
Vanavond, 35 jaar geleden, Rob de Nijs te zien op de Nederlandse buis

Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek










Gisteren nog vandaag



Dire Straits (oktober 1981)

Gerhard Höllerich zag op 25 januari 1943 het levenslicht met één grote droom: popartiest worden.
Amper achttien was hij toen hij zijn eerste muzikale stappen zette bij The Honky Tonks. Zijn diepzwarte haren en zijn grote bewondering voor Roy Orbison leverden hem al snel zijn bekende artiestennaam op: Roy Black.
Twee jaar later stampte hij zijn eigen band Roy Black and his Cannons uit de grond, wat leidde tot een ontmoeting met producer Hans Bertram.
De start in 1964 verliep niet meteen van een leien dakje, want zijn eerste singles ‘Sweet Baby mein’ en ‘Darling my Love’ kregen nauwelijks aandacht.
Maar met zijn derde poging, ‘Du bist nicht allein’, schoot hij pal in de roos.
Het was het begin van een waanzinnige succesperiode: tot 1969 belandden al zijn singles in de top 10, en maar liefst zes ervan stootten door naar nummer één.
Tussendoor dook hij ook regelmatig op in populaire bioscoopfilms.
In 1971 scoorde hij een enorme internationale voltreffer met het aanstekelijke duet ‘Schön ist es auf der Welt zu sein’, aan de zijde van de toen tienjarige Noorse Anita Hegerland (die van 1987 tot en met 1991 getrouwd was met Mike Oldfield; samen kregen ze twee kinderen).
Daarna keerde het tij. De hits bleven uit en Roy belandde in een diep dal, waarbij vooral zijn privéproblemen en een aanslepende strijd tegen alcohol en pillen de pers haalden.
Toch gaf hij niet op. In 1985 maakte hij een knappe comeback met het nummer ‘Mona’, en vanaf 1989 sloot het publiek hem opnieuw massaal in de armen dankzij zijn rol in de kijkcijferhit Ein Schloß am Wörthersee.
Het herwonnen geluk bleek helaas van korte duur. Op 9 oktober 1991 sloeg het noodlot toe: Roy overleed plots aan een hartinfarct, nauwelijks een maand na de geboorte van zijn dochtertje Nathalie.
Zijn bewogen levensverhaal inspireerde nadien verschillende boeken en leidde tot de film ‘Du bist nicht allein, Die Roy Black Story’, waarin niemand minder dan Christoph Waltz in de huid van de zanger kroop.
Voor mij persoonlijk blijft ‘Du bist nicht allein’ een van de absolute hoogtepunten uit de Duitse popgeschiedenis. Kunnen jullie mij daarin volgen?


















