Vandaag, vijf jaar geleden, komt de Franse zanger Alain Delorme te overlijden.

Delorme was jarenlang de frontman van de populaire Belgische formatie Crazy Horse.

Crazy Horse scoorde hits met nummers als “J’ai tant besoin de toi” (een nummer van Paul Severs), “Une fleur, rien qu’une rose”, “Un jour sans toi” en “L’amour la première fois”.

Hun grootste succes behaalden ze echter in 1973 met “Et surtout ne m’oublie pas”, waarvan alleen al in Frankrijk 550.000 exemplaren werden verkocht.

In 1975 besloot Alain Delorme uit de groep te stappen, wat meteen het einde van Crazy Horse betekende.

Met zijn eerste solosingle “Romantique avec toi” was het meteen raak; de single was goed voor een verkoop van 350.000 exemplaren.

Het nummer werd geschreven door Jean Géral en Elisabeth Vigna.

Vreemd genoeg was het in Vlaanderen geen hit en kwam de single niet verder dan de Tipparade.

Ook de opvolger, “Je Rêve Souvent D’une Femme”, was een groot succes in Frankrijk, evenals zijn derde single “Livre d’Amour” die het meer dan behoorlijk deed.

Later haalde hij nog de hitlijsten met singles als “On Danse En France” (1976) en “J’ai Un Petit Faible Pour Toi” (1977).

Alain Delorme overleed vijf jaar geleden, op 7 augustus 2020.

Deze week, precies 60 jaar geleden, maakte Dave Berry zijn entree in de Nederlandse Top 40 met ‘This Strange Effect’.

Deze wereldhit, een creatie van Ray Davies (The Kinks), groeide in 1965 al snel uit tot een nummer één-hit in zowel Nederland als Vlaanderen.

Ook de B-kant, ‘Now’ van de hand van Douglas Hodson, kreeg later een tweede leven toen Patricia Paay er in 1976 een succesvolle discoversie van uitbracht.

Het nummer groeide zowel in Nederland als in Vlaanderen uit tot een nummer één-hit en vestigde de naam van de zanger, die eigenlijk David Holgate Grundy heet, voorgoed in de Lage Landen.

Zijn grote Europese doorbraak was kort daarvoor al ingezet na een bekroond optreden op het songfestival van Knokke of beter gekend als de Knokke Cup.

In 1965 won trouwens Nederland de Knokke Cup, met het team bestaande uit Greetje Kauffeld, Liesbeth List, Connie van Bergen, Suzie en Jan Arntz.

Hoewel ‘This Strange Effect’ zijn lijflied blijft, was het niet zijn enige succes.

Eerder al had hij in het Verenigd Koninkrijk een hit met ‘The Crying Game’ en ook nummers als ‘Mama’, ‘I’m Gonna Take You There’ en ‘Can I Get It From You’ vonden hun weg naar de hitlijsten.

De populariteit van de voormalige elektrolasser was in die tijd zo gigantisch dat hij zich tijdens een tournee met een circus in Nederland in een leeuwenkooi moest verstoppen voor zijn uitzinnige fans.

Later in zijn carrière keerde Berry terug naar zijn muzikale roots, de rhythm-and-blues, wat resulteerde in het door critici geprezen album “Memphis… in the Meantime” uit 2003.

Dave Berry, geboren op 6 februari 1941 en dus 84 jaar oud en die inspiratie was voor latere bands als de Sex Pistols, is getrouwd met Marthy, afkomstig uit Amsterdam.

Zo blijft Dave Berry, de man met de mysterieuze podiumact, onlosmakelijk verbonden met Nederland en België.

Vandaag, 45 jaar geleden, op 19 april 1980, stond Blondie met het nummer “Call Me” bovenaan de Billboard-hitlijst.

Producer Giorgio Moroder schreef de muziek van “Call Me” en Debbie Harry de tekst.

Giorgio Moroder had oorspronkelijk zangeres Stevie Nicks van Fleetwood Mac in gedachten, maar toen zij het aanbod afsloeg, liet hij Debbie Harry het nummer zingen.

