Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Auteur: Patrick De Graeve
Patrick De Graeve is een gepassioneerde blogger die schrijft over zijn ervaringen en inzichten in de wereld van de popmuziek en geschiedenis. Hij is de oprichter en beheerder van de Facebookgroepen Gisteren nog vandaag en Weetjes over Popmuziek, waar hij regelmatig interessante feiten, anekdotes en trivia deelt met andere muziekliefhebbers. Patrick is ook een fervent verzamelaar van tijdschriften, vooral van het populaire Belgische blad Joepie. Hij heeft een volledige collectie vanaf september 1973 tot en met eind december 1989, die hij zorgvuldig bewaart en koestert. Patrick's blog, Gisteren nog vandaag, is een bron van inspiratie en nostalgie voor iedereen die meer wil weten over de geschiedenis van Vlaanderen en dat via oude tijdschriften, foto's, tv-reeksen, films en reclame.
Opmerkelijk genoeg werd hij al voor zijn eerste politieke persconferentie door zanger Gérard Lenorman genoemd in het liedje Si j’étais président uit 1980.
Daarin werd hij lachend omschreven als Coluche notre ministre de la rigolade, oftewel de minister van de lach. Wat in dat liedje nog een onschuldige grap leek, groeide echter uit tot een serieuze politieke beweging die de gevestigde orde deed wankelen.
In een overvolle zaal in Parijs hield hij die dag een persconferentie die het establishment op zijn grondvesten deed daveren.
Coluche wierp zich op als de spreekbuis voor alle kandidaten die werden buitengesloten en kondigde de oprichting aan van een federatie van kleine kandidaten.
Zijn voornaamste strijdpunt was de afschaffing van de regel van de 500 handtekeningen, een systeem waarbij presidentskandidaten steun moesten krijgen van vijfhonderd burgemeesters of verkozenen om officieel op het stembiljet te mogen staan.
Hij noemde dit een ondemocratische grendel, bedoeld om de macht bij de grote partijen te houden.
De reacties van traditionele politici als François Mitterrand en zittend president Valéry Giscard d’Estaing waren niet langer lacherig, maar grensden aan paniek toen peilingen hem tot 16% van de stemmen toedichtten.
De sfeer werd steeds grimmiger, met lastercampagnes en doodsbedreigingen tot gevolg.
De druk werd uiteindelijk onhoudbaar, en slechts twee weken na deze strijdbare persconferentie trok hij zich op 16 maart 1981 terug.
De turbulente gebeurtenissen rond zijn presidentscampagne werden later verfilmd in Coluche, l’histoire d’un mec (Coluche, ’t verhaal van een vent).
In deze film uit 2008, geregisseerd door Antoine de Caunes, wordt de rol van de komiek gespeeld door François-Xavier Demaison.
Michel Colucci, beter bekend onder zijn pseudoniem Coluche, zou uiteindelijk vijf jaar na dit politieke avontuur te overlijden komen op 19 juni 1986.
Serge Gainsbourg was een markante figuur in de Franse cultuur, een man die provocatie tot kunstvorm verhief en wiens leven onlosmakelijk verbonden was met muziek en passie.
Na de harde oorlogsjaren en zijn legerdienst nam hij de artiestennaam Serge Gainsbourg aan, met de ambitie om het te maken als kunstschilder.
Hij hoopte in de voetsporen te treden van zijn idool Francis Bacon en leermeester Fernand Léger, maar toen een succesvolle schilderscarrière uitbleef, stortte hij zich volledig op de muziek.
In de jaren zestig groeide hij uit tot een van de meest productieve songleveranciers voor de jonge, vrouwelijke sterren van het Franse chanson.
Hij schreef voor grootheden als Juliette Gréco, Françoise Hardy en Petula Clark.
Zijn bekendste wapenfeit uit die periode is Poupée de cire, poupée de son, waarmee France Gall in 1965 het Eurovisiesongfestival won in Napels.
Nadat zijn tweede huwelijk op de klippen liep, trad Gainsbourg zelf steeds meer op de voorgrond.
Samen met Brigitte Bardot nam hij nummers als ‘Bonny and Clyde’ en ‘Harley Davidson’ op voor het album ‘Initials B.B.’.
De internationale doorbraak kwam met de schandaalhit Je t’aime, moi non plus.
Hoewel de versie met Bardot op haar verzoek werd geschrapt, nam hij het nummer op met zijn nieuwe verovering Jane Birkin.
