Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
De Britse zanger en songwriter Nick Hall, geboren als Nicolaas R. Hall, woonde sinds eind jaren zestig in Nederland.
Hij bracht de leuke single “Hop on the bus” uit, die de vierenveertigste plaats in de Nederlandse Nationale Hitparade bereikte.
Hoewel het de Top 40 niet haalde, kwam het wel tot de twaalfde plaats in de Tipparade. In Vlaanderen kwam de single niet in de hitlijsten voor.
Het nummer is terug te vinden op zijn enige album, “A Very Special Case” dat werd geproduceerd door Pim Koopman.
Naast zijn muzikale carrière had Hall een heel andere baan. Hij werkte jarenlang als croupier in verschillende Nederlandse casino’s, met als voornaamste standplaats Zandvoort.
Na zijn pensioen vond hij een nieuwe passie. Samen met zijn vrouw Jane, een vertaalster en artieste die hij al in 1967 in een Engels kunstcentrum had ontmoet, startte hij het project ‘Nursery Tracks’.
Hun YouTube-kanaal ontstond als een natuurlijk vervolg voor het koppel, dat naast hun passie voor muziek en beeldende kunst werd overvallen door een nog grotere passie: hun kleinkinderen.
Voor dit project schreef Nick de muziek, terwijl Jane de animaties verzorgde.
Het koppel woonde in Nederland en had twee kinderen en vijf kleinkinderen.
David Geffens carrière in de entertainmentindustrie begon bescheiden in 1964, op de postkamer van het William Morris Agency.
Hij klom snel op tot talentscout, en hoewel zijn ambitie in de filmwereld lag, werd hij vanwege zijn jonge leeftijd richting de rockmuziek gestuurd.
Na een succesvolle periode bij Ashley Famous Agency, waar hij de muziekafdeling hielp uitbouwen, startte hij samen met Elliot Roberts het managementbureau Geffen-Roberts.
Hun bureau boekte een enorm succes door voor Atlantic Records de supergroep Crosby, Stills & Nash (& Young) te contracteren.
Toen Geffen vervolgens probeerde om artiest Jackson Browne bij Atlantic onder te brengen, gaf Atlantic-baas Ahmet Ertegün hem de gouden tip: begin je eigen platenlabel.
Met de belofte van Ertegün voor productie en distributie werd in 1972 Asylum Records geboren.
Het label kreeg al snel een neus voor talent; na Jackson Browne contracteerde Geffen ook diens huisgenoten J.D. Souther en Glenn Frey, de latere oprichter van de Eagles.
Tussen 1972 en 1975 bracht Asylum een reeks iconische albums uit, waaronder werk van de Eagles, Joni Mitchell en Bob Dylan.
In 1975 verkocht Geffen het label voor 7 miljoen dollar aan Warner, waar het fuseerde met Elektra Records.
Geffen bleef aan als hoofd van de nieuwe divisie en werd later benoemd tot vicevoorzitter van de filmtak, Warner Bros. Pictures.
Zijn uitstap naar de filmwereld was echter van korte duur. Na een botsing met de bureaucratie en een aantal minder succesvolle films, besloot hij terug te keren naar de muziek.
Op 22 september 1980 lanceerde hij zijn nieuwe label, Geffen Records, en tekende diezelfde dag nog John Lennon en Elton John als zijn eerste artiesten.
Voor Lennon betekende dit het einde van een zes jaar durende stilte, wat resulteerde in het album ‘Double Fantasy’, dat kort voor zijn tragische dood verscheen.
In deze periode produceerde Geffen ook de succesvolle Broadwaymusicals ‘Dreamgirls’ en ‘Cats’.
In 1990 verkocht hij Geffen Records voor 550 miljoen dollar aan MCA, een bedrag dat een jaar later bij een overname zelfs opliep tot 670 miljoen.
Nadat hij het label in 1995 verliet, richtte hij daarvoor al 1994 samen met Steven Spielberg en Jeffrey Katzenberg de filmstudio DreamWorks SKG op.
Deze studio zou verantwoordelijk worden voor Oscarwinnaars als ‘American Beauty’, ‘Gladiator’ en de animatiehit ‘Shrek’.
Naast zijn zakelijke successen kwam Geffen ook in de media door zijn relatie met Cher in de jaren zeventig.
Later kwam hij openlijk uit voor zijn homoseksualiteit en werd hij een belangrijke filantroop, met name door grote donaties aan het wetenschappelijk onderzoek naar aids (foto Wikipedia)
Randy Crawford begint op 15-jarige leeftijd te zingen in jazzclubs en komt zo in contact met George Benson.
Op haar 20ste heeft ze haar eerste platencontract beet bij Columbia Records.
Haar eerste singles worden geen succes. In 1976 komt haar debuutalbum uit. Op ‘Everything Must Change’ wordt ze bijgestaan door o.a. Joe Sample van de jazzband The Crusaders , saxofonist Ralph MacDonald en Hugh Masekela.
Twee jaar later zingt ze op het 2de soloalbum van ex-Genesis-gitarist Steve Hackett.
Haar doorbraak komt er in 1979 wanneer ze ‘Street Life’ inzingt voor The Crusaders. In de Billboard Hot 100 blijft de single op n°36 steken, maar in Europa, en met name vooral Vlaanderen (n°25) en Nederland (n°20) kent deze meer succes.
Als wederdienst voor haar bijdrage producen de drie leden van The Crusaders het volgende album van Randy. ‘Now We May Begin’ wordt in het voorjaar van 1980 uitgebracht.
Aanvankelijk krijgt de plaat maar weinig aandacht totdat ‘One Day I’ll Fly Away’ op single verschijnt.
Het nummer staat al snel op n°1 in Vlaanderen en Nederland.
In de Britse top 40 bereikt ze de n°2. Na bijna 15 jaar ploeteren krijgt ze de erkenning die ze al zo lang zocht. In de VS is het wederom geen succes.
Nadien scoort ze vooral met covers, o.a. ‘Rainy Night In Georgia’van Tony Joe White en ‘Knockin’ On Heaven’s Door’ van Bob Dylan. Haar ‘You Might Need Somebody’ wordt dan weer een grote Britse hit voor Shola Ama in 1997 (met dank aan Denis Michiels, Joepie van 21 september 1980)