Overigens waren Debbie Harry en haar man, Chris Stein, fan van de muziek van Giorgio Moroder. Voor het nummer ‘Heart Of Glass’ lieten ze zich inspireren op zijn producties.

In de studio waren alleen Debbie en Chris aanwezig, omdat Giorgio Moroder zijn eigen muzikanten verkoos boven de andere leden van Blondie.

Zo horen we onder meer Harold Faltermeyer (keyboards) en Keith Forsey (drums).

Ook Chris Stein moest toegevingen doen en zijn gitaarspel werd bewerkt met processing.

“Call Me” werd ook gebruikt voor de film “American Gigolo” en is de bestverkochte single van Blondie in Amerika.

De single werd ook genomineerd voor een Grammy.

Deze week, 55 jaar geleden, komt de Nederlandse zanger Sjakie Schram met zijn nummer Zuster, Oh Zuster binnen in de Nederlandse Top 40.

Sjakie Schram wordt op 2 februari 1927 in Amsterdam geboren en is overleden op 20 mei 1989.

Deze volkszanger kreeg in 1966 grote bekendheid met het liedje Glaasje op laat je rijden (geschreven door Joost den Draayer).

Zijn optreden bij Willem Duys in februari bij Voor de vuist weg zorgt voor de grote doorbraak.

Sjakie probeert met zijn liedje de automobilist te waarschuwen voor de gevaren van het autorijden na een aantal alcholische drankjes.

Zijn liedje bereikte de tweede plaats in de Top 40 en is Sjakie zijn enige top 10 hit.

In de periode 1965-1970 kon hij zich nog wel meten met grote volkszangers als Johnny Hoes, Johnny Jordaan, Vader Abraham en Willy Alberti.

Bassie en Adriaan schrijven voor hem nog het nummer Ik heb niets gezien en Jack Jersey het nummer Zuster oh zuster.

Als in 1969 Ajax in Madrid haar eerste Europacup finale haalt, schrijft hij nummer Ajax, geef hem van katoen.

Enkele bekende nummers van Sjakie zijn: Tante Mien mag ik je poesje even zien; Oh Joke, kon jij maar koken; Ik zie, ik zie wat jij niet ziet; Allemaal op de bok enz

Het leven van Sheldon Allan Silverstein, de componist van het nummer The Ballad Of Lucy Jordan.

Sheldon Allan Silverstein, beter bekend als Shel Silverstein, werd geboren op 25 september 1930 in Chicago, Illinois.

Hij groeide op in de wijk Logan Square en ontwikkelde al op jonge leeftijd een passie voor tekenen en schrijven.

In tegenstelling tot wat veel mensen denken, was hij niet alleen de componist van het nummer “The Ballad of Lucy Jordan,” maar een buitengewoon veelzijdig artiest: dichter, songwriter, muzikant, componist, illustrator, scenarist en schrijver van kinderboeken.

Silverstein begon zijn carrière in de jaren 50 tijdens zijn militaire dienst in Japan en Korea.

Daar tekende hij cartoons voor het militaire dagblad Stars and Stripes. Deze periode legde de basis voor zijn latere succes als illustrator.

Na zijn diensttijd keerde Silverstein terug naar Chicago en begon hij te werken voor verschillende tijdschriften.

Zijn doorbraak kwam in 1956 toen Hugh Hefner, de oprichter van Playboy, hem inhuurde als vaste cartoonist.

Zijn cartoons, bekend om hun scherpe humor en unieke stijl, werden een vast onderdeel van het magazine en droegen bij aan zijn groeiende bekendheid.

Hij zou meer dan 25 jaar voor Playboy werken.

In de jaren zestig verbreedde Silverstein zijn artistieke horizon en begon hij met het schrijven van kinderboeken.

Deze boeken, zoals The Giving Tree (1964), Where the Sidewalk Ends (1974) en A Light in the Attic (1981), werden wereldberoemd.

