
Jimmy James

Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek



Gisteren nog vandaag
Cees Veerman zag op 6 oktober 1943 het levenslicht in het Noord-Hollandse Volendam, waar zowat iedereen hem kende onder zijn bijnaam Poes.
Zijn muzikale verhaal begon bij plaatselijke groepjes zoals The Skyriders, tot hij begin jaren zestig mee aan de wieg stond van The Blue Cats, de formatie die niet veel later simpelweg als The Cats muziekgeschiedenis zou schrijven.
Binnen de groep ontpopte Cees zich tot een bijzonder veelzijdige pionier als slaggitarist, zanger en componist.
In de beginjaren nam hij steevast de leadzang voor zijn rekening op vroege hits zoals ‘What a Crazy Life’ ‘en ‘Sure He’s a Cat’.
Zelfs toen arrangeur Wim Jongbloed voor de typische weelderige orkestratie zorgde en Piet Veerman uitgroeide tot het uithangbord van de grote, dramatische ballads, bleef Cees een onmisbaar tegengewicht vormen.
Met zijn wat heesere, ritmische stemgeluid gaf hij kleur aan het meer op beat en pop geënte werk.
Daarnaast kroop hij regelmatig in de pen om nummers voor The Cats te componeren.
Met zijn wat heesere, ritmische stemgeluid gaf hij kleur aan het meer op beat en pop geënte werk. Daarnaast kroop hij regelmatig in de pen om nummers voor The Cats te componeren.
In 1972 kreeg Cees af te rekenen met stemproblemen.
Nadat hij een maand noodgedwongen aan de kant had gestaan en de arts bevestigde dat zijn stembanden genezen waren, bleef hij toch met zware twijfels en gepieker worstelen.
Hij besloot dan ook dat jaar de groep te verlaten en werd tijdelijk vervangen door Piet Keizer.
Platenfirma EMI gaf hem vervolgens de kans om op eigen benen te staan, wat in 1976 leidde tot zijn enige soloalbum, Another Side Of Me.
De muziekpers merkte meteen op dat de plaat een heel andere, meer melancholische en breekbare kant van Cees liet horen dan de bekende palingsound van de band.
Die sfeer sloot dan ook perfect aan bij de gekozen titel.
Cees schreef acht van de nummers helemaal zelf en oogstte daarmee veel lof bij recensenten.
Zij prezen zijn fijne talent als singer-songwriter, dat binnen de groepsdynamiek weleens overschaduwd raakte door het hitgeweld rond boegbeeld Piet Veerman.
De singles die van de plaat werden geplukt, ‘Sailor, sail on (Dreamer, dream on)’ en ‘Another Side Of Me’, passeerden wel over de radio, maar wisten uiteindelijk niet door te stoten naar de Top 40.
De single Sailor, sail on schopte het wel tot een mooie tiende stek in de Tipparade.
Het album mag er hoe dan ook wezen en is vandaag een absolute aanrader om via Spotify te herontdekken.
Zeker wie met wat heimwee terug wil naar de warme, authentieke sound van de jaren zeventig, zal hier moeiteloos zijn gading in vinden.
Vanaf 2011 bouwde Cees een nieuw bestaan op in Indonesië.
In de nacht van 14 op 15 maart 2014 overleed hij er stilletjes in zijn slaap, waarmee een einde kwam aan het leven van een van de absolute grondleggers van de legendarische Volendamse popgeschiedenis.

Lp-bespreking Another Side of Me van Cees Veerman (Joepie 10 oktober 1976)









Hans Bouwens kwam ter wereld als enig kind van een Nederlandse moeder en een Italiaanse soldaat in het Duitse bezettingsleger.
Toen zijn vader tegen het einde van de oorlog sneuvelde, ontfermden zijn grootouders zich over hem in Wormerveer, in de Zaanstreek.
Hans moest al vroeg de handen uit de mouwen steken.
Nadat hij op zijn veertiende de schoolbanken vaarwel had gezegd, werkte hij onder meer als kaartjesknipper in de plaatselijke cinema van Krommenie, als leerling-lithograaf, dokwerker in de haven en arbeider in een limonadefabriek.
