Van kattenvoer tot synthpop: het bewogen verhaal van Soft Cell

In oktober 1981 was Soft Cell ineens overal.

De Britten hadden in 1981 al van alles over het Kanaal gestuurd, van Ultravox en Visage tot Spandau Ballet, maar buiten Groot-Brittannië bleef dat toen vaak beperkt tot een korte rage.

Toch leek er toen een stevigere nieuwe koers te ontstaan: jonge groepen die met elektronica vlotte, dansbare pop maakten.

Duran Duran en Depeche Mode hadden al indruk gemaakt, maar het Britse synthpopduo Soft Cell trok op dat moment veruit de meeste aandacht.

De wortels van de groep lagen aan het einde van de jaren zeventig. Marc Almond, afkomstig uit Southport, en David Ball, geboren in Blackpool, ontmoetten elkaar als studenten aan de kunstacademie van Leeds Polytechnic, waar Almond beeldende kunst studeerde.

Tussen 1976 en 1979 had Almond daar al volop ervaring opgedaan in de confrontatiegerichte performancekunst.

In voorstellingen vol spiegels, make-up, scheren, gebroken glas en blikjes kattenvoer tastte hij grenzen af.

Een van die stukken, later bekend als ‘Mirror Fucking’, speelde zich naakt af voor een grote spiegel.

Daarnaast maakte hij het theatrale stuk ‘Icebox’ en een cabaretvoorstelling gebaseerd op het Japanse verhaal ‘The Vampire Cat of Nabéshima’, waarin een demonische kat een prinses doodt en haar gedaante aanneemt.

In een bijbehorende Super-8-film at een personage in een sjofel kot uit een blik kattenvoer.

Zelf vatte Almond die periode later nuchter samen als iemand die een podium beklom om zich als een volslagen idioot te gedragen.

Dave Ball, die een jaar lager zat, zag die acties, herinnerde zich de enorme deining die ze veroorzaakten en experimenteerde in die tijd al met een Korg-synthesizer.

Almond vroeg Ball om muzikale begeleiding te componeren bij zijn optredens, en uit die vroege samenwerking groeiden geleidelijk volwaardige nummers.

In oktober 1979 richtten de twee officieel Soft Cell op, waarna nog diezelfde herfst hun debuutoptreden volgde.

De naam Soft Cell ontstond als een knipoog naar zowel een hoofdstuk uit John Brunners sciencefictionroman ‘Stand on Zanzibar’ als het bekende reclamemotto ‘soft sell’.

Hun allereerste opnames maakten ze uiterst primitief met een simpele tweesporenrecorder op het studentenkamertje van Ball.

Zoals Ball later opmerkte: voordien knoeiden ze maar wat met bandrecorders, simpelweg omdat alles zo goedkoop mogelijk moest blijven.

Almond bracht zijn mengeling van cabaret, katten en vuile romantiek rechtstreeks mee naar de vroege optredens van het duo.

Gehuld in strak zwart leer haalde hij uitzinnige toeren uit om de zaal op te zwepen.

Bij een nummer over een kat die zijn bazin verslindt, kliederde hij het publiek binnen zijn bereik ongegeneerd onder met kattenvoer, wat volgens hem eigenlijk het enige was wat hij aan zo’n optreden nog leuk vond.

David Ball vormde de rustige tegenpool: terwijl hij kalm achter zijn apparatuur bleef staan, legde hij het muzikale fundament met ingenieuze klanktapijten.

Het publiek wist er niet altijd meteen raad mee, maar de kracht van twee muzikanten die met een uiterst sobere bezetting een opvallend krachtig en dansbaar geluid neerzetten, viel direct op.

Veel tastbaars hadden ze muzikaal echter nog niet uitgebracht. Hun debuut-ep ‘Mutant Moments’ verscheen in een gelimiteerde oplage van tweeduizend stuks en groeide later uit tot een kostbaar verzamelobject.