The Giving Tree was aanvankelijk afgewezen door veel uitgevers die het te verdrietig vonden voor kinderen.

Het werd uiteindelijk een van de meest geliefde en besproken kinderboeken aller tijden.

Zijn verhalen, vaak vergezeld van zijn eigen kenmerkende illustraties, waren geliefd om hun fantasierijke verhalen, humor en diepere boodschappen.

Zijn boeken zijn vertaald in meer dan 47 talen en er zijn wereldwijd meer dan 20 miljoen exemplaren van verkocht.

Naast zijn werk als illustrator en kinderboekenschrijver was Silverstein een begenadigd songwriter.

In 1969 schreef hij het nummer “A Boy Named Sue” voor Johnny Cash dat een wereldwijde een hit werd.

Dit humoristische lied, verteld vanuit het perspectief van een man die door zijn vader met een meisjesnaam is opgezadeld, won een Grammy Award voor Best Country Song.

Silverstein schreef later inderdaad een vervolg hierop, “The Father of a Boy Named Sue,” vanuit het perspectief van de vader.

Hij schreef ook het nummer “25 Minutes to Go” voor Johnny Cash, dat gaat over een ter dood veroordeelde die aftelt tot zijn executie

Silverstein schreef liedjes voor vele andere artiesten, waaronder The Irish Rovers (“The Unicorn”), Brothers Four, en Loretta Lynn.

Zijn succesvolste samenwerking was echter met de band Dr. Hook & The Medicine Show (later ingekort tot Dr. Hook).

Silverstein schreef alle nummers voor hun debuutalbum, Dr. Hook (1971), en een groot deel van hun opvolgende albums.

De single “Sylvia’s Mother”, een tragikomisch verhaal over een man die probeert zijn ex-vriendin telefonisch te bereiken, werd een internationale hit en bereikte in 1972 de vijfde plaats in de Amerikaanse Billboard Hot 100.

Voor Dr. Hook schreef Silverstein ook “The Ballad of Lucy Jordan” in 1974.

Hoewel het nummer oorspronkelijk door Dr. Hook werd opgenomen, bereikte het pas echt wereldfaam toen Marianne Faithfull het in 1979 coverde voor haar album Broken English.

Haar indringende vertolking van het melancholische verhaal over een huisvrouw die haar dromen ziet vervagen, werd een klassieker.

Faithfull’s versie werd later ook gebruikt in de films Thelma & Louise en Montenegro.

Eerder werd het nummer ook al gecoverd door Johnny Darrell (1975) en Lee Hazlewood (1976).

Hij kreeg 2 Grammy Awards en was genomineerd voor een Oscar en een Golden Globe.

Shel Silverstein overleed onverwacht aan een hartaanval op 10 mei 1999 in Key West, Florida, op 68-jarige leeftijd.

Silverstein werd in 2002 postuum opgenomen in de Nashville Songwriters Hall of Fame.

Dan Hartman, van ruige rocker tot discokoning en zijn tragisch einde.

Dan Hartman, was niet alleen de schrijver, maar ook de producer van deze discohit die hij samen zong met de krachtige stem van Loleatta Holloway, een Amerikaanse zangeres die we kennen van onder meer de nummers “Love Sensation”, “Hit and Run”, “Love Sensation” en de prachtige ballade “Cry To Me” uit haar debuutalbum met dezelfde titel en dit jaar ook al 45 jaar geleden uitgebracht in 1975.

Weet je trouwens dat “Love Sensation” later gesampled werd voor het nummer “Ride on Time” van Black Box en “Good Vibrations” van Marky Mark and the Funky Bunch?

Om dan nog maar te zwijgen, over de cover van Relight My Fire door de jongens van Take That met zangeres Lulu, waardoor het nummer terug hoog scoorde in de hitparade.

Eind verleden jaar, oktober 2024 bracht Cascada (geboren als Natalie Horler, Bonn, 23 september 1981) haar cover uit van deze dance klassieker.

