Nicole Josy zou vandaag 80 jaar geworden zijn: een terugblik op een rijkgevuld leven en een onvergetelijke carrière

Nicole Josy stond al in 1961, op amper vijftienjarige leeftijd, op de bühne.

Tijdens de jaren zestig bouwde ze een indrukwekkend soloparcours uit met maar liefst 23 singles: twaalf in het Frans, zeven in het Nederlands, drie in het Duits en zelfs eentje in het Italiaans.

Ze trok in die periode ook internationaal op tournee met ronkende namen als Adamo, Vince Taylor, Johnny Hallyday en Richard Anthony.

Een vroeg hoogtepunt volgde in 1968, toen ze samen met onder anderen Ann Christy de prestigieuze Europabeker voor Zangvoordracht in Knokke won.

In 1970 kruiste het toeval haar pad met dat van Hugo Sigal.

De BRT had Hugo gevraagd om in te vallen voor een zieke presentator van een liedjesshow, waarna hij Nicole tijdens de repetities ontmoette.

Volgens kenner André Vermeulen verliep het overigens net iets anders en was Hugo als figurant aanwezig in die show van Bob Benny.

Hoe het ook precies ging, de vonk sloeg onmiddellijk over. Hugo omschreef het later als een pure coup de foudre, en ook voor Nicole was er geen twijfel mogelijk: dit was de man van haar leven.

Op 1 december 1971 stapten ze in het huwelijksbootje, het begin van een onafscheidelijk verbond dat een leven lang zou duren.

Vlak voor hun huwelijk waagden Nicole en Hugo hun kans in ‘Canzonissima’, de Vlaamse preselectie voor het Eurovisiesongfestival.

Met het aanstekelijke ‘Goeiemorgen, morgen’ lieten ze kleppers als Ann Christy en Johnny White achter zich. Slechts een week voor het festival sloeg het noodlot echter toe: Nicole werd getroffen door geelzucht, waardoor het duo noodgedwongen verstek moest laten gaan.

Lily Castel en Jacques Raymond sprongen op het allerlaatste moment in om het lied alsnog naar het songfestivalpodium te brengen.

Twee jaar later, in 1973, volgde de ultieme herkansing.

Gehuld in hun iconische paarse kostuums en met een synchrone choreografie verdedigden Nicole en Hugo onze nationale driekleur met ‘Baby, Baby’.

De Europese jury’s waren minder overtuigd, waardoor ze op de zeventiende en laatste plaats strandden, maar een legendarisch tv-moment was geboren.

In de jaren daarna groeide het duo uit tot vaste gasten in talloze showprogramma’s op de BRT.

Vanaf 1983 veroverden ze bovendien de wereldzeeën als entertainers op luxe cruiseschepen.

In een terugblik vertelden ze later vol trots dat ze 25 jaar lang de wereld hadden gezien, praktisch alles hadden bezocht wat aan het water ligt, en in die periode een bijzonder mooi leven hadden geleid.

In 2005 werden ze tijdens ‘Congratulations’, de grootste Europese tv-show in Kopenhagen ter ere van 50 jaar Songfestival, binnengehaald als eregasten.

Na 32 jaar hesen ze zich voor de gelegenheid nog eens met veel flair in hun beroemde paarse outfits.

Drie jaar later kende hun muzikale carrière een schitterende heropleving toen ze de Eén-wedstrijd ‘Zo is er maar één’ wonnen met hun beklijvende versie van ‘Pastorale’, het meesterwerk van Ramses Shaffy en Liesbeth List.

Het leverde hen een nummer 1-hit op in de Vlaamse Top Tien, de felbegeerde Radio 2 Zomerhittrofee en een MIA in de categorie Populair.

In 2012 herhaalden ze dat succes met het door Bart Herman geschreven ‘Schietgebed’, dat opnieuw de hoogste positie in de Vlaamse Top 10 veroverde én bekroond werd als het beste Nederlandstalige lied tijdens Radio 2 Zomerhit.

Datzelfde jaar brachten ze hun toepasselijk getitelde afscheidsalbum ‘Bedankt Vlaanderen’ uit.

