stelden toen vast dat de muziek, ondanks de parodiërende insteek, technisch verrassend goed in elkaar stak.

De nummers bleken achteraf gezien prima stand te houden naast het werk van synthpopgrootheden als OMD of Erasure (Diverse bronnen, Dirk Houbrechts en Joepie, maart 1981)

45 jaar geleden, Yoko Ono, bedankt de wereld

Hoewel de brief op 11 januari 1981 in grote internationale kranten zoals de Sunday Times en de New York Times verscheen, duurde het in de pre-digitale periode vaak weken of zelfs maanden voordat dergelijke persoonlijke documenten volledig vertaald de Europese tijdschriften bereikten.

In die tijd waren muziekmagazines zoals Muziek Expres de belangrijkste bron voor fans in Vlaanderen en Nederland om diepgang te vinden bij het wereldnieuws.

De vertraging tot maart 1981 zorgde ervoor dat de boodschap van Yoko Ono hier pas echt landde op het moment dat de eerste schok van de aanslag in december langzaam plaatsmaakte voor een periode van verwerking en nagedachtenis.

In de brief bedankt Yoko Ono iedereen voor de brieven, telegrammen en gedachten die van overal ter wereld zijn gekomen.

Het was een grote troost, want zij en John geloofden in een vriendschap die verder gaat dan ras, kleur of geloof.

De berichten kwamen werkelijk overal vandaan, zelfs uit gevangenissen, en dat was hartverwarmend.

Ook bedankt ze voor de donaties aan de Spirit Foundation, waar inmiddels al 100.000 dollar was opgehaald.

Omdat zij en John de stichting altijd zelf beheerden en alle kosten uit eigen zak betaalden, beloofde ze dat al het geld rechtstreeks naar mensen zou gaan die het hard nodig hebben.

De stichting zou niet meewerken aan commerciële activiteiten of merchandising.

Yoko begrijpt de bezorgdheid over mensen die geld proberen te verdienen aan de naam van John, maar ze vraagt mensen om zich niet schuldig te voelen als ze op kleine schaal iets ondernemen ter nagedachtenis aan hem.

John had een groot gevoel voor humor en zou volgens haar zeggen: whatever gets you through your life.

Hij had liever dat mensen positief over hem dachten en iets goeds deden met dat geld voor hun kinderen of geliefden, dan dat ze zouden verdrinken in schuldgevoelens.

Wat overblijft, mocht gegeven worden aan wie het nodig heeft. Alleen van grote ondernemingen die hem wilden exploiteren, vroeg ze om contact met haar op te nemen.

Ze deelt in de brief haar boosheid over zijn dood en haar spijt dat ze hem niet kon beschermen.

De enige echte wraak die we volgens haar kunnen nemen, is de wereld veranderen in een plek van liefde en vertrouwen, precies zoals John dat voor ogen had.

We moeten laten zien dat we een wereld van vrede kunnen scheppen voor onze kinderen.

Ze schrijft dat geweld in het hart huist en niet in wapens, en dat we allemaal verantwoordelijk zijn voor de wereld die we toestaan.

Toen John viel, voelde het als een oorlog waarin de vijand onzichtbaar was. Yoko wilde daarna alles weten en zien, elke brief en elk bericht.

Ze zag ook de foto van zijn overlijden, waarop hij er vredig uitzag, maar ze vond de foto waarop hij een handtekening zette voor de man die hem later zou verraden veel moeilijker om te zien.

John had haast die middag en hoefde die handtekening niet te zetten, maar hij deed het toch.

Toen ze die foto later goed bekeek, zag ze hoe hij voorovergebogen stond te schrijven.

Het was een vreemde houding, en ze realiseerde zich dat hij op dat moment tekende bij de poort van de hemel.

John en Yoko voelden zich één geest in twee lichamen.

De laatste vijf jaar werkte zij beneden in het kantoor en hij boven in hun appartement.

Ze schrijft dat ze op dat moment nog steeds beneden was, terwijl hij in het hemelse boven verbleef.

Deze advertentie werd geplaatst in plaats van het geven van interviews of persoonlijke optredens, waar op dat moment veel vraag naar was.

Ze vroeg om tijd voor zichzelf en eindigde met de iconische woorden: Remember, there’s nothing you can do that can’t be done. Imagine. Love, Jan. 11, ’81 New York City (Muziek Expres maart 1981).