Na hun opvallende bijdrage aan de verzamelplaat ‘Some Bizarre Album’ ging de bal pas echt aan het rollen.

Platenbaas Stevo van Some Bizarre bood hen samen met distributeur Phonogram een contract aan, wat toegang gaf tot professionele studiofaciliteiten met volwaardige synthesizers.

Het eerste studiowerk leverde de vroege single ‘A Man Can Get Lost’ op en vervolgens ‘Memorabilia’, een vroege elektronische dansplaat die vooral bij vooruitstrevende club-dj’s goed aansloeg.

Toch lag de druk van de platenmaatschappij hoog: een commerciële doorbraak was vereist om het contract te behouden.

Almond en Ball zetten zich bewust af tegen het gangbare rockcircuit. Nadat Almond ooit het voorprogramma van punkband The Vibrators had verzorgd, wist hij dat die wereld niets voor hen was: het draaide er volgens hem vooral om vaste routines en pinten pakken.

Soft Cell koos nadrukkelijk voor theaters en een publiek met een bredere blik, waarbij Almond hun stijl omschreef als een combinatie van northern soul, disco, theatraal cabaret en gewone alledaagse thema’s die zelden in popsongs aan bod kwamen.

Puur vermaak stond voorop, maar zonder de geforceerde maniertjes van rockers die een zaal willen ophitsen.

Die filosofie leidde hen naar twee oude soulklassiekers.

Ball kende het nummer ‘Tainted Love’, dat in 1964 door Ed Cobb werd geschreven en als obscure B-kant door Gloria Jones werd opgenomen in het northern-soulcircuit van Blackpool.

Soft Cell arrangeerde het volledig elektronisch en combineerde het op single met ‘Where Did Our Love Go’ van The Supremes. Vooral in de verlengde versie, waarin beide nummers naadloos in elkaar overliepen, werd het een monsterhit waar niemand omheen kon.

De platenmaatschappij wilde er aanvankelijk traditionele gitaren, bas en drums op zetten, omdat het te vreemd klonk, maar het tweetal hield vast aan de kale synthversie.

Almond zong de partij in slechts twee takes in.

Vanuit het niets schoot ‘Tainted Love’ naar de eerste plaats in de Britse charts, waar het pas na een maand werd afgelost door Adam Ant, om vervolgens ook op het vasteland en wereldwijd een enorme hit te worden.

De single bereikte in zeventien landen de eerste positie en werd in het Verenigd Koninkrijk de op één na bestverkochte single van 1981.

In de Amerikaanse Billboard Hot 100 vestigde het nummer destijds een record door 43 weken genoteerd te blijven.

In Vlaanderen was de single goed voor een eerste plaats in de BRT Top 30 en dat voor twee weken lang.

In Nederland bereikte het nummer de vijfde plaats in de Top 40

Omdat zowel de A-kant als de B-kant covers betroffen, verdienden Almond en Ball niets aan auteursrechten, wat ze later weleens de duurste beslissing van hun carrière noemden.

Het overweldigende succes versnelde het werk aan hun debuutalbum ‘Non-Stop Erotic Cabaret’, waarvan de titel werd ontleend aan een neonreclame boven een revuebar in de Londense wijk Soho.

Het album werd in de zomer van 1981 in Londen opgenomen in Advision Studios onder leiding van producer Mike Thorne en geluidstechnicus Don Wershba, die hielpen om de minimalistische synthesizerlijnen om te smeden tot een rijk en modern studiogeluid.

Ball benutte apparatuur zoals de Korg SB-100 bassynth, de Roland Jupiter-4 en de geavanceerde Synclavier, aangedreven door strakke drummachines.

De thematiek van de plaat weerspiegelde de schaduwzijden van de grootstad en de Londense rafelranden. Nummers als ‘Seedy Films’, ‘Frustration’ en ‘Secret Life’ behandelden kille eenkamerflats, peepshows en de anonimiteit van het nachtleven, terwijl ‘Sex Dwarf’ ontstond naar aanleiding van een krantenkop in The News of the World.