In september 1991 voltrok zich het geruisloze einde van de Vlaamse communistische partij, amper enkele dagen nadat de Communistische Partij van de Sovjet-Unie na de mislukte augustuscoup in Moskou feitelijk instortte.
Decennialang had de partij zich naar buiten toe gepresenteerd als een beweging die puur draaide op het engagement en het lidgeld van duizenden trouwe militanten, havenarbeiders en intellectuelen.
De werkelijkheid achter de schermen bleek echter volkomen anders. Toen de begrotingscijfers van 1980 uitlekten, werd duidelijk dat de rechtstreekse ledenbijdragen nauwelijks vijf procent van de partijinkomsten dekten.
Zelfs het afstaan van twee derde van het parlementaire loon door de eigen volksvertegenwoordigers stelde op het totale budget financieel nauwelijks iets voor.
Het grootste deel van de financiële middelen kwam uit de sector, zoals deze binnenskamers steevast werd genoemd.
Over de omvang en herkomst van die inkomsten heerste een strikte geheimhouding, die uitsluitend in handen was van nationaal voorzitter Louis Van Geyt en een uiterst select kransje vertrouwelingen binnen het Centraal Comité, onder wie Jacques Nagels en Boris Gordower.
Terwijl de partijuitgaven nauwgezet werden geregistreerd, bleven de inkomsten voor de overgrote meerderheid van de militanten en kaders een goed bewaard mysterie.
Zelfs na de federalisering van de partijstructuren aan het einde van de jaren tachtig kregen de Vlaamse en Waalse vleugels simpelweg jaarlijks een toelage toebedeeld, zonder enig inzicht in de totale reserves.
Ondanks de electoraal bescheiden positie, vooral in Vlaanderen, had de Kommunistische Partij van België na de Tweede Wereldoorlog nooit gebrek aan middelen gekend.
Die geldstroom was ook bittere noodzaak, want het partijapparaat was door de jaren heen topzwaar geworden en de eigen pers slorpte gigantische bedragen op.
Zo kostte het partijblad De Rode Vaan in de jaren tachtig ongeveer een miljoen Belgische frank per maand, met een redactie van elf betaalde krachten voor een lezerspubliek dat amper enkele duizenden abonnees telde.
Tussen 1970 en 1985 lag het totale jaarlijkse budget van de partij en haar nevenorganisaties naar schatting tussen de tachtig en honderd miljoen frank, een bedrag dat ruimschoots het dubbele was van wat een moderne parlementaire formatie als Agalev begin jaren negentig nodig had.
Tegelijkertijd ontstond binnen de partijkaders een systeem van niet-aangegeven vergoedingen en forfaits om de karige officiële lonen aan te vullen, wat door critici werd gezien als een vorm van zwart geld, maar door de leiding werd afgedaan als noodzakelijke onkostenregelingen.
Om deze omvangrijke werking te financieren, bouwde de communistische beweging een uitgebreid bedrijvennetwerk uit.
Het vastgoedbeheer werd ondergebracht in vennootschappen zoals Stimobel, die de federatiehuizen in steden als Antwerpen, Gent, Aalst, Kortrijk en Oostende, alsook het centrale partijgebouw aan de Brusselse Stalingradlaan beheerde.
Daarnaast waren er initiatieven zoals het reisbureau Belga-toerist, het gesubsidieerde Volkstoerisme, distributeur Progrès Films, uitgeverij Volksuitgaven en de Brusselse boekhandel Monde Entier, die een nagenoeg monopolie had op boeken en tijdschriften uit het Oostblok.
Hoewel deze activiteiten bedoeld waren om winst te genereren, bleken vele ervan door de jaren heen eerder een financiële molensteen, wat bij het wegvallen van politieke steun leidde tot faillissementen, zoals bij Belga-toerist in de loop van 1991.
De meest renderende poot binnen de communistische zakelijke belangen bleef echter decennialang buiten het zicht van de achterban.
Dat was de handelsmaatschappij Tracosa, in 1956 opgericht met medewerking van vooroorlogs kopstuk Xavier Relecom en later voortgezet door figuren als Boris Gordower.
Tracosa fungeerde als tussenpersoon voor invoer en uitvoer tussen westerse bedrijven en de planeconomieën in Midden- en Oost-Europa, inclusief de Sovjet-Unie en China.
Waar partijvoorzitter Van Geyt altijd staande hield dat de partij nooit rechtstreeks door Tracosa werd gesponsord, bevestigden zowel de Vlaamse partijvoorzitter Ludo Loose als buitenlandverantwoordelijke Jan Debrouwere dat er commissies en winstmarges uit deze handelstransacties naar de partijkas vloeiden.
De autoriteiten in Moskou en Oost-Berlijn beschouwden het bedrijf openlijk als het commerciële instrument van de Belgische communisten.
De invloed en financiering vanuit het Oostblok bleven overigens niet beperkt tot partijkassen en handelsvennootschappen; ze raakten ook direct aan de maatschappelijke mobilisatie.
Tijdens de massale betogingen tegen de plaatsing van Amerikaanse kruisraketten in het begin van de jaren tachtig, die gedragen werden door honderdduizenden oprechte en bezorgde burgers, bleken geheime diensten zoals de Stasi uit de DDR en structuren vanuit Moskou via de KPB invloed uit te oefenen.
Terwijl het Vlaamse actiecomité VAKA vooral wortelde in een brede, onafhankelijke sociale en christelijke beweging, had de partij via militanten en mantelorganisaties een stevige greep op het Franstalige CNAPD en op door het Oostblok gesteunde netwerken zoals de Wereldvredesraad.
Achter de schermen werd logistieke steun verleend in de vorm van goedkoop of gratis drukwerk uit Oost-Duitse staatsdrukkerijen, gefinancierde buitenlandse reizen en toelagen via partijkanalen.
Het doel van het Oostblok was niet een algemene ontwapening, maar het eenzijdig tegenhouden van de westerse raketten, terwijl het eigen arsenaal onaangeroerd bleef.
De duizenden betogers op straat handelden te goeder trouw, maar de partijtop fungeerde als een willig schakelstation in een geopolitiek schaakspel.
Toen het politieke en economische communistische systeem in het Oostblok tussen 1989 en 1991 definitief ineenstortte, verdween niet alleen die ideologische rugdekking, maar droogden tegelijk de levensnoodzakelijke handelscommissies, logistieke netwerken en indirecte financieringskanalen op, wat het definitieve einde van de partij onafwendbaar maakte.
Toch verdween niet alles na die politieke ondergang van de aardbodem.
Omdat het vastgoedpatrimonium destijds niet op naam van de politieke partij zelf stond, maar juridisch was ondergebracht in autonome vennootschappen en vzw’s zoals Stimobel, bleef een aanzienlijk deel van de bakstenen erfenis buiten schot.
Zelfs toen de partij electoraal ophield te bestaan en verschillende panden in provinciesteden over de jaren heen werden verkocht om lopende rekeningen, schulden en personeelslasten af te wikkelen, bleven bepaalde structuren en sleutelgebouwen overeind.
Onder het beheer van trouwe kaders en erfgenamen van de beweging is dat stenen patrimonium tot op de dag van vandaag niet volledig verdwenen, waardoor de restanten van de partij nog steeds enkele eigendommen in bezit hebben