Het nummer leverde Hartman en Holloway in België een zevende plaats op in de BRT Top 30, en in Nederland zelfs een indrukwekkende derde plaats in de Top 40.

Maar voordat hij de discowereld veroverde, liet Hartman in 1976 al van zich horen met zijn debuutsingle “High Sign”, die een veel ruiger geluid had.

Misschien verrassend, maar Hartman speelde in die beginjaren zelfs basgitaar in de band van Johnny Winter en was later gitarist en zanger bij de Edgar Winter Group!

De wereld leerde Hartman pas echt goed kennen in de hoogtijdagen van de disco, met name door zijn hit “Instant Replay” uit 1978.

Dit nummer bereikte in verschillende landen de top van de hitlijsten en wordt nog steeds gezien als een absolute discoklassieker.

Wist je dat de baslijn van “Instant Replay” geïnspireerd was door “Philadelphia Freedom” van Elton John?

In 1984 was het weer raak met “I Can Dream About You”, een nummer dat niet alleen hoog in de hitlijsten belandde, maar ook te horen was in de actiefilm “Streets of Fire” uit datzelfde jaar.

Hij schreef “I Can Dream About You” oorspronkelijk voor Hall & Oates, maar besloot het uiteindelijk zelf op te nemen!

Een jaar later, had hij terug een hit met het nummer We Are The Young.

In 1986, had hij een bescheiden hit met het nummer Waiting To See You.

Zowel “We Are The Young” als “Waiting To See You” kon in Nederland reken op radio steun, want beide waren toen goed als de Alarmschijven van de week.

Maar ondanks die steun, bleef het succes dus beperkt.

Helaas kwam er in 1994 een einde aan het leven en de carrière van Dan Hartman. Hij overleed namelijk op slechts 43-jarige leeftijd in Westport, Connecticut aan de gevolgen van een hersentumor (Joepie 9 december 1979).

45 jaar geleden, lp bespreking Reproduction van The Human League.

De band, opgericht in 1977 in Sheffield, Engeland, ontleende zijn naam aan een sciencefiction-bordspel, StarForce: Alpha Centauri, waarin “The Human League” een van de politieke groeperingen was.

De oorspronkelijke line-up bestond uit Philip Oakey (zang, synthesizers), Martyn Ware (synthesizers), Ian Craig Marsh (synthesizers) en Adrian Wright (visuals, later synthesizers).

Reproduction, hun debuutalbum en uitgebracht in oktober 1979, wordt gekenmerkt door het prominente gebruik van synthesizers, drummachines en minimalistische arrangementen, een geluid dat destijds revolutionair was.

De muziek is donkerder en experimenteler dan het latere, meer pop-georiënteerde werk van de band, met duidelijk hoorbare invloeden van bands als Kraftwerk en de producties van Giorgio Moroder.

Hoewel het commercieel niet direct een groot succes was, kreeg het album lovende kritieken van de pers, maar niet van de Humo en wordt het dan ook beschouwd als een pionierswerk in de elektronische muziek.

In 1980, na interne conflicten over de muzikale richting, verlieten Ware en Marsh de band om Heaven 17 te vormen.

Oakey en Wright gingen verder dan The Human League en rekruteerden twee vrouwelijke achtergrondzangeressen, Susan Ann Sulley en Joanne Catherall, die ze ontdekten in een nachtclub in Sheffield.

Deze nieuwe line-up markeerde een verschuiving naar een meer pop-georiënteerd geluid en leidde tot het internationale succes van het album Dare (1981).

Deze week, 45 jaar geleden, komen de jongens van The Sugarhill Gang met hun nummer Rapper’s Delight binnen in de Brt Top 30.

In Vlaanderen behaalden The Sugarhill Gang de derde plaats, en in Nederland veroverden ze zelfs de felbegeerde nummer 1-positie in de Top 40.

De productie van deze single was in handen van Sylvia Robinson.

De invloed van Sylvia Robinson op de ontwikkeling van de hiphop kan moeilijk overschat worden.