Daarnaast stonden er melodieuze observaties op over eenzaamheid, zoals ‘Bedsitter’, dat het sobere leven in een gehuurde kamer zonder geld voor eten beschreef, en het weemoedige ‘Say Hello, Wave Goodbye’.

Uitgebracht eind november 1981, getooid met de bekende hoesfoto tegen een felrode achtergrond in theatrale nachtclubkledij, groeide het album uit tot een meesterwerk van de elektronische pop. De plaat bereikte de top vijf en leverde met ‘Bedsitter’ en ‘Say Hello, Wave Goodbye’ opnieuw grote top vijf-hits op.

Soft Cell zou in Groot-Brittannië in totaal tien officiële top 40-hits scoren, waaronder de losse single ‘Torch’, die de tweede plaats bereikte

Het snelle succes eiste echter zijn tol. Met ‘The Art of Falling Apart’ uit 1983 sloeg het tweetal een donkerdere, experimentelere weg in waarin vervreemding en de keerzijde van roem centraal stonden.

Na de release van ‘This Last Night in Sodom’ viel in 1984 definitief het doek voor de groep.

Marc Almond begon aan een veelzijdige sololoopbaan met weelderige ballads en chansoninvloeden.

Dave Ball ontpopte zich tot een gewilde producer en componist.

Hij schreef en produceerde muziek met onder anderen Kylie Minogue, Gavin Friday en The Virgin Prunes, en scoorde in 1994 met zijn houseproject The Grid een wereldwijde clubhit met ‘Swamp Thing’.

Begin deze eeuw volgde een succesvolle reünie met optredens en het album ‘Cruelty Without Beauty’ in 2002.

Na een groots afscheidsconcert in de Londense O2 Arena in 2018 bleek het partnerschap nog altijd springlevend, getuige het studioalbum ‘Happiness Not Included’ uit 2022, waarop onder meer werd samengewerkt met Pet Shop Boys.

De hernieuwde energie smaakte naar meer, waardoor Almond en Ball in de zomer van 2025 opnieuw intensief de studio indoken voor een gloednieuw project.

De titel die ze kozen, ‘Danceteria’, was een rechtstreekse verwijzing naar de legendarische New Yorkse club waar ze in 1982 zoveel inspiratie hadden opgedaan en waar Almond destijds onder meer een vroeg optreden van Madonna meemaakte.

Het duo wilde met broeierige ritmes, donkere baslijnen en melodieën met een rauw randje teruggrijpen naar die specifieke sfeer.

Midden augustus 2025 stonden ze nog samen op het podium als headliner van het Rewind Festival in Henley-on-Thames, wat hun allerlaatste optreden zou blijken.

De studio-opnames verliepen in een hoog tempo, waarbij Ball de strakke elektronische fundamenten legde en Almond teksten schreef die balanceerden tussen weemoed en scherpe eigentijdse observaties.

Het noodlot sloeg echter genadeloos toe: letterlijk enkele dagen nadat het album volledig was afgewerkt, overleed Dave Ball in de nacht van 22 oktober 2025 op 66-jarige leeftijd in zijn slaap in zijn woning in Londen.

Almond reageerde verslagen, maar herinnerde zich vooral hoe trots en opgetogen Ball was geweest over de nieuwe muziek en hoe ze hadden uitgekeken naar 2026.

In september 2026 verscheen ‘Danceteria’ alsnog, als postuum eerbetoon en definitief slotstuk van een partnerschap dat bijna een halve eeuw had standgehouden.

Het markeerde het sluitstuk van een carrière die ooit begon met blikjes kattenvoer op de kunstacademie en uitmondde in tijdloze elektropop, of zoals Almond het zelf relativeerde: de ene dag smeer je je in met kattenvoer op de kunstacademie, de volgende sta je terracotta potten uit te kiezen in het tuincentrum.