De single werd in verschillende landen gecensureerd, wat het succes en de status van ook het nummer ’69 année érotique’ alleen maar vergrootte.
De jaren zeventig markeerden zijn innovatiefste en meest creatieve periode. Conceptalbums zoals ‘Histoire de Melody Nelson’ en de lp’s ‘Vu de l’extérieur’, ‘Rock around the bunker’ en ‘L’homme à tête de chou’ waren vernieuwend voor het Franse chanson, hoewel ze op dat moment geen verkoopsuccessen waren.
Zijn provocaties, variërend van verwijzingen naar het nazisme tot het openlijk bezingen van de liefde in al zijn vormen, leverden hem een cultstatus en het etiket van enfant terrible op.
Gainsbourg beperkte zich niet tot één genre en verweefde jazz, pop, rock en new wave in zijn werk.
Eind jaren zeventig reisde hij naar Kingston in Jamaica om een reggaeversie van de Marseillaise op te nemen.
Het nummer op het album Aux armes et caetera veroorzaakte alweer veel controverse; het oneerbiedige gebruik van het volkslied werd hem door rechts Frankrijk niet in dank afgenomen.
In de jaren tachtig bracht hij nog drie studioalbums uit: ‘Mauvaises nouvelles des étoiles’, ‘Love on the beat’ en ‘You’re under arrest’, waarop hij experimenteerde met elektronische muziek.
Ondanks zijn artistieke drang ging het halverwege dit decennium bergafwaarts met zijn gezondheid door een leven vol alcohol en sigaretten.
Na zijn breuk met Jane Birkin verscheen hij steeds vaker dronken in talkshows, waar hij onder meer een biljet van vijfhonderd Franse frank in brand stak uit protest tegen de belastingdruk en Whitney Houston schoffeerde met boude uitspraken voor de camera.
Gainsbourg was de vader van vier kinderen, van wie Charlotte Gainsbourg uit zijn relatie met Jane Birkin de bekendste is.
Zij maakte al vroeg carrière als actrice, met onder meer een controversiële rol in de door haar vader geregisseerde film ‘Charlotte for ever’ uit 1986.
Later trad ze in zijn muzikale voetsporen met de albums ‘5:55’, ‘IRM’ en ‘Rest’, waaraan artiesten als Beck, Air en Jarvis Cocker meewerkten.
Begin jaren negentig werd kanker vastgesteld bij Serge Gainsbourg.
Hij overleed uiteindelijk op 2 maart 1991 aan de gevolgen van zijn vijfde hartfalen.
Hij werd begraven in het familiegraf van de Ginsburgs op de begraafplaats van Montparnasse, waar ook Simone de Beauvoir en Charles Baudelaire rusten.
De basis voor dit verhaal ligt bij een bijzondere opdracht van de stad, waarbij Hemony de taak kreeg een nieuwe beiaard te gieten voor het Belfort.
Dit was een prestigieuze klus die destijds uitsluitend door een officiële poorter van de stad uitgevoerd mocht worden.
Uit de handen van Hemony ontstond de indrukwekkende basklok De Grote Triomfante.
Al snel kreeg deze klok in de volksmond de naam Klokke Roeland, een titel die zij overnam van haar voorganger.
In 1914 werd geprobeerd de luidklok te elektrificeren, maar dit systeem bleek verre van optimaal.
De hevige trillingen die hierdoor ontstonden, veroorzaakten een grote scheur in Klokke Roeland, waardoor deze definitief verstomde.
Uiteindelijk werd de beschadigde klok in 1948 uit de toren gehaald en vervangen door een nieuw exemplaar, terwijl de originele klok een ereplaats kreeg aan de voet van het Belfort.
Na bijna negentig jaar stilte werd in 2002 besloten om de scheur te herstellen.
De klok werd hiervoor overgebracht naar Koninklijke Eijsbouts in het Nederlandse Asten, waarna ze in herstelde staat terugkeerde naar haar vertrouwde plek.
Tijdens de herinrichting van het plein tussen 2009 en 2012 moest Klokke Roeland echter opnieuw verhuizen.
Op het vernieuwde Emile Braunplein staat nu een betonnen koker die eigenlijk bedoeld was voor de nieuwe Mathildisklok.
Vanwege onenigheid hangt De Grote Triomfante sinds 2012 in deze koker.
In de toekomst wordt zij mogelijk weer in het Belfort opgehangen als beiaardklok.
Om nieuwe schade te voorkomen, zal zij dan echter niet meer als luidklok worden gebruikt.
Interessant is dat de klok die sinds 1948 in het Belfort hangt ter vervanging van De Grote Triomfante, ook vaak Klokke Roeland wordt genoemd.
Haar officiële naam is echter de Sint-Michielsklok, en zij heeft historisch gezien geen relatie met de oorspronkelijke Roeland of De Grote Triomfante.
Govert Flinck was een van de meest getalenteerde leerlingen van Rembrandt en ontwikkelde zich tot een van de meest gevierde portretschilders van de Nederlandse Gouden Eeuw.
Hoewel hij aanvankelijk de dramatische stijl en het donkere kleurgebruik van zijn leermeester nauwgezet overnam, verschoof zijn werk later naar een lichtere en meer elegante stijl die beter aansloot bij de veranderende smaak van de elite.
Hij werd een favoriet van de regenten en kreeg prestigieuze opdrachten binnen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, een uniek politiek verschijnsel in het zeventiende-eeuwse Europa.
Deze republiek kende geen centraal gezag van een koning, maar werd bestuurd als een confederatie van zelfstandige gewesten, waarbij de werkelijke macht vaak lag bij de rijke handelssteden en de regenten.
De bloei in de wetenschap en de kunsten werd gefinancierd door de enorme rijkdom die de handelscompagnieën binnenbrachten, waardoor een burgerlijke cultuur ontstond waarin succesvolle kooplieden de belangrijkste opdrachtgevers werden.
In deze context van burgerlijke trots en economische macht vervaardigde Flinck in 1645 het imposante werk Officieren van het schuttersgilde.
Op dit doek zien we de compagnie van kapitein Joan Huydecoper en luitenant Frans van Waveren, die in een levendige en informele setting zijn afgebeeld.
In plaats van een stijve rij vormt de groep van twaalf schutters een dynamisch geheel; sommigen staan op de voorgrond, terwijl anderen op een verhoging achter een balustrade zijn geplaatst, wat het schilderij een grote dieptewerking geeft.
Flinck wist de waardigheid van deze mannen perfect te vangen door hen af te beelden als zelfverzekerde burgers in hun meest kostbare kleding.
De verfijnde weergave van glanzend satijn en fijn kant onderstreept de rijkdom die door de wereldwijde handel was binnengebracht.
Het werk fungeert als een visueel manifest van de macht en onafhankelijkheid van de Amsterdamse burgerij in de jaren rond de Vrede van Münster.
Dit verdrag, dat in 1648 werd getekend, maakte officieel een einde aan de Tachtigjarige Oorlog en zorgde ervoor dat de Republiek eindelijk als soevereine staat werd erkend door de internationale gemeenschap.
Na deze bloeiperiode van de Republiek volgde aan het einde van de achttiende eeuw een periode van grote politieke instabiliteit en buitenlandse overheersing.
In 1795 werd de oude Republiek omvergeworpen door patriotten met steun van Franse troepen, waarna de Bataafse Republiek ontstond.
De definitieve overgang naar een koningschap begon toen Napoleon Bonaparte in 1806 zijn broer, Lodewijk Napoleon, benoemde tot koning van het Koninkrijk Holland.
Lodewijk regeerde echter alleen over het noordelijke deel, terwijl de zuidelijke Nederlanden, het huidige België, in deze periode als departementen rechtstreeks deel uitmaakten van het Franse Keizerrijk van Napoleon zelf.
Pas na de nederlaag van Napoleon in 1813 ontstond de behoefte aan een sterke centrale staat om toekomstige agressie te voorkomen en de rust te herstellen.
Tijdens het Congres van Wenen in 1815 werd besloten tot de vorming van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, een machtige bufferstaat tegen Frankrijk.
Hierbij werden het noorden en het zuiden voor het eerst verenigd onder koning Willem I, de zoon van de laatste stadhouder.
Deze nieuwe monarchie moest de versnipperde macht van de oude republiek vervangen door een moderne centrale eenheid.
Hoewel deze vereniging bedoeld was als een economisch blok waarbij de zuidelijke industrie en de noordelijke handel elkaar zouden versterken, bleek de samenwerking moeizaam.
Grote verschillen in religie, taal en politiek beleid leidden in 1830 tot de Belgische Revolutie, waarna België zich afscheidde en als onafhankelijk koninkrijk verderging.
Om tien uur ’s ochtends veranderde de E17 in Nazareth, op de drukke as tussen Gent en Kortrijk, in een huiveringwekkend decor toen meer dan tweehonderd voertuigen op elkaar inreden in een plotseling opkomende mistbank.