Eind 2016 zette het onafscheidelijke paar definitief een punt achter hun optredens.

De gezondheid van Nicole eiste haar tol: nadat ze al tweemaal kanker had overwonnen, raakte in datzelfde jaar bekend dat ze aan de ziekte van Alzheimer leed.

Op 4 november 2022 overleed Nicole Josy, waarmee een einde kwam aan een van de mooiste en meest hechte liefdesverhalen uit de Vlaamse showbizz.

Gisteren nog vandaag

Vandaag 80 jaar geleden: Mechelen bracht een groots eerbetoon aan Rik Wauters

Op 21 september 1946 bracht Mechelen samen met de Belgische overheid en vele kunstliefhebbers een groots eerbetoon aan Rik Wauters.

Aan de witte gevel in de voormalige Huidevettersstraat, waar hij tussen 1890 en 1900 had gewoond, werd toen een bronzen gedenkplaat onthuld en kreeg de straat officieel zijn naam.

Wauters werd in 1882 in Mechelen geboren en stierf in 1916 in Amsterdam na een zware strijd tegen kanker.

Dat de nationale overheid zich bij dit eerbetoon aansloot, voelde als een terechte erkenning voor een kunstenaar die al veel langer internationale waardering genoot.

Tegelijkertijd opende toenmalig minister van Openbaar Onderwijs Herman Vos in de Mechelse feestzaal een overzichtstentoonstelling van zijn werk.

Onder grote publieke belangstelling en in het bijzijn van zijn broer en zijn weduwe Nel, die stilhielden bij het portret dat Wauters van haar had gemaakt, werd de volle omvang van zijn talent zichtbaar.

De expositie toonde hem in al zijn facetten: van beeldhouwer, gevormd door de Mechelse houtsnijders- en meubelmakerstraditie, tot tekenaar, etser, aquarellist en schilder.

In een kort maar uitzonderlijk productief leven bouwde Wauters een indrukwekkend oeuvre op.

Zijn koortsachtige drang om te creëren leek bijna voort te komen uit het voorgevoel dat hem maar weinig tijd was gegund, een gevoel dat herinneringen opriep aan Vincent van Gogh.

Toch ademde zijn werk geen somberheid, maar juist een pure levensvreugde en een diepe fascinatie voor de werking van het licht.

Hoewel hij slechts vluchtig met het Franse impressionisme in aanraking was gekomen en zich nooit verloor in theoretische systemen, wist hij als geen ander het zonlicht en de heldere, pure kleuren te vangen.

Tussen zijn schilderijen stonden ook zijn bronzen beelden opgesteld, waaronder ‘Het Zotte Geweld’ en de buste van James Ensor, die glimlachend leek uit te kijken over de verzamelde meesterwerken.

Zijn vroege overlijden op vierendertigjarige leeftijd liet een wrange vraag achter over wat hij nog had kunnen maken als hij, de man met het oogverband van zijn laatste zelfportret, langer had geleefd.

Wat hij naliet was echter meer dan genoeg om zijn stempel definitief op de Belgische kunstgeschiedenis te drukken.

Minister Vos omschreef die Mechelse herdenkingsdag dan ook treffend als een historisch moment vol diepe en terechte eerbied.

Vandaag kijken we naar Rik Wauters als de absolute meester en het boegbeeld van het Brabants fauvisme, een schilder en beeldhouwer die een unieke plaats inneemt in onze moderne kunst.

Zijn sculptuur ‘Het Zotte Geweld’ geldt inmiddels als een iconisch meesterwerk dat symbool staat voor tomeloze energie, beweging en levenslust.

De innige band met zijn vrouw en muze Nel Duerinckx blijft hedendaagse toeschouwers diep ontroeren, doordat haar aanwezigheid in talloze intieme taferelen en portretten de menselijke warmte van zijn werk onderstreept.

Waar men hem vroeger vooral vergeleek met tijdgenoten, bewondert men hem nu om zijn geheel eigen, zuivere beheersing van licht en kleur.

Zijn doeken, die het alledaagse huiselijke geluk transformeren tot een feest van zonovergoten penseelstreken, hebben na al die jaren niets van hun frisheid verloren en behoren tot de meest gekoesterde topstukken van het Belgische erfgoed.

Het historische pand en de straat zelf getuigen nog altijd van die rijke geschiedenis.

De plek in de voormalige Huidevettersstraat heet vandaag de dag de Rik Woutersstraat, en het woon- en werkhuis van zijn familie bevindt zich op de huidige huisnummers eenenveertig en drieënveertig.

Aan de gevel hangt nog altijd de oorspronkelijke bronzen gedenkplaat uit 1946.

Hoewel de inscriptie door weersinvloeden in de loop der decennia sterk is afgesleten en nog nauwelijks te ontcijferen valt, herinnert ze er nog steeds aan dat de Mechelse schilder en beeldhouwer er zijn jonge jaren doorbracht.

Wie vandaag door de wijk wandelt, vindt vlakbij bovendien een groen rustpunt in de vorm van de Rik Wouterstuin, een sfeervol openbaar binnentuintje dat de herinnering aan Mechelens beroemde meester van het licht levend houdt.

Het tragische dubbelleven van Billy Preston: muzikaal genie in de schaduw van geheimhouding en verslaving

Achter het buitengewone muzikale talent van Billy Preston ging een complex en getroebleerd privéleven schuil.

Hoewel hij uitgroeide tot een van de meest gevraagde toetsenisten ter wereld en nauw samenwerkte met grootheden als The Beatles en The Rolling Stones, bleef een groot deel van zijn persoonlijke realiteit noodgedwongen verborgen voor het grote publiek.

Preston was homoseksueel, maar kon daar tijdens het overgrote deel van zijn leven niet open over zijn.

Binnen de muziekindustrie en zijn directe omgeving was zijn geaardheid overigens wel bekend. K

Keith Richards schreef later in zijn memoires over de moeilijke positie waarin Preston zich destijds bevond, in een tijdperk waarin openheid over homoseksualiteit nauwelijks getolereerd werd.

Ook Olivia Harrison, weduwe van George Harrison, herinnerde zich hoe Preston op tournee geregeld mannelijke gezellen meenam die hij discreet voorstelde als familieleden, terwijl de bandleden op de hoogte waren van de situatie.

Zijn diepgewortelde christelijke opvoeding binnen de baptistengemeente zorgde voor een zware innerlijke tweestrijd.

Preston worstelde decennialang met schuldgevoelens door de veroordeling van zijn geaardheid binnen de kerk.

Die psychische druk leidde uiteindelijk tot ernstige verslavingen aan alcohol en verdovende middelen, wat vanaf de vroege jaren negentig uitmondde in herhaalde aanvaringen met justitie.

Een dramatisch dieptepunt deed zich voor in september 1991, toen Preston in Los Angeles werd aangehouden na een incident in zijn woning met een zestienjarige jongen.

Volgens het politiedossier had hij de jongen meegenomen onder het voorwendsel van een klusje, waarna er sprake was van ongewenste intimiteiten en drugsgebruik.

Preston testte na zijn arrestatie positief op cocaïne.

In 1992 trof hij een gerechtelijke schikking waarbij hij geen verweer voerde, waarna hij een voorwaardelijke straf kreeg en zich verplicht liet opnemen in een ontwenningskliniek.

Hoewel de zaak veel ophef veroorzaakte, bleef het binnen zijn strafblad bij dit specifieke voorval.

Latere juridische moeilijkheden draaiden voornamelijk om aanhoudend drugsbezit en overtredingen van voorwaardelijke regelingen.

Intimi en biografen wezen er later op dat Prestons gedrag niet los kon worden gezien van zijn zware verslaving en een onverwerkt verleden; als wonderkind in het gospelcircuit was hij op jonge leeftijd zelf slachtoffer geworden van misbruik, een trauma dat hem zijn hele leven bleef achtervolgen.

Pas aan het einde van zijn leven vond hij enige vorm van bevrijding.

Tijdens sessies in een afkickkliniek sprak Preston voor het eerst openhartig over zijn geaardheid.