In 1967 waagde hij zijn kans als zanger bij de Zaanse groep Soul Invention.
De bezetting bestond destijds uit Hans Bouwens zelf op zang en gitaar, George Thé op gitaar, Jan Hop aan de drums, Jacques Greuter op orgel, Henk Kramer op saxofoon en Theo Vermast aan de bas.
Omdat een snelle doorbraak uitbleef, besloten ze amper een jaar later van koers te veranderen en gingen ze voortaan als de George Baker Selection door het leven.
Zowel in interviews als in zijn biografie hield Bouwens altijd vol dat de inspiratie kwam van een goedkope pulproman of stationspocket die hij eind jaren zestig had gelezen.
Het hoofdpersonage heette George Baker. Die naam klonk internationaal, zakelijk en krachtig, wat perfect paste bij de Engelstalige pop en soul die hij wilde maken.
Het bewuste boekje zelf behoorde vermoedelijk tot een van de duizenden anonieme kantoornovelles uit die tijd, waardoor de exacte titel met de noorderzon is verdwenen.
De bezetting van de groep bleef in de jaren daarna evolueren. Rond 1969 werd bassist Theo Vermast vervangen door Jan Visser.
In 1971 maakte Visser op zijn beurt plaats voor Cor Veerman, die in 1974 werd opgevolgd door Martin Schoen.
Datzelfde jaar kreeg de band versterking van zangeres Lida Bond, wiens plaats in 1982 werd ingenomen door de Vlaamse zangeres Nelleke Brzoskowski.
Het nummer Little Green Bag groeide uit tot een van de meest tijdloze en herkenbare klassiekers uit de Nederlandse popgeschiedenis.
Met zijn aanstekelijke baslijn en soulvolle ritme veroverde het nummer bij de release in 1969 meteen de hitlijsten, om decennia later dankzij Hollywood nog eens een iconische status te verwerven.
Hans Bouwens schreef het nummer samen met multi-instrumentalist Jan Visser.
Oorspronkelijk luidde de titel Little Greenback, een rechtstreekse knipoog naar het Amerikaanse dollarbiljet en de fascinatie voor geld.
Bij het drukken van de singlehoes liep het echter mis: de platenfirma noteerde de titel per abuis als Little Green Bag. Baker liet het er niet om liggen en paste de titel officieel aan.
Die administratieve flater gaf het nummer prompt een zweem van mysterie, want generaties luisteraars dachten jarenlang dat de tekst over een groen zakje marihuana ging.
Muzikaal drijft het nummer op een onweerstaanbare basriff van Jan Visser, die vanaf de allereerste tel de toon zet voor een energieke cocktail van rhythm-and-blues, soul en nederpop.
De doorleefde zang van Baker, aangevuld met opzwepende percussie en koperblazers, zorgde voor een internationale sound die ongezien fris klonk voor een debuutsingle uit de Zaanstreek.
Na de release in het najaar van 1969 schoot het nummer pijlsnel omhoog.
In Nederland belandde de single vlot in de top tien, en ook bij ons in Vlaanderen en de rest van Europa werd het een schot in de roos.
De echte verrassing volgde in 1970, toen het nummer zelfs doorbrak in de Verenigde Staten en naar de zestiende plaats klom in de vermaarde Billboard Hot 100, een huzarenstukje voor een debuterende Nederlandse formatie.
Dat succes leverde Bouwens en Visser in 1970 de prestigieuze Zilveren Harp van stichting Conamus op, en op 2 juli van datzelfde jaar mocht de voltallige groep een gouden plaat in ontvangst nemen.
Na de jaren zeventig leek het nummer stilaan een mooie herinnering te worden, tot cineast Quentin Tarantino het in 1992 van onder het stof haalde.
Hij koos Little Green Bag als openingstrack voor zijn regiedebuut Reservoir Dogs.
De openingsscène, waarin een stel gangsters met zwarte maatpakken en zonnebrillen in slow motion over straat kuiert op de tonen van die baslijn, groeide op slag uit tot een van de beroemdste filmscènes ooit.