Deze week, vijftig jaar geleden, maakte de single All by Myself van Eric Carmen zijn debuut in de BRT Top 30.

Hoewel Carmen het nummer zelf schreef, baseerde hij de herkenbare melodie direct op het Adagio sostenuto uit het tweede pianoconcert van Sergej Rachmaninov.

De aanduiding Adagio sostenuto staat voor een zeer traag en gedragen tempo, wat de melancholische sfeer van het nummer verklaart.

De Russische componist schreef dit meesterwerk tussen 1900 en 1901, vlak nadat hij uit een diepe depressie was gekropen.

Die sombere periode was het gevolg van de vernietigende kritieken op zijn eerste symfonie, waardoor hij drie jaar lang geen noot meer op papier kreeg.

Hulp kwam er in de persoon van Nikolaj Dahl, een Moskouse neuroloog en psychiater die gespecialiseerd was in hypnotherapie.

Dahl was zelf een verdienstelijk amateurmusicus en speelde altviool, waardoor hij een sterke band met Rachmaninov kon opbouwen.

Van januari tot april 1900 behandelde hij de componist dagelijks.

Terwijl Rachmaninov in een halfslaap verkeerde, herhaalde Dahl voortdurend positieve suggesties als een drieluik: je zult je concert schrijven, je zult met groot gemak werken en het concert zal van uitmuntende kwaliteit zijn.

Deze aanpak bleek de sleutel tot zijn herstel, en uit dankbaarheid droeg de componist het volledige tweede pianoconcert officieel aan zijn arts op.

Toen Eric Carmen het nummer in 1975 uitbracht, verkeerde hij in de veronderstelling dat de muziek wereldwijd vrij van rechten was.

In de Verenigde Staten was dat destijds ook het geval, omdat de bescherming daar verliep na 75 jaar vanaf de publicatiedatum in 1901.

In Europa gold echter de regel dat auteursrechten tot zeventig jaar na het overlijden van de componist van kracht bleven.

Omdat Rachmaninov in 1943 was overleden, was zijn werk hier nog tot 2013 beschermd.

Na contact met de erfgenamen werd er een regeling getroffen waarbij Carmen twaalf procent van de royalty’s aan de familie afdroeg.

In de Vlaamse hitlijsten schopte de single het destijds tot een twaalfde positie, terwijl deze in de Nederlandse Top 40 een zevende plaats wist te veroveren.

Twintig jaar na de oorspronkelijke release bracht Céline Dion een succesvolle cover uit.

Tegen die tijd was de juridische situatie volledig opgehelderd, waardoor de verdeling van de royalty’s tussen Carmen en de erfgenamen van Rachmaninov automatisch werd toegepast op haar versie.

Haar uitvoering behaalde de veertiende plek in de Vlaamse Ultratop 50 en bleef in de Nederlandse Top 40 steken op nummer twintig.

Een opvallend detail is dat de muziek van Rachmaninov vaker de weg naar de popmuziek vond, aangezien ook Frank Sinatra in 1946 voor zijn hit Full Moon and Empty Arms uit hetzelfde pianoconcert putte.

Muziek Expres maart 1981 en 1986

Muziek Expres was tussen 1956 en 1989 een toonaangevend Nederlands muziektijdschrift dat de opkomende tienercultuur perfect aanvoelde.

Het blad was een creatie van uitgever en impresario Paul Acket, die niet alleen deze populaire gids voor de jeugd bedacht, maar ook wereldsterren zoals The Rolling Stones en Miles Davis naar Nederland haalde.

In de jaren zestig groeide het tijdschrift uit tot het belangrijkste medium voor jongeren, vol posters, hitlijsten en exclusieve reportages over internationale popidolen.

Het succes was zelfs zo groot dat er een Duitstalige editie op de markt kwam.

Gedurende de jaren breidde Acket zijn invloed uit door andere bladen zoals Tuney Tunes over te nemen, maar in 1974 besloot hij Muziek Expres en het tijdschrift Popfoto te verkopen aan het concern VNU.

Met de miljoenen die deze verkoop opleverde, financierde hij zijn grote droom: het North Sea Jazz Festival.

De eerste editie hiervan vond in 1976 plaats in Den Haag.

