Otis Redding: Van talentenjacht tot wereldster

Op 8 februari 1958 organiseert een lokaal radiostation in Macon, Georgia, een talentenjacht onder de naam Teenage Party.

De show is al snel zo populair dat het kleine Roxy Theatre te krap wordt en de productie verhuist naar het grotere Douglass Theatre.

Vanaf dat moment kunnen luisteraars elke zaterdagochtend via de radio meegenieten van de opnames.

Het is tijdens een van deze edities dat Otis Redding het podium betreedt als kandidaat.

Zijn optreden maakt indruk en hij raakt in contact met de bekende gitarist Johnny Jenkins, die hem aanbiedt om zijn vaste begeleider te worden.

Dit moment is de start van een glansrijke, maar tragisch korte carrière.

Slechts negen jaar later, op 10 december 1967, komt de zanger op 26-jarige leeftijd om het leven bij een vliegtuigongeluk.

Een van zijn nummers is’ I’ve got dreams to remember’, dat hij samen met zijn echtgenote Zelma Redding en Joe Rock schreef.

Redding scoorde er na zijn overlijden een postume hit mee in 1968, en herhaalde dat succes nogmaals in 1994.

Op de B-kant van deze single staat het nummer ‘Nobody’s fault but mine’.

De single deed het internationaal goed en bereikte de hitlijsten in zowel de Verenigde Staten als Nederland.

In Nederland was het nummer een groot succes; het stond maar liefst veertien weken in de Hitparade, met de achtste plaats als piek, en het eindigde op de achtste plaats in de Top 40.

In Vlaanderen bleef het succes iets bescheidener en strandde het nummer in de Tipparade.

Vandaag, 65 jaar geleden, heropening van de ‘den Ancien Belgiek’ in de veldstraat in Gent.

In de patriottische sfeer tussen de twee wereldoorlogen ontstond een nieuwe trend in de theaterwereld.

In plaats van chique Franse namen kregen etablissementen de naam ‘Oud België’ of ‘l’Ancienne Belgique’.

Nadat de Luikse broers Mathonnet al met succes zulke theaters hadden opgericht in Brussel en Antwerpen, vonden ze het een logische stap om ook in Gent een vestiging te openen.

In 1939 lanceerde Georges Mathonnet het theater in de Veldstraat.

De Gentenaars doopten de naam al snel om in hun eigen dialect tot ‘den Ancien Belgiek’, of kortweg ‘den Ancien’.

Het theater overleefde de Tweede Wereldoorlog en ontpopte zich tot een geliefde Gentse instelling.

Het was een typisch variététheater in de stijl van een café-theaters, waar een deel van het publiek aan tafeltjes zat en tijdens de voorstelling volop kon consumeren.

In de jaren vijftig kende het komische duo Leo Martin en François (Wiedemans) er een enorm succes met hun optredens in het Gents dialect.

Aan hun samenwerking kwam echter een abrupt einde door het overlijden van François.

Leo Martin, die ook speelde in de bigband van de Wetterse orkestleider Willy Rockin’, kreeg in 1958 een nieuwe kans.

Toen Rockin’ ermee stopte, nam Martin het orkest over en vormde het om tot het vaste huisorkest van ‘den Ancien’.

Eind lente 1960 sloot de zaak de deuren voor een grondige verbouwing.

Op vrijdag 30 september 1960 heropende het theater met een modernere zaal voor een alsmaar groeiend publiek.

Een krantenartikel uit die tijd, gebaseerd op een persconferentie van de sympathieke directeur Roger Piers, beloofde een “briljant winterseizoen”.

Dankzij dit artikel krijgen we een goed beeld van wat een avond in ‘den Ancien’ inhield. De term ‘variététheater’ dekte volledig de lading.

Het avondvullende programma bestond uit het orkest van Leo Martin en de toen beroemde Gentse zangeres Chris Sent, aangevuld met een indrukwekkende reeks internationale acts.

Zo stonden de Russische fakir Yogi Rayo, de Belgische Houdini Jo Carly, en ‘de sterkste man ter wereld’ Arthur Robin op het podium.

Dit werd verder aangevuld met de Amerikaanse illusionist Harris, de helderziende Jim Murray, en zelfs circusacts met wilde dieren, zoals vijf bruine beren, gedresseerde honden en een ‘geleerde geit’.

