Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
De naam ‘Bijloke’ verwijst naar een omsloten, moerassig gebied waar ooit een kronkelende Leie-arm liep.
Het huidige Bijlokevaardeken herinnert nog aan die verdwenen waterloop.
De bouwgeschiedenis start begin 13de eeuw toen Ermentrude Uten Hove haar Mariahospitaal noodgedwongen vanuit de binnenstad naar deze meersen verhuisde.
Om de zorg te garanderen, werd naast het hospitaal een nieuwe cisterciënzerinnenabdij gesticht.
De site breidde al snel uit met een voor die tijd enorme ziekenzaal (1251-1255), een kapel en het ‘Craeckhuys’ (ca. 1511) voor ernstig zieken.
Na zware verwoestingen tijdens de calvinistische republiek (1577-1584) volgde in de 17de eeuw herstel.
De Franse annexatie in 1797 zorgde voor een nieuwe breuk: de abdij werd afgeschaft.
Later keerden de zusters terug in een deel van de gebouwen, terwijl de rest dienstdeed als oudemannenhuis.
Vanaf 1817 drukte de universiteit haar stempel op de site: de middeleeuwse ziekenzorg maakte plaats voor medisch onderwijs.
Omdat de oude gebouwen niet voldeden, bouwde architect Adolphe Pauli tussen 1863 en 1880 een nieuw neogotisch ziekenhuiscomplex.
Sinds de jaren 80 onderging de Bijloke een gedaanteverwisseling van zorg- naar cultuursite.
De kunstacademie (nu KASK) nam er haar intrek en de middeleeuwse ziekenzaal werd in 1988 omgevormd tot concertzaal.
In 2010 opende het STAM (Stadsmuseum) zijn deuren.
Met de recente komst van de Kunstenbibliotheek en de aanleg van het open park ‘Bijlokeveld’ is de site nu een groene campus waar historisch erfgoed, onderwijs en cultuur samenkomen.
Johan Claus (1938-2009) richtte in dat jaar het pand op de hoek van de Hoogstraat en de Oude Houtlei in, geïnspireerd door de gelijknamige club van Al Capone in het Chicago van de jaren dertig.
Nog datzelfde jaar liet hij de exploitatie over aan zijn broer Guido, die van de zaak zijn levenswerk zou maken.
Samen met zijn levensgezellin Motte gaf Guido het artiestencafé een renommee die tot ver buiten de grenzen reikte.
Het unieke interieur, de gezelligheid en de persoonlijkheden van het koppel maakten van de ‘Hotsy Totsy’ een begrip.
Het werd een pleisterplaats voor kunst- en cultuurliefhebbers, waar ook Guido’s broer Hugo Claus en Jan Hoet graag geziene gasten waren.
Hugo legde er regelmatig een kaartje met zijn broer en literaire vrienden.
Aan de zijmuur in de Oude Houtlei hangt zijn lofgedicht ‘Achter deze gevel hier’, opgedragen aan Guido en het café.
De club was ook het decor voor een memorabel literair moment: op 17 maart 1983 stelde Hugo Claus er zijn langverwachte meesterwerk ‘Het verdriet van België’ voor aan pers en publiek, wat in de Belgische pers een ongekende hype veroorzaakte.
Guido Claus was zelf ook artistiek actief. Van 1986 tot 1991 vormde hij met Jan Albert De Bruyne (alias ‘Prof. Arnoldus Goedbier’) het muzikaal straattheater-duo ‘Twee Wezen’.
Daarnaast speelde hij in de toneelbewerking van ‘Lijmen & Het been’ (naar Willem Elsschot) en vertolkte hij rollen in films als ‘De Loteling’ (1973), ‘Vrijdag’ (1981) en ‘Hector’ (1987).
In november 1991 kwam er een abrupt einde aan een tijdperk door het plotse overlijden van Guido Claus.
De Groep Druwel kocht de zaak en het nabijgelegen pand.
Na een restauratie werd het café overgenomen door Patrick De Graeve, die de zaak een nieuwe boost gaf met Motte Claus als deel van zijn team.
Al meer dan 50 jaar is de ‘Hotsy Totsy’ een authentiek Gents artiestencafé.
Vandaag de dag is de uitbating al enkele jaren in de goede handen van Lara, die de unieke sfeer van deze historische plek verderzet.
Samen kregen ze twee dochters, onder wie actrice Lauren Versnick.