Hoewel Muziek Expres na de overname nog vijftien jaar bleef bestaan, liep de oplage langzaam terug tot het blad in 1989 definitief van de markt verdween.

Paul Acket overleed in 1992 op 69-jarige leeftijd in Den Haag.

Tot kort voor zijn dood bleef hij nauw betrokken bij het jazzfestival dat hij zelf had opgezet.

Met zijn overlijden kwam er een einde aan een tijdperk voor de Nederlandse muziekwereld, waarin hij als visionair een onuitwisbare stempel had gedrukt op de nationale pop- en jazzcultuur.

50 jaar geleden, zingende seksbom Elkie Brooks.

In maart 1976 werd zangeres Elkie Brooks omschreven als een zingende seksbom die met haar opvallende verschijning en strakke jeans menig jongerenhart sneller deed kloppen.

Voor de echte popkenner was zij destijds geen onbekende, omdat velen zich haar vurige stem bij de Britse groep Vinegar Joe nog wel konden herinneren.

In die periode maakte zij echter naam als de blanke furie van de rock met haar eerste solo-album Rich Man’s Woman uit 1975,

uitgebracht op A&M Records.

Hoewel dit album door critici werd geprezen, zorgde de hoesfoto van een naakte Brooks met een verensjaal destijds voor de nodige ophef.

Brooks gaf in die tijd aan dat zij het vleiend vond dat haar figuur in de smaak viel bij het publiek, maar ze benadrukte dat haar solocarrière op dat moment al haar aandacht opeiste.

Na het uit elkaar gaan van Vinegar Joe in 1974 had zij een lastige periode gekend waarin zij zelfs naar Amerika was getrokken in de hoop een filmster te worden.

Dat avontuur liep echter op niets uit bij gebrek aan de juiste contacten en rollen.

Uiteindelijk leefde zij weer op toen zij zich aansloot bij de popgroep Wet Willie voor een tournee.

Ze vertelde destijds dat het zwerversbestaan van een artiest, met elke dag een andere stad en een ander hotel, voor haar een levensnoodzaak was geworden.

In de jaren die volgden op deze periode in 1976 brak een uiterst succesvolle tijd aan met zestien albums in twintig jaar.

Dit begon met Two Days Away in 1977, geproduceerd door het beroemde duo Jerry Leiber en Mike Stoller.

Van dit album kwamen grote hits zoals Pearl’s a Singer en Sunshine After the Rain. Ook zong zij in 1977 een duet met Cat Stevens en scoorde zij later successen met nummers als Lilac Wine en Don’t Cry Out Loud.

In 1980 trad zij op tijdens het Knebworth Festival naast grote namen als The Beach Boys en Santana.

Haar grootste commerciële succes behaalde zij met het album Pearls uit 1981, dat 79 weken in de hitlijsten stond.

Andere bekende hits uit die jaren waren onder meer Fool If You Think It’s Over en No More the Fool, die begin 1987 de top vijf bereikten.

Terwijl zij in maart 1976 nog probeerde haar huwelijk met gitarist Peter Gage zo goed mogelijk te combineren met haar drukke bestaan, eindigde deze verbintenis later in de jaren zeventig.

Op 1 maart 1978 trouwde zij met haar geluidstechnicus Trevor Jordan, met wie zij twee zonen kreeg, Jermaine en Joseph.

Het gezin woonde jarenlang in een landhuis in North Devon, maar in 1998 kwam Brooks in zware financiële problemen, nadat bleek dat haar accountant haar belastingen niet had betaald.

Ze woonde tijdelijk in een stacaravan, maar wist uiteindelijk na vier jaar al haar schulden af te lossen door haar huis te verkopen.

Vanaf het jaar 2000 werd haar management en tournee-promotie overgenomen door haar zoon Jermaine en diens vrouw Joanna.

Deze week 50 jaar geleden, komt Gérard Lenorman met zijn single ‘Voici les clés’ binnen in de Brt Top 30.

Hoewel het nummer uitgroeide tot een Franse klassieker, is het oorspronkelijk een cover van Nel Cuore Nei Sensi van de Italiaanse formatie Albatros.

Het lied werd gecomponeerd door Toto Cutugno en Vito Pallavicini, waarna Pierre Delanoë tekende voor de Franse vertaling.

In de tekst bezingt Lenorman zijn zoon Mathieu, die in het lied Nicolas wordt genoemd, en reflecteert hij op een mogelijke scheiding van zijn vrouw Caroline.