De clowns Pépé en Popo, de acrobaten van Aeropolis en de ballerina’s van Lily De Munter maakten het spektakel compleet.

Daarnaast waren er regelmatig gastoptredens van bekende namen uit die tijd, zoals Henk De Bruin, Bob Benny, Rina Pia en zelfs de Nederlandse zanger Johnny Jordaan.

De voorstellingen vonden meerdere keren per week plaats, met op zondag zelfs drie shows.

Tijdens de optredens kon het publiek smullen van de befaamde wafels van het huis, boerenvlaaien en ijs, of genieten van een aperitief, een pils of een warme drank.

Op maandag- en woensdagnamiddag zorgde Paul Rutger van de Belgische radio voor sfeervolle deuntjes op zijn Amerikaans orgel, en er werden zelfs modedéfilés georganiseerd.

Helaas kon dit succes niet blijven duren. De opkomst en groeiende populariteit van de televisie zorgden voor een daling in het aantal bezoekers.

In de krant Vooruit van 30 juli 1967 werd aangekondigd dat ‘Oud België’ na 26 jaar zijn deuren zou sluiten.

Op zondag 31 juli vonden de laatste twee voorstellingen plaats: ‘Het weeuwke van de Muide’ van Pol Speeckaert.

Vandaag de dag is er van de theaterglorie niets meer te zien.

In het gebouw dat een kwarteeuw lang een bruisend theater herbergde, is nu onder andere een winkel van Kruidvat gevestigd, helemaal passend in het commerciële decor van de huidige Veldstraat (Bronnen Persblog, Gendtsche Tydinghen, Luc Devriese en Sonja Gyselinck).

Eind 1967 bundelden drie grote textielbedrijven—Union Cotonnière, Louisiane-Texas (Loutex) en Etablissements Textiles Fernand Hanus—hun krachten tot één nieuwe textielgigant: UCO.

De leiding van de nieuwe groep was een complex web van de grote Gentse textielfamilies.

René Hanet werd voorzitter van het directiecomité, terwijl de Generale Maatschappij als tweede aandeelhouder de Raad van Bestuur voorzat.

De directie zelf was verdeeld over de families Hanet, Braun, Voortman en Hebbelynck, waarbij zonen en schoonzonen de belangrijkste commerciële en technische posten bezetten.

Op haar hoogtepunt was UCO een waar imperium. Het bedrijf beschikte over meer dan twintig fabrieken, waaronder spinnerijen, weverijen en chemische bedrijven die aan textielveredeling deden, zoals het verven, bleken en waterafstotend maken van textiel., en stelde bijna 7000 mensen te werk.

Met een kapitaal van meer dan 1,6 miljard Belgische frank en enorme reserves controleerde UCO na de fusie bijna de volledige Gentse katoenindustrie.

De kantoren waren gevestigd in een modern pand aan de snelweg, met op de bovenverdieping zelfs een appartement voor baron Braun om belangrijke gasten te ontvangen.

Wat het hoogtepunt leek, zou echter het begin van het einde blijken.

In 1989 werd UCO opgesplitst in divisies en werden de innovatieve afdelingen voor onderzoek en ontwikkeling gesloten.

Een fusie met het Indiase Raymond Ltd. in 2006 kon het tij niet keren: in 2008 sloot de denimfabricage in Gent, wat 393 banen kostte.

De genadeslag volgde in 2009 met de sluiting van de modernste fabriek, Cotonnière E.J. Braun. Zo verdween niet alleen UCO, maar met het bedrijf ook bijna de gehele katoenindustrie uit Gent.

Weer een oud nummer voor de Britse groep Guys n Dolls

Het nummer is geschreven door Roger Greenaway en Roger Cook, en in 1967 al opgenomen door Gene Pitney.

De single was toen goed voor een vijfde plaats in de Engelse Hitparade.

De cover van de Guys n Dolls was in Vlaanderen en Nederland geen hit.

Marc Almond en Gene Pitney deden het veel beter in 1989 en bereikten toen de eerste plaats in de Engelse Hitparade.

Bij ons in Vlaanderen, bereikte de single de tweede plaats in de BRT Top 30. In Nederland was de single goed voor een vijfde plaats in de Top 40.