De film bezorgde het nummer een tweede jeugd. Het werd opnieuw op single uitgebracht, bestormde opnieuw de Europese hitlijsten en werd ontdekt door een hele jonge garde muziekliefhebbers.
Sindsdien bleef het succes nazinderen, waardoor het nummer wereldwijd bleef opduiken in reclamespotjes, televisieseries en verzamelplaten.

In 1975 scoorde hij met Una Paloma Blanca een gigantische hit, waarvan er wereldwijd negen miljoen over de toonbank gingen.
Hoewel hij als een van de weinige Nederlandse artiesten wist door te breken in de Verenigde Staten, kreeg hij vanuit de pers bakken kritiek over zich heen.
Recensenten deden zijn muziek af als prullaria. Hij begreep hun mening wel, maar was vooral tevreden dat het grote publiek er gelukkig heel anders over dacht.
Als bezieler en boegbeeld van de groep die zijn naam droeg, hield hij de touwtjes dan ook strak in handen.
Hij hakte alle knopen door, schreef de nummers en produceerde alle albums.
Hij zwaaide de plak als een volleerde verlichte despoot.
Zolang het succes bleef duren, kraaide daar geen haan naar en legde de rest van de band zich neer bij zijn autoritaire aanpak.
Bovendien vormde hij samen met Jacques Greuter het enige overblijfsel van de oorspronkelijke bezetting.
Over succes en muziek had hij een heel eigen kijk. Hij zag zichzelf destijds allerminst als een virtuoos of muggenzifter, en net dat noemde hij zijn grootste troef.
Van spitstechnologie of notenleer had hij geen kaas gegeten.
Volgens hem was die overdaad aan kennis voor veel muzikanten net een valkuil: ze begonnen te ver te zoeken, maakten vooral muziek voor zichzelf en verloren zo de voeling met het brede publiek.
Wanneer hij de studio instapte, zat het nummer al van a tot z in zijn hoofd.
Er werd doorgewerkt tot het voor hem helemaal goed zat.
Van dat eindeloze gefriemel aan de knoppen moest hij niets weten, omdat een plaat daar maar artificieel van ging klinken.
Ook naar zijn groepsleden toe stelde hij geen onmogelijke eisen.
Het waren geen wonderkinderen of uitzonderlijke talenten, maar dat had hij net liever niet, want zulke genieën vond hij maar riskant binnen een groep.
Zijn muzikanten speelden puur op het gevoel en voelden de sfeer perfect aan.
Ook bij het schrijven van nieuwe muziek bleef hij trouw aan zijn beproefde recept.
Zoiets liet zich niet plannen; ideeën kwamen op de meest onverwachte ogenblikken dan ook naar boven.
Soms liep hij dagenlang rond met een melodie in zijn hoofd zonder ook maar één noot neer te pennen.
Pas als hij het nummer vanbuiten kende, trommelde hij de band op om de studio in te duiken.
Hij vond het achteraf gezien alleen jammer dat er destijds te weinig tijd overbleef om aan de teksten te schaven.
Hij had graag echte verhalen verteld over zijn eigen verleden: de armoede, de miserie en zijn jeugdjaren tussen de fabrieksarbeiders.
In de decennia die volgden, bleef zijn stempel op de muziekwereld bijzonder groot en volgde de erkenning voor zijn volledige oeuvre.
In 1985 stampte hij een nieuwe bezetting van de George Baker Selection uit de grond, die vier jaar later definitief stopte.
Zijn levenswerk werd in 2011 bekroond met de TrosKompas Oeuvre Award.
Alles samen bracht hij achtentwintig albums en negenenvijftig singles uit, behaalde hij vijftig gouden en platina platen, schreef hij zeshonderd nummers en gingen er zowat vijfentwintig miljoen exemplaren over de toonbank.
Zijn laatste album, Seventy, kwam uit in 2014.
Op privévlak stapte hij in 1986 in het huwelijksbootje met Blanche Remeeus.
Uit zijn twee huwelijken kwamen in totaal zeven kinderen voort, en hij zag ook zeven kleinkinderen opgroeien.