Naast haar rol als producer van “Rapper’s Delight”, was ze als artiest bekend van hits als “Love Is Strange” (1957 en dat later een comeback maakte in de film Dirty Dancing) en “Pillow Talk” (1973).

Bovendien schreef ze mee aan “The Message” van Grandmaster Flash and the Furious Five.

Haar bijdragen leverden haar dan ook de eretitel “moeder van de hiphop” op.

Robinson overleed op 29 september 2011.

The Sugarhill Gang bestond uit de leden Guy “Master Gee” O’Brien, Michael “Wonder Mike” Wright, en Henry “Big Bank Hank” Jackson.

De leden van The Sugarhill Gang waren geen doorgewinterde rappers toen ze Rapper’s Delight opnamen.

Sylvia Robinson rekruteerde hen min of meer uit de buurt, Big Bank Hank was bijvoorbeeld de manager van een pizzazaak!

Voor “Rapper’s Delight” gebruikten ze de instrumentale basis van Chic’s “Good Times”.

Deze onvermelde sampling leidde tot een rechtszaak aangespannen door componisten Nile Rodgers en Bernard Edwards, resulterend in een schikking waarbij Rodgers en Edwards alsnog erkenning en royalty’s ontvingen.

Rapper’s Delight was niet alleen een commercieel succes, het wordt ook beschouwd als het nummer dat hiphop introduceerde bij een breed publiek.

Gisteren nog vandaag

Vandaag, 50 jaar geleden, bereikt Leo Sayer met zijn nummer Long Tall Glasses de tweede plaats in de Brt Top 30.

“Long Tall Glasses (I Can Dance)” bereikte nummer 4 in het VK Singles Chart en in Amerika was de single goed voor een negende plaats in de billboard top 100.

In Vlaanderen was de single dus goed voor een tweede plaats en in Nederland zelfs goed voor een eerste plaats.

Deze single is afkomstig van zijn tweede album “Just a Boy” verscheen in 1974 en het album bereikte de vierde plaats in het Britse Albums Chart.

Voor het album werkte hij samen met twee producers, namelijk:

De gekende ex-zanger Adam Faith, die begin jaren 70 een management voor artiesten was begonnen.

Sayer was toen een van zijn eerste klanten.

David Courtney, een songwriter, drummer en producer die met Faith samenwerkte.

Hij schreef ook mee aan de nummers op het album en dit samen met Sayer, die trouwens ook alle teksten schreef.

De arrangementen zijn geschreven door Del Newman.

Buiten het nummer Long Tall Glasses (I Can Dance), die als derde single uit kwam, verscheen er in Vlaanderen en Nederland nog twee andere singles uit het album, namelijk:

“One Man Band” en Bereikte toen nummer 6 in het VK Singles Chart.

In Vlaanderen Nederland bereikte het nummer niet de hitparade.

“Train” werd vreemd niet in het Verenigd Koninkrijk uitgebracht, maar wel dus in andere landen, waaronder Vlaanderen en Nederland.

Het nummer was in Vlaanderen goed voor een vijfentwintigste plaats en in Nederland deed het nummer beter en bereikte daar de vijftiende plaats.

Op dit album verscheen ook het door hem geschreven nummer Giving It All Away, die een groot succes was voor Roger Daltrey in 1973.

Voor het album werkte Sayer met de volgende muzikanten:

Gerry Conway: Drums

Alan Tarney: Basgitaar

Dave Courtney: Keyboards

Cliff White: Gitaar

De albumhoes van Just a Boy is ontworpen door Humphrey Butler-Bowdon, zijn oude leerkracht die hem les gaf aan op academie (Leo Sayer, eindelijk weer mezelf zijn uit de Joepie van 25 december 1974).

45 jaar geleden, Julio Iglesias met zijn nummer Où est passée ma bohème?

De single was goed voor een negentiende plaats in de Super Top 50.

De Spaanse versie deed het beter en bereikte bij ons in september 1979 de eerste plaats in de BRT Top 30.

Een muziekcarrière was eigenlijk ‘plan b’, of zelfs ‘plan c’ voor Julio.

