Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Auteur: Patrick De Graeve
Patrick De Graeve is een gepassioneerde blogger die schrijft over zijn ervaringen en inzichten in de wereld van de popmuziek en geschiedenis. Hij is de oprichter en beheerder van de Facebookgroepen Gisteren nog vandaag en Weetjes over Popmuziek, waar hij regelmatig interessante feiten, anekdotes en trivia deelt met andere muziekliefhebbers. Patrick is ook een fervent verzamelaar van tijdschriften, vooral van het populaire Belgische blad Joepie. Hij heeft een volledige collectie vanaf september 1973 tot en met eind december 1989, die hij zorgvuldig bewaart en koestert. Patrick's blog, Gisteren nog vandaag, is een bron van inspiratie en nostalgie voor iedereen die meer wil weten over de geschiedenis van Vlaanderen en dat via oude tijdschriften, foto's, tv-reeksen, films en reclame.
Het nummer is door hemzelf geschreven en staat op zijn album Voilà que tu reviens.
Naast dit nummer bevat datzelfde album ook bekende hits zoals ‘Par Gourmandise’ en ‘Ils sont tombés’.
Er doen hardnekkige geruchten de ronde dat de tekst van het nummer verwijst naar de moeizame relatie van de zanger met de Franse fiscus.
Nadat hij naar Zwitserland verhuisde, werd hij in 1972 beschuldigd van fiscale fraude.
Dit juridische getouwtrek leidde in 1979 tot een boete van drie miljoen Franse frank (FRF), wat neerkomt op ongeveer 450.000 euro, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een jaar.
Pas na de uiteindelijke betaling in 1980 werd de rechtsvervolging officieel gestaakt.
De titel ‘Mes Emmerdes’ draagt een interessante dubbele lading die perfect aansluit bij dit verhaal.
In het Frans wordt het woord emmerdes vaak gebruikt om te verwijzen naar dagelijkse beslommeringen en kleine ergernissen waarover de zanger in de tekst zingt.
Tegelijkertijd heeft de term een veel plattere, volkse bijbetekenis die verwijst naar diepe narigheid of stront aan de knikker.
Met deze titel wist Aznavour op een ironische en melancholische manier zowel de onschuldige kopzorgen van vroeger als zijn zware juridische strijd met de overheid te vatten.
Hoewel ‘Mes Emmerdes’ in Wallonië een groot succes was met een vierde plaats in de hitlijsten, bleef het succes in Vlaanderen opvallend genoeg beperkt tot een notering in de tipparade.
In Nederland wist het nummer door te dringen tot de vijfentwintigste positie in de Top 40.
Toen de Gentenaars in 1452 ten strijde trokken tegen hertog Filips de Goede, zetten ze volgens de legende een indrukwekkend kanon in bij het beleg van Oudenaarde.
De Gentenaars verloren de strijd echter, waardoor het monster van Gent als zegeteken in Oudenaarde achterbleef.
Pas op 25 februari 1578 wist kapitein Rockelfing het wapen te heroveren.
Op 8 maart van dat jaar kwam de Dulle Griete, ook wel de Rode Duivel genoemd, aan bij het Cuupgat bij de Minderbroeders.
Hoewel er vermoedelijk plannen waren om het kanon te slopen, besloten de Gentse schepenen anders.
Op 15 april werd het per boot naar het einde van de Langemunte gebracht om op rollen te worden geplaatst bij Wannekens aard, een plek die vernoemd was naar de nabijgelegen brouwerij Wannekin.
Vanaf 1812 kreeg deze locatie de officiële naam Bij ’t Groot Kanon.
De afwezigheid van dergelijke zware wapens in de stad had een historische reden.
Na de Gentse Opstand tussen 1537 en 1540 voerde keizer Karel V een strikt verbod op vuurwapens in en liet hij de stadswallen slopen om toekomstige rebellie te voorkomen.
Tijdens het calvinistische bewind aan het eind van de zestiende eeuw werd dit gebrek aan defensie pijnlijk duidelijk, wat de herovering van het kanon extra betekenis gaf.
De naam Dulle Griet kent verschillende verklaringen.
Een bekende theorie verwijst naar gravin Margaretha van Constantinopel, die vanwege haar felle karakter door het volk de booze of dulle Griet werd genoemd.
Een andere verklaring legt de link met het schilderij van Pieter Bruegel de Oude, waarop een toornige vrouw te zien is die zo dapper is dat zij zelfs voor de poorten van de hel durft te roven.
Zij personifieert daarmee kwaad, oorlog en vernieling. In de loop der tijd veranderde de symboliek echter van een teken van verwoesting naar een icoon van vergane glorie en nationale trots.
Margaretha van Constantinopel, vaak aangeduid als Zwarte of Dulle Griet, leidde een roerig bewind dat werd gekenmerkt door de bittere strijd tussen haar kinderen uit twee huwelijken.
Uit haar eerste verbintenis met Bouchard van Avesnes kwamen Jan en Boudewijn voort, terwijl haar tweede huwelijk met Willem van Dampierre de zonen Willem en Gwijde voortbracht.
Deze familievete leidde uiteindelijk tot de splitsing van Vlaanderen en Henegouwen, waarbij de nazaten van Avesnes Henegouwen behielden en de Dampierres Vlaanderen kregen.
Hoewel Willem van Dampierre vanaf het Verdrag van Parijs in 1246 de titel van graaf droeg, bleef hij tot zijn dood in 1251 onder het gezag van zijn moeder.
Margaretha bleef immers tot aan haar eigen overlijden in 1279 de feitelijke heerser over het verenigde rijk.