Met de jaren doken er wel fysieke kwaaltjes op.
Sinds een coronabesmetting in het voorjaar van 2022 sleepte hij de kwalijke gevolgen van het virus met zich mee.
Vooral zijn gehoor ging er flink op achteruit, wat het zuiver zingen bijzonder lastig maakte.
Door die gehoorproblemen moest hij eind 2023 noodgedwongen zijn theatertournee stopzetten, simpelweg omdat hij de juiste toon niet meer kon aanslaan.
Hij gaf destijds aan dat hij het hooguit een halfuurtje kon uitzingen.
Ondanks die mindere periodes bleef de intussen 81-jarige Baker niet bij de pakken neerzitten; hij bleef verknocht aan de muziekwereld en staat af en toe nog op de planken.
50 jaar geleden, reclame voor het album River Song van George Baker Selection (september – oktober 1976)


In de boot met George Baker (Joepie 19 september 1976)

George Baker, ik word kotsmisselijk van al die vedettenkapriolen (Joepie 26 september 19976)




In september 1976 kwam het succes precies op tijd voor Liverpool Express.
De voorafgaande maanden waren bijzonder moeizaam verlopen voor de band.
Eerst begaf hun bestelbus het, vervolgens liet de zanginstallatie het afweten en daarna ging een geleende auto stuk.
Tot overmaat van ramp sneuvelde er een set gloednieuwe luidsprekers van duizend pond per stuk, destijds omgerekend ruim 1670 euro, maar door de inflatie naar de maatstaven van vandaag vergelijkbaar met een slordige zevenduizend tot achtduizend euro. Uiteindelijk gaf ook de gitaar van een van de groepsleden de geest.
Het was uitsluitend te danken aan de steun van hun manager Hal Carter en de financiële rugdekking van de platenmaatschappij dat de formatie na die rampzalige periode overeind bleef.
De groep stond namelijk op het punt de handdoek in de ring te gooien, zeker nadat ook hun debuutsingle ‘Smile My Smiler’s Smile’ al was geflopt.
Voor bassist Billy Kinsley, een goedgehumeurde blonde muzikant, was het niet de eerste keer dat hij door zwaar weer ging.
Eerder maakte hij al naam met The Merseybeats en The Merseys. Als tiener bezocht Billy geregeld The Cavern Club om The Beatles te zien optreden, waardoor hij al snel door het rockvirus werd gegrepen.
In 1963 had hij naar eigen zeggen alles in huis om er vol voor te gaan: een zelfgebouwde basgitaar, een leren outfit, een flinke afkeer van Cliff Richard en een voorliefde voor nummers zoals ‘Red River Rock’.
Samen met Tony Crane, John Banks en Aaron Williams richtte hij The Merseybeats op, die eind 1963 debuteerden met ‘It’s Love That Really Counts’ van Burt Bacharach en Hal David.
Doordat managers en zaakwaarnemers hen financieel uitbuitten, bleven uiteindelijk enkel Kinsley en Crane over om als The Merseys verder te gaan, waarmee ze scoorden met ‘Sorrow’.
Later sloot Billy zich aan bij de band rond Jackie Lomax en verrichtte hij de nodige studiowerkzaamheden voor Apple Records, het platenlabel van The Beatles, totdat zakelijk leider Allen Klein daar flink bezuinigde en er voor Kinsley amper nog werk overbleef.
Ondertussen traden Tony Coates, Roger Craig en drummer Derek Cashin op onder de naam Paper Chase.
Dit trio ontmoette Billy Kinsley tijdens een wekelijkse vriendschappelijke voetbalwedstrijd waar lokale muzikanten samenkwamen.
Die partijtjes dienden niet alleen om fit te blijven, maar boden de beroepsmuzikanten ook de gelegenheid om nieuwtjes uit te wisselen over opgeheven groepen, lopende projecten en verse platencontracten. Zodra de vier heren hun eerdere verplichtingen hadden afgerond, besloten ze een nieuwe band te vormen.
Hun manager bedacht, bij gebrek aan een beter alternatief, de groepsnaam Liverpool Express.