Hij benadrukt dat zij altijd welkom blijft en overhandigt haar symbolisch de sleutels van haar geluk.

Hoewel het echtpaar op het moment van de opname nog gelukkig samen was, bleek het nummer een onbedoelde voorspelling van de toekomst; in 1989 ging het stel definitief uit elkaar.

De single werd een groot succes in de Lage Landen en bereikte zowel in de Vlaamse hitlijsten als in de Nederlandse Top 40 de tweede plaats.

Syreeta Wright, de ex van Stevie Wonder, hij wilde me alleen zien als huisvrouw.

Syreeta Wright werd geboren in 1946 in Pittsburgh en begon al op vierjarige leeftijd met zingen.

Haar jeugd werd getekend door het verlies van haar vader, Lordian Wright, die sneuvelde in de Koreaanse Oorlog.

Samen met haar zus Kim werd ze opgevoed door haar moeder Essie en haar grootmoeder.

Het gezin verhuisde regelmatig tussen Detroit en South Carolina, om zich uiteindelijk definitief in Detroit te vestigen toen Syreeta naar de middelbare school ging.

Hoewel ze droomde van een carrière in het ballet, zorgden financiële problemen ervoor dat ze haar focus verlegde naar de muziek.

Na bij verschillende zanggroepen te hebben gezongen, vond ze in 1965 een baan als receptioniste bij Motown. Binnen een jaar klom ze op tot secretaresse van Mickey Stevenson.

Mickey Stevenson was een cruciale figuur binnen Motown als de allereerste A&R-directeur van het label.

Hij was verantwoordelijk voor het vormen van de artistieke richting en stelde de beroemde studioband de Funk Brothers samen.

Stevenson schreef en produceerde talloze hits, waaronder Dancing in the Street, en hielp bij het opzetten van de carrières van grote namen als Marvin Gaye en Martha Reeves.

Voor Syreeta was het werken als zijn secretaresse, net zoals Martha Reeves dat voor haar had gedaan, een directe ingang in de creatieve kern van het bedrijf.

Haar zangtalent bleef niet onopgemerkt; Edward Holland van het beroemde schrijversteam Holland-Dozier-Holland hoorde haar zingen en zette haar in voor demo’s van nummers voor de Supremes.

In deze periode bij Motown in Detroit ontmoette ze Stevie Wonder. De twee vonden elkaar in een diepe artistieke harmonie en stapten op 14 september 1970 in het huwelijksbootje.

Syreeta bood hem niet alleen vocale steun, maar ook zakelijk en muzikaal advies, terwijl hij haar hielp haar talent aan de wereld te tonen.

Hoewel ze in 1972 na een huwelijk van achttien maanden als vrienden uit elkaar gingen, bleef hun professionele band ijzersterk.

Samen met Stevie Wonder schreef Syreeta mee aan grote successen zoals Signed, Sealed, Delivered (I’m Yours) en If You Really Love Me, beide grote hits voor Stevie zelf.

Ook It’s A Shame, een hit voor de Spinners, kwam van hun hand. Stevie produceerde haar eerste twee soloalbums en schreef mee aan nummers als Your Kiss Is Sweet, Spinnin’ And Spinnin’ en Harmour Love.

Ondanks deze successen kende hun huwelijk een moeizame dynamiek door de verwachting dat zij zich zou schikken in de rol van traditionele huisvrouw, wat botste met haar eigen ambities.

Midden jaren zeventig woonde ze korte tijd in Ethiopië, waar ze werkte als lerares in transcendente meditatie.

Syreeta trouwde in totaal drie keer en kreeg vier kinderen.

Na haar huwelijk met Stevie Wonder trouwde ze met bassist Curtis Robertson Jr., met wie ze twee kinderen kreeg: Jamal en Hodari.

Dit huwelijk eindigde in 1982 in een scheiding.

Haar muzikale carrière bleef echter bloeien, met als absoluut hoogtepunt het duet With You I’m Born Again met Billy Preston uit 1980, dat internationaal grote successen behaalde in de hitlijsten.

In totaal nam ze zes soloalbums op bij Motown en bracht ze duetalbums uit met Billy Preston en G.C. Cameron.