Pas na haar troonsafstand werd haar zoon Gwijde van Dampierre de onbetwiste alleenheerser over Vlaanderen.
De Stampeders, een van Canada’s meest gewaardeerde formaties, mochten een dikke kaars branden voor deejay Wolfman Jack, ongetwijfeld Amerika’s beroemdste en origineelste platenruiter.
Want alhoewel hun versie van de Ray Charles-hit ‘Hit the Road Jack’ verre van slecht genoemd kon worden, toch hadden ze de Europese doorbraak ervan vooral aan deejay Jack te danken.
De jongens waren op het idee gekomen de plaat te beginnen en te eindigen met een sentimenteel telefonisch onderonsje met de superdikkerd onder de platendraaiers.
In het kort kwam het hierop neer dat een van de Stampeders schreeuwde dat zijn meisje was gaan lopen en hij verrekt in de put zat, waarna Wolfman Jack in zijn klassieke gillende stijl antwoordde dat hij maar eens een weekendje moest afkomen om alles uit te praten.
Dat viel zodanig in de smaak van de meeste deejays in Europa en elders dat ze daarom alleen al ‘Hit the Road Jack’ van The Stampeders waren gaan ronddraaien.
Het publiek pikte daar meteen op in, maar dan ook echt voor het nummer zelf. Het betekende voor deze Canadese formatie na hitjes als ‘Morning Magic’ en ‘Be a woman’ uiteindelijk de eerste grote hit.
Het nummer kende een rijke voorgeschiedenis, want het werd al in 1960 geschreven door Percy Mayfield en vervolgens in 1961 opgenomen door Ray Charles.
Op die bewuste opname, waarop ook The Raelettes-zangeres Margie Hendrix te horen was, groeide het uit tot een van de allerbekendste nummers van Charles.
Het stond destijds zelfs twee weken lang op de eerste plaats in de Amerikaanse Billboard Hot 100. In 1976 besloten The Stampeders het nummer in een nieuw, rockend jasje te steken.
Een opvallend element in deze versie was het telefoongesprek dat de hoofdpersoon voerde met de bekende Amerikaanse radio-dj Wolfman Jack, wiens echte naam Robert Weston Smith is.
Deze unieke aanpak bracht hen internationaal succes in de hitlijsten. In hun thuisland Canada klom de single naar de zesde plaats, en in de Verenigde Staten werd de veertigste positie bereikt.
Ook in de Lage Landen viel het nummer erg in de smaak: in Vlaanderen stootte de plaat door naar een mooie derde plek in de BRT Top 30, terwijl de hit in Nederland goed was voor een zesde plaats in de Top 40.
De Stampeders bestonden op dat moment, in juni 1976, al sedert 1965.
De groep was destijds opgericht door gitarist en componist Rich Dobson, gitarist en componist Ronnie King en gitarist, drummer en componist Kim Berly.
Dit trio was altijd de basis gebleven van de formatie, maar ze lieten zich geregeld door andere muzikanten omringen.
Wolfman Jack overleed op 1 juli 1995. Hij stierf op 57-jarige leeftijd aan de gevolgen van een hartaanval.
Boy George werd op 14 juni 1961 geboren als George Alan O’Dowd in Eltham, een wijk in het zuidoosten van Londen.
Hij groeide op in een groot, levendig, maar ook turbulent arbeidersgezin van Ierse afkomst.
Zijn ouders, Jeremiah (Jerry) en Christina (Dinah) O’Dowd, hadden in totaal zes kinderen: George, zijn vier broers en een zus.
Zijn vader Jerry werkte in de bouw en stond bekend als een charismatische man die soms een moeilijk humeur had.
George heeft later in interviews en zijn autobiografie beschreven dat de sfeer thuis soms gespannen was door de driftbuien van zijn vader.
Zijn moeder Dinah werd door George omschreven als de rots in de branding die het gezin ondanks alles bij elkaar hield.
De band met zijn moeder was erg sterk, en hij bewonderde haar veerkracht enorm.
In 2026 verscheen er nog een documentaire waarin George dieper inging op deze familiegeschiedenis en de invloed van zijn Ierse wortels.
Tijdens zijn jeugd voelde George zich vaak een buitenbeentje, of zoals hij het zelf noemde, het roze schaap van de familie.
Terwijl zijn broers zich meer richtten op sport of in de voetsporen van hun vader traden in de bouw, was George gefascineerd door kunst, mode en muziek.
Hij werd sterk beïnvloed door artiesten als David Bowie en Marc Bolan van T. Rex.
Zijn vader nam hem op jonge leeftijd zelfs mee naar een concert van Bowie, wat een grote indruk op hem maakte.
Zijn opvallende verschijning leidde op school tot veel conflicten.
George begon al vroeg te experimenteren met make-up en extravagante kleding, wat er uiteindelijk toe leidde dat hij van school werd gestuurd.
Na zijn schooltijd nam hij verschillende baantjes aan om zijn passie voor mode te financieren, waaronder werk als fruitplukker en als make-upartist bij de Royal Shakespeare Company.
In de nachtelijke uren was hij een bekend gezicht in de Londense clubscene, waar hij uiteindelijk werd ontdekt en zijn weg naar de roem vond met de band Culture Club.
Gisteren nog vandaag
Boy George werd op 14 juni 1961 geboren als George Alan O’Dowd in Eltham, een wijk in het zuidoosten van Londen.
Hij groeide op in een groot, levendig, maar ook turbulent arbeidersgezin van Ierse afkomst.
Zijn ouders, Jeremiah (Jerry) en Christina (Dinah) O’Dowd, hadden in totaal zes kinderen: George, zijn vier broers en een zus.
Zijn vader Jerry werkte in de bouw en stond bekend als een charismatische man die soms een moeilijk humeur had.
George heeft later in interviews en zijn autobiografie beschreven dat de sfeer thuis soms gespannen was door de driftbuien van zijn vader.
Zijn moeder Dinah werd door George omschreven als de rots in de branding die het gezin ondanks alles bij elkaar hield.
De band met zijn moeder was erg sterk, en hij bewonderde haar veerkracht enorm.
In 2026 verscheen er nog een documentaire waarin George dieper inging op deze familiegeschiedenis en de invloed van zijn Ierse wortels.
Tijdens zijn jeugd voelde George zich vaak een buitenbeentje, of zoals hij het zelf noemde, het roze schaap van de familie.
Terwijl zijn broers zich meer richtten op sport of in de voetsporen van hun vader traden in de bouw, was George gefascineerd door kunst, mode en muziek.
Hij werd sterk beïnvloed door artiesten als David Bowie en Marc Bolan van T. Rex.
Zijn vader nam hem op jonge leeftijd zelfs mee naar een concert van Bowie, wat een grote indruk op hem maakte.
Zijn opvallende verschijning leidde op school tot veel conflicten.
George begon al vroeg te experimenteren met make-up en extravagante kleding, wat er uiteindelijk toe leidde dat hij van school werd gestuurd.
Na zijn schooltijd nam hij verschillende baantjes aan om zijn passie voor mode te financieren, waaronder werk als fruitplukker en als make-upartist bij de Royal Shakespeare Company.
In de nachtelijke uren was hij een bekend gezicht in de Londense clubscene, waar hij uiteindelijk werd ontdekt en zijn weg naar de roem vond met de band Culture Club.
Het nummer werd geschreven door Bob Heatlie en geproduceerd door de Schotse producer Neil Ross.
Wat destijds niet iedereen wist, was dat achter het pseudoniem Aneka de gerespecteerde traditionele folkzangeres Mary Sandeman schuilging, die in haar thuisland Schotland al een gevestigde naam was.
Het idee voor de artiestennaam Aneka ontstond overigens heel toevallig toen ze een Schots telefoonboek doorbladerde en zocht naar een naam die een beetje exotisch en passend klonk bij het popconcept.
In Vlaanderen veroverde Japanese Boy moeiteloos de eerste plaats in de BRT Top 30, en ook in Groot-Brittannië, Ierland, Finland, Zwitserland en Zweden schoot de plaat door naar de absolute toppositie.
In de Nederlandse Top 40 moesten de fans genoegen nemen met een nog altijd zeer respectabele zevende plaats.
Wereldwijd gingen er destijds meer dan vijf miljoen exemplaren van de single over de toonbank.
Een leuk weetje is dat Mary Sandeman destijds al in de dertig was toen ze doorbrak als popster, wat destijds vrij ongebruikelijk was in de popwereld.
Bovendien trad ze tijdens promotie-optredens altijd op in een traditionele Japanse kimono en met een opvallend kapsel, een imagokeuze die tegenwoordig waarschijnlijk veel stof zou doen opwaaien, maar in de vroege jaren tachtig een slimme marketingtruc bleek te zijn.
In 2002 beleefde het nummer een enorme heropleving onder een compleet nieuwe generatie jongeren.
Het werd namelijk toegevoegd aan de soundtrack van het immens populaire computerspel Grand Theft Auto: Vice City, waardoor de iconische synthesizerklanken plotseling weer overal te horen waren.
Het succes van die eerste single bleek echter moeilijk te evenaren.
De opvolger ‘Little Lady’, die eveneens uit de pen van Bob Heatlie kwam, deed het in Vlaanderen nog heel aardig met een zevende plaats in de BRT Top 30.
In Nederland bleef de single steken op de achttiende plaats in de Top 40. De daaropvolgende single,
Ooh ‘Shooby Doo Doo Lang’ wist de hitlijsten niet meer te bereiken en strandde in de Tipparade.
Ook de singles die daarna uitkwamen ondergingen hetzelfde lot.
Na de release van haar laatste single ‘Heart To Beat’ in 1983 besloot de zangeres in 1984 definitief een punt te zetten achter haar popcarrière.
Na dit korte maar hevige popavontuur keerde ze in de jaren tachtig snel terug naar haar oorspronkelijke passie: de traditionele Schotse folkmuziek en Keltische, Gaelische zang.
Onder haar eigen naam Mary Sandeman trad ze onder andere op met het prestigieuze Scottish Fiddle Orchestra en bracht ze gewaardeerde albums uit in haar vertrouwde genre.
In 2006 dook ze nog even op in de publiciteit toen ze meewerkte aan een Britse televisiedocumentaire over eendagsvliegen, de bekende one-hit wonders.
Ze weigerde destijds echter resoluut om naar Londen te reizen voor een reoptreden op televisie.
Ze gaf nuchter aan dat ze nog altijd achter het nummer stond, maar dat ze absoluut geen behoefte meer had om de popact van weleer te herhalen.
Volgens de laatste updates woont Mary Sandeman, die inmiddels 78 jaar oud is, in het schilderachtige Perthshire in de buurt van het Schotse Stirling.
Om bezig te blijven na haar muzikale loopbaan werkte ze de afgelopen decennia onder andere als parttime stadsgids in Stirling, waarbij ze toeristen met veel plezier rondleidde door de Schotse geschiedenis.
Tegenwoordig geniet ze in alle rust van haar pensioen en van haar gezinsleven als trotse grootmoeder.