Viviane Romance, geboren als Pauline Ronacher Ortmans, begon haar artistieke loopbaan al op zeer jonge leeftijd.
Als veertienjarige poseerde ze voor tijdschriften en postkaarten, waarna ze al snel op de planken belandde als danseres.
In 1928 maakte ze deel uit van het ensemble van de beroemde Moulin Rouge, waar ze onder andere het publiek vermaakte met de Franse cancan.
Haar veelzijdigheid bouwde ze verder uit via optredens in operettes en boulevardtheaters.
De echte omslag naar het witte doek kwam nadat ze in 1930 werd gekroond tot Miss Paris.
Vanaf 1931 verscheen ze in kleine bijrollen voor regisseurs zoals Marcel L’Herbier, Maurice Tourneur en Fritz Lang.
Haar rol als onderhouden vrouw in de musicalfilm ‘Ciboulette’ uit 1933 gaf al een voorproefje van het type personage dat haar handelsmerk zou worden.
Na haar opvallende verschijning in de tragikomedie ‘Princesse Tam Tam’ in 1935, kruiste cineast Julien Duvivier haar pad.
Hij gaf haar eerst een stevige rol in het drama ‘La Bandera’ en bezorgde haar vervolgens haar grote doorbraak in de klassieker ‘La Belle Équipe’ uit 1936.
Daarin zette ze een overtuigende femme fatale neer die een wig drijft tussen de personages van Charles Vanel en Jean Gabin.
Ook haar privéleven kende de nodige wendingen.
Romance trad driemaal in het huwelijk: eerst met acteur Georges Flamant, met wie ze in elf films samenspeelde, daarna met acteur en zanger Clément Duhour, en ten slotte met Jean Josipovici.
Op 25 september 1991 kwam er in Nice een einde aan haar veelbewogen leven, toen ze op 79-jarige leeftijd overleed aan kanker.









Het was het absolute hoogtepunt van een traject dat al in 1977 begon, toen hij zijn kandidatuur indiende als ruimtevaarder.
In de jaren daarna bouwde hij een indrukwekkende loopbaan op bij de Europese ruimtevaartorganisatie ESA. Tussen 1978 en 1984 coördineerde hij de bemanning voor Spacelab-1, waarna hij tot 1989 bij ESTEC werkte aan microzwaartekrachtexperimenten voor EURECA en Spacelab-1.
In het voorjaar van 1992 schreef hij definitief geschiedenis als de allereerste Belg in de ruimte.
Van 24 maart tot 2 april cirkelde hij met zes collega-astronauten maar liefst 143 keer rond de aarde.
Die historische vlucht leverde hem datzelfde jaar een eredoctoraat op aan de Universiteit Gent.
Later werd hij ook benoemd tot Grootofficier in de Leopoldsorde en verheven in de adelstand met de titel van burggraaf.
Na zijn ruimtemissie zette Frimout zijn kennis en ervaring in op aarde.
Tussen 1993 en 1998 werkte hij bij Belgacom en vanaf 1994 werd hij voorzitter van de Euro Space Foundation, waarmee hij wetenschappelijke en technische studies bij jongeren stimuleerde.
Vanaf juli 1998 sloeg hij een nieuwe weg in bij Flanders Language Valley, waar hij als hoofd van FLV Education de verantwoordelijkheid droeg over permanente vorming.
Een baanbrekende figuur die de Belgische wetenschap letterlijk naar nieuwe hoogten bracht.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag