40 jaar geleden, Kris De Bruyne, de tijd van holle dromen en braspartijen is voorbij.

De carrière van Kris De Bruyne start in 1968, wanneer hij doorbreekt met een bluesversie van ‘Klein klein kleutertje’.

Tijdens zijn studies aan het Sint-Lukasinstituut in Brussel, enkele jaren later, leert hij in de kantine Guido Van Hellemont en Wim Bulens kennen.

Dit leidt al snel tot de vorming van het absurde trio Lamp, Lazerus en Kris. Ze nemen samen een plaat op, die onder meer de hits ‘De Peulschil’ en ‘De Onverbiddelijke Zoener’ bevat.

Hierna kiest De Bruyne voor een solocarrière.

In 1973 neemt hij met zijn eerste begeleidingsband, waar ook Raymond van het Groenewoud deel van uitmaakt, een titelloze debuutelpee op.

Hoewel de plaat helaas flopt, wordt ze vandaag algemeen erkend als de allereerste, echte Nederlandstalige rockplaat.

Twee jaar later, in 1975, brengt hij de single ‘Vilvoorde City’ uit, een lied over de stad die toen zijn thuishaven was.

Het nummer schetst een grauw beeld en is aanvankelijk omstreden in Vilvoorde.

In datzelfde jaar verschijnt ook de single ‘Amsterdam’, met muziek van Jo Muyllaert en tekst van De Bruyne.

Beide nummers zijn terug te vinden op het album ‘Ook Voor Jou’ uit 1975.

Met het nummer ‘Je Suis Gaga’ staat hij op 7 december 1985 op de eerste plaats in de Vlaamse Top 10.

Nadat zijn liedjes eind jaren 80 en ’90 wat uit de gratie raken, volgt de echte erkenning pas deze eeuw.

In 2007 wordt ‘Amsterdam’ opgenomen in de Eregalerij van de Vlaamse Klassiekers.

In 2021 krijgt het de ultieme bekroning als het allerbeste Nederlandstalige lied, met een nummer 1-positie in de Lage Landenlijst.

Kris De Bruyne overleed op 3 februari 2021, op 70-jarige leeftijd.

Burt Blanca, geboren als Norbert Blancke op 6 augustus 1944 in Neder-Over-Heembeek, wordt beschouwd als een van de absolute grondleggers van de rock-‘n-roll in België.

Zijn muzikale reis begon nochtans klassiek; als jong kind volgde hij lessen aan het conservatorium op de accordeon en klarinet.

Die wereld veranderde echter volledig toen hij de Amerikaanse rock-‘n-roll ontdekte.

Geïnspireerd door iconen als Elvis Presley en Bill Haley ruilde hij zijn klassieke instrumenten in voor een gitaar.

In de vroege jaren 60 vormde hij zijn band The King Creoles.

Ze maakten furore met instrumentale nummers die sterk deden denken aan de stijl van The Shadows en The Ventures.

Blanca stond al snel bekend om zijn virtuoze spel op de Fender Stratocaster, wat hem in eigen land de bijnaam de Belgische Elvis opleverde.

Wat zijn carrière echter uniek maakte, was zijn enorme succes over de taalgrens.

In 1961 werd zijn talent opgemerkt door het grote Franse label Pathé-Marconi.

Hij verhuisde naar Parijs, speelde in de legendarische club Golf Drouot en deelde in 1962 het podium van de Olympia met internationale grootheden zoals Gene Vincent.

Toen de muzikale trends in de jaren zeventig veranderden, bleef Blanca trouw aan zijn wortels.

Hij nam in dat decennium verscheidene rock-‘n-roll-albums op met zijn eigen versies van bekende songs uit het genre.

Zijn status als gerespecteerd muzikant werd bevestigd door de artiesten voor wie hij het voorprogramma mocht verzorgen.

Dit waren niet de minsten: hij opende voor legendes als Chuck Berry, Jerry Lee Lewis, Bill Haley, Gary Glitter en de Frans-Belgische rocker Johnny Hallyday.

De jaren tachtig brachten een enorme commerciële heropleving. In het begin van dit decennium ging Burt Blanca een samenwerking aan met Lou Deprijck, de producer achter Plastic Bertrand en Two Man Sound.

Dit resulteerde in de single Touche Pas à Mon R.N.R., waarmee hij de hitlijsten veroverde.

Maar daar bleef het niet bij. In 1983 richtte hij de band The Klaxons op.