Aanvankelijk begon Bernard William Lewry zijn muzikale carrière in het begin van de jaren zestig onder de artiestennaam Shane Fenton.
Met zijn band The Fentones kende hij wat lokaal succes. Een opmerkelijk weetje uit die tijd is dat Lewry eigenlijk de roadie van de band was.
Toen de oorspronkelijke zanger, de echte Shane Fenton, vlak voor een belangrijke BBC-auditie door gezondheidsproblemen plotseling overleed, nam Lewry noodgedwongen zijn plaats én zijn naam over om de kans niet aan de band voorbij te laten gaan.
Jaren later kreeg zijn carrière een onverwachte en zeer succesvolle wending.
Componist Peter Shelley had het nummer ‘My coo ca choo’ geschreven en was oorspronkelijk van plan om dit zelf uit te brengen.
Hij had daarvoor zelfs al de extravagante artiestennaam Alvin Stardust bedacht.
Omdat Shelley echter in 1973 samen met Michael Levy een doorstart maakte van hun eigen platenfirma, Shelley Magnet Records, ontbrak het hem simpelweg aan tijd om zelf op te treden en promotie te voeren.
Shelley vond voormalig tieneridool Shane Fenton bereid om in de huid van Alvin Stardust te kruipen en het nummer op het podium te promoten.
Deze samenwerking legde hen geen windeieren, want ‘My coo ca choo’ werd een daverend mondiaal succes.
In Australië stond het nummer maar liefst zeven weken op de eerste plaats.
Ook in Oostenrijk en Noorwegen liep de verkoop uitstekend, met respectievelijk een tweede plaats gedurende zestien weken en een vierde plaats in negen weken.
In Vlaanderen bereikte de single op 2 februari 1974 een mooie derde plaats in de BRT Top 30.
Wat Peter Shelley betreft: hij zou een jaar na dit succes alsnog zelf singles gaan uitbrengen onder zijn eigen naam.
Zijn single ‘Love Me Love My Dog’ uit 1975 deed het behoorlijk goed.
In de Lage Landen kennen we de melodie van dit nummer vooral dankzij Rudi Carrell, die er in 1976 met ‘Samen ’n straatje’ een hit mee scoorde in de Nederlandse vertaling.
Na het gigantische succes van zijn debuutsingle bracht Alvin Stardust nog enkele opvolgers uit, waaronder ‘Red dress’ en ‘You, you, you’.
De zanger cultiveerde in deze periode een zeer kenmerkend imago: strak in het zwarte leer, met grote bakkebaarden, opvallende zwarte handschoenen en een grote, dikke ring om zijn vinger.
Hij nam tijdens tv-optredens steevast een mysterieuze, ietwat norse houding aan die sterk deed denken aan rock-‘n-roll-legendes zoals Gene Vincent.
Bovendien werd hij in Groot-Brittannië een iconisch gezicht door zijn deelname aan een beroemde verkeersveiligheidscampagne, waarin hij Britse kinderen op het matje riep als ze niet goed uitkeken bij het oversteken.
Na de hoogtijdagen in de jaren zeventig werd het even wachten, maar in 1981 maakte hij een krachtige comeback met zijn coverversie van ‘Pretend’.
Dit nummer werd oorspronkelijk in 1952 geschreven door Lew Douglas, Dan Belloc en Frank Lavere en werd destijds wereldberoemd gemaakt door Nat King Cole.
De uitvoering van Alvin Stardust bleek een groot succes te zijn.
Een leuk detail over deze comeback is dat ‘Pretend’ hem in het Verenigd Koninkrijk zijn grootste succes sinds lange tijd opleverde en de deuren naar het legendarische televisieprogramma Top of the Pops opnieuw wijd voor hem opende.
Ook in de Benelux was het een voltreffer: de single bereikte op 12 december 1981 de eerste plaats in de Vlaamse BRT Top 30 en behaalde in de Nederlandse Top 40 een knappe derde plaats.
Ook in de jaren die daarop volgden, wist Alvin Stardust nog enkele hits te scoren.
Zo was hij in 1982 succesvol met ‘A Wonderful Time Up There’ en had hij in 1985 nog een notering met ‘I Feel Like Buddy Holly’.
Naast zijn muziekcarrière speelde hij succesvol mee in diverse theatermusicals zoals Godspell en Chitty Chitty Bang Bang, en verscheen hij regelmatig in Britse televisieseries.
Het leven van deze veelzijdige artiest kwam ten einde in oktober 2014, slechts enkele weken nadat er uitgezaaide prostaatkanker bij hem was vastgesteld.
Bernard William Lewry, de man die we ons altijd zullen herinneren als de in leer gehulde Alvin Stardust, werd 72 jaar oud.
Op enkele schouwen en ventilatieschachten na verraadt niets de aanwezigheid van dit ondergrondse complex, waarvan de ingang verborgen zit in een onopvallend chalet van de groendienst.
De naam van het park verwijst naar de citadel die hier begin negentiende eeuw onder het toenmalige Nederlandse bewind werd opgetrokken.
Dit fort diende als onderdeel van de grensverdediging van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.
De locatie was niet toevallig gekozen: het verheven terrein ten zuiden van Gent, ingeklemd tussen de Schelde en de Leie, bood een uitstekend en vrij zicht op de wijde omgeving.
Na de Belgische onafhankelijkheid in 1830 verloor het fort zijn strategische functie en deed het nog een tijdlang dienst als kazerne, tot het tegen 1913 vrijwel volledig werd gesloopt.