Ondanks het grote succes in Europa, weigerde de platen firma om de single uit te brengen in Amerika. De rede daarvoor was dat men bang zou zijn, dat de mensen zouden denken in zijn thuisland dat Gene Pitney homo zou zijn.

De opname van de video gebeurde wel in Amerika, namelijk in Las Vegas.

65 jaar geleden, nieuwjaarskaart van een schilderij van kunstschilder Raphaël Pricert

Raphaël Pricert is een kunstschilder die in Oekraïne geboren is op 19 december 1905 in de familie van een rijke graanhandelaar uit De Krim.

Zijn vader stuurde Raphaël in 1918 naar Odessa, om tekenen en schilderen te studeren bij meester Ilya Bersetski.

In 1919 zocht de familie Pricert, verdreven door de Oktoberrevolutie, hun toevlucht in Roemenië.

Raphaël Pricert vervolgt zijn artistieke opleiding aan de School voor Schone Kunsten in Boekarest.

Daarna volgde hij een opleiding aan de Academie van Florence.

Hij verhuisde in 1930 permanent naar Parijs, waar hij zich onderdompelde in het artistieke leven van Montparnasse.

Op 29 juni 1935 trouwde hij met Lisa Samsovici, ook een Russische emigrant zoals hijzelf.

Het koppel woonde toen in het 14e arrondissement van Parijs.

Eén van de kamers van het appartement doet dienst als atelier en de opslagruimte voor zijn schilderijen.

Dankzij zijn vriendschap met de eigenaar Faivret van een groot reclamebureau aan de Quai d’Orsay, in Parijs. Kreeg hij opdrachten om reclameposters te ontwerpen en werden zijn schilderijen gebruikt voor postkaarten.

Maar ook bleef hij actief meewerken aan artistieke leven van Montparnasse.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog vluchtte hij weg uit Parijs en leefde hij en zijn gezin naar de streek van Auvergne.

In de maanden na de bevrijding exposeerde hij zijn schilderijen in Vixouze, Polminhac, Vic sur Cère en Aurillac.

Ondanks de grote armoede van de naoorlogse periode werden er veel werken van hem aangekocht.

Omdat er geen geld is, bieden sommigen hem in ruil daarvoor kaas en andere voedselproducten aan.

Bij zijn terugkeer naar Parijs in 1945 ontdekte hij dat zijn appartement bewoond werd door een oorlogsweduwe.

Al zijn middelgrote en grote schilderijen die hij tijdens de uittocht niet mee kon nemen, zijn verdwenen.

Gelukkig kreeg hij de kans om zijn nieuwe werken tentoon te stellen en met veel succes.

Hij besluit dan ook om zich volledig te wijden als schilder en stop dan ook met werken voor het reclamebureau van de heer Faivret.

Hij reist vaak naar verschillende landen, zoals Frankrijk, Italië, de VS, Zweden, Spanje, Engeland, Israël enz.

Raphaël heeft dan ook veel vrienden over de hele wereld, waaronder Abe Saperstein, de baas van de Harlem Globe Trotters, met wie hij een hechte band had tot aan zijn dood in 1966.

Raphaël is een polyglot die zes talen vloeiend spreekt: Russisch, Roemeens, Italiaans, Duits, Frans en Engels.

Hij raakte gefascineerd door Zweden en zijn cultuur toen hij daar in 1951 tentoonstellingen hield.

Hij leerde snel Zweeds en verraste zijn vrouw Lisa en dochter met zijn taalvaardigheid tijdens een reis door Frankrijk in datzelfde jaar.

Raphaël Pricert stierf op 2 februari 1967 na zijn lange en pijnlijke ziekte.

Kan een afbeelding zijn van tekst

50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny

Leopold (alias Pol) Scrayen werd geboren in Hechtel (Vlaams Limburg) op 7 december 1920.

Leopold Scrayen was als beeldende kunstenaar een selfmade man die in de wereld van de ‘grote kunst’ in eigen land niet altijd de waardering kreeg die hij verdiende.

Pas op latere leeftijd nam hij hamer en beitel ter hand om zijn eerste kunstcreaties vorm te gegeven.

Voordien was hij werkzaam als bovengrondse arbeider in een van de Limburgse koolmijnen.