De enorme impact en de daaropvolgende branden eisten een zware tol: tien mensen kwamen om het leven, terwijl 56 personen zwaargewond raakten en dertig anderen lichte verwondingen opliepen.
Op Europese schaal blijft dit drama de op één na ergste kettingbotsing uit de geschiedenis.
Alleen een ongeval in het Spaanse Baskenland in 1991 was nog dramatischer, met zeventien doden en een vijftigtal gewonden.
De oorzaak was in beide gevallen identiek: een plotselinge, ondoordringbare muur van mist die elke reactietijd wegnam.
Deze ondernemende apotheker bouwde aan het begin van de twintigste eeuw zijn zaak in Oostende uit tot een succesvol bedrijf, waarbij hij niet alleen als apotheker maar ook als industrieel actief was met de productie van mineraalwater en limonades.
Het product staat symbool voor de tijd waarin lokale specialisten hun eigen specifieke mengsels samenstelden om veelvoorkomende kwalen te bestrijden, waarbij de bakermat in West-Vlaanderen lag, maar de populariteit zich over het hele land uitstrekte.
In deze reclameboodschap uit februari 1936 wordt de maag gepresenteerd als het belangrijkste orgaan van het menselijk lichaam, omdat deze verantwoordelijk is voor het omzetten van voedsel in verteerbare stoffen die leven brengen naar het gehele organisme.
Volgens deze advertentie is het noodzakelijk om de maag zeer ernstig te controleren en bij de minste afwijkende symptomen direct in te grijpen.
Als specifieke klachten waarvoor het middel ingezet kan worden, noemt de tekst oprispingen, een branderig gevoel, zwellen, slapeloosheid en geeuwen na de maaltijden.
De samenstelling van dergelijke poeders was vaak gebaseerd op een combinatie van stoffen die de spijsvertering ondersteunden of pijn verzachtten.
Poeders De Cock werd specifiek gepresenteerd als een geneesmiddel dat was aangenomen door specialisten voor maagziekten.
De advertentie beloofde een onmiddellijke uitwerking met de stellige uitspraak: beproef en gij zult genezen.
Destijds was het product in nagenoeg alle Belgische apotheken verkrijgbaar voor een prijs van 9,50 frank per doos, wat aantoont hoe groot de commerciële impact van de onderneming uit Oostende was geworden.
Vandaag de dag roept de naam bij veel mensen een gevoel van nostalgie op.
De illustratie van een man met een hamer die op een object op zijn hoofd slaat, die vaak bij de advertenties te zien was, onderstreepte destijds de krachtige en directe werking die men aan de bereidingen van Achille De Cock toeschreef.
Steve Strange, de artiestennaam van Steven Harrington, staat te boek als een van de belangrijkste pioniers van de new romantic-beweging binnen de new wave.
Zijn passie voor muziek werd aangewakkerd na een concert van de Sex Pistols in 1976.
Dit zette hem er niet veel later toe aan om de club Blitz te openen in de Londense wijk Soho, waar hij een legendarisch streng deurbeleid voerde: alleen de meest creatief geklede bezoekers mochten naar binnen.
Zelfs een wereldster als Mick Jagger werd ooit geweigerd, omdat hij niet aan de strikte kledingvoorschriften voldeed.
Deze club groeide razendsnel uit tot de absolute hotspot voor de scene. Het was de plek waar bands zoals Duran Duran hun debuut beleefden en waar David Bowie persoonlijk figuranten kwam uitzoeken voor zijn videoclip Ashes to Ashes.
In 1979 vormde Strange zijn eigen band, Visage. Hun geluid was een innovatieve mix van futuristische synthesizers en dansbare ritmes, sterk beïnvloed door de elektronische klanken van Kraftwerk en de visuele flair van Bowie.
De grootste triomf van de band was de wereldhit Fade to Grey uit 1980.
De muziek voor dit nummer werd gecomponeerd door Christopher John Payne en Billy Currie.
De basis ontstond oorspronkelijk als een instrumentaal stuk onder de titel Toot City tijdens soundchecks van een tournee van Gary Numan in 1979, waar Payne en Currie deel van uitmaakten.
Midge Ure schreef uiteindelijk de songtekst en nam de productie voor zijn rekening.
Het nummer bevat een kenmerkende Franse stem, ingesproken door Brigitte Arens, en werd vergezeld door een iconische videoclip waarin Strange te zien is met zijn gezicht beschilderd in zilver en geometrische patronen.