Enkel een poortgebouw en enkele kazematten bleven bewaard.
In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog, in 1938, kregen alle Belgische provinciehoofdsteden de opdracht om een ondergrondse commandopost in te richten.
Gent koos voor de voormalige citadelterreinen en integreerde een van de oude, overgebleven kazematten in het nieuwe bouwwerk.
De werkzaamheden startten in 1939 en het robuuste complex, uitgerust met betonnen muren van 1,30 meter dik en een plafond van maar liefst 3 meter dik, werd een jaar later al in gebruik genomen.
De hoofdingang werd extra beveiligd door een volledig sas-systeem dat uit drie opeenvolgende deuren bestaat.
De eerste is een loodzware, gepantserde deur die opgebouwd is uit twee delen, vergelijkbaar met een paardendeur.
Dit ingenieuze ontwerp hield rekening met mogelijke bombardementen: mocht er na een inslag puin de onderste helft van de deur blokkeren, dan kon het bovenste deel nog steeds geopend worden.
Vanwege het gigantische gewicht was het onmogelijk om deze deur in haar geheel in de structuur te plaatsen.
Daarom werden de buitenplaten, die voor eventuele aanvallers bereikbaar waren, onlosmakelijk bevestigd met klinknagels.
Aan de binnenzijde werden de platen en tussenprofielen met bouten dwars door de structuur heen gemonteerd.
Hierdoor kon men de deur in kleinere, handzamere stukken naar binnen brengen en ter plekke in de bunker monteren.
Als men de moeren aan de binnenzijde losmaakte, kon de deur weliswaar gedemonteerd worden, maar voor een aanvaller aan de buitenkant bleef het een volledig gesloten, ondoordringbaar oppervlak vol klinknagels dat onmogelijk met een moersleutel te forceren was.
Omdat deze eerste zware deur niet gasdicht was, werd de toegang verder afgesloten door een dubbel beveiligd toegangssas, bestaande uit twee zwaar gepantserde deuren die elk voorzien waren van een zespuntsslot.
Bij het sluiten verankerden deze deuren zich met één haak naar boven, één naar beneden en twee aan elke zijkant.
De zijhaken grepen bovendien direct vast in de scharnieren, waardoor de deur zelfs zonder de overige vier haken muurvast geklemd zat.
Dergelijke deursystemen zijn tegenwoordig uiterst zeldzaam. Internationale experts reizen dan ook speciaal af om ze te bestuderen, aangezien ze nagenoeg uniek zijn, zeker in zo’n intacte staat.
Toen de Duitse troepen in mei 1940 België binnenvielen, namen ze de gloednieuwe commandopost al snel in beslag.
Hun eerste grote ingreep bestond uit het aanleggen van sanitair, een belangrijk detail dat de Belgen bij de bouw domweg vergeten waren.
Aan het einde van de oorlog, in augustus 1944, staken de vluchtende Duitsers de bunker in brand.
Pas drie jaar later werd de commandopost grondig gerenoveerd en in gebruik genomen door de Civiele Bescherming.
In diezelfde periode werd het complex uitgebreid en ondergronds verbonden met een andere oude kazemat van de historische citadel.
Met het einde van de Koude Oorlog verloor de bunker definitief zijn nut.
De Civiele Bescherming ontruimde het bouwwerk in 1993 en droeg het over aan de Stad Gent.
Sindsdien is het erg stil geworden rond de commandopost.
In 2001 kreeg de bunker nog even een tijdelijke invulling als tentoonstellingsruimte voor het SMAK, en in 2011 konden bezoekers tijdens Open Monumentendag een allerlaatste keer een kijkje nemen.
Vandaag de dag gebruikt de groendienst nog steeds het chalet bovengronds, maar diep onder de aarde blijft de bunker gehuld in stilte (Wikipedia, Alexander Dumarey, bunkergordel en diverse andere bronnen)
De Belgische zanger Frank Michael werd op 7 mei 1947 als Franco Gabelli geboren in het Italiaanse Bedonia, in de provincie Parma.
Al op driejarige leeftijd verhuisde hij met zijn familie naar België, waar het gezin zich vestigde in Seraing, in de provincie Luik.
Als tiener al nam Gabelli met enig succes deel aan radiowedstrijden, een populair fenomeen in die tijd.
Voordat hij definitief voor een muzikale loopbaan koos, werkte hij vanaf zijn zestiende als technicus in de televisie-elektronica.
Zijn muzikale carrière ging officieel van start midden jaren zeventig, toen hij een eerste plaat opnam.
Deze eerste single, Je ne peux vivre sans toi, werd in 1974 uitgebracht door platenmaatschappij RCA.
Eind 1974 verscheen zijn tweede single, Dites-lui que je l’aime, wat een cover was van de klassieker Tell Laura I Love Her uit 1960.
Geleidelijk vond hij zijn plek binnen het genre van de charmezangers en wist hij een trouw publiek op te bouwen met zijn romantische repertoire en charmante stemgeluid.
In 1976 scoorde hij een hit met het nummer Dis-moi. In de jaren die volgden scoorde hij verschillende successen met nummers zoals ‘Souviens toi de ma chanson’, ‘Eternamente’, ‘Ballade pour un je t’aime’, ‘Une autre vie, un autre homme’,’ En Italie’ en ‘Laisse-moi une chance’ .
Een van zijn laatste grootste successen was het nummer ‘La Saint-Amour’.
Het nummer La Saint-Amour van Frank Michael verscheen in het najaar van 2017 als de titelsong van zijn gelijknamige album.