Hoewel het koppel in 2001 uit elkaar ging, hebben ze altijd een vriendschappelijke band behouden.
De carrière van Lynn Wesenbeek, geboren in Brasschaat in 1962, werd gelanceerd toen ze in 1987 tot Miss België werd gekroond.
Haar overwinning was de perfecte springplank naar de televisiewereld.
In 1989, bij het opstarten van VTM, werd ze een van de eerste en meest geliefde omroepsters van de zender.
Gedurende 23 jaar was ze een vast gezicht op het scherm en presenteerde ze succesvolle programma’s als “Miss België”, “Royalty” en “De Exclusieve”.
Na haar vertrek bij VTM in 2012 bleef Wesenbeek niet stilzitten.
Ze begon een nieuwe fase als freelance journaliste en moderator en maakte zelfs een opmerkelijke zijstap naar het bedrijfsleven door in 2015 mede de Belgische Federatie voor Robotica op te richten.
In 2018 keerde ze terug naar haar oude liefde, de televisie, als presentatrice van het interviewprogramma “Z-Talk” op Kanaal Z.
In datzelfde jaar schreef ze samen met Kris Colpaert het boek “50 Tinten Wijs”, waarvoor ze tal van bekende leeftijdsgenoten interviewde over het leven na vijftig.
Een volgende verrassende wending kwam er in 2019, toen ze de politieke arena betrad als lijstduwer voor Open Vld bij de Europese verkiezingen.
Ze zette haar televisiewerk op pauze en behaalde een indrukwekkend aantal van ruim 53.000 voorkeurstemmen, wat net niet voldoende was voor een zetel.
Haar politieke engagement kreeg een vervolg toen ze in 2020 door haar partij werd aangesteld als lid van de raad van bestuur van de VRT.
Recentelijk heeft Lynn Wesenbeek een nieuwe, creatieve passie omarmd.
In 2025 richtte ze Studio Saudade op, een project waarmee ze haar zelfgemaakte keramieken hoofden als designobjecten verkoopt, en zo opnieuw een nieuw hoofdstuk aan haar veelzijdige carrière toevoegt.
Jef Demedts was jarenlang een vaste waarde in het theater, voornamelijk bij NTGent, waar hij niet alleen op de planken stond, maar ook een periode de artistieke leiding op zich nam.
Voor het grote publiek is hij wellicht het bekendst door zijn iconische hoofdrol als Fabian van Fallada in de gelijknamige jeugdreeks.
Daarnaast vertolkte hij door de jaren heen nog vele andere televisierollen.
Zo speelde hij Miel Bataille in ‘Rupel’, was hij drie jaar lang te zien als Gaston Veugelen in ‘Familie’ en had hij een rol als Karel Arends in de telenovelle ‘Ella’.
Zijn veelzijdigheid bleek ook uit zijn talrijke gastoptredens in populaire series.
Hij verscheen onder meer in ‘De Kotmadam’, ‘Windkracht 10’, ‘Wittekerke’, ‘Spoed’, ‘Flikken’, ‘Aspe’ en ‘LouisLouise’. In ‘F.C. De Kampioenen’ was hij zelfs drie keer te gast in verschillende rollen.
Daarnaast werkte hij mee aan klassiekers als ‘Manko Kapak’, ‘Kapitein Zeppos’, ‘Het zwaard van Ardoewaan’ en ‘De Paradijsvogels’.
Op het witte doek had hij een rol als begrafenisondernemer in de film ‘Pauline & Paulette’ uit 2001.
Velen lopen er achteloos voorbij, maar wie de steeg inwandelt, vindt een oase van rust die de Gentse kunstenaar Gustave Dierkens (1878 – 1940) al in 1936 wist te vatten op doek.
Zijn schilderij toont een tafereel uit een ongetwijfeld rustiger tijdperk, maar ook vandaag nog ademt het steegje een sfeer waarin je de wereld even vergeet.
De naam ‘Turrepoort’ (of Torenpoort) is een historische verwijzing naar een van de vier 13e-eeuwse stadspoorten die ooit aan de Oude Houtlei stond.
Vandaag is van de poort enkel een doodlopend steegje over, dat eindigt tegen een blinde muur met een nis.
Het meest opvallende element, zowel in de steeg als op het schilderij, is een bakstenen poortgebouw uit 1764.
Dit gebouw werd dwars over de doorgang gemetseld en fungeerde als achterhuis voor een woning aan de Oude Houtlei.