Daarbij deed hij ook opmerkelijke onthullingen over zijn verborgen liefdesleven: hij vertelde zijn begeleiders dat hij in de loop der jaren romances had gehad met zeven bekende zwarte zangers.

De strenge normen binnen de gospel- en soulwereld dwongen hen destijds allemaal om die relaties angstvallig geheim te houden.

De namen van de betrokkenen zijn door de therapeuten nooit openbaar gemaakt, maar de getuigenis illustreerde hoe intens het dubbelleven was waarin hij gevangen zat.

Niet veel later sloeg het noodlot fysiek toe.

Preston kampte al langer met zware gezondheidsproblemen door nierfalen, deels als gevolg van eerdere nierziekten en een mislukte niertransplantatie in 2002.

Na een ademstilstand raakte hij in november 2005 in een diepe coma waaruit hij niet meer zou ontwaken.

Billy Preston kwam twintig jaar geleden te overlijden op 6 juni 2006 op 59-jarige leeftijd.

Deze tragische spagaat tussen geloof, onverwerkte trauma’s, verslaving en een uitzonderlijke muzikale gave vormde later de rode draad in de documentaire That’s the Way God Planned It.

Billy Preston gearresteerd (Veronica, week 36 van 1991)

Gisteren nog vandaag

Van beatgroep tot Soundmixshow: het muzikale levensverhaal van Frank Ashton

Frank Ashton, die eigenlijk Frans Biezen heet, begon zijn muzikale loopbaan bij de Jumping Tigers voordat hij in 1965 landelijke bekendheid kreeg als medeoprichter van Les Cruches.

Deze formatie gold als de bekendste Tilburgse beatgroep en ontleende haar naam aan Kruikensijkers, de bekende bijnaam van de Tilburgers.

Biezen deelde het podium in die tijd met niet de minsten: ook Henny Vrienten (later Doe Maar), John van der Ven (de latere producer van onder meer André Hazes) en Jos van den Dries (VOF de Kunst) maakten deel uit van de band.

Les Cruches was regelmatig te zien en te horen op tv en radio.

In 1968 besloot hij de groep te verlaten en een heel andere muzikale koers te varen.

Zo sloot hij zich een tijdje aan bij de Rekels, de band die bekend werd door de samenwerking met Hanny (Hennie Doeland-Lonis).

In 1974 vormde hij het duo Frans & Monique, waarmee hij een grote hit scoorde met het nummer ‘Hé Monique’.

Na die periode kreeg Frank de nodige tegenslagen te verwerken.

Zo kreeg hij destijds toestemming om samen met producer Cees Vermeulen een klassieker op te nemen.

Hun oog viel op ‘You’ll Never Walk Alone’, maar de platenmaatschappij zag er geen brood in.

Slechts drie maanden later, in 1976, scoorde Lee Towers er een enorme hit mee.

Vanaf dat moment wist Frank dat hij muzikaal op de juiste weg zat, al duurde het daarna nog enkele jaren voordat hij met Cees Vermeulen aan zijn zijde opnieuw de studio in kon duiken.

Een nieuwe fase brak dan ook aan in 1981, toen hij onder de naam Frank Evans het podium betrad.

Hij bracht toen als eerste single ‘Forget Him’ uit.

Dat nummer was in 1963 geschreven door de Britse componist en producer Tony Hatch en was oorspronkelijk een hit voor Bobby Rydell.

Met zijn versie van deze oude hit van Bobby Rydell haalde hij in Vlaanderen met ‘Forget Him’ in juni 1981 de tiende plaats in de BRT Top 30.

Toch keek hij toen vol vertrouwen vooruit en voorspelde hij dat hij met zijn nieuwe single ‘Lonely Town’ helemaal naar de top zou gaan.

Het was een opvallend optimistische uitspraak van een man die de afgelopen jaren de nodige tegenslagen te verwerken had gekregen.

Doc Pomus (Jerome Solon Felder) en Mort Shuman schreven dit nummer ooit voor Elvis Presley. Elvis weigerde toen echter dit nummer op te nemen, waardoor Gene McDaniels het in 1963 als eerste opnam.