In 1983 verscheen haar laatste album, waarna ze de showbusiness verliet om zich volledig op haar gezin te richten in Los Angeles. Syreeta Wright overleed op 6 juni 2004 op 58-jarige leeftijd aan hartfalen, een gevolg van de behandelingen tegen borst- en botkanker.

Ray Charles bleek in maart 1961 elke cent van zijn honorarium waard te zijn.

De zanger had destijds met Georgia On My Mind een enorme hit te pakken, een nummer dat decennia eerder door Hoagy Carmichael was geschreven en al successen had gekend in de uitvoeringen van Louis Armstrong en Nat Gonella.

Hoewel veel Europese liefhebbers destijds nog niet de kans hadden gehad om hem live te zien, spraken Amerikaanse critici vol lof over zijn veelzijdige talenten.

De toen bekende jazzcriticus, Francis Newton vergeleek in het tijdschrift New Statesman het luisteren naar zijn platen met het kijken naar een tijger in een dierentuin; je zag de vorm, maar de ware kracht werd pas duidelijk tijdens een optreden.

Zijn concerten werden omschreven als bijna religieuze bijeenkomsten.

De sfeer raakte geladen met elektriciteit zodra hij achter zijn piano plaatsnam en zijn liedjes met een intense, bezielde stem de zaal in stuurde, terwijl het publiek ritmisch meewiegde.

Voor dergelijke optredens ontving hij destijds duizend dollar per voorstelling, een bedrag dat omgerekend naar de huidige waarde in 2026 neerkomt op ongeveer 11.000 dollar.

In 1961 was dit een uitzonderlijk hoog inkomen voor één avond, aangezien een gemiddeld gezin toen nog geen zesduizend dollar per jaar verdiende.

De single Georgia On My Mind was de voorbode van het album The Genius Hits The Road, waarvoor Sid Feller opnieuw als producer optrad.

Feller was een trompettist, orkestleider en arrangeur wiens dertigjarige samenwerking met Ray Charles weelderig gearrangeerde hits voortbracht zoals ‘I Can’t Stop Loving You’.

Als hoofdarrangeur voor Capitol Records en later ABC Records werkte Feller ook samen met grootheden als Peggy Lee, Mel Torme, Paul Anka, Steve Lawrence en Eydie Gormé

De arrangementen voor dit specifieke album werden echter verzorgd door Ralph Burns, een klassiek geschoolde musicus die aan het New England Conservatory of Music had gestudeerd.

Burns was bijna vijftien jaar lang een drijvende kracht achter het orkest van Woody Herman, de Amerikaanse jazzklarinettist en bigbandleider die zijn loopbaan al tijdens zijn middelbare schooltijd in Milwaukee was begonnen.

Na omzwervingen bij orkesten van onder meer Tom Gerun, Harry Sosnik en Isham Jones, richtte Herman in 1936 zijn eigen legendarische formatie op, waar hij tot het einde van zijn leven trouw aan bleef.

Ralph Burns zou later in zijn carrière, in 1972, een Academy Award winnen voor Cabaret en muziek arrangeren voor films als Lenny, New York, New York en All That Jazz.

Op het album The Genius Hits The Road reisden we door Amerika en kwamen we onder meer terecht in Alabamy Bound, Georgia On My Mind, Basin Street Blues, Mississippi Mud, Moonlight In Vermont, New York’s My Home, California, Here I Come, Moon over Miami, Deep In The Heart Of Texas, Carry Me Back To Old Virginny, Blue Hawaii en Chattanooga Choo-Choo.

Alleen in Virginny ontmoette hij op deze reis zijn Raelettes.

Deze groep, in 1958 voortgekomen uit The Cookies, bestond rond die tijd uit Gwen Berry, Margie Hendricks, Pat Lyles en Darlene McCrea.

Vooral de krachtige stem van Margie Hendricks gaf nummers als Hit the Road Jack hun onvergetelijke karakter.

Hoewel er binnen de muziekindustrie destijds veel werd gefluisterd over de persoonlijke verhoudingen tussen Charles en zijn zangeressen, was hun muzikale invloed onomstreden.

De Raelettes traden niet alleen op als ondersteuning; ze brachten later ook eigen werk en albums uit, zoals Yesterday… Today… Tomorrow uit 1972, en bleven in wisselende bezettingen tot aan zijn overlijden in 2004 met hem verbonden.