Hij verdiende er als lasser de kost tot hij in 1959, op 39-jarige leeftijd, ziek werd.

Een ernstige hartkwaal die gepaard ging met verlammingsverschijnselen belette hem zijn beroep nog langer uit te oefenen.

Het duurde drie jaar vooraleer hij opnieuw te been was.

Op zoek naar geschikt werk, kwam hij eerder toevallig terecht bij een bedrijf in Bree waar grafzerken werden gemaakt.

Hij zag er een beeldhouwer aan de slag en zelfverzekerd beweerde Scrayen, die nooit eerder als beeldhouwer of als tekenaar enige opleiding had genoten: ‘dat kan ik ook’…

Het klonk zo overtuigend dat de grafsteenmaker Scrayen bij wijze van proef een Christuskop liet beitelen. Raar maar waar, het werkstuk voldeed aan alle vereisten van de kunst en Leopold werd in dienst genomen.

De eenvoudige arbeider had in zich het oertalent ontdekt.

Al vlug experimenteerde hij ook met het maken van portretten in zachtere materie.

Een vriend bezorgde hem de geschikte essen-, linden- en beukenhouten planken en Scrayen vond zijn ware roeping in het maken van houtsculpturen.

Na een paar jaar liet hij het steenhouwen voor wat het was om zich voltijds toe te leggen op het hakken van houten bas-reliëfs, hoofdzakelijk portretten.

Geregeld maakte hij ook wand- en sierpanelen voor het bouwbedrijf in opdracht van architecten.

De eigenzinnige ‘filosoof’ en would-be-kunstenaar die Scrayen in de ogen van zijn dorpsgenoten was, oogstte aanvankelijk enige spot, maar al vlug erkenden vriend en vijand de hoogstaande kwaliteit van zijn werk.

Het duurde geen tijd of de bestellingen liepen in die mate binnen dat Leopold zich voltijds aan zijn kunst kon wijden.

Leopold Scrayen slaagde erin om van zijn kunst te leven en zijn gezin te onderhouden.

Op geregelde tijdstippen wist hij zich in de belangstelling te plaatsen met het portretteren van nationale en internationale figuren zoals lukraak Jozef Muls, Stijn Streuvels, Beethoven, J.P. Belmondo, W. Churchill, H. Ford, C. De Gaulle, E. Hemingway, J.F. Kennedy, de pausen Paulus VI en Johannes Paulus II, J. Sibelius en vele andere.

Tussen de bedrijven door maakte Leopold ook af en toe kopergravures met Bijbelse taferelen als thema.

Dikwijls werkte hij in opdracht van officiële besturen of bedrijven maar ook en vooral creëerde hij de portretten omdat hij grote bewondering had voor de uitgebeelde personaliteiten.

De kunstwerken werden dan meestal via de betrokken ambassades of bij officiële ontvangsten aan de geportretteerde overhandigd.

Dit bracht de artiest Scrayen heel wat nationale en internationale bekendheid en erkenning.

Te bescheiden en te streekgebonden, ging Leopold zelden in op uitnodigingen – ook van vermaarde internationale galerijen, onder andere in Londen – voor deelname aan tentoonstellingen.

Hij had lak aan officieel gedoe: hij bleef afwezig.

Hij maakte een uitzondering voor het officiële Belgische paviljoen op de Wereldtentoonstelling van Montreal (1967) waar bas-reliëfs te zien waren met portretten van Salvador Dali, Martin Luther King en Orson Welles en ook een zelfportret.

Leopold Scrayen ontwikkelde een sterk persoonlijke stijl, ‘kubistisch’ zoals hijzelf de neo-art-decostijl definieerde waarin hij portretten uit het hout hakte.

Hij was getrouwd met Maria Vandebroek en had drie dochters.

De jongste dochter, Gabriëlle, was aanvankelijk operazangeres bij de Koninklijke Opera van Antwerpen.

Na een reeks gastoptredens in januari 1980 in de opera van Sidney kwam zij niet meer naar Vlaanderen terug en bleef zij in Australië wonen.

In Perth ging zij weer studeren en na haar studies kon.

Zij achtereenvolgens als lerares en chemica aan de slag in haar nieuwe thuisland.

In 1986 emigreerde ook Leopolds oudste dochter Jenny.