Dit legendarische schrijversduo tekende trouwens al eerder voor wereldhits van Elvis Presley, zoals ‘Surrender’, ‘Viva Las Vegas’ en ‘Kiss Me Quick’, en ook de klassieker ‘Save the Last Dance for Me’ voor The Drifters.

Hoewel het nummer geschreven was in 1963, leek het Frank in augustus 1981 op het lijf geschreven.

Hij had toen net een mislukt huwelijk achter de rug en woonde weer alleen. Frank legde uit dat de stad voor hem veranderd was, omdat hij overal geconfronteerd werd met mooie maar ook pijnlijke herinneringen, waar hij op sombere dagen liever met een boog omheen liep.

Toch accepteerde hij deze tegenslagen in de liefde als een onvermijdelijk onderdeel van zijn keuze voor een zangcarrière.

Veel tijd om bij de pakken neer te zitten had hij trouwens niet, want zijn agenda zat toen overvol.

Met de cover van Lonely Town behaalde hij op 15 augustus 1981 eveneens de tiende plaats in de BRT Top 30.

Hoewel deze twee singles in Vlaanderen succesvol waren, bereikten beide singles in zijn thuisland niet de hitparade.

In 1986 veranderde hij zijn artiestennaam opnieuw en deed hij als Frank Ashton mee aan de Soundmixshow.

Hij won deze talentenjacht met het nummer ‘Reno Town’ (Don’t go down to Reno), een cover van Tony Christie die werd geproduceerd door zijn vriend Jack de Nijs.

Opvallend genoeg had hij dit nummer een jaar eerder al op single uitgebracht onder zijn vorige schuilnaam Frank Evans.

De overwinning in de Soundmixshow zorgde voor zijn definitieve doorbraak.

Met de single ‘Remember The Good Times’ bereikte hij de eenentwintigste plaats in de Top 40, al kwam het nummer in Vlaanderen niet verder dan de tipparade.

Ook dit was een cover, gebaseerd op het Italiaanse nummer ‘Non voglio mica la luna’ uit 1986, dat werd geschreven door Zucchero, Luigi Albertelli en Enzo Malepasso en in Italië een hit werd voor zangeres Marina Fiordaliso.

De daaropvolgende single, getiteld ‘The Roses Ain’t Growing Anymore’ en geschreven door Hans Bouwens, bleef steken in de Tipparade.

Dit nummer werd geschreven door Hans Bouwens, de bekende voorman van de George Baker Selection.

Een nare val van een podium in 1997 leek een abrupt einde te maken aan zijn zangcarrière.

Na een jarenlange revalidatie maakte hij in 2004 echter een knappe comeback met het album Latin Lover.

Veertien jaar later, in 2019, liet hij opnieuw van zich horen door mee te doen aan het programma The Voice Senior, waar hij koos voor het team van coach Frans Bauer.

Hij wist toen uiteindelijk door te dringen tot de tweede ronde, maar de winst van dat seizoen ging naar de countryzanger Ruud Hermans.

De inmiddels 79-jarige zanger treedt tot op de dag van vandaag nog incidenteel op en is nog altijd te boeken.

Oldies-rage bezorgt Frank Evans tweede start

Gisteren nog vandaag

Michel Delpech en het succesverhaal achter zijn zomerhit ‘Pour Un Flirt’.

Michel Delpech werd op 26 januari 1946 geboren in Courbevoie, vlak bij Parijs.

Hij groeide op in een muzikaal gezin en liet zich al op jonge leeftijd inspireren door grote Franse meesters zoals Charles Aznavour en Gilbert Bécaud.

In de jaren zestig zette hij zijn eerste stappen in de muziekwereld en brak hij door met nummers zoals Chez Laurette.

Samen met componist Roland Vincent schreef hij in 1969 het door de hippiecultuur geïnspireerde ‘Wight Is Wight’.

Deze single werd een groot succes en behaalde een tweede plaats in Wallonië en een veertiende plaats in Vlaanderen.

De echte internationale doorbraak voor het duo Delpech en Roland Vincent kwam twee jaar later, in de lente van 1971.

Samen schreven ze het aanstekelijke nummer ‘Pour Un Flirt’.