Tussen de twee ramen van dit poortgebouw prijkt een muurkapelletje met een kleurrijk beeld van Onze-Lieve-Vrouw.
Dit zogenaamde ‘gebuurtekapelletje’, ingewijd in 1929, was nog relatief nieuw toen de kunstenaar het vereeuwigde.
Dit soort kapelletjes ontstond vaak uit dankbaarheid en werd door de buurt zelf gefinancierd.
Dierkens had oog voor detail: op zijn doek zijn aan weerszijden van de kapel ‘zaterdags lichtjes’ te zien. Deze verwijzen naar de oude gewoonte om op zaterdag, de Mariadag, extra verlichting te branden.
De kunstenaar achter dit sfeervolle werk, Gustave Dierkens, was een rasechte Gentenaar.
Hij genoot zijn opleiding aan de Gentse Academie voor Schone Kunsten, waar hij later ook als tekenaar en leraar aan verbonden was.
Hoewel hij vooral bekend stond om zijn stadsgezichten, schilderde hij ook landschappen, bloemen, portretten en stillevens.
Zijn belangrijkste werk buiten zijn thuisstad is te vinden in Leuven, waar hij in 1935 de kruisweg voor de kapel van het Heilige Drievuldigheidscollege ontwierp.
Een leuke wetenswaardigheid is dat deze school lange tijd de bijnaam ‘Gentsch College’ droeg, omdat ze werd opgericht door de Gentse humanist Frans van de Nieulande (Bronnen Robert Declerck en Ghendtsche Tydinghen)
Hugo Van den Berghe, geboren op 19 juni 1943 in het Oost-Vlaamse Wetteren, zette zijn eerste stappen in de acteerwereld al op jonge leeftijd.
In 1958 sloot hij zich aan bij het liefhebberstoneel ‘Vrank en Vrij’ in zijn geboortedorp.
Zijn talent bleek al vroeg, want nog tijdens zijn theateropleiding aan het conservatorium van Gent presenteerde de toen achttienjarige Van den Berghe het jongerenprogramma ‘Tienerklanken’ (1961-1965).
Na zijn studies debuteerde hij professioneel in ‘De Kleine Johannes’ bij Toneel Vandaag in Brussel.
Opmerkelijk genoeg volgde hij er vrijwel meteen zijn mentor Rudi Van Vlaenderen op als directeur en speelde hij mee in de geruchtmakende productie ‘Thyestes’ van Hugo Claus.
Toch verliet hij Brussel na een jaar voor het Nederlands Toneel Gent (NTG).
Die overstap bleek bepalend, want daar leerde hij niet alleen zijn echtgenote Blanka Heirman kennen, maar bouwde hij ook een indrukwekkende carrière uit.
Zijn talent werd er bekroond met de Oscar De Gruyter-prijs voor zijn rol in ‘Nooit te bereiken’ van Simon Gray.
Als regisseur bij het NTG toonde Van den Berghe een duidelijke voorliefde voor het werk van Cyriel Buysse; maar liefst drie van zijn eerste vier regies waren stukken van deze auteur.
“Ik ben begonnen via zijn meest bekende stuk, ‘Het gezin Van Paemel’, en nadien ben ik hem grondig gaan lezen en ik moet zeggen: ik had daar heel veel binding mee,” lichtte hij die keuze ooit toe.
Zijn regiewerk strekte zich ook uit tot televisie, met onder meer het tv-feuilleton ‘Het gezin van Paemel’ in 1978.
Naast het regisseren bleef hij zelf een gevierd acteur en speelde hij bijvoorbeeld de glansrijke hoofdrol van Dore Maersschalck in “Daar is een mens verdronken” (1983).
Zijn visie als NTG-directeur was helder, zoals bleek uit zijn ‘beginselverklaring’: “Het NTG richt zich ondubbelzinnig naar een jong publiek.
Dit wil zeggen: een publiek dat zich jong voelt, dat openstaat voor de trilling van de tijd, voor vernieuwing, voor avontuur, voor vers talent, voor ongewone visies.
Een publiek dat niet blind is voor wat gebeurt op deze planeet en daarom niet kan zonder de zuurstof van de allesrelativerende humor, ironie en zelfspot.”
Zelfs tijdens zijn drukke directeurschap bij het NTG bleef Van den Berghe een bekend gezicht op televisie.