Hij was eind jaren 60 namelijk de reservedoelman van Real Madrid, toen al een grootheid in het Europese voetbal.

Tevens was hij begonnen aan een rechtenstudie.

Een auto-ongeluk sloeg de voetbaldroom echter aan diggelen.

Hij raakte tijdelijk verlamd en was maandenlang aan het bed gekluisterd. Tijdens die periode leerde hij zichzelf gitaar spelen.

Na zijn rechtenstudie in Groot-Brittannië voltooid te hebben, deed Julio mee aan diverse liedjeswedstrijden.

Zo kwam hij in contact met producer Ramón Arcusa. Ze zouden blijven samenwerken tot ver in de 80s.

Het grote publiek leerde Julio kennen via het Eurovisiesongfestival in 1970 in Amsterdam.

Hij werd er met ‘Gwendolyne’ knap 4de. Het nummer werd echter geen hit. Pas met zijn ode aan Galicië breekt hij door in Vlaanderen en Nederland.

Julio zelf is Madrileen, maar zijn vader was afkomstig uit de streek.

Zijn vader werd overigens ooit ontvoerd door de Baskische afscheidingsbeweging ETA maar gezond en wel terug vrijgelaten.

Hierop besloot de familie Iglesias naar Miami te verhuizen.

Het wereldwijde succes kwam er pas na 1977 wanneer Julio een contract tekende met platengigant CBS. (Denis Michiels, Joepie 30 december 1979)

Ook al 40 jaar geleden, Nena met haar hit Irgendwie · Irgendwo · Irgendwann

Het nummer is geschreven door de bandleden Jörn-Uwe Fahrenkrog-Petersen en Carlo Karges.

Het nummer is een liefdeslied en gaat over het dromen van Nena en haar geliefde over een vrije wereld en over het bouwen van zandkastelen op de Potsdamer Platz tijdens de Koude Oorlog.

Waarschijnlijk toen nog te gevoelig voor de wereld, tenslotte was het toen nog vijf jaar wachten voor het openbreken van het ijzeren gordijn, want op de video is daar niets van te zien en zitten we meer in een soort verhaal van Indiana Jones.

In Duitsland bereikt de single de derde plaats. Bij ons vreemd genoeg minder succesvol want het nummer komt niet verder dan de negenentwintigste plaats in de Super Top 50.

In Nederland doet de single het beter en bereikt daar de dertiende plaats in de Top 40.

In 2003 neemt Nena samen met Kim Wilde een nieuwe Duits/Engelse versie op onder de titel Anytime Anyplace Anywhere.

Deze versie doet het wel goed en bereikt zelfs de tweede plaats in onze Hitparade. In Nederland doet de single het nog beter en bereikt daar zelfs de eerste plaats in de Top 40.

Queen en hun hit Crazy Little Thing Called Love.

Freddie schreef het nummer in 5 minuten tijd op zijn gitaar, “…en ik kan totaal geen gitaar spelen …” zei hij hier achteraf over.

Hij schreef het als ode aan Elvis Presley.

Queen groeit daarna uit tot de grootste band van de planeet.

Concertzalen worden te klein waarna de groep steevast grote stadions uitverkoopt. In februari 1981 speelt Queen voor meer dan 500.000 fans op concerten in Argentinië en Brazilië.

Op één concert dagen 300.000 toeschouwers op, destijds een absoluut record. De platenverkoop wordt wereldwijd geschat op 300 miljoen verkochte stuks.

Na het succes van ‘The Works’ in 1984 wil Freddie eigen nummers uitbrengen.

Er ontstaan spanningen in de groep vanwege zijn soloambities die ei zo na leiden tot de split.

Hij werkt mee aan de remake van de filmklassieker ‘Metropolis’, met een soundtrack van Giorgio Moroder.

In het voorjaar van 1985 verschijnt zijn solodebuut ‘Mr. Bad Guy’. Het wordt echter een flop. Queen ligt dan op apegapen maar hun legendarische passage op Live Aid (meermaals verkozen tot beste pop- en rockconcert in Groot-Brittannië) geeft de band echter nieuwe zuurstof.