In Vlaanderen was het een enorm succes in 1981 met een vierde plaats in de BRT Top 30, terwijl de single in Nederland opmerkelijk minder presteerde en niet verder kwam dan de tweeëntwintigste plaats in de Top 40.
Het succes bleek echter niet onfeilbaar; nadat hun derde album Beat Boy flopte, hield de band het in 1984 voor gezien.
De jaren daarna verliepen moeizaam voor Strange.
Hij kampte lange tijd met een zware heroïneverslaving, wat leidde tot ernstige financiële problemen en een wankele gezondheid.
Tijdens een dieptepunt in zijn leven werd hij zelfs gearresteerd voor het stelen van een Teletubbie-pop voor zijn neefje.
Hoewel hij later een comeback maakte met een nieuwe bezetting van Visage, kwam er in 2015 een einde aan zijn bewogen leven toen hij op 55-jarige leeftijd overleed aan een hartinfarct in de Egyptische badplaats Sharm el-Sheikh.
De opmars van de Vlaamse amusementsmuziek aan het begin van de jaren negentig werd gedreven door een grenzeloos optimisme bij duizenden aspirant-artiesten.
Aangespoord door familie, fans en kleine platenbonzen geloofden velen oprecht dat ze een fantastisch talent bezaten.
Dit leidde ertoe dat artiesten soms wel zes singles opnamen en tot anderhalf miljoen Belgische frank investeerden — wat vandaag de dag neerkomt op ruim 37.000 euro — voordat ze beseften dat de beloofde distributie en promotie door de platenfirma uitbleven.
In de praktijk moesten vaders van jonge zangers vaak zelf met de auto de lokale winkels bevoorraden, omdat de beloofde nationale promotie uitbleef.
Het enorme succes van het wekelijkse muziekprogramma Tien om te zien op de commerciële televisie fungeerde hierbij als de grote katalysator.
Het programma bood een ongekend nationaal podium voor het levenslied en de lokale popmuziek, waardoor de verkoopcijfers van Vlaamstalige producties explodeerden.
Voor gevestigde iconen zoals Willy Sommers, die al sinds de jaren zeventig een sterrenstatus genoot met klassiekers als Zeven anjers, zeven rozen, betekende dit een krachtige tweede adem.
Het programma verbond de jarenlange ervaring van dergelijke boegbeelden met een hernieuwde commerciële dynamiek, waardoor zij ook bij een jongere generatie prominent in het vizier bleven.
Opvallend is dat Nederland op dit vlak een belangrijke voorloper was waar veel Vlamingen jarenlang naar keken.
Al vanaf 1971 was daar Op losse groeven te zien, dat later werd opgevolgd door Op Volle Toeren.
Beide programma’s werden gepresenteerd door Chiel Montagne, die daarmee de absolute pionier van het genre was.
Montagne, die helaas op 24 juli 2025 is overleden, bleef voor velen het symbool van de waardering voor het Nederlandstalige lied.
Omdat de Vlaamse staatszender BRT dergelijke amusementsvriendelijke programma’s nauwelijks bood, stemden veel kijkers in Vlaanderen, zoals ik, af op de Nederlandse televisie voor hun portie muziek van eigen bodem.
Pas met de komst van VTM kregen deze artiesten met Tien om te zien eindelijk een eigen lokaal platform van vergelijkbare schaal.
Naast de gevestigde waarden ontstond er in Vlaanderen echter een enorme nieuwe instroom die hoopte op een vergelijkbare doorbraak als bij de noorderburen.
Dit creëerde een scherp onderscheid tussen de professionele top en de wereld van de loonpersingen.
Terwijl de echte sterren konden rekenen op professionele begeleiding, boden kleine labels amateurs de kans om tegen hoge prijzen een single op te nemen.
Zangers draaiden vaak zelf volledig op voor de productiekosten. Voor een oplage van duizend exemplaren betaalde een artiest destijds tussen de 70.000 frank (ongeveer 1.735 euro) en 115.000 frank (bijna 2.850 euro).
Dit bedrag dekte de kosten voor de studio en een vierkleurenhoes, maar de beloofde kwaliteit bleek in de praktijk niet altijd op waarheid te berusten.
De markt raakte hierdoor verzadigd met muziek die door experts vaak als hopeloos ouderwets werd omschreven.
Het was niet ongewoon dat dezelfde melodieën aan verschillende artiesten tegelijkertijd werden verkocht, waarbij enkel de tekst werd aangepast.
