Vandaag, 100 jaar geleden, op 19 maart 1926, werd het Justitiepaleis van Gent geteisterd door een hevige brand die grote delen van het gebouw in de as legde.

De aanzienlijke schade trof niet alleen het bouwwerk zelf, maar vernietigde ook waardevolle schilderijen en een enorme hoeveelheid historische documenten, waaronder de burgerlijke stand die terugging tot het jaar 1500.

Het gebouw was oorspronkelijk tot stand gekomen na een voorstel van het Gentse gemeenteraadslid Massez in 1835.

Hij was de politieke drijfveer achter het project, omdat de rechtspraak in die tijd nood had aan een centrale en waardige locatie in de stad.

De Gentse stadsarchitect Louis Roelandt ontwierp het paleis op basis van dit initiatief en raamde de kosten op ruim achthonderdduizend frank.

De bouw begon in 1836 op de plek waar voorheen het klooster van de Recoletten had gestaan.

Na een constructieperiode van tien jaar vond de plechtige inhuldiging plaats in het najaar van 1846, hoewel de grote wandelzaal al twee jaar eerder in gebruik was genomen.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog hadden Duitse troepen het pand opgeëist en als kazerne gebruikt, waarbij het interieur zwaar werd verwaarloosd.

Na de brand van 1926 heerste er toen onzekerheid over de herbouw, waardoor de autoriteiten besloten de gerechtelijke diensten tijdelijk onder te brengen in het oude seminarie bij de Sint-Baafskerk.

Dit gebouw bood voldoende ruimte voor de rechtbank van koophandel, het hof van beroep en het assisenhof. Terwijl de brandweer nog probeerde te redden wat er te redden viel aan dossiers, bleef de exacte oorzaak van de ramp onduidelijk; er werd gespeculeerd over kortsluiting, kwaad opzet of een defect aan de verwarmingsinstallatie.

Het Ei (3 en 4 april 2026)

Christus leeft sinds een jaar (anoniem) onder het gewone volk te Gent.

Hij is elke dag te vinden in “’t Huis”: een plaats waar elke kansarmere of eenzame medemens welkom is voor een babbel en warme maaltijd.

Hij is er gekend als de joviale Chris en is er samen met z’n kameraad Kris actief als vaste vrijwilliger en animator. Chris’ optimistische gemoed slaat echter om wanneer hij verplicht afscheid moet nemen.

Elk jaar na Pasen wordt hij immers door zijn Vader naar een nieuwe missiepost gezonden.

Hij is het wereldwijde rondreizen moe, temeer daar hij z’n hart verloren blijkt te hebben in Gent. Maar hoe vertel je zoiets aan je almachtige Vader?

“Het Ei” is een komische Gentse familievoorstelling met een warm en muzikaal hart. Over jezelf willen en kunnen zijn, wie je ook bent.

Nieuwe instrumentale cd van Steef Verwée en Eddy Aelbrecht brengt Griekse filosofie tot leven in de tuin van Epicurus.

Steef Verwée, geboren in 1951, groeide op in een familie waar het Oudenaards de voertaal was.

Zijn familiewortels in de regio gaan terug tot het midden van de zestiende eeuw, met een brief uit 1730 als oudste getuigenis.

Al op achttienjarige leeftijd schreef hij zijn eerste Oudenaardse liederen waarmee hij lokaal optrad.

Na zijn studies aan het Koninklijk Conservatorium in Gent, die hij in 1973 afrondde met specialisaties in gitaar, zang en musicologie, begon zijn carrière in de musical- en theaterwereld bij gezelschappen als NTG, Arca en Theater Poëzien.

Om zijn eigen creaties te perfectioneren, volgde hij aanvullende opleidingen in scriptschrijven en lichtontwerp in Londen, New York en Amsterdam.

Zijn succesvolle producties, waaronder Claus on the Rocks, leidden tot een periode als artistiek begeleider bij het KNTV. In die tijd richtte hij zijn eigen uitgeverij De Cirkel op, tegenwoordig bekend als Circle Productions Gent.

Na een periode bij Theater Arena startte hij Applied Promotions Intermed nv, een bedrijf dat cultuur promoot binnen de bedrijfswereld.

Ondertussen bleef hij onafgebroken eigen werk creëren, met als een van de hoogtepunten de première van The Erotic Opera in de Stadsschouwburg van Amsterdam in 1985.