Samen met zijn vrienden Jean-Marie Troisfontaine en Roger Verbestel schreef hij de megahit Clap, Clap Sound.

Het nummer werd een fenomenaal succes en haalde in verscheidene landen de top van de hitparade.

In Zuid-Afrika stond de single maar liefst 25 weken op nummer 1.

Het leverde hen verscheidene keren platina en zelfs diamant op.

Ook in het nieuwe millennium bleef hij actief en veelzijdig.

In januari 2004 maakte hij een uitstapje naar televisie door deel te nemen aan de opnamen van de populaire VTM-serie Familie.

Datzelfde jaar was ook op muzikaal vlak bijzonder: in juni 2004 gaf hij opnieuw een concert in de Olympia in Parijs en vierde hij zijn 45-jarige carrière met een optreden in de Ancienne Belgique.

Burt Blanca, inmiddels Ridder in de Orde van Leopold II, blijft de geschiedenis ingaan als de man die de elektrische gitaar in België populariseerde, internationale successen boekte van Parijs tot Zuid-Afrika, en zijn hele leven in dienst stelde van de rock-‘n-roll.

40 jaar geleden, Jan Vanroelen van Arbeid Adelt en zijn vriendin Agnes De Man gaan in zaken.

Creatief, geestig en gevat: dat is Agnes De Man ten voeten uit. Na haar studies in modestad Parijs was ze zeventien jaar lang actief in de modewereld, waar ze haar eigen winkel had.

Ze bruiste van de inspiratie en ontwierp kledij, zowel in opdracht van boetieks als voor zichzelf.

Haar rijke fantasiewereld voedde een eigen lijn met extravagante kledij, typisch voor de post-punkperiode van de eighties.

Denk aan een explosie van kleuren, gecombineerd met halskettingen, breiwerk, plastiek en gigantische schouders.

Daarbij richtte ze zich niet zelden tot vrouwen met een maatje meer. Het leverde haar een leven vol hectische modeshoots en campagnes op.

Haar fascinatie voor het Oosten bracht haar naar Indonesië, waar ze stoffen bedrukte met zeefdrukken van koriander- en kippenvoerzakken.

In India trok ze de aandacht door oude, veelkleurige stoffen op te kopen en ter plaatse, samen met Indische kleermakers, nieuwe kleding te creëren.

Een grote ommekeer in haar leven kwam in 1996.

Agnes De Man hing haar flitsende modecarrière aan de wilgen om haar jeugddroom na te jagen: clown worden.

Ze richtte de vzw Relatieclowns op en werkte tien jaar lang intensief met kwetsbare ouderen en mensen met dementie.

Deze ervaring vormt een belangrijke inspiratiebron voor haar huidige kunstwerken. Haar werk is een direct gevolg van deze persoonlijke en professionele verschuiving.

De kwetsbaarheid van de ‘oudjes’ – soms gekwetst, soms kinderlijk onbevangen lachend – bood een diepgaand tegengewicht voor de perfectionistische modewereld waarin ze eerder vertoefde.

Hieruit ontstonden haar groteske, witte poppen van papier-maché.

Sindsdien maakt Agnes De Man persoonlijk en oprecht werk.

Haar emotionele erfenissen vinden een uitweg in suggestieve sculpturen en “niet onschuldige” colliers, maar altijd met de nodige knipoog. Haar wereld is vervreemdend en speels: een champignon groeit door het dak van een huis, een diepblauwe kwal spreidt zijn lange tentakels en houten popjes houden een vinger voor hun mond.

Ze schuwt ook de maatschappijkritiek niet. Met haar komische Barbie-installatie confronteert De Man ons met het maatschappelijk opgedrongen “perfecte” lichaam.

Met klei geeft ze de poppen allerlei plastisch chirurgische ingrepen, van borstvergrotingen en liposucties tot geslachtsveranderingen.

Wat ze ook maakt, haar werk raakt telkens een gevoelige snaar en is doordrongen van tederheid, compassie, troost en humor.

Vandaag, 60 jaar geleden, komt koningin Elisabeth te overlijden

Elisabeth Gabriele Valérie Marie werd op 25 juli 1876 geboren in het Beierse Possenhofen.

Ze was een dochter van Karel Theodoor in Beieren en Maria José van Bragança, en bovendien een nicht van de beroemde keizerin Sisi van Oostenrijk.