Op uitnodiging van collega-acteur en VTM-programmadirecteur Mike Verdrengh presenteerde hij programma’s als ‘Sanseveria’ en ‘Kort Vlaams’.
In 1990 nam hij met een rol in ‘Elektra’, geregisseerd door Dirk Tanghe, voor lange tijd afscheid van het theater.
Hij bleef echter zeer actief op het kleine scherm, met rollen in populaire series als ‘Familie’, ‘Flikken’, ‘Recht op Recht’, ‘Spoed’ en ‘Dirk Tanghe’, en bleef ook regisseren voor televisie.
Jarenlang meed hij het schouwburgpodium, tot actrice Chris Lomme hem in 2005 kon overtuigen om terug te keren in het stuk ‘Het licht in de ogen’.
Na een herseninfarct, waar hij redelijk goed van herstelde, vond hij rust in De Haan, waar hij met zijn vrouw naast Koen Crucke woonde.
Toch bleef de passie voor het podium trekken. “Ik kan het acteren niet laten en ik ben zeer blij dat ik het weer doe,” vertelde hij eind 2012 in De Gentenaar.
“Straks kan ik weer op de grote scène staan in Platonov. Ik voel dat ik weer onder de mensen ben.
Na mijn herseninfarct doet dit deugd.” Hij voegde de daad bij het woord en was in 2014 ook nog te zien als bisschop in de film ‘Café Derby’.
De laatste jaren van zijn leven ging zijn gezondheid achteruit.
Acteur en regisseur Hugo Van den Berghe overleed uiteindelijk op 23 februari 2020 op 76-jarige leeftijd in zijn woonplaats De Haan.
Op 12 oktober 1914 marcheerden Duitse troepen Gent binnen.
De stad werd de hoofdplaats van het Vierde Etappegebied, een militaire zone die West- en Oost-Vlaanderen en een deel van Henegouwen besloeg.
Hierdoor kwam Gent onder een direct militair bestuur te staan, wat een bezettingsregime met zich meebracht dat nog harder was dan in de rest van België.
Het leven in de stad veranderde drastisch. Contact met andere delen van het land werd zo goed als onmogelijk gemaakt.
De pers en de post stonden onder strenge censuur en elke vorm van politieke berichtgeving was verboden.
Het dagelijkse leven werd gedomineerd door voortdurende opeisingen door de bezetter.
In het stadscentrum namen de Duitsers steeds meer gebouwen in beslag, te beginnen met alle kazernes.
De Kouter werd de centrale uitvalsbasis waar onder andere de Kommandantur en de Pass-Zentrale gevestigd waren.
Veel gebouwen kregen een nieuwe, militaire functie: het Gravensteen diende als opslagplaats en herstelplaats voor wapens, in het Groot Vleeshuis werden bier en wijn gestockeerd en Het Pand werd een groentendepot.
Soldaten konden revalideren in hotels, scholen en het Casino aan de Coupure, terwijl het Belfort dienstdeed als uitkijkpost voor piloten.
Het omvangrijke wagenpark van het leger vond onderdak in loodsen in de haven.
Met ongeveer 12.000 militairen was de Duitse aanwezigheid overweldigend en zeer zichtbaar in het straatbeeld.
Duitse vlaggen wapperden aan de gevels, Duitse bewegwijzering hing aan muren en bomen, en cafés kregen Duitse namen.
Het station Gent Sint-Pieters groeide uit tot het centrale spoorwegknooppunt voor het transport van troepen en materieel van en naar het front.
De controle over de bevolking werd aangescherpt door de invoering van de identiteitskaart met foto.
Aanvankelijk was dit document enkel nodig om het Etappegebied te verlaten, maar vanaf 1916 werd iedere inwoner verplicht er een te bezitten en bij zich te dragen.
Vier jaar lang was de bewegingsvrijheid van de Belgen beperkt tot hun eigen gemeentegrens, tenzij ze de nodige papieren konden voorleggen.
De productie van al deze identiteitskaarten stelde fotografen voor een praktisch probleem.
Door een tekort aan fotopapier namen ze vaak hun toevlucht tot een creatieve oplossing: ze maakten een groepsfoto en sneden vervolgens de individuele gezichten uit om op de identiteitskaarten te kleven.
Het grootste probleem vanaf het begin van de oorlog was echter de voedselbevoorrading.
De binnenlandse productie was ontoereikend, de Britse maritieme blokkade verhinderde de invoer van levensmiddelen en de talrijke Duitse opeisingen maakten de situatie nog nijpender.