Ze schrijven in 1986 de soundtrack voor de film ‘Highlander’ en brengen met ‘A Kind Of Magic’ opnieuw een hitalbum uit. In de zomer van dat jaar gaat de Magic-tour van start.

Het zou de laatste tournee met Freddie Mercury worden. In 1987 krijgt Freddie de diagnose van aids.

Datzelfde jaar scoort hij een solohit met de Platters-cover ‘The Great Pretender’ en neemt met operazangeres Montserrat Caballé het album ‘Barcelona’ uit.

Dat wordt in 1992, het jaar van de Olympische Spelen in Barcelona, een grote postume hit. Daarna trekt hij met Queen terug de studio in voor de opnames van ‘The Miracle’.

‘Innuendo’ is in 1991 het laatste album dat tijdens Freddie’s leven wordt uitgebracht. Hij is dan al fel verzwakt, dit blijkt later in de videoclip voor ‘These Are The Days Of Our Lives’.

Tot één dag voor zijn dood zou hij de ziekte verborgen houden voor de buitenwereld.

De begrafenisplechtigheid vindt 3 dagen later al plaats.

Hij wordt in intieme kring gecremeerd, waarna Mary Austin zijn urne op een geheime plaats begraven heeft.(Denis Michiels)

Vandaag mag de Amerikaanse zangeres en actrice Yvonne Elliman 73 kaarsjes uitblazen.

Elliman’s vader was van Ierse afkomst en was politieagent en speelde piano en had een brede muzieksmaak, van klassiek tot jazz en blues en haar moeder was van Japanse afkomst en speelde ukelele en piano, en zong in lokale groepen.

Ze groeide op in Hawaii en begon op jonge leeftijd met piano spelen en zong in het schoolkoor en speelde later ook in een band genaamd “We Folk” die lokale talentenjachten won.

Ze studeerde aan de President Theodore Roosevelt High School, waar ze afgestudeerde in 1969

Elliman studeerde drama aan de University of Hawaii, maar verliet de universiteit om haar muzikale carrière na te jagen.

In 1969 verhuisde Elliman naar Londen en begon op te treden in folkclubs, bars en clubs.

Werd daar ontdekt door Andrew Lloyd Webber en Tim Rice, die haar vroegen om de rol van Maria Magdalena te spelen in hun rockopera Jesus Christ Superstar.

De schrijvers, Andrew Lloyd Webber en Tim Rice, zijn gedwongen eerst een album met de muziek te maken, omdat anders niemand de musical op de planken wil brengen.

Dit naar aanleiding van een eerdere musical van het duo, Joseph & The Amazing Technicolour Dreamcoat die volkomen geflopt is.

De opnamen voor de soundtrack hebben eind 1970 in Londen plaats.

Buiten Yvonne Elliman als Maria, horen we ook Murray Head als Judas en Ian Gillan (zanger van Deep Purple) als Jezus.

Het is voor het eerst dat er rockmuziek gebruikt wordt voor een musical, en de inbreng van Ian Gillan zorgt ervoor dat het album ook onder de aandacht komt van de rockfans, die anders nooit een musical zouden kopen.

Yvonne Elliman speelde ook in de originele Broadwayproductie (1971) en in de filmversie (1973).

Haar vertolking van “I Don’t Know How to Love Him” werd een hit.

Werd genomineerd voor een Golden Globe Award voor Beste Actrice in een Musical/Komedie voor haar rol in Jesus Christ Superstar.

Dankzij dit succes tekende ze in 1972 platencontract bij Purple Records en bracht haar debuutalbum Yvonne Elliman uit.

Elliman was ook te horen als achtergrondzang op Clapton’s hit “I Shot the Sheriff” en ook op zijn albums 461 Ocean Boulevard en There’s One in Every Crowd en toerde met hem in de jaren 70.

In 1977 had ze een grote hit met het nummer “If I Can’t Have You”.