De melodie van dit nummer is gebaseerd op een zeer bekend klassiek meesterwerk, namelijk de Second Waltz (Wals nr. 2) uit de Suite voor Variété-orkest van de Russische componist Dmitri Sjostakovitsj.
Dit klassieke stuk kreeg in de jaren negentig al een enorme heropleving in de populaire cultuur door de bekende uitvoering van André Rieu.
Voor deze Franstalige bewerking in 2017 werd de muziek van Dmitri Sjostakovitsj voorzien van een nieuwe tekst.
Die Franse tekst werd geschreven door Michel Jourdan, een trouwe vriend en de vaste tekstschrijver van Frank Michael.
Jourdan is een grote naam in de Franse muziekwereld en schreef in zijn rijke carrière ook talloze successen voor artiesten als Mike Brant, Julio Iglesias en Marie Laforêt.
Frank Michael bracht met ‘La Saint-Amour’ een romantische chansonversie van de meeslepende wals, waarbij de grootsheid van de klassieke melodie werd gecombineerd met zijn vertrouwde stijl als charmezanger.
De zanger bouwde zijn reputatie zeer discreet op, buiten de klassieke promotiecircuits om.
Toch heeft hij een indrukwekkend palmares met meer dan 350 nummers, een twintigtal albums, talrijke singles en een lange reeks gouden en platina platen.
Ook vulde hij meermaals de prestigieuze concertzaal Olympia in Parijs.
Hoewel hij in België al een gevestigde naam was, nam zijn populariteit in Frankrijk aan het einde van de jaren negentig nog grotere vormen aan.
Dat succes werd mede aangedreven door het album Toutes les femmes sont belles uit 1997.
Dit gelijknamige nummer werd later ook in het Nederlands gecoverd door Benny Neyman en Luc Steeno.
Frank Michael profileerde zich als een rasechte crooner en richtte zich met zijn romantische liedjes en ballades specifiek op een groter, vaak wat ouder publiek.
Een bijzonder teder en melancholisch nummer in zijn repertoire is L’absence, dat onder meer op zijn album La Saint Amour verscheen.
Dit nummer snijdt een universeel en diepmenselijk thema aan: de diepe leegte, de eenzaamheid en de desoriëntatie die achterblijven na het vertrek of het verlies van een geliefde.
In de tekst vergelijkt de zanger zichzelf met een stuurloos schip op een oceaan van afwezigheid, waarbij hij beschrijft hoe de tijd de wonden niet kan helen en het huis zonder de aanwezigheid van de ander slechts als een verlaten nest aanvoelt.
In 2003 bracht hij bovendien het album Thank You Elvis uit, een bijzonder project waarop hij vijftien nummers van Elvis Presley vertolkte in het Frans en het Italiaans.
Met bijna 60 gouden platen behoort de Italiaans-Belgische crooner tot de tien Belgische persoonlijkheden die wereldwijd de meeste platen hebben verkocht.
Gedurende zijn decennialange loopbaan verkocht hij in totaal bijna 15 miljoen exemplaren, en wist hij met grote regelmaat de hitlijsten in Wallonië en Frankrijk te bereiken.
Zijn betekenis voor de cultuur werd in 2004 officieel erkend toen hij werd benoemd tot Officier in de Kroonorde.
In 1971 sloegen de jonge Wilma Landkroon en Pierre Kartner, beter bekend als Vader Abraham, de handen ineen voor een single die een onuitwisbare indruk zou achterlaten op de Nederlandstalige muziekgeschiedenis.
Het resultaat van deze samenwerking was het emotionele levenslied Zou Het Erg Zijn, Lieve Opa.
Wilma Landkroon werd geboren in april 1957.
Het talent en de liefde voor muziek zaten overduidelijk in de familie Landkroon.
Haar broer Henny Thijssen is een veelzijdige Nederlandse zanger, tekstschrijver en componist die geboren werd op 18 april 1952 in Utrecht en al vele jaren in Enschede woont.
Als oudere broer van Wilma Nic en haar jongere zus Reiny Landkroon vormt hij een belangrijk onderdeel van dit muzikale gezin. Reiny Landkroon werd in 1965 geboren in Enschede en zou later eveneens haar weg naar het podium vinden.
In 1968 werd het jonge kindsterretje Wilma ontdekt door Addy Kleyngeld, die haar vervolgens voorstelde aan Gert Timmerman.
Op het platenlabel van Timmerman, Carpenter, verscheen in november 1968 haar debuutsingle ‘Heintje (Bau’ Ein Schloss Für Mich)’.
Haar heldere stem scoorde al snel grote successen bij het publiek, gevolgd door platen zoals haar vierde single ‘Tachtig Rode Rozen’.
Haar jeugd stond volledig in het teken van optredens, studio-opnames en de schijnwerpers, een wereld waarin ze intensief werd begeleid en gestuurd door volwassen producers en managers.
Na deze vierde single kwam Wilma onder contract bij het platenlabel Elf Provinciën, waar ze ging samenwerken met Pierre Kartner.
Pierre Kartner was in diezelfde periode hard op weg om een van de meest succesvolle en productieve componisten, tekstschrijvers en producers van Nederland te worden.
Aan het begin van de jaren zeventig creëerde hij zijn personage Vader Abraham, aanvankelijk omringd door zijn Zeven Zonen.
Kartner had een feilloos gevoel voor wat het grote publiek wilde horen en wist als geen ander sentiment en herkenbare maatschappelijke thema’s te vertalen naar aanstekelijke melodieën.
De samenwerking voor ‘Zou Het Erg Zijn Lieve Opa’ bleek een gouden greep.