Maandelijks stroomden er tientallen van dit soort singles en cassettes binnen bij televisieproducenten, ingestuurd door mensen die ervan overtuigd waren dat zij de volgende grote ster zouden worden naast hun idolen uit de jaren zeventig en tachtig.
Sommigen gingen zelfs zo ver dat ze hun volledige spaargeld van bijvoorbeeld 800.000 frank (circa 19.830 euro) opofferden voor een moment in de spotlights.
Voor de meeste van deze hoopvolle talenten bleef de kelder echter de uiteindelijke bestemming voor hun voorraad.
Meer dan de helft van de geperste singles raakte men aan de straatstenen niet kwijt.
De schrille tegenstelling tussen de weinigen die werkelijk doorbraken en de massa die enkel betaalde voor een illusie, typeerde deze gouden jaren van de Vlaamse showbizz.
Ondanks de financiële aderlating bleven velen hun uitgaven zien als een noodzakelijke investering in een droom, waarbij de glitter van het televisiescherm een onweerstaanbare, maar voor velen onbereikbare aantrekkingskracht behield.
Ter gelegenheid van zijn toen zeventigste verjaardag vond hij het na vijftig jaar liedjes schrijven voor anderen de hoogste tijd om zelf een album uit te brengen.
Het werd zelfs een dubbel-cd onder de titel Roaring 2020.
Hoewel zijn naam misschien niet bij iedereen meteen een belletje doet rinkelen, is zijn werk ongetwijfeld bekend.
Zo schreef hij de tekst van ‘Vreemde Vogels’, de zomerhit van Claire uit 1973 die nog altijd staat als een huis.
Daarnaast schreef hij nummers voor namen als Johan Verminnen, Kris De Bruyne, Ann Christy en Miek en Roel.
Ook voor Rob de Nijs was hij een belangrijke schakel; Walter werkte mee aan diens album ‘Tussen Zomer En Winter’ uit 1977.
Rob de Nijs verbleef destijds enkele weken in Gent in 1976, voor de voorbereiding, en was toen bijna elke avond aanwezig in de Hotsy Totsy.
De hoes van dat album is overigens een kunstwerk van de Gentse kunstenaar Frank Liefooghe.
Ook als producer liet Walter zijn sporen na in samenwerkingen met Roland, de Skyblasters en Zaki.
Zijn creativiteit reikte echter verder dan muziek alleen; samen met Herwig Deweerdt maakte hij de film Jacques Brel aux Marquises en tot 2001 verzorgde hij een column in het Radio 1-programma ‘Het Einde van de Wereld’.
Bovendien was hij de drijvende kracht achter de Waterfront Galerie op Meulestede in Gent.
Dat was ook de plek waar Hotsy Totsy in 1998 een groot feest gaf ter gelegenheid van ons 25-jarig bestaan, gecombineerd met een tentoonstelling in de galerie.
Voor zijn eigen muzikale project werkte hij samen met componist Yves Meersschaert en liet hij zich omringen door het kruim van de Gentse muziekscene, met bijdragen van onder anderen Roland, Steven De bruyn, Bart Maris en Edward Buadee.
De voorbereiding van Jean-Pierre Coopman op zijn legendarische kamp tegen Muhammad Ali verliep onder loodzware druk.
De media gaven de Belgische bokser vrijwel geen kans. Een journalist spotte zelfs dat Coopman de naam van zijn sponsor, Flandria, beter op zijn schoenzolen kon laten zetten in plaats van op zijn broek, omdat die zolen vaker in beeld zouden komen tijdens zijn val.
Terwijl hij in eigen land bekendstond als De Leeuw van Vlaanderen, noemde Ali hem smalend “a sweet little pussycat”.
De sfeer werd grimmiger toen er in de Amerikaanse media een vals gerucht verspreid werd dat Coopman een racist zou zijn.
Ali reageerde hierop met extra agressie, maar Coopman wist de spanning te breken door de bokslegende bij hun eerste ontmoeting spontaan te omhelzen.
Later bleek dat de organisatie zelf achter de roddels zat om de match te promoten.
Ondanks het gebaar bleef Ali verbaal uithalen; hij waarschuwde tv-zenders dat ze hun reclamespots niet zouden kunnen uitzenden, omdat de wedstrijd simpelweg te kort zou duren.
Op 20 februari 1976 stonden de twee tegenover elkaar in het San Clemente-stadion in Puerto Rico.
Na bijna vijftien minuten boksen viel de beslissing in de vijfde ronde.