Het liedje viel op door de speelse tekst over een onbezorgde romance, de vrolijke melodie en de warme, meeslepende stem van Delpech.

Het werd een gigantische zomerhit in 1971 die de eerste plaats bereikte in de BRT Top 30 in België en wekenlang de hitlijsten aanvoerde.

Ook in Nederland maakte de single indruk met een derde plaats in de Top 40.

Dankzij dit nummer groeide Michel Delpech uit tot een waar tieneridool.

In de jaren daarna bleef Delpech populair in de Franstalige wereld en schreef hij nog tal van andere pareltjes zoals ‘Les divorcés’, ‘Le Chasseur’, ‘Quand j’étais chanteur’, ‘Ce lundi-là’, ‘Loin d’ici’ en natuurlijk ook ‘La maison est en ruine’.

Hoewel hij later in zijn carrière te maken kreeg met persoonlijke tegenslagen en gezondheidsproblemen, bleef hij tot op latere leeftijd optreden en albums opnemen.

Michel Delpech overleed op 2 januari 2016 op negenenzestigjarige leeftijd, maar Pour Un Flirt geldt tot op de dag van vandaag als een tijdloze klassieker uit de Franse popmuziek.

Mireille Mathieu mag vandaag 80 kaarsjes uitblazen.

Het nummer ‘Together We’re Strong’ is een bijzonder duet tussen de Franse zangeres Mireille Mathieu en de Amerikaanse acteur Patrick Duffy.

Het nummer is van de hand van de bekende Duitse componist Ralph Siegel, die vanwege zijn indrukwekkende palmares van vierentwintig inzendingen ook wel Mister Eurovisie Songfestival wordt genoemd.

Hij wist het festival zelfs te winnen met het nummer ‘Ein bißchen Frieden’ van de zangeres Nicole.

De oorspronkelijke tekst werd geschreven door Bernd Meinunger, terwijl Richard Palmer-James, medeoprichter van de band Supertramp, verantwoordelijk was voor de Engelse versie.

De single ‘Together We’re Strong’ werd een groot succes in de Lage Landen; in de BRT Top 30 behaalde het nummer een mooie vierde plaats en in de Nederlandse Top 40 klom het duo zelfs op naar de tweede positie.

80 jaar geleden, reclame voor aanstekers van het merk Conti

De geschiedenis van het Belgische aanstekerbedrijf Conti (Conty)

Conti, beter bekend als Conty, was een Belgisch merk van kwaliteitsaanstekers dat vooral in de jaren 1930 tot 1950 populair was.

Het bedrijf, dat waarschijnlijk voluit Cie Continentale d’Appareils heet, produceerde stijlvolle benzine- en petroleumaanstekers met een vuursteenmechanisme.

De aanstekers vielen op door hun semi-automatische systemen: met één druk op een knop of hendel opende het deksel en draaide het vuursteenwiel, wat het gebruik erg gebruiksvriendelijk maakte.

Dit mechanisme werd rond 1945 gepatenteerd.

Conty richtte zich op rokers die een betrouwbare, compacte zakaansteker wilden.

Een mooi voorbeeld van hun marketing is deze reclame uit juli 1946, kort na de Tweede Wereldoorlog.

De Franse advertentie toont een kangoeroe met de slogan: “Dans la poche de tout fumeur: Un briquet” (In de zak van elke roker: een aansteker).

Het illustreert hoe het merk na de oorlog probeerde terug te komen op de markt met speelse, aantrekkelijke reclames.

Hoewel Conty geen wereldwijd gigamerk werd zoals Zippo of Ronson, stond het bekend om degelijk Belgisch vakmanschap.

De aanstekers worden tegenwoordig nog steeds gewaardeerd door verzamelaars vanwege hun mechanische innovatie en historische charme.

Na de jaren vijftig raakte het merk geleidelijk op de achtergrond door de opkomst van goedkopere massaproductie uit Japan en Amerika.

Gisteren nog vandaag

Een terugblik op de Canadese zanger Donny Gerrard en zijn titelloze debuutalbum van precies 50 jaar geleden.