Ondanks dat het album uit 1961 een verzameling popnummers was, bewees Charles hiermee dat hij zelfs van eenvoudige liedjes zoals Deep In The Heart Of Texas iets muzikaals interessants kon maken.

Dit album is dan ook een aanrader voor mensen die graag luisteren naar bigbandmuziek en lichte jazz en is vandaag de dag nog steeds eenvoudig te beluisteren via diensten als Spotify en YouTube.

Serge Gainsbourg en de artistieke blik van zijn nieuwe muze Bambou.

In de beginjaren tachtig bevond de Franse cultfiguur Serge Gainsbourg zich in een nieuwe fase van zijn leven, zowel artistiek als persoonlijk.

Na de breuk met Jane Birkin vond hij een nieuwe muze en partner in Bambou, een jonge vrouw die een rustgevende maar ook fascinerende invloed op hem had.

Hun relatie werd gekenmerkt door een contrast tussen de publieke provocatie waar Gainsbourg om bekendstond en de intimiteit die zij deelden tijdens hun gezamenlijke reizen en werkprojecten.

Tijdens een verblijf in Gabon voor de opnames van de film Équateur kwam de dynamiek tussen het paar duidelijk naar voren.

Terwijl Gainsbourg zich concentreerde op zijn rol als regisseur, paste Bambou zich moeiteloos aan de lokale omgeving aan.

Haar verschijning en spontaniteit maakten indruk op de mensen om haar heen, waarbij ze zelfs traditionele vlechtjes in haar haar liet maken.

Voor Gainsbourg was zij niet alleen een partner, maar ook een dankbaar onderwerp voor zijn fotografie en filmkunst, waarbij hij haar schoonheid in diverse producties vastlegde.

Gainsbourg reflecteerde in deze periode ook op zijn eigen karakter, waarbij hij erkende dat er een zekere donkerte en onvoorspelbaarheid in hem school.

Hij zag zijn kunst, of het nu muziek, schilderkunst of film was, als een noodzakelijke uitlaatklep voor zijn innerlijke onrust.

Tegelijkertijd begon hij afstand te nemen van het hectische nachtleven van de Parijse clubs en gaf hij de voorkeur aan de ingetogen luxe van gerenommeerde hotelbars, waar hij in de namiddag kon genieten van een zorgvuldig bereide cocktail.

Zijn veelzijdigheid als kunstenaar bleef de kern van zijn bestaan.

Hij beschouwde zichzelf als een man die door vele disciplines was gevormd, van de piano en gitaar tot de architectuur en de literatuur.

Een bijzonder bezit dat hij koesterde en dat een centrale plek op zijn piano in Parijs innam, was een filmzoeker die hij jaren eerder van Brigitte Bardot had gekregen.

Dit optische instrument, waarmee een regisseur shots kan bepalen zonder de zware camera te verplaatsen, stond symbool voor zijn passie voor het visuele.

Het was een kostbaar kleinood dat zijn voortdurende drang om de wereld door een artistieke lens te bekijken bevestigde, een passie die hem tot aan het einde van zijn carrière zou blijven drijven.

In maart 1981 ontmoetten Mireille Mathieu en de Nederlandse band B.Z.N. elkaar persoonlijk.

De basis voor dit contact lag in het jaar 1980, toen de Franse zangeres besloot het nummer Pearlydumm van de Volendamse formatie op te nemen.

De Franse vertaling kreeg de titel Jusqu’à Pearlydam en verscheen dat jaar op haar album Un Peu… Beaucoup… Passionnément.

Naast deze Franse interpretatie bracht ze in 1980 via het label Ariola ook een Duitse versie van het lied uit in Duitsland.

Deze verschillende talen onderstreepten de brede Europese belangstelling voor het repertoire van de Nederlandse groep, die op dat moment al tot de absolute top in de Benelux behoorde.

De internationale aantrekkingskracht van hun muziek bleek ook uit het feit dat het originele Mon Amour zelfs in landen als Australië, Brazilië en Nieuw-Zeeland op single is uitgebracht.

De waardering voor dit specifieke werk bleef bovendien jarenlang bestaan, wat bleek toen Demis Roussos in 1995 een vertolking van Mon Amour opnam samen met Anny Schilder.