Zij had een echtscheiding achter de rug en vertrok met haar drie kinderen om in Australië, als kunstenares, een nieuwe toekomst op te bouwen.

In februari 1989 ging ook de derde dochter met haar man en twee kinderen zich in Australië vestigen.

Leopold en zijn echtgenote bleven als verweesd achter.

Al vlug konden zij het verlangen naar hun kinderen, klein- en achterkleinkinderen niet langer onderdrukken en uiteindelijk, op 16 februari 1990, waagde ook het ouderpaar de overtocht en werd de hele familie er weer herenigd.

Nadat Leopold in Hechtel had bewezen een begenadigde kunstenaar, een oertalent te zijn, viel de artistieke creativiteit van de ruim 70-jarige man, na de emigratie naar Australië wat stil, maar zijn al even getalenteerde dochter Jenny zette er de traditie verder. In haar jeugd uitsluitend opgeleid door haar vader, maakt zij zich nu nog verdienstelijk met, zoals gezegd, het geven van lessen ‘wood-carving’ aan diverse kunstacademies.

In Australië maakte zij onder meer ook naam door het maken van houtsculpturen voor replica’s van historische schepen naar middeleeuwse modellen.

Verteerd door heimwee naar zijn geboortedorp, overleed vader Scrayen er op 79-jarige leeftijd.

Hij overleed te Marangaroo (Perth, West-Australië) op 21 augustus 1999.(Diverse bronnen, Paul Thiers en De Post van 2 mei 1971)

50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny
50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny
50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny

Helmut Zacharias met het mooie nummer Paris by Night

Het nummer staat op de B-kant van de single This is my Song (1967)

Het nummer is geschreven door Noël Lambré en Jack Tubor en ik heb altijd een zwak gehad voor dit nummer.

Helmut Zacharias werd geboren in Berlijn als zoon van een zangeres en een violist-dirigent.

Vanaf zijn 2 ½ jaar kreeg hij vioollessen van zijn vader en vanaf zijn zesde speelde hij in de Faun club, een cabaret in Berlijn.

Twee jaar later volgde hij les in de Gustav Havermann’s masterclass van de Muziekacademie van Berlijn, als jongste (tot dan toe) student.

Nog eens drie jaar later (’31) was hij voor de eerste maal te beluisteren op de radio, waar hij Mozarts Vioolconcert nr 3 in G-Major uit 1775 speelde.

Op 14-jarige leeftijd (’34) begon hij te toeren.[3] Rond dezelfde periode werd hij sterk beïnvloed door de all-string jazzbands van Django Reinhardt en Stéphane Grappelli’s, wier platen beschikbaar werden in Duitsland.

In 1940 werd hij “ontdekt” door de Duitse EMI-afdeling Lindström-Electrola, een jaar later had hij een eerste hit met Schönes Wetter Heute.

In de jaren 50 werd hij beschouwd als één van de beste jazzviolisten van Europa en werd geroemd als The Magic Violinist en Germany’s Mr. Violin.

Zijn grootste succes boekte hij op 22 september 1956 toen zijn nummer When the White Lilacs Bloom Again de twaalfde plaats bereikte in de Billboard Hot 100.

Een ander hoogtepunt bereikte hij met het nummer Tokyo Melody, de officiële hymne van de Olympische Zomerspelen van 1964 te Tokyo. Het nummer bereikte op 21 nobember 1964 de negende plaats in de UK Singles Chart.

In de late jaren 50 migreerde hij naar Zwitserland en trad hij op met veel bekende artiesten zoals Yehudi Menuhin.

Tussen 1968 en ’73 had hij een eigen televisieshow en in 1985 ontving hij een medaille van de Orde van Verdienste van de Bondsrepubliek Duitsland.

In 1995 werd vastgesteld dat hij aan alzheimer leed en twee jaar later trok hij zich terug uit het publieke leven. Hij stierf in 2002 in Brissago te Zwitserland en is begraven op het Friedhof Ohlsdorf te Hamburg.

Hij was gehuwd met Hella van 1943 tot aan zijn dood en samen hadden ze drie kinderen. Zijn zoon Stephan schreef onder andere de soundtrack van de film Der Untergang (2004). (diverse bronnen en foto december 1959)

Helmut Zacharias