Het bizarre duo Soft Cell, noem ons cabaret, maar a.u.b geen Rock ‘n’ Roll

Catherine Ringer: de ontembare stem en ziel van Les Rita Mitsouko

De Franse muziekwereld verliest met Catherine Ringer een van haar meest markante, grensverleggende en flamboyante persoonlijkheden.

De zangeres, performer en drijvende kracht achter het legendarische duo Les Rita Mitsouko overleed in de nacht van op 68-jarige leeftijd aan de gevolgen van een agressieve vorm van kanker.

Geboren in 1957 als dochter van de Frans-Poolse kunstenaar Sam Ringer, dompelde ze zich al op jonge leeftijd onder in de avant-gardistische kunstscene.

Haar vader was van Pools-Joodse afkomst en overleefde negen verschillende concentratiekampen tijdens de Tweede Wereldoorlog, waaronder Auschwitz.

Deze zware familiegeschiedenis inspireerde later het opgewekt klinkende nummer ‘Le Petit Train’ uit 1988, dat in werkelijkheid verwijst naar de deportatietreinen.

Voordat ze doorbrak in de popwereld, experimenteerde ze volop met theater, zang en dans.

Tussen 1976 en het begin van de jaren tachtig speelde ze daarnaast, vaak onder pseudoniemen als Lolita da Nova of Betty Davis, in een reeks erotische en pornografische films.

Tot haar bekendere titels uit die periode behoren de cultklassieker Body Love van Lasse Braun uit 1977, met muziek van Klaus Schulze, en films als La Fessée, Corps brûlants, Paradise, Rien ne vaut la première fois en Lingeries intimes.

Ze zag dit destijds als een vorm van lichamelijke vrijheid en een manier om in haar levensonderhoud te voorzien, en heeft deze periode later nooit verloochend.

Toen Serge Gainsbourg haar in 1986 tijdens de live-uitzending van Mon Zénith à moi probeerde te kleineren met opmerkingen over dit vroege acteerwerk, diende ze hem onverschrokken en fel van repliek, wat haar tot een icoon van feministische weerbaarheid maakte.

Eind jaren zeventig ontmoette Catherine haar artistieke en levenspartner Fred Chichin tijdens een theaterproductie.

Op een eenvoudige viersporenrecorder in hun kleine Parijse appartement namen ze hun eerste nummers op, waarna ze optraden in alternatieve clubs en kraakpanden.

Samen vormden ze een formatie die aanvankelijk Rita Mitsouko heette, een samensmelting van de voornaam van onder meer Rita Hayworth en het Japanse woord voor geheim, tevens de naam van een parfum van Guerlain.

Omdat het publiek dacht dat dit haar artiestennaam was, voegden ze er Les aan toe om te benadrukken dat het om een duo ging. Begin jaren tachtig lieten ze een frisse, ontregelende wind door het Franse muzieklandschap waaien.

Hun unieke crossover van new wave, postpunk, funk, rock en traditioneel Frans chanson sloeg in als een bom.

In 1984 brak het duo definitief door met de monsterhit ‘Marcia Baïla’, een bitterzoete ode aan de overleden Argentijnse danseres en choreografe Marcia Moretto, bij wie Catherine dansles had gevolgd en die in 1983 op 32-jarige leeftijd aan borstkanker overleed.

De vernieuwende videoclip, met ontwerpen van Jean Paul Gaultier en Pierre et Gilles, belandde later zelfs in collecties van het Centre Pompidou en het Museum of Modern Art in New York.

Ringers elastische stemgeluid, theatrale voordracht en gedurfde outfits gaven klassiekers als ‘Andy’, ‘C’est comme ça’ en ‘Les histoires d’A’ een volstrekt eigen identiteit.

Het invloedrijke nummer ‘C’est comme ça’, afkomstig van het succesvolle album The No Comprendo uit 1986, draaide inhoudelijk om innerlijke rusteloosheid, twijfel en het onvermijdelijke, grillige verloop van het leven en de liefde, waarbij de titelzin fungeert als een nuchtere berusting in de chaos van emoties waar men geen controle over heeft.