Het nummer is opgebouwd als een dialoog tussen een bezorgd kleinkind en haar grootvader.
Wilma stelt de melancholische vraag wat er gebeurt als opa er later niet meer is en of het erg is als ze dan om hem huilt.
Vader Abraham stelt haar in het lied gerust met zijn warme, vaderlijke stem.
De combinatie van de breekbare kinderstem van Wilma en de diepe, geruststellende stem van Kartner raakte direct de juiste snaar bij het publiek.
De single werd uitgebracht in 1971 en groeide in recordtempo uit tot een gigantisch succes.
In de zomer van 1971 bereikte de single de eerste plaats in de Top 40 in Nederland.
Het werd de allereerste nummer 1-hit voor Vader Abraham en betekende voor Wilma de absolute piek van haar muzikale carrière.
Er werden honderdduizenden exemplaren van de single verkocht.
Bij ons in Vlaanderen kende het nummer echter een veel bescheidener hitverloop; daar bereikte het nummer maar de zesentwintigste plaats in de Joepie Top 30 en het bereikte zelfs geen plaats in de BRT Top 30.
Op zijn eentje moest Vader Abraham wachten tot 1974 met het carnavalsnummer ‘Den Uyl is in den olie’, dat hij opnam samen met Boer Koekoek.
Deze single stond destijds twee weken op de eerste positie.
Zijn allergrootste succes volgde in 1977 met ‘Het Smurfenlied’.
Die plaat werd een gigantische internationale hit en stond maar liefst zeven weken lang op nummer 1 in de Top 40.
Ondanks het enorme succes en de vertederende uitstraling van het nummer, kende de samenwerking achter de schermen ook een schaduwzijde.
Na de grote hit ging het bergafwaarts met Wilma.
De single ‘Waarom laat iedereen mij zo alleen’ was voorlopig haar laatste studio-opname en in 1972 eindigde de samenwerking met Kartner alweer.
Wilma hield aan haar periode met Pierre Kartner en de muziekindustrie in het algemeen gemengde en later zelfs overwegend negatieve herinneringen over.
Als kindsterretje voelde ze zich achteraf vaak financieel en emotioneel tekortgedaan door de volwassenen die haar carrière stuurden, waarbij de zakelijke belangen de overhand hadden.
Het leven na de vroege roem verliep moeizaam voor Wilma.
Ze belandde in een kindertehuis en werd in 1975 gearresteerd wegens inbraak.
Pas in 1981 liet ze muzikaal weer van zich horen, toen ze meezong op de single ‘Van Washington naar Moskou’, die werd uitgebracht onder de projectnaam Sterren Voor Vrede.
Aan dit project werkten ook andere bekende namen mee, zoals Peter Koelewijn, Conny Vink, Dries Holten, Jacques Herb en Don Mercedes.
Terwijl Wilma destijds probeerde haar leven weer op de rit te krijgen, begon haar zus Reiny Landkroon in de jaren tachtig aan haar eigen muzikale loopbaan.
Tussen 1983 en 1988 trad Reiny voornamelijk op onder de artiestennaam Sacha.
Onder deze naam bracht ze diverse singles uit in het Nederlandse levenslied- en popgenre, waarvan een aantal nummers mooie successen werden.
Bekende titels van Sacha uit die periode zijn onder andere ‘Eenzame nachten’, ‘Die mooie melodie’, ‘Maar nu is het te laat’, ‘Geloof me’ en ‘Gevangen tussen vier muren’.
Na haar periode als Sacha besloot ze te gaan zingen onder haar eigen voornaam Reiny.
Onder haar eigen naam bracht ze nummers uit zoals ‘Zo gelukkig met jou’ en ‘Nu je weg bent’
Ook werkte ze in de loop der jaren samen met andere bekende namen uit de Nederlandse muziekwereld.
Opvallend genoeg nam ze, ondanks de eerdere strubbelingen van haar zus Wilma, duetten op met Pierre Kartner (Vader Abraham) en werkte ze ook samen met Arne Jansen.
In 2009 verscheen er bovendien een album van haar hand met de titel ‘Misschien dat het ooit nog went’.
Broer Henny Thijssen begon zijn eigen loopbaan in de rockmuziek.
Vanaf de oprichting in 1988 zong hij in de rockband East Coast, waarmee hij een album og twee singles uitbracht.
Met deze band won hij in 1988 de publieksprijs en de derde prijs van de vakjury op het alternatieve Wereld Songfestival in Bratislava met het nummer ‘Save Our Planet’.
De band stopte in 1990, waarna hij zich steeds meer ging richten op het schrijven en produceren van muziek, met name binnen het levenslied.
Als componist en tekstschrijver bouwde Henny achter de schermen een enorme reputatie op.
Hij werd de creatieve kracht achter talloze successen van bekende Nederlandse artiesten.
Zo schreef hij mee aan het bekende nummer ‘Ga’ van André Hazes, dat werd uitgebracht op 1 januari 2000 en waarmee hij goud en platina behaalde.
Daarnaast leverde hij veelvuldig nummers aan artiesten zoals Koos Alberts, voor wie hij nummers schreef als ‘Tranen van verdriet’ en het album ‘Net als vroeger’
Ook schreef hij hits voor Tino Martin, Corry Konings, Frans Bauer, Marianne Weber en zorgde hij voor de muzikale doorbraak van Frank van Etten.
Voor zijn omvangrijke en belangrijke bijdrage aan de Nederlandstalige muziekcultuur ontving hij de Hollandse Meester Award van Buma Stemra.