In de zomer van 1975 volgde hun eerste tournee en verscheen hun debuutsingle, die commercieel gezien weinig deed.
Ondanks die tegenvaller dook het viertal opnieuw de studio in om aan te tonen hoe veelzijdig ze waren als songwriters.
‘You Are My Love’ werd geschreven door Billy Kinsley en Roger Craig, die beiden lid waren van de groep.
Kinsley schreef de basis van het nummer thuis toen hij enkele dagen alleen zat en zich somber voelde.
Tijdens een volgende repetitie werkte Roger Craig het nummer samen met hem uit.
Aanvankelijk dachten ze dat het het slotakkoord van de groep zou zijn en schonken ze er verder weinig aandacht aan.
Billy overwoog dan ook geenszins om het als single uit te brengen.
De uiteindelijke release verliep echter via een bijzondere omweg.
Derek Taylor, topman bij platenmaatschappij Warner Bros., nam een bandje met opnames mee naar huis en liet het aan zijn zes kinderen horen. Twee van hen wezen ‘You Are My Love’ aan als de ideale single.
Van enige vergelijking met The Beatles of Badfinger kon bij die jonge kinderen uiteraard geen sprake zijn, aangezien ze nauwelijks hun eigen naam konden schrijven.
De keuze van de kinderen bleek een schot in de roos, want de ballade groeide in Groot-Brittannië uit tot een volwaardige hit, terwijl ook de rest van Europa in september 1976 klaargestoomd werd voor de doorbraak van de band en er ondertussen volop werd gewerkt aan een debuutalbum.
In Nederland bereikte het nummer uiteindelijk de twaalfde plaats in de Nederlandse Top 40, al bleef een notering in Vlaanderen vreemd genoeg uit, waar het nummer de BRT Top 30 niet eens wist te bereiken.
Overigens kreeg de compositie later nog een bijzonder groot compliment uit wel heel deskundige hoek: niemand minder dan Paul McCartney riep ‘You Are My Love’ ooit uit tot een van de beste songs die ooit zijn geschreven.

In hun thuisland scoorde de formatie daarna nog bescheiden hits met nummers als ‘Every Man Must Have a Dream’ en ‘Hold Tight’.
In 1977 volgde hun laatste officiële Britse hitsingle met het nummer ‘Dreamin”, dat destijds piekte op de veertigste plaats in de Britse hitlijsten.
Opvallend is dat de groep in Zuid-Amerika, en met name in Brazilië, een gigantisch veel grotere hitstatus genoot dan in Europa.
De drie singles ‘You Are My Love’, ‘Every Man Must Have a Dream’ en ‘Dreamin” stormden daar allemaal door naar de absolute nummer één-positie.
Ze waren destijds zelfs de allereerste band die daar een grootschalige stadiontournee deed voor honderdduizenden uitzinnige fans.
Dat de band destijds kon rekenen op Hal Carter, was een geluk bij een ongeluk.
De Hal Carter Organisation was een Brits bureau voor artiesten- en muziekmanagement, opgericht in 1968 door Hal Carter, een Britse producer, manager en songwriter.
Zijn loopbaan begon op een bijzondere plek: in de piste van het Bertram Mills Circus.
Dit was een van de beroemdste en meest prestigieuze Britse circussen van de twintigste eeuw. Het circus bestond van 1920 tot 1967 en stond bekend als The Quality Show vanwege de ongekend hoge kwaliteit van de acts.
Niet veel later maakte hij de overstap naar de muziekwereld toen impresario Larry Parnes hem vroeg als roadmanager voor Marty Wilde.
In de jaren die volgden leerde Carter de fijne kneepjes van het vak door op pad te gaan met rockiconen als Eddie Cochran, Johnny Burnette, Brenda Lee, Gene Vincent en Billy Fury.
Begin jaren zestig verzorgde hij de podiumshows en tournees voor topbands als The Kinks, The Troggs en The Who, waarna hij de sprong waagde en zijn eigen bureau startte.
Toen hij zich ook op het produceren van platen richtte, volgde het succes al snel.