Ook zijn vriendschap met Hugo Claus had een grote invloed op zijn creatieve ontwikkeling, wat onder meer leidde tot veertig liederen op poëzie van Claus.

In 1992 produceerde hij voor de Wereldtentoonstelling in Sevilla en de Olympische Spelen in Barcelona de cd Belgium, a Century of Music, een officieel geschenk van het Ministerie van Buitenlandse Handel.

Verwee werkte bovendien intensief samen met de BRT en de BRT Big Band en was als muziekdirecteur en lichtontwerper betrokken bij tal van grote operaproducties zoals Nabucco en La Traviata.

In 2012 werd hij voor de tentoonstelling Beatles, Bombardons en Buuneklakkers gevraagd om zijn Oudenaardse liedjes uit de jaren zestig opnieuw uit te voeren.

Dit trok de aandacht van het stadsbestuur en resulteerde in 2014 in de cd ‘Oudenaarde, een hymne’, een drieluik met twintig liederen. Tijdens de release in CC De Woeker werd hij benoemd tot Ambassadeur van het Oudenaards Dialect.

Dit alles resulteerde in 2022 in de cd en theatercreatie Oudenaarde een Idioticon, geïnspireerd op het Zuid-Oostvlaandersch Idioticon van Isidoor Teirlinck uit 1905.

Op deze uitgave brengt hij oude woorden en lokale geschiedenis tot leven, waarbij zijn goede vriend Marijn Devalck schitterde in de videoclip ‘Largootje voor mijn prinsesje’.

Om het erfgoed van de regio en het Pays des Collines levend te houden, bracht hij in mei 2024 samen met het stadsbestuur van Ronse de cd ‘Ronse in ’t Roonsies’ uit, die te koop is bij de plaatselijke Dienst Toerisme.

Op basis van deze cd creëerde Steef een audiovisueel Tour de Chant-programma dat onlangs zijn première kende in het CC De Ververij te Ronse.

Dit deed hij in samenwerking met Veronique De Tier, vooraanstaand dialectologe van de Universiteit Gent, met wie hij in totaal bijna honderd liederen schreef ter bevordering van de Vlaamse streektalen.

Recent bracht hij samen met pianist Eddy Aelbrecht een nieuwe cd uit met tweeëntwintig instrumentale composities voor klassieke gitaar en piano.

Eddy Aelbrecht genoot zijn opleiding aan het Koninklijk Conservatorium in Brussel, waar hij orgel, muziekgeschiedenis en harmonie studeerde.

Aan het conservatorium van Antwerpen voltooide hij zijn studies pedagogie en pianobegeleiding

Van 1985 tot 2024 was hij onafgebroken actief als fulltime begeleider en docent muziektheorie en harmonie aan Studio Herman Teirlinck en later aan het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen.

Hij was tevens een veelgevraagd pianist en docent aan de drama-afdeling van het conservatorium in Gent.

Naast zijn onderwijstaken begeleidde hij vrijwel alle bekende Belgische artiesten en vele internationale namen.

Als geliefd studiomuzikant en pianist was hij vier jaar lang verbonden aan het Casino van Knokke en trad hij wereldwijd op, van Europa tot in Dubai, Abu Dhabi en Pakistan.

Dit gezamenlijke album is geïnspireerd op de filosofie van oude Griekse denkers zoals Plato, Socrates en Epicurus.

De aanleiding hiervoor waren de colleges van de hedendaagse filosoof Johan Braeckman, die Verwée aanzetten om thema’s als ataraxia, deugd en kalmte muzikaal te vertalen.

Elk muziekstuk is opgebouwd vanuit een filosofisch citaat en gekoppeld aan een plant die mogelijk in de tuin van Epicurus groeide.

Het album is beschikbaar via streamingplatformen en als Digifile-cd in boekvorm.

Deze uitgave wordt in de BeNeLux en internationaal verdeeld bij alle boekhandels en muziekzaken, en is tevens bestelbaar via Bol.com, zijn site steefverwee.be of de FB-pagina Steef Verwée Epicurus’garden.

Steef trekt momenteel rond met deze muziek, waarbij hij tussen zijn gitaarcomposities door vertelt en citeert uit het werk van deze oud-Griekse filosofen.