Na een reeks harde slagen op het hoofd ging Coopman neer.
Hij besloot op te geven om blijvende fysieke schade te voorkomen.
Na afloop toonde Ali zich respectvol en noemde hij zijn tegenstander een gentleman.
Coopman hield 4 miljoen frank over aan de match, een bedrag dat hij investeerde in het café De Beurze in Roeselare.
Door wanbeheer ging de zaak echter failliet.
Zijn sportieve carrière kende nadien nog diverse hoogte- en dieptepunten.
Zo werd hij Europees kampioen tegen de Bask Jose Manuel Urtain, maar na een nederlaag tegen Cookie Wallace en een verliespartij tegen Rudy Gauwe in 1980 stopte hij definitief met boksen.
Ook buiten de ring bleef Coopman een kleurrijk figuur.
In 1995 maakte hij een filmuitstapje door tegen Freddy De Kerpel te boksen in Camping Cosmos.
In 2005 dook zijn naam op in de verkiezing van De Grootste Belg, waar hij op plek 509 strandde.
Vandaag de dag heeft de voormalige bokser de handschoenen verruild voor het penseel; hij legt zich toe op het maken van olieverfschilderijen van beroemde collega-boksers.
Deze vrouw, voluit Irma Elisa Swertwaeger, kwam op 9 februari 1904 ter wereld in het West-Vlaamse polderdorp Schore.
Over haar vroege jaren is weinig bekend, maar op twintigjarige leeftijd trouwde ze met Henri Laplasse.
Het echtpaar vestigde zich op een boerderij in Oostduinkerke en kreeg twee kinderen.
Vanaf het begin van de jaren dertig raakte Henri Laplasse in de ban van het nationaalsocialisme.
Hij sloot zich aan bij het Vlaams Nationaal Verbond (VNV) en trad in 1941 zelfs toe tot de Vlaamse Wacht, een paramilitaire organisatie die openlijk met de Duitse bezetter samenwerkte.
Hoewel Irma zelf geen politieke ambities had, werd haar hele gezin door de dorpsgemeenschap met de nek aangekeken
Dat werd alleen maar erger toen zoon Frederik bij de Vlaamse Fabriekswacht ging en dochter Angèle een leidende rol op zich nam binnen de Dietsche Meisjesscharen.
De situatie escaleerde in september 1944, toen de bevrijding nabij was.
Terwijl Canadese troepen Diksmuide innamen en het Duitse garnizoen zich terugtrok richting Groenendijk, begon het lokale verzet met het arresteren van collaborateurs.
Ook Frederik Laplasse werd opgepakt en samen met enkele Duitse soldaten opgesloten in de gemeenteschool van Oostduinkerke.
Irma vreesde voor het leven van haar zoon en deed een wanhopig beroep op de Duitse commandant in Groenendijk om de gevangenen te bevrijden.
De daaropvolgende Duitse inval bij de school liep uit op een bloedbad: drie verzetsleden sneuvelden in het vuurgevecht en vier anderen werden direct na hun gevangenname geëxecuteerd.
Kort na deze tragische gebeurtenissen werd Irma Laplasse gearresteerd op beschuldiging van verraad.
Tijdens het proces voor de militaire rechtbank eiste krijgsauditeur Jean Vossen de zwaarste straf.
De rechtbank volgde die eis en op 21 december 1944 werd ze ter dood veroordeeld.
Ondanks een verzoek om gratie en een procedure in beroep, werd ze op 30 mei 1945 geëxecuteerd in de gevangenis van Brugge.
Haar terechtstelling bleef decennialang een bron van bittere discussie, vooral in Vlaamsgezinde kringen, waar men de zaak zag als een symbool van de harde naoorlogse repressie.
Historici zoals de jezuïet Karel van Isacker uitten grote twijfels over de rechtmatigheid van het proces.
Deze aanhoudende druk leidde er uiteindelijk toe dat minister van Justitie Melchior Wathelet in de jaren negentig toestemming gaf voor een herziening.
Op 30 mei 1995, exact vijftig jaar na haar dood, werd het oorspronkelijke vonnis door het Krijgshof in Brussel vernietigd.
Er volgde een nieuw proces, maar de uitkomst bleef nagenoeg gelijk.
Op 14 februari 1996 werd Irma Laplasse opnieuw schuldig bevonden aan de feiten.
Haar straf werd postuum omgezet van de doodstraf naar levenslange hechtenis en een blijvende ontzetting uit haar burgerrechten.