Hoewel hij decennialang vooral succesvol was als schrijver voor anderen, bracht Henny zelf ook diverse solosingles en de albums Tastbaar en Levensecht uit.
Het grote publiek maakte opnieuw kennis met zijn markante stemgeluid door zijn deelname aan de talentenjacht Bloed, zweet en tranen op SBS6, waarin hij de finale bereikte.
Zijn echte grote doorbraak als zanger bij het grote publiek kwam in 2020, toen hij op 68-jarige leeftijd meedeed aan het televisieprogramma The Voice Senior op RTL 4 en na een indrukwekkend parcours tot winnaar werd gekroond.
In de vroege jaren negentig volgden voor Wilma nog enkele comebackpogingen. De singles ‘Het leven is oneerlijk’, ‘Recht op een beetje geluk’ en ‘Waarom heb ik je nodig?’ uit 1992 leverden ondertussen niet het verhoopte succes op.
Persoonlijk drama trof haar in 1994, toen ze het nieuws haalde omdat haar huis volledig afbrandde.
Bij deze calamiteit gingen al haar behaalde gouden platen verloren. Een jaartje later, in 1995, besloot Wilma de showbizz definitief de rug toe te keren.
Slechts sporadisch trad ze daarna nog in de openbaarheid.
In 2005 was ze samen met Jan Smit te gast in een televisieprogramma van Paul de Leeuw.
Tijdens deze uitzending stak ze haar diepe, negatieve herinneringen aan haar voormalige managers en begeleiders Ben Essing en Pierre Kartner niet onder stoelen of banken.
Desalniettemin blijft ‘Zou Het Erg Zijn Lieve Op’a een historisch document in de popgeschiedenis van de Lage Landen.
Het markeerde de definitieve doorbraak van Vader Abraham als topentertainer en staat symbool voor het tijdperk van het emotionele Nederlandse levenslied aan het begin van de jaren zeventig.
De Parijse, geboren op 17 januari 1944, begon haar carrière als tieneridool met dromerige, melancholische liedjes.
Ze oogstte al snel de bewondering van talloze beroemdheden; zo bekende David Bowie ooit dat hij stiekem verliefd op haar was.
Een van haar absolute tophits is ‘Comment te dire adieu’.
Dit nummer is de Franse bewerking van ‘It Hurts To Say Goodbye’, dat oorspronkelijk door Jack Gold was geschreven voor Margaret Whiting.
De gevatte Franse tekst kwam van de hand van Serge Gainsbourg.
Door de jaren heen is het lied veelvuldig gecoverd door onder meer Jim Nabors, Amanda Lear en uiteraard Jimmy Somerville.
Hardy’s privéleven werd sterk getekend door haar relatie met zanger en acteur Jacques Dutronc.
Na een jarenlange latrelatie traden ze in 1981 in het huwelijk. In haar autobiografie omschrijft ze hem als een ongrijpbare man, steevast verscholen achter een zonnebril en een wolk van sigarenrook.
Hij was bovendien zelden thuis vanwege tournees of filmopnames.
Hoewel ze officieel altijd getrouwd zijn gebleven, bouwde hij later een nieuw leven op Corsica op met actrice Sylvie Duval.
In een openhartig interview blikte de zangeres ooit terug op dit complexe huwelijk.
Ze omschreef Dutronc als een man van weinig woorden, die over haar opmerkte dat ze slim was, omdat ze kritiek altijd behendig verzachtte met een compliment.
Hun relatie vormde een enorme inspiratiebron voor haar liefdesliedjes en de ontelbare brieven die ze hem schreef.
Hoewel de romantische liefde uiteindelijk uitdoofde, bleef hij wel bij haar overnachten wanneer hij in Parijs was.
Hardy besefte naar eigen zeggen pas op latere leeftijd dat haar echtgenoot behoefte had aan een dubbelleven.
Enerzijds zette hij de vrouw van wie hij hield op een voetstuk, maar anderzijds zocht hij stiekem de spanning op in vluchtige avontuurtjes.
Achteraf was ze opgelucht dat ze dit als jonge vrouw niet volledig had beseft, omdat het haar destijds ongetwijfeld gebroken zou hebben.
Met de jaren kon ze zijn hang naar avontuur echter loslaten en accepteerde ze hem zoals hij was.
In hetzelfde interview gaf ze toe lange tijd ongelukkig te zijn geweest, wat haar juist aanzette tot schrijven.
Ze herkende daarin een zekere hang naar tragiek, aangezien ze zich simpelweg niet kon aangetrokken voelen tot een brave, stabiele man.
Hoewel ze later in haar leven emotionele rust vond, werd haar laatste levensfase getekend door zwaar fysiek lijden.
De zangeres kampte jarenlang met lymfeklier- en keelkanker.
Deze ingrijpende ziektegeschiedenis zorgde ervoor dat ze zich in haar laatste jaren nadrukkelijk begon uit te spreken voor het recht op euthanasie.
Ondanks haar roem was Hardy naar eigen zeggen een kluizenaar van nature.
Ze hield het schrijven van een autobiografie lang af met de smoes dat haar leven te saai zou zijn om over te lezen.
Ze verbleef immers het liefst ongestoord tussen haar vier muren met boeken, muziek en schrijfwerk.
Haar wereldje was klein en bestond vooral uit haar zoon Thomas Dutronc en enkele hechte vrienden.
Haar geluk vond ze in kleine, alledaagse momenten: goed eten, wandelen in het Bois de Boulogne en in alle stilte genieten van de bomen en de zonsondergang.
De natuur bood haar een meditatieve rust en een vredige manier om zich van de buitenwereld af te sluiten.