Vandaag is mijn mama, geboren als Monique Van Speybrouck jarig.

Op deze foto’s is ze zes maanden oud, samen met haar grootmoeders en mijn marraine.

Foto van mijn overgrootmoeder (de mama van mijn grootvader)

Gisteren nog vandaag

Foto: mijn mama, marraine en mijn overgrootmoeder

Gisteren nog vandaag

Mijn marraine en mijn mama

Gisteren nog vandaag

Mijn mama (geboren op 2 maart 1942)

Gisteren nog vandaag

Tante Vergenie van mijn mama, de zus van mijn meter 

Gisteren nog vandaag

Oude postkaart van Klokke Roeland en de bewogen geschiedenis van De Grote Triomfante.

De basis voor dit verhaal ligt bij een bijzondere opdracht van de stad, waarbij Hemony de taak kreeg een nieuwe beiaard te gieten voor het Belfort.

Dit was een prestigieuze klus die destijds uitsluitend door een officiële poorter van de stad uitgevoerd mocht worden.

Uit de handen van Hemony ontstond de indrukwekkende basklok De Grote Triomfante.

Al snel kreeg deze klok in de volksmond de naam Klokke Roeland, een titel die zij overnam van haar voorganger.

In 1914 werd geprobeerd de luidklok te elektrificeren, maar dit systeem bleek verre van optimaal.

De hevige trillingen die hierdoor ontstonden, veroorzaakten een grote scheur in Klokke Roeland, waardoor deze definitief verstomde.

Uiteindelijk werd de beschadigde klok in 1948 uit de toren gehaald en vervangen door een nieuw exemplaar, terwijl de originele klok een ereplaats kreeg aan de voet van het Belfort.

Na bijna negentig jaar stilte werd in 2002 besloten om de scheur te herstellen.

De klok werd hiervoor overgebracht naar Koninklijke Eijsbouts in het Nederlandse Asten, waarna ze in herstelde staat terugkeerde naar haar vertrouwde plek.

Tijdens de herinrichting van het plein tussen 2009 en 2012 moest Klokke Roeland echter opnieuw verhuizen.

Op het vernieuwde Emile Braunplein staat nu een betonnen koker die eigenlijk bedoeld was voor de nieuwe Mathildisklok.

Vanwege onenigheid hangt De Grote Triomfante sinds 2012 in deze koker.

In de toekomst wordt zij mogelijk weer in het Belfort opgehangen als beiaardklok.

Om nieuwe schade te voorkomen, zal zij dan echter niet meer als luidklok worden gebruikt.

Interessant is dat de klok die sinds 1948 in het Belfort hangt ter vervanging van De Grote Triomfante, ook vaak Klokke Roeland wordt genoemd.

Haar officiële naam is echter de Sint-Michielsklok, en zij heeft historisch gezien geen relatie met de oorspronkelijke Roeland of De Grote Triomfante.

Vandaag precies dertig jaar geleden werd België getroffen door de zwartste dag uit zijn verkeersgeschiedenis.

Om tien uur ’s ochtends veranderde de E17 in Nazareth, op de drukke as tussen Gent en Kortrijk, in een huiveringwekkend decor toen meer dan tweehonderd voertuigen op elkaar inreden in een plotseling opkomende mistbank.

De enorme impact en de daaropvolgende branden eisten een zware tol: tien mensen kwamen om het leven, terwijl 56 personen zwaargewond raakten en dertig anderen lichte verwondingen opliepen.

Op Europese schaal blijft dit drama de op één na ergste kettingbotsing uit de geschiedenis.

Alleen een ongeval in het Spaanse Baskenland in 1991 was nog dramatischer, met zeventien doden en een vijftigtal gewonden.

De oorzaak was in beide gevallen identiek: een plotselinge, ondoordringbare muur van mist die elke reactietijd wegnam.

Ook al vijf jaar geleden deze maand, onze Gentse vriend Walter Ertvelt met zijn album Roaring 2020.

Ter gelegenheid van zijn toen zeventigste verjaardag vond hij het na vijftig jaar liedjes schrijven voor anderen de hoogste tijd om zelf een album uit te brengen.

Het werd zelfs een dubbel-cd onder de titel Roaring 2020.

Hoewel zijn naam misschien niet bij iedereen meteen een belletje doet rinkelen, is zijn werk ongetwijfeld bekend.