De Stad Gent reageerde snel en richtte al op 8 augustus 1914 een Stedelijk Comité der Volksvoeding op dat gratis soep en brood uitdeelde.
Tegen het najaar werd de voedselsituatie echter kritiek.
Op 23 oktober 1914 werd in Brussel het Nationaal Hulp- en Voedingscomité opgericht dat de spil zou worden van de nationale hulpverlening.
Voedsel werd in de Verenigde Staten aangekocht door de Commission for Relief in Belgium.
De distributie in België zelf werd door het Nationaal Comité georganiseerd via een netwerk van provinciale en lokale comités.
Het voedsel werd gerantsoeneerd en verkocht in speciale ‘Amerikaanse’ winkels.
In 1916 waren meer dan 60.000 Gentenaars afhankelijk van deze voedselhulp.
Naarmate de oorlog vorderde, nam het Comité steeds meer taken op zich, zoals het organiseren van soepkeukens, melk- en schoolmaaltijden, het uitdelen van kleding, werklozensteun en het versturen van pakjes naar krijgsgevangenen.
Naast dit nationale initiatief waren er in Gent nog een dertigtal kleinere hulporganisaties actief.
Deze georganiseerde hulp was echter maar één kant van het verhaal. Schaarste leidde onvermijdelijk ook tot hamsteren, een bloeiende zwarte markt en woekerprijzen.
Nieuwe rijken, die profiteerden van de tekorten, kregen de smalende bijnaam ‘baron Zeep’, een verwijzing naar de bijzonder winstgevende productie van ersatzzeep.
De afkorting ‘RIF’ op deze zeepblokken werd door de bevolking verkeerdelijk geïnterpreteerd als ‘Reines Jüdisches Fett’, wat de gruwelijke misvatting voedde dat er menselijk vet in verwerkt zat.
In werkelijkheid stond de afkorting voor ‘Reichsstelle für industrielle Fette’, het rijksbureau voor de bevoorrading van industrieel vet, en bevatte de zeep geen menselijk vet.
Joseph Jacques Kieckepoost, in de volksmond bekend als de Kiekenpuut van Gent, duikt voor het eerst op in 1810.
Op 30 juli van dat jaar werd hij aangesteld als de beheerder van de begrafenisdienst. Deze functie ging in op 1 januari 1811.
Iedere Gentenaar had hem op een dag nodig om naar een van de drie begraafplaatsen te worden gebracht: die buiten de Brugse Poort, de Dampoort of de Heuvelpoort.
Door zijn functie werd zijn naam verbasterd tot ‘Kiekenpuut’.
Daarnaast werd hij vaak afgebeeld in spotprenten met een misvormde voorarm die leek op een kippenpoot, compleet met extra sterke klauwen.
De dagelijkse uitdrukking ‘hij es bij kiekenpuut’ of ‘zij es bij kiekenpuut’ betekende dan ook dat iemand was overleden.
Op 9 oktober 1965 ging het NTG van start met een merkwaardige opvoering van Maria Stuart van Friedrich von Schiller (1759-1805) in een regie van Georges Vitaly (animator van kleine theaters in Parijs) en de regieassistent was Jo Decaluwe.
Met Joanna Geldof in de titelrol en Suzanne Juchtmans als Elisabeth.
Maakten ook nog deel uit van deze eerste cast: Gaby Bouüaert, Roger Bolders, Jef Demedts, Daniël Decock, Eric Raes, Werner Kopers, Edgar De Pont, Jo Delvaux, Jaak Vissenaken, Jo De Meyere, Paul-Emile Van Royen, Eddy Asselbergs, Roger De Wilde, Greta Verniers, Anton Cogen, Blanka Heirman, Lieve Moorthamer, Maria Verheyden, Veerle Wyffels, Ivo Baeyens, Jan Gheysens, Dirk Liefooghe, Dirk De Vilder en Gilbert Braeckman.
Er werden van Maria Stuart drieëntwintig voorstellingen gespeeld, waarmee 13.429 toeschouwers werden bereik.
De laatste voorstelling was op 27 oktober 1965
De eerste NTG-directeur, Dré Poppe, kon er maar twee seizoenen blijven.
Wegens een onenigheid met zijn Raad van Bestuur met als voorzitter Bert Willems, omtrent participatie in de opbrengst van het toenemende aantal bezoekers, vroeg Poppe op het einde van het seizoen 1966-1967 van zijn verplichtingen als directeur ontheven te worden.