Tijdens de ontmoeting bij een televisieshow in het voorjaar van 1981 kregen de oorspronkelijke vertolkers en componisten uit Volendam de kans om de zangeres te spreken over deze diverse vroege uitvoeringen van hun hit.

Teach-In valt uiteen en Getty op de solotoer

In maart 1976 was de muziekwereld in rep en roer door het nieuws over Teach-In.

Hoewel de groep na hun overwinning op het Eurovisiesongfestival een glansrijke internationale carrière werd voorspeld, bleek de werkelijkheid weerbarstiger.

Men dacht dat hun hit Ding-a-dong de weg zou plaveien voor een succesverhaal vergelijkbaar met dat van ABBA, maar nog geen jaar later kondigde het management aan dat de formatie eind mei uit elkaar zou gaan.

Dit bericht kwam voor velen als een totale verrassing en sloeg in als een donderslag bij heldere hemel.

Zangeres Getty Kaspers legde destijds uit dat het onverwachte succes van het Songfestival de groep feitelijk de das omdeed.

Ze stonden nog maar aan het begin van hun loopbaan toen ze plotseling tot Europese sterren werden gebombardeerd.

De druk werd zo hoog en het tempo zo moordend dat de bandleden nauwelijks de tijd vonden om nieuwe singles op te nemen.

Getty gaf aan dat ze eigenlijk pas jaren later aan het festival hadden moeten meedoen, zodat ze de kans hadden gekregen om rustig als artiesten te groeien.

Naast de werkdruk speelden ook persoonlijke keuzes een rol in de breuk.

Bandlid Ad had in december al aangegeven dat hij de overstap naar de klassieke muziek wilde maken.

Hij was oorspronkelijk bij de groep gekomen om zijn studies te betalen, maar door het onverwachte succes belandde hij tegen wil en dank in de popwereld.

Bovendien ontstonden er steeds vaker muzikale meningsverschillen binnen de groep.

Hoewel er geen sprake was van ruzie, kwamen de leden na een openhartig gesprek tot de conclusie dat het beter was om als goede vrienden uit elkaar te gaan.

Het besluit viel Getty zwaar, vooral door de emotionele reacties van de fans die haar via de telefoon smeekten om door te gaan.

De bandleden besloten hun lopende contracten nog netjes af te werken, met het komende Eurovisiesongfestival als hun laatste gezamenlijke optreden op televisie.

Na die tijd koos iedereen zijn eigen pad: Getty bereidde een solocarrière voor onder de vleugels van haar vriend John Gaasbeek en Ad keerde terug naar de klassieke muziek.

De overige muzikanten besloten echter een nieuwe start te maken.

In 1976 ging de groep verder met een nieuwe bezetting, waarbij twee nieuwe zangeressen de gelederen kwamen versterken: Marianne Wolsink en Betty Vermeulen.

Daarmee sloeg Teach-In een nieuwe weg in, terwijl Getty haar geluk beproefde op de solotoer.

Nieuwe instrumentale cd van Steef Verwée en Eddy Aelbrecht brengt Griekse filosofie tot leven in de tuin van Epicurus.

Steef Verwée, geboren in 1951, groeide op in een familie waar het Oudenaards de voertaal was.

Zijn familiewortels in de regio gaan terug tot het midden van de zestiende eeuw, met een brief uit 1730 als oudste getuigenis.

Al op achttienjarige leeftijd schreef hij zijn eerste Oudenaardse liederen waarmee hij lokaal optrad.

Na zijn studies aan het Koninklijk Conservatorium in Gent, die hij in 1973 afrondde met specialisaties in gitaar, zang en musicologie, begon zijn carrière in de musical- en theaterwereld bij gezelschappen als NTG, Arca en Theater Poëzien.

Om zijn eigen creaties te perfectioneren, volgde hij aanvullende opleidingen in scriptschrijven en lichtontwerp in Londen, New York en Amsterdam.

Zijn succesvolle producties, waaronder Claus on the Rocks, leidden tot een periode als artistiek begeleider bij het KNTV. In die tijd richtte hij zijn eigen uitgeverij De Cirkel op, tegenwoordig bekend als Circle Productions Gent.

Na een periode bij Theater Arena startte hij Applied Promotions Intermed nv, een bedrijf dat cultuur promoot binnen de bedrijfswereld.