Haar leven nam een beslissende wending toen ze Albert van België ontmoette bij een tragische gelegenheid: de begrafenis van haar tante Sophie, die in 1897 was omgekomen bij de brand in de Bazar de la Charité.

Op 2 oktober 1900 trad Elisabeth in het huwelijk met prins Albert, de latere koning Albert I. Het echtpaar kreeg drie kinderen: Leopold (1901-1983), Karel (1903-1983) en Marie-José (1906-2001).

Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte Elisabeth grote indruk met haar onvermoeibare inzet voor gewonde militairen, wat haar de blijvende bijnaam “koningin-verpleegster” opleverde.

Naast haar sociale inzet had de koningin een levenslange passie voor cultuur en muziek.

Haar naam zal voor altijd verbonden blijven aan de Elisabethwedstrijd. Elisabeth speelde zelf viool en stichtte in 1937 het Internationale Concours Eugène Ysaye, ter herinnering aan haar leraar.

Vanaf 1951 werd dit prestigieuze muziekconcours naar haarzelf vernoemd.

De koningin Elisabethwedstrijd wordt vandaag de dag nog steeds georganiseerd, met afwisselende edities voor piano, viool en zang.

Ook de koningin Elisabethzaal in Antwerpen draagt haar naam.

Op latere leeftijd, tijdens de Koude Oorlog, werden haar activiteiten nauwlettend gevolgd.

Ze ondernam opmerkelijke reizen naar Polen (1955), de Sovjet-Unie (1958), Joegoslavië en China (1961).

Hoewel ze deze reizen officieel maakte voor muziekfestivals, zorgde haar aanwezigheid op de officiële tribune op het Rode Plein op 1 mei 1958 voor de nodige opschudding.

In de Belgische pers werd volop gespeculeerd over mogelijke communistische sympathieën, wat haar bijnamen als ‘rode oma’ of ‘de rode koningin’ opleverde.

Later bleek dat deze bezoeken niet alleen in België, maar ook in de Verenigde Staten ongerustheid hadden gewekt.

In 1964 leken de plooien echter gladgestreken toen Elisabeth, samen met haar dochter Marie-José, naar de Verenigde Staten reisde waar ze een vorstelijk onthaal kregen.

Een jaar later, op 23 november 1965, overleed koningin Elisabeth op 89-jarige leeftijd in Laken aan een hartaanval.

De Cubaanse pianist, organist en componist Pérez Prado

Dámaso Pérez Prado (1916–1989) was een Cubaanse muzikant en componist, maar de wereld kent hem vooral als de onbetwiste “Koning van de Mambo”.

Hij werd geboren als zoon van een onderwijzeres en leerde al als kind klassieke muziek spelen op de piano.

Later speelde hij orgel en piano in lokale clubs. In de jaren 40 was hij een actieve muzikant in Havana, waar hij onder meer deel uitmaakte van het Orquesta Casino de la Playa.

Nadat hij in 1946 zijn eigen band formeerde, zette hij in 1948 de beslissende stap: hij verhuisde naar Mexico-Stad.

Vanuit Mexico, waar hij het grootste deel van zijn carrière zou doorbrengen, perfectioneerde hij de mambo.

Hij creëerde een kenmerkend, explosief orkestgeluid: bombastisch, met vlijmscherpe trompetten en een onweerstaanbaar ritme, vaak aangevuurd door zijn eigen beroemde kreet: “¡Uh!”.

In de jaren 50 veroverde hij de wereld met instrumentale hits die synoniem werden met feesten.

Zijn bekendste nummers zijn “Mambo No. 5”, “Mambo No. 8” en “Patricia”. Met “Cherry Pink and Apple Blossom White” scoorde hij in 1955 zelfs een nummer 1-hit in zowel de VS als het VK.

Zijn succes leidde ook tot familieconflicten. Zijn broer, Pantaleón Perez Prado, toerde door Europa met een eigen orkest onder de naam “Perez Prado”.

Dit leidde tot een rechtszaak die Dámaso aanspande tegen zijn broer.

Pantaleón overleed in 1983 in Milaan, waar hij woonde.

Pérez Prado zelf overleed in september 1989 op 72-jarige leeftijd.

Zijn nalatenschap kreeg in 1999 een enorme boost toen Lou Bega zijn “Mambo No. 5” gebruikte als basis voor een wereldwijde hit, wat nogmaals bewees hoe tijdloos Prado’s muziek was.