Hij werd opgevolgd door Albert Hanssens, die al als administrateur aan het NTG verbonden was.
In de patriottische sfeer tussen de twee wereldoorlogen ontstond een nieuwe trend in de theaterwereld.
In plaats van chique Franse namen kregen etablissementen de naam ‘Oud België’ of ‘l’Ancienne Belgique’.
Nadat de Luikse broers Mathonnet al met succes zulke theaters hadden opgericht in Brussel en Antwerpen, vonden ze het een logische stap om ook in Gent een vestiging te openen.
In 1939 lanceerde Georges Mathonnet het theater in de Veldstraat.
De Gentenaars doopten de naam al snel om in hun eigen dialect tot ‘den Ancien Belgiek’, of kortweg ‘den Ancien’.
Het theater overleefde de Tweede Wereldoorlog en ontpopte zich tot een geliefde Gentse instelling.
Het was een typisch variététheater in de stijl van een café-theaters, waar een deel van het publiek aan tafeltjes zat en tijdens de voorstelling volop kon consumeren.
In de jaren vijftig kende het komische duo Leo Martin en François (Wiedemans) er een enorm succes met hun optredens in het Gents dialect.
Aan hun samenwerking kwam echter een abrupt einde door het overlijden van François.
Leo Martin, die ook speelde in de bigband van de Wetterse orkestleider Willy Rockin’, kreeg in 1958 een nieuwe kans.
Toen Rockin’ ermee stopte, nam Martin het orkest over en vormde het om tot het vaste huisorkest van ‘den Ancien’.
Eind lente 1960 sloot de zaak de deuren voor een grondige verbouwing.
Op vrijdag 30 september 1960 heropende het theater met een modernere zaal voor een alsmaar groeiend publiek.
Een krantenartikel uit die tijd, gebaseerd op een persconferentie van de sympathieke directeur Roger Piers, beloofde een “briljant winterseizoen”.
Dankzij dit artikel krijgen we een goed beeld van wat een avond in ‘den Ancien’ inhield. De term ‘variététheater’ dekte volledig de lading.
Het avondvullende programma bestond uit het orkest van Leo Martin en de toen beroemde Gentse zangeres Chris Sent, aangevuld met een indrukwekkende reeks internationale acts.
Zo stonden de Russische fakir Yogi Rayo, de Belgische Houdini Jo Carly, en ‘de sterkste man ter wereld’ Arthur Robin op het podium.
Dit werd verder aangevuld met de Amerikaanse illusionist Harris, de helderziende Jim Murray, en zelfs circusacts met wilde dieren, zoals vijf bruine beren, gedresseerde honden en een ‘geleerde geit’.
De clowns Pépé en Popo, de acrobaten van Aeropolis en de ballerina’s van Lily De Munter maakten het spektakel compleet.
Daarnaast waren er regelmatig gastoptredens van bekende namen uit die tijd, zoals Henk De Bruin, Bob Benny, Rina Pia en zelfs de Nederlandse zanger Johnny Jordaan.
De voorstellingen vonden meerdere keren per week plaats, met op zondag zelfs drie shows.
Tijdens de optredens kon het publiek smullen van de befaamde wafels van het huis, boerenvlaaien en ijs, of genieten van een aperitief, een pils of een warme drank.
Op maandag- en woensdagnamiddag zorgde Paul Rutger van de Belgische radio voor sfeervolle deuntjes op zijn Amerikaans orgel, en er werden zelfs modedéfilés georganiseerd.
Helaas kon dit succes niet blijven duren. De opkomst en groeiende populariteit van de televisie zorgden voor een daling in het aantal bezoekers.
In de krant Vooruit van 30 juli 1967 werd aangekondigd dat ‘Oud België’ na 26 jaar zijn deuren zou sluiten.
Op zondag 31 juli vonden de laatste twee voorstellingen plaats: ‘Het weeuwke van de Muide’ van Pol Speeckaert.
Vandaag de dag is er van de theaterglorie niets meer te zien.
In het gebouw dat een kwarteeuw lang een bruisend theater herbergde, is nu onder andere een winkel van Kruidvat gevestigd, helemaal passend in het commerciële decor van de huidige Veldstraat (Bronnen Persblog, Gendtsche Tydinghen, Luc Devriese en Sonja Gyselinck).