Donny Gerrard, voluit Donald Bradford Gerrard, was een Canadese zanger die vooral bekend werd dankzij zijn indrukwekkende, soulvolle stem, waarmee hij zowel als frontman en als veelgevraagd achtergrondzanger een rijke carrière opbouwde.

Hij werd geboren op 19 maart 1946 in Vancouver en begon al als kind te zingen.

Zijn talent werd in 1961 opgemerkt tijdens een kerkelijk evenement, waarna hij als tiener zijn eerste groep oprichtte: Donny Gerrard and the Checkmates.

Na wat omzwervingen, waaronder een periode als bassist in de Night Train Revue en optredens in Las Vegas-lounges, zette hij zijn eerste grote stappen in de muziekwereld begin jaren zeventig als de leadzanger van de pop- en soulband Skylark.

Deze groep, waar ook de latere topproducer David Foster deel van uitmaakte, scoorde in 1973 een hit met het emotionele nummer Wildflower.

Het was vooral de loepzuivere en krachtige vocale prestatie van Gerrard die dit nummer tot een tijdloze klassieker maakte.

Na het uiteenvallen van Skylark halverwege de jaren zeventig, besloot hij zich te richten op een solocarrière.

In 1976 bracht hij op het platenlabel Greedy Records zijn titelloze debuutalbum Donny Gerrard uit.

De arrangementen voor deze plaat werden geschreven door Robert Louis Buchanan, die tevens de productie onder handen nam en dit samen met Henry Grumpo Marx.

Dit album is een prachtige weerspiegeling van zijn veelzijdigheid als zanger en mengt soepele soul, r&b en subtiele popinvloeden tot een elegant geheel.

Naast het grote succes van de single Words (Are Impossible) stonden er nog meer fantastische nummers op de tracklist die zijn bereik perfect benadrukten.

Luisteraars konden wegdromen bij sfeervolle nummers zoals ‘Peace For Us All’, ‘Stay Awhile With Me’, ‘Darlin’ en zijn cover ‘The Long And Winding Road’ van de Beatles, terwijl tracks als ‘Stand Up’ en ‘Greedy (For Your Love)’ juist zorgden voor een fijne, opzwepende energie.

Het geheel liet horen dat Gerrard moeiteloos kon schakelen tussen zwoele ballads en meer dynamische, soulvolle tracks.

De geschiedenis van het bekendste lied van dit album, Words (Are Impossible), begint in 1973 met de Italiaanse zanger Giampiero Anelli, beter bekend als Drupi, die het origineel uitbracht als Vado Via.

Dit werd een aanzienlijk succes in de Lage Landen: het bereikte in Vlaanderen de zeventiende plaats in de BRT Top 30 en werd in Nederland in september 1973 tot Alarmschijf verkozen, waarna het doorstootte naar de zevende plek in de Top 40.

Een jaar later, in 1974, bracht de Amerikaanse soulzangeres Margie Joseph de eerste Engelstalige versie uit, wat haar een hit opleverde in de Amerikaanse r&b-hitlijsten.

Twee jaar later, in 1976, was het de beurt aan Donny Gerrard om er zijn eigen, prachtige draai aan te geven.

Zijn uitvoering gaf zijn expressieve stembanden perfect de ruimte om te schitteren en leverde hem een bescheiden 87e plaats op in de Amerikaanse Billboard Hot 100.

Hoewel zijn debuutalbum destijds door critici en muziekkenners zeer werd geprezen omwille van de vlekkeloze productie van Buchanan en Gerrards warme stemgeluid, bleef een gigantisch commercieel succes helaas uit.

Tegenwoordig wordt het echter door liefhebbers van zeventigerjaren-soul beschouwd als een vergeten pareltje dat absoluut de moeite waard is om te beluisteren.

Voor zijn tweede album, dat de titel The Romantic kreeg, moesten de fans overigens erg veel geduld hebben; dit verscheen namelijk pas in 1999.

Na zijn avontuur als soloartiest bouwde Gerrard een buitengewoon succesvolle carrière op als sessie- en achtergrondzanger.

Zijn stem was in de decennia die volgden te horen op talloze albums en tijdens optredens van absolute grootheden uit de muziekindustrie, waaronder Elton John, Bruce Springsteen, Bob Seger, Cher en Bette Midler.