Toen een laatste beroep twee jaar later werd afgewezen, kwam er definitief een einde aan deze slepende juridische geschiedenis.
Frederik Laplasse, de zoon om wie het destijds allemaal begon, overleefde de woelige oorlogsjaren en de daaropvolgende repressie.
Hij overleed in 2013 op 88-jarige leeftijd in zijn vertrouwde Oostduinkerke.
Philip Vanoutrive was een veelzijdige Gentse creatieveling die bekendstaat om zijn vermogen om verhalen te vertellen via zowel de lens als het geschreven woord.
Hij combineerde zijn passie voor fotografie vaak met een scherp oog voor detail en een diepgaande interesse in menselijke verhalen en landschappen.
Hij had een talent voor het vinden van schoonheid in de eenvoud en de rust van het alledaagse leven.
Zijn vakmanschap werd jarenlang gewaardeerd door een breed publiek, mede door zijn werk als fotograaf bij Het Volk en later bij De Gentenaar, waar hij talloze gebeurtenissen en menselijke verhalen visueel vertaalde voor de lezers.
Tijdens zijn eerste jeugdjaren woonde het gezin op de Coupure Links in Gent, tot het gezin enkele jaren later naar De Pinte verhuisde.
Het was daar dat de jarenlange band met mijn familie ontstond; mijn plusmama Magda was destijds zijn leidster toen hij als welp bij de plaatselijke jeugdbeweging zat.
Zelf leerde ik Philip kennen dankzij het NTG, maar daarna steunde hij mij toen ik de patron was van de Hotsy Totsy.
Jarenlang was hij daar een trouwe klant en toen hij samenwerkte met Manu, was de Hotsy Totsy de vaste plek om de werkweek op vrijdag af te sluiten.
Nog maar een paar maanden geleden hadden we een gesprek op sociale media om binnenkort nog eens af te spreken, samen met Magda.
Het is pijnlijk dat deze ontmoeting er niet meer zal komen.
Wat veel mensen echter niet weten, is dat hij ook een zeer goede tekenaar was en prachtige metaal- en houtsculpturen maakte.
In deze kunstwerken kon hij zijn creativiteit en ambacht op een andere manier tot uiting brengen.
Een bijzonder hoogtepunt in zijn carrière was dat hij als eerste Belgische fotograaf een eerste prijs won in de wereldwijd gerenommeerde wedstrijd World Press Photo, specifiek in de categorie Nature in 1989.
Deze prestigieuze erkenning onderstreepte zijn vakmanschap en zijn vermogen om de natuur op een unieke en impactvolle manier vast te leggen.
Naast zijn natuurfotografie legde Vanoutrive ook belangrijke historische tradities en menselijke getuigenissen vast in verschillende boekpublicaties.
Zijn sociaal-historische betrokkenheid bleek al vroeg uit het boek ‘De allerlaatste getuigen van WOI’, uitgebracht in september 2011, waarin veertig oorlogskinderen van 1914-1918 een stem kregen.
In dit werk vertellen hoogbejaarde, maar kranige mannen en vrouwen op levendige wijze over hun ervaringen. De prachtige portretfoto’s van Vanoutrive vormden een respectvol eerbetoon aan deze getuigen.
In 2014 bracht hij het rijk geïllustreerde boek ‘The Last Post’ uit.
Hiervoor bracht hij een jaar lang de unieke ceremonie onder de Menenpoort in Ieper in beeld, waarbij Ian Connerty de geschiedenis van de ceremonie en haar helden beschreef en unieke archieffoto’s de beelden van Vanoutrive aanvulden.
Enkele jaren later, in 2017, volgde het boek Meneer de champetter.
Hierin bracht hij een hommage aan de veldwachter die dag en nacht bereikbaar was om het welzijn van plattelanders te beschermen.
Het boek beschrijft de laatste vijftig jaar van de landelijke politie tot aan de hervorming in 2001 en brengt straffe verhalen en anekdotes samen die door meer dan dertig oud-veldwachters zijn opgegraven.
Zijn werk verscheen geregeld in diverse media en publicaties, waar hij gewaardeerd werd om zijn vermogen om sfeer en emotie over te brengen op een authentieke manier, of het nu ging om reizen, cultuur of diepmenselijke geschiedenissen.
Volkomen onverwacht is onze vriend Philip Vanoutrive gisteren, op 9 februari 2026, overleden ten gevolge van hartfalen in het AZ Sint-Lucas te Gent.