Het duo werkte internationaal samen met onder meer producer Tony Visconti en het Amerikaanse cultduo Sparks, terwijl filmmaker Jean-Luc Godard hun opnamesessies voor The No Comprendo vastlegde in zijn speelfilm Soigne ta droite.

Op het album Système D uit 1993 schitterde ze bovendien in een duet met de Amerikaanse zanger Iggy Pop.

Toen Chichin in het najaar van 2007 plotseling overleed aan kanker, zette Ringer de concertreeks moedig voort als een eerbetoon aan haar partner.

Ook daarna bleef ze onvermoeibaar optreden en muziek maken.

In 2011 bracht ze haar eerste soloalbum Ring n’ Roll uit, gevolgd door platen zoals Chroniques et fantaisies.

Haar solowerk en podiumpresentatie bleven niet onopgemerkt: ze viel meermaals in de prijzen en werd in 2012 bekroond met een Victoire de la Musique voor beste vrouwelijke artiest.

Daarnaast speelde ze het repertoire van Les Rita Mitsouko voor nieuwe generaties en liet ze zich horen in poëtische en literaire theaterprojecten.

Catherine Ringer laat drie kinderen na, bij wie het creatieve talent nadrukkelijk voortleeft.

Dochter Simone en zoon Raoul richtten samen de band Minuit op, en Raoul stond de afgelopen jaren bovendien regelmatig als gitarist naast zijn moeder op het podium.

Dochter Ginger Romàn bouwde intussen een succesvolle loopbaan op als actrice in film en theater.

Ringer zal herinnerd worden als een ontembare pionier die conventies tartte en Franse popmuziek verrijkte met durf, kleur en grenzeloze expressie.

Gisteren nog vandaag

Céline Dion schittert opnieuw: emotionele terugkeer op het podium gisteren in Parijs tijdens eerste liveconcert in meer dan zes jaar

Céline Dion stond op zaterdag 12 september 2026 voor het eerst in meer dan zes jaar weer op het podium voor een volledig liveconcert.

Het optreden vond plaats in de uitverkochte Paris La Défense Arena in Nanterre en markeerde de aftrap van haar grootschalige concertresidentie in Parijs.

De zaal, die tegenwoordig ook bekendstaat als de Plenitude Arena, ontving tienduizenden fans die getuige waren van een bijzonder geladen en feestelijke avond.

Het optreden verliep bijzonder emotioneel.

Céline Dion opende de show met het Franstalige ‘On ne change pas’, een nummer dat door velen werd gezien als een veelzeggende verwijzing naar haar lange afwezigheid.

Al bij de eerste noten schoot ze vol en kwamen er tranen van ontroering.

Ze hield haar microfoon naar het publiek om haar door de brug van het nummer te helpen en liet weten dat het tranen van vreugde waren.

Gedurende de avond sprak ze het publiek voornamelijk in het Frans toe. Ze benadrukte dat ze haar belofte had ingelost om terug te keren op de bühne en sprak haar enorme dankbaarheid uit voor het geduld en de steun tijdens haar herstelproces van het stiff-person-syndroom.

De voorstelling was opgebouwd uit vier delen en een toegift van vier nummers, goed voor een royale setlist van 26 liedjes.

Zowel haar Franstalige als Engelstalige klassiekers kwamen uitgebreid aan bod, waaronder ‘The Power of Love’, ‘Because You Loved Me’, ‘All By Myself’, ‘Pour que tu m’aimes encore’ en vanzelfsprekend ‘My Heart Will Go On’.

Als slotakkoord koos ze voor het ingetogen S’il suffisait d’aimer.

Naast de bekende ballads bevatte de avond een aantal opvallende muzikale verrassingen.

Zo bracht ze live-debuten van nummers zoals ‘The Chase’ en ‘Dansons’, en zong ze een energieke dansmedley met covers van Donna Summers’ ‘I Feel Love’ en ‘Sweet Dreams’ van Eurythmics.