Ondertussen bleef hij onafgebroken eigen werk creëren, met als een van de hoogtepunten de première van The Erotic Opera in de Stadsschouwburg van Amsterdam in 1985.

Ook zijn vriendschap met Hugo Claus had een grote invloed op zijn creatieve ontwikkeling, wat onder meer leidde tot veertig liederen op poëzie van Claus.

In 1992 produceerde hij voor de Wereldtentoonstelling in Sevilla en de Olympische Spelen in Barcelona de cd Belgium, a Century of Music, een officieel geschenk van het Ministerie van Buitenlandse Handel.

Verwee werkte bovendien intensief samen met de BRT en de BRT Big Band en was als muziekdirecteur en lichtontwerper betrokken bij tal van grote operaproducties zoals Nabucco en La Traviata.

In 2012 werd hij voor de tentoonstelling Beatles, Bombardons en Buuneklakkers gevraagd om zijn Oudenaardse liedjes uit de jaren zestig opnieuw uit te voeren.

Dit trok de aandacht van het stadsbestuur en resulteerde in 2014 in de cd ‘Oudenaarde, een hymne’, een drieluik met twintig liederen. Tijdens de release in CC De Woeker werd hij benoemd tot Ambassadeur van het Oudenaards Dialect.

Dit alles resulteerde in 2022 in de cd en theatercreatie Oudenaarde een Idioticon, geïnspireerd op het Zuid-Oostvlaandersch Idioticon van Isidoor Teirlinck uit 1905.

Op deze uitgave brengt hij oude woorden en lokale geschiedenis tot leven, waarbij zijn goede vriend Marijn Devalck schitterde in de videoclip ‘Largootje voor mijn prinsesje’.

Om het erfgoed van de regio en het Pays des Collines levend te houden, bracht hij in mei 2024 samen met het stadsbestuur van Ronse de cd ‘Ronse in ’t Roonsies’ uit, die te koop is bij de plaatselijke Dienst Toerisme.

Op basis van deze cd creëerde Steef een audiovisueel Tour de Chant-programma dat onlangs zijn première kende in het CC De Ververij te Ronse.

Dit deed hij in samenwerking met Veronique De Tier, vooraanstaand dialectologe van de Universiteit Gent, met wie hij in totaal bijna honderd liederen schreef ter bevordering van de Vlaamse streektalen.

Recent bracht hij samen met pianist Eddy Aelbrecht een nieuwe cd uit met tweeëntwintig instrumentale composities voor klassieke gitaar en piano.

Eddy Aelbrecht genoot zijn opleiding aan het Koninklijk Conservatorium in Brussel, waar hij orgel, muziekgeschiedenis en harmonie studeerde.

Aan het conservatorium van Antwerpen voltooide hij zijn studies pedagogie en pianobegeleiding

Van 1985 tot 2024 was hij onafgebroken actief als fulltime begeleider en docent muziektheorie en harmonie aan Studio Herman Teirlinck en later aan het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen.

Hij was tevens een veelgevraagd pianist en docent aan de drama-afdeling van het conservatorium in Gent.

Naast zijn onderwijstaken begeleidde hij vrijwel alle bekende Belgische artiesten en vele internationale namen.

Als geliefd studiomuzikant en pianist was hij vier jaar lang verbonden aan het Casino van Knokke en trad hij wereldwijd op, van Europa tot in Dubai, Abu Dhabi en Pakistan.

Dit gezamenlijke album is geïnspireerd op de filosofie van oude Griekse denkers zoals Plato, Socrates en Epicurus.

De aanleiding hiervoor waren de colleges van de hedendaagse filosoof Johan Braeckman, die Verwée aanzetten om thema’s als ataraxia, deugd en kalmte muzikaal te vertalen.

Elk muziekstuk is opgebouwd vanuit een filosofisch citaat en gekoppeld aan een plant die mogelijk in de tuin van Epicurus groeide.

Het album is beschikbaar via streamingplatformen en als Digifile-cd in boekvorm.

Deze uitgave wordt in de BeNeLux en internationaal verdeeld bij alle boekhandels en muziekzaken, en is tevens bestelbaar via Bol.com, zijn site steefverwee.be of de FB-pagina Steef Verwée Epicurus’garden.

Steef trekt momenteel rond met deze muziek, waarbij hij tussen zijn gitaarcomposities door vertelt en citeert uit het werk van deze oud-Griekse filosofen.