Na een reeks sterke producties voor Billy Fury scoorde hij met Liverpool Express, een handvol tijdloze hits in het Verenigd Koninkrijk, Europa en Zuid-Amerika.
Ook met de formatie Coast to Coast wist hij vervolgens twee keer de Britse hitlijsten te bestormen.
In 1994 stond Carter aan de wieg van de eerste Solid Gold Rock’n’Roll Show.
De concertreeks werd een enorm succes voor uitverkochte zalen en keerde in de jaren erna nog diverse keren terug op de planken. Tegen het einde van de jaren negentig drukte hij zijn stempel op grote Britse tournees zoals de Solid Silver Sixties en The Illegal Eagles.
Bovendien bracht hij in 2000 de immens populaire eerbetoonband Rumours of Fleetwood Mac op gang voor hun concerten in het Verenigd Koninkrijk.
Zijn agentschap bouwde een indrukwekkend artiestenbestand op, met namen als Slade, The New Seekers, John Leyton, Eden Kane en White Plains met zanger Tony Burrows, naast succesvolle producties zoals The Carpenters Story en Blondie Goes to Hollywood.
Carter stond bekend om zijn grote toewijding aan zijn artiesten en het publiek.
Naast zijn commerciële werk zette hij zich regelmatig in voor grootschalige liefdadigheidsevenementen, waaronder een benefietshow in Londen voor Marie Curie-verpleegkundigen en optredens voor de Variety Club in Cardiff.
Ook buiten het Verenigd Koninkrijk liet hij van zich horen, onder meer met zijn vaste betrokkenheid bij de Golden Years Show in het Antwerpse Sportpaleis en het Britse Chelmsford Festival.
De allerlaatste editie van de populaire nostalgieshow The Golden Years in het Sportpaleis (inmiddels bekend als de AFAS Dome) in Antwerpen vond plaats op zaterdag 14 december 2013.
Het was de vijfentwintigste en tevens finale editie van dit langlopende muziekfeest voor golden oldies, met optredens van onder meer Dave Edmunds, Albert Hammond, Slade, Alvin Stardust, The Sweet en The Rubettes.
Hal Carter, geboren als Harold Carter Burrows op 13 juli 1935, overleed op zijn negenenzestigste verjaardag op 13 juli 2004.


Wie in september 1976 aan Spanje dacht, dacht onmiddellijk aan Julio Iglesias.
Hij was en bleef destijds vooralsnog de enige Spaanse zanger met internationale bekendheid.
Maar het zag er toen naar uit dat hij die status binnenkort zou moeten delen met Jeanette, een 24-jarige zangeres uit Barcelona.
Met ‘Pourquoi tu vis’ was zij destijds aardig op weg om haar eerste hit buiten de landsgrenzen te scoren.
Het was een Franstalige versie van haar Spaanse hit ‘Porque te vas’, vertaald door Claude Lemesle, een man die onder meer voor Joe Dassin en Michel Fugain werkte.
In Spanje zelf was Jeanette toen al lang geen onbekende meer.
Haar carrière begon echter al veel eerder, en laten we beginnen bij het begin. Jeanette, geboren op 10 oktober 1951 in Engeland, verhuisde kort daarna met haar ouders naar de Verenigde Staten en vestigde zich op haar twaalfde definitief in Barcelona.
Ze is de dochter van een Belgisch-Congolese vader en een Spaanse moeder.
Op haar zestiende was ze al lid van de folkgroep Pic-Nic, waarmee ze in een mum van tijd beroemd werd.
In 1967 scoorde de groep een nummer één-hit in Spanje met de single ‘Cállate Niña’, een nummer dat ze zelf schreef samen met Rafael Turia.
Na de singles ‘Amanecer’ en ‘No digas nada’, die redelijk succesvol waren in Spanje, besloot de groep ermee te stoppen en maakte Jeanette een wereldreis.
In 1968 leerde ze op 17-jarige leeftijd Laszlo Kristof kennen in Barcelona.
Ze ontmoetten elkaar in een bar van Zoltán Czibor, de legendarische Hongaarse voetballer van FC Barcelona.
Omdat deze bar toevallig vlak naast het huis van Jeanette lag, kwam ze daar regelmatig.