Het nummer was geschreven door de Bee Gees en bereikte de eerste plaats in de Amerikaanse hitlijsten en werd gebruikt in de film Saturday Night Fever.

Vreemd genoeg bij ons in Vlaanderen en Nederland deed het nummer minder, in Vlaanderen goed voor een vierentwintigste plaats en in Nederland zelfs maar de achtentwintigste plaats in de Top 40.

Ze heeft in een aantal films gespeeld, waaronder “Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band” (1978).

Nummers van haar om te koesteren en waar ze vooral in Amerika hoog scoorde in de hitparade zijn de nummers “Love Me” (1976 en ook geschreven door Barry Gibb) en “Hello Stranger” (1977, een duet met Stephen Bishop)

Ze zong ook titelsong van de gelijknamige film “Moment by Moment”(1978)

Kampte begin de jaren 80 met stemproblemen, wat een van de redenen was waarom ze zich terugtrok uit de muziekindustrie.

Was vanaf 1972 tot en met 1980 getrouwd met Bill Oakes, een manager bij RSO Records (het label dat Saturday Night Fever uitbracht en waar hij ook aan meewerkte als co-producer).

Ze kregen samen een dochter, Sage (geboren in 1982).

Na haar scheiding van Oakes trouwde ze met songwriter Wade Hyman.

Ze kregen samen een zoon, Ben (geboren in 1986). Ze scheidden later.

Ze trouwde later in 2016 met Allan Alexander.

Na jaren in Los Angeles te hebben gewoond, keerde Elliman met haar echtgenoot terug naar Hawaii.

35 jaar geleden, Koen Crucke met zijn kerstnummer Vrolijk Kerstfeest.

Het nummer is geschreven door Bart Peeters en Hugo Matthysen. Maar voor de melodie gaan ze terug naar een nummer van de Amerikaanse componist Scott Joplin.

Joplin werd geboren in Linden, Texas, als zoon van Jiles en Florence Joplin, voormalige slaven.

Hij leerde als kind piano spelen en toonde al vroeg muzikaal talent.

Hij kreeg muziekles van de Duitse immigrant Julius Weiss, die hem kennis liet maken met de Europese klassieke muziektraditie.

Joplin verliet zijn ouderlijk huis als tiener en reisde door het zuiden van de Verenigde Staten als rondreizend muzikant.

Hij vestigde zich uiteindelijk in Sedalia, Missouri, waar hij piano speelde in bordelen en clubs en zijn eerste ragtime-composities schreef.

Zijn doorbraak kwam in 1899 met de publicatie van “Maple Leaf Rag”, een van de populairste en invloedrijkste ragtime-nummers aller tijden.

Joplin componeerde talloze andere ragtime-nummers, waaronder “The Entertainer”, “Elite Syncopations” en “Solace”.

Hij schreef ook twee opera’s, “A Guest of Honor” en “Treemonisha”, en een ragtime-ballet.

Joplin streefde ernaar om ragtime te verheffen tot een serieuze kunstvorm en werd door zijn tijdgenoten beschouwd als een serieuze en respectabele componist.

Joplin was dan ook een van de eerste Afro-Amerikaanse componisten die brede erkenning kreeg in de Verenigde Staten.

Hij was een pionier in de uitgeverswereld en richtte zijn eigen uitgeverij op, “Scott Joplin Music Company”.

Hij was een voorvechter van de rechten van Afro-Amerikaanse muzikanten en componisten.

De muziek van Joplin beleefde in de jaren 70 een heropleving, mede dankzij de film “The Sting” (1973), die zijn muziek populair maakte bij een nieuw publiek.

Joplin overleed op 1 april 1917 in New York aan de gevolgen van syfilis.

Hij was 48 of 49 jaar oud.

In 1976 ontving Joplin postuum de Pulitzer Prize voor zijn bijdragen aan de Amerikaanse muziek. Deze onderscheiding was een erkenning van zijn belang en invloed op de ontwikkeling van de Amerikaanse muziek.