Visueel koos artistiek leider Willo Perron voor een sobere en stijlvolle regie.

Céline Dion verscheen in een reeks elegante zwarte jurken, waardoor de aandacht volledig naar haar stem en podiumprésence ging.

Dit openingsconcert was het startsein voor een residentie van in totaal 26 data.

De eerste reeks van zestien concerten loopt door tot medio oktober, waarna ze in het voorjaar van 2027 terugkeert naar Parijs voor het tweede deel van de reeks.

Het optreden werd door toeschouwers unaniem ervaren als een triomfantelijke en vocaal overtuigende terugkeer van de zangeres.

De keuze voor Parijs heeft zowel een diepe emotionele betekenis als een nuchtere praktische reden.

Frankrijk en het Franstalige publiek hebben altijd een bijzondere plaats ingenomen in haar loopbaan, mede door haar historische samenwerkingen met onder meer Jean-Jacques Goldman.

Daarnaast sloot ze in 2024 de openingsceremonie van de Olympische Spelen af met een indrukwekkend optreden.

Vanop de Eiffeltoren bracht ze toen het nummer L’Hymne à l’amour van Édith Piaf, een moment dat haar het doorslaggevende vertrouwen gaf dat een terugkeer voor een publiek weer haalbaar was.

Minstens zo belangrijk is de praktische kant: zingen in een vaste residentie ontziet haar lichaam enorm.

Ze hoeft niet continu van stad naar stad te reizen, wat met het stiff-person-syndroom en de noodzaak aan rust en medische begeleiding te zwaar zou zijn.

De Plenitude Arena bood bovendien de capaciteit om een enorm aantal toeschouwers onder één dak te ontvangen.

Wie nu nog een plaats zoekt, kan met wat moeite nog wel terecht, al is het reguliere aanbod via de officiële verkoopkanalen grotendeels de deur uit.

De officiële ticketprijzen voor de concerten in de zaal variëren van 89,50 euro tot 298,50 euro, afhankelijk van de categorie en de plaats, waarbij de hele arena is voorzien van zitplaatsen.

Op de tribunes kost categorie 4 89,50 euro, categorie 3 111,50 euro, categorie 2 133,50 euro, categorie 1 199,50 euro en tribune goud 232,50 euro.

Voor het parterreveld starten de prijzen vanaf 133,50 euro voor categorie 2 en lopen ze op via 199,50 euro voor categorie 1 en 232,50 euro voor goud tot 276,50 euro voor parterre diamant en 298,50 euro voor parterre prestige vlak voor het podium.

Via officiële doorverkoopplatforms en erkende ticketbeurzen komen er regelmatig losse plaatsen vrij voor zowel de voorstellingen in september en oktober van dit jaar als voor de voorjaarsreeks in mei 2027, al liggen de vraagprijzen daar vaak aanzienlijk hoger of worden er duurdere vip-arrangementen aangeboden.

Wat verdere reisplannen betreft, is het voorlopig niet de bedoeling dat ze andere landen zal aandoen.

Deze concertreeks is bewust opgezet als een exclusieve residentie.

Door het publiek naar Parijs te laten reizen in plaats van zelf op wereldtournee te gaan, kan ze haar energie optimaal doseren tussen de optredens door.

Een uitbreiding naar zalen in andere Europese landen of elders ter wereld staat op dit moment dan ook niet in de planning.

Ook op muzikaal vlak zit er weer beweging in haar carrière.

Na de release van de single ‘Dansons’ in het voorjaar van 2026 is achter de schermen volop aan nieuw studiowerk gewerkt.

Dit project markeert hoofdzakelijk een terugkeer naar haar Franstalige repertoire, al zijn tweetalige nummers niet uitgesloten.

Een exacte verschijningsdatum is nog niet definitief vastgelegd, maar de komst van het nieuwe album wordt verwacht tegen het einde van 2026 of uiterlijk begin 2027, mooi aansluitend op het tweede luik van haar concertreeks in Parijs.