Het was liefde op het eerste gezicht: amper zes maanden later waren ze al verloofd en in februari 1970 stapten ze in het huwelijksbootje.
Jeanette trouwde zo op 18-jarige leeftijd met de Hongaarse muzikant en voetballer.
Het jonge koppel vertrok naar Wenen om een rustig gezinsleven te leiden, en al vlug kwam dochter Blythe ter wereld.
Na een goed jaar in Wenen smeekte haar platenlabel haar in 1971 om terug te keren naar Spanje.
Dat luidde de start in van haar solocarrière: haar debuutsingle ‘Soy rebelde’ werd meteen een monsterhit.
De Spaanse componist en zanger José Luis Perales schreef in 1974 voor haar het nummer ‘Porque Te Vas’.
De single deed het goed in haar thuisland, maar bleef aanvankelijk onbekend in de rest van de wereld. Perales scoorde een jaar later overigens zelf een wereldhit met ‘Y Tú, Te Vas’.
De grote internationale doorbraak voor Jeanette volgde in 1976 dankzij regisseur Carlos Saura, die haar melodietje koos voor de soundtrack van zijn film ‘Cría cuervos’.
De prent sleepte prijzen in de wacht op het Filmfestival van Cannes, waardoor de soundtrack volop aandacht kreeg en ‘Porque Te Vas’ alsnog uitgroeide tot een internationale triomf.
Vreemd genoeg was het nummer in Vlaanderen en Nederland minder succesvol, terwijl het in Wallonië de zesde plaats in de hitparade bereikte.
Jeanette en Laszlo bleven na al die bewogen jaren meer dan een halve eeuw onafscheidelijk samen, tot aan zijn overlijden in augustus 2022.
De nu 74-jarige zangeres weigert te horen van stoppen of met pensioen gaan. Ze viert haar indrukwekkende carrière met een grote ’50 Aniversario’-jubileumtournee.
Ze reist hiermee langs grote theaters en concertzalen in Spanje en Latijns-Amerika.
De tournee werd oorspronkelijk aangekondigd en gestart rond 2021–2022 ter gelegenheid van precies 50 jaar ‘Soy rebelde’.
Vanwege de aanhoudende belangstelling en uitbreidingen naar Latijns-Amerika heeft haar management de naam behouden.
Op haar officiële website en posters wordt het project nu breder gepresenteerd als ’50 años de carrera musical’ of ‘Gira 50 Aniversario’.
Haar laatste echte studioalbum ‘Loca por la música’ dateert al van 1989. Jeanette heeft in interviews aangegeven dat ze de focus volledig legt op het live overbrengen van haar rijke muzikale erfenis.
In plaats van nieuwe muziek verschijnen er wel geregeld geremasterde verzamelalbums of zingt ze incidenteel live duetten met andere artiesten.
Haar concerten draaien dan ook puur om nostalgie en het vieren van de hits die haar wereldberoemd maakten.













In augustus 1976 floreerde de zogeheten tragi-pop of dooien-pop in de Nederlandse muziekwereld.
Magere Hein maakte toen overuren in de Nederpop, want het was de nieuwste mode van Nederlandse liedjesschrijvers om overleden verloofdes, vrouwen en vrienden in hun teksten te verwerken.
Zo moest het personage Rocky zijn vrouw missen, verloor Roek Williams zijn beste vriend en vernam zangeres Bonny ontsteld van dokter Bernhard dat haar grote liefde zijn laatste adem had uitgeblazen.
Hoewel sommige mensen dat specifieke nummer een giller vonden, nam Bonnie St. Claire haar hit zelf erg serieus.
Wel vond ze het onsmakelijk toen het televisieprogramma Toppop een skelet in de studio wilde zetten, waarna ze samen met haar begeleiders wegliep.
Later werd dit als een misverstand uitgesproken en zong men het lied alsnog, maar uiteraard zonder skelet.
Voor Bonny betekende Dr. Bernhard een opzienbarende comeback na een kleine winterslaap waarin ze zich had afgevraagd wat haar toekomst zou brengen.
Haar ontdekker en producer Peter Koelewijn bracht uitkomst met dit nummer.
Voor Bonny was een droevig repertoire trouwens niet nieuw, want ze vertolkte eerder al zulke nummers in het Engels.
Bij haar optredens werd ze al jarenlang begeleid door de groep Unit Gloria.
Hoewel ze bij de platenmaatschappij een contract voor soloplaten had, bleef ze de groep het liefst overal bij betrekken.
Dat gaf haar een beschermd gevoel en liet haar gemakkelijker bewegen en wennen.
Een belangrijke reden hiervoor was ook haar amoureuze relatie met bandlid Muis.
Ze woonden destijds al drie jaar samen in een schattig verbouwd dijkwerkershuisje op een kilometer afstand van Leerdam.
Getrouwd waren ze nog niet.
Dat zou eigenlijk in het najaar van 1974 gebeuren, maar een fotoreportage in Tunesië gooide roet in het eten.
De trouwerij werd uitgesteld en het stel besloot te wachten tot er kinderen zouden komen.
Bonny was een van de muzikale werktuigen in de gouden handen van Peter Koelewijn, die samen met zijn collega Wil Hoebee ook het geruchtmakende nummer Rocky produceerde.
Met dat nummer zong Don Mercedes zich naar de top van de hitparades.
Koelewijn bezat een fijne neus voor muziekjes waarvoor een groot publiek massaal de knip opentrok.
Voor Don Mercedes, die voorheen enkel Engels repertoire zong, betekende dit een grote overstap.
Hij dacht eerst lang na over het aanbod, maar greep de kans uiteindelijk met beide handen aan.
Wel bestond het gevaar dat hij door de platenmaatschappij werd gebruikt om snel veel geld te verdienen en dat hij daarna snel diep kon vallen.
Toch vertrouwde hij erop dat Koelewijn of Hoebee hun trucendoos binnenkort nog verder zouden openbreken en hem opnieuw zo’n hitsucces gunnen.
Ook zanger Roek Williams was als een kind zo blij met de triomfen die zijn dode vriend in de hitparade vierde.
Zijn vorige singletje, E 35, was ondanks de hulp van vele deejays de mist in gegaan, omdat het te moeilijk was voor de mensen.
Mijn beste vriend was veel toegankelijker voor een groot publiek.
Williams, die het nummer via een popjournalist had gekregen en het meteen te gek vond, zag er geen kwaad in.
Hij vond het niet gemeen, maar juist de herkenbare realiteit van het leven waarin iedereen wel eens vrienden ziet verdwijnen.
Hij was erg blij dat dit repertoire het ging maken, omdat je op deze manier een goede popproductie kon brengen die geschikt was voor een breed publiek.
Het fenomeen van het zogeheten rampenfonds of de dooienpop beleefde zijn eerste grote opleving met Manuela, geschreven door Pierre Kartner en vertolkt door Jacques Herb.
Van die single , waarin Manuela omkwam bij een auto-ongeluk, werden maar liefst 350.000 exemplaren verkocht.
De experts op muziekgebied stonden over het rampenfonds echter lijnrecht tegenover elkaar.
Radiomaker Lex Harding meende dat hij persoonlijk kotsmisselijk werd van dit valse sentiment.
Hij vond dat het niet spontaan was, maar bewust gecreëerd als een zielig lied om mensen te ontroeren, al zag hij de commerciële waarde er wel van in.
Producer Peter Koelewijn had een totaal andere mening en vond niets abnormaals aan het genre.
Zolang er muziek bestond, werd er volgens hem al gezongen over dit soort zaken.
Zowel Rocky als Dr. Bernhard waren bewerkingen van buitenlandse nummers die hem raakten toen hij ze beluisterde.
Koelewijn vergeleek popmuziek met opera’s, films en boeken zoals Love Story, West Side Story of Porgy & Bess.
Daarin kwamen eveneens driehoeksverhoudingen en sterfscènes op muziek voor om mensen te ontroeren en te laten ontspannen, en hij zag niet in waarom dat bij popmuziek niet op dezelfde manier kon werken.