Daarnaast dook hij in de jaren tachtig nog op bij bijzondere projecten.

Zo nam hij in 1985 met Amy Holland een duet op voor de soundtrack van de bekende film St. Elmo’s Fire en werkte hij in datzelfde jaar met een hele reeks bekende artiesten mee aan ‘Tears Are Not Enough’, een Canadese benefietsingle om geld in te zamelen voor de hongersnood in Ethiopië.

Bij beide projecten werkte hij overigens weer even samen met zijn oude Skylark-bandgenoot David Foster.

In de latere jaren van zijn leven was hij een onmisbare en vaste kracht in de band van gospel- en soullegende Mavis Staples.

Hij toerde wereldwijd met haar en zijn warme bariton vormde een prachtige aanvulling op haar kenmerkende rauwe stem, wat ook goed te horen is op haar succesvolle albums uit die periode.

Hij was tot aan zijn dood getrouwd met zijn vrouw Myra, met wie hij een zoon, Cooper, had.

Uit een eerdere relatie had hij ook nog een ander kind, namelijk Traie Payne.

Donny Gerrard bleef optreden en zingen tot zijn gezondheid het niet meer toeliet.

Hij overleed op 3 februari 2022 op 75-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker, terwijl hij in een hospice verbleef in zijn woonplaats Santa Fe in de Amerikaanse staat New Mexico.

80 jaar geleden, reclame voor cognac van het merk Staub

Cognac Staub was een historisch drankenmerk dat zijn oorsprong vond in de negentiende eeuw, toen het werd opgericht door Auguste Staub.

Het huis vestigde zich in de beroemde Franse Charente-streek en groeide al snel uit tot een gerespecteerde naam binnen de wereld van de distillaten.

Wat dit merk destijds zo bijzonder maakte, was niet alleen de zorgvuldige rijping van de drank zelf, maar vooral de vooruitstrevende manier waarop de producent de cognac aan de man bracht.

In de late negentiende en vroege twintigste eeuw investeerde Auguste Staub namelijk stevig in opvallende en kleurrijke reclamecampagnes.

Deze artistieke posters en postkaarten bepaalden destijds het straatbeeld tijdens de Belle Époque en vormden later waardevol materiaal voor archivarissen en verzamelaars van historische documenten.

Ook na de woelige oorlogsjaren zette het drankenmerk zijn marketingtraditie voort, zoals bleek uit een specifieke reclameboodschap uit juni 1946.

Op deze publicatie prijkte een Brussels adres in de Van Lintstraat nummer negenendertig, gelegen in de gemeente Anderlecht.

Dit was toen de hoofdzetel van de exclusieve Belgische importeur.

Grote Franse drankhuizen werkten in die periode vrijwel altijd met nationale agenten die de verdeling voor het hele land op zich namen.

Vanuit dit centrale depot in de hoofdstad vertrokken de flessen en het bijbehorende promotiemateriaal naar lokale wijnhandelaren, slijterijen en horecazaken in heel België.

De advertentie bevatte tevens een hoopvolle Franse slagzin die verwees naar een dag die ooit zou komen.

In de vroege zomer van negentienzesenveertig, vlak na de Tweede Wereldoorlog, waren luxeproducten zoals Franse cognac immers nog uiterst schaars en streng gerantsoeneerd door hardnekkige logistieke problemen aan de grenzen.

Met deze melancholische woorden speelde de Brusselse distributeur slim in op het diepe verlangen naar betere tijden, waarin de consument weer vrijuit kon genieten van de vertrouwde luxe van voor de oorlog.

Het was een doordachte manier om de merknaam warm te houden in het bewustzijn van het publiek, terwijl men wachtte tot de bevoorrading vanuit de Charente weer op volle toeren draaide.

Hoewel het cognachuis de tand des tijds uiteindelijk niet op dezelfde schaal doorstond als de grootste giganten in de sector, bleef de rijke geschiedenis van Auguste Staub nog lang voortleven via de zeldzame flessen en antieke affiches die geliefde objecten werden op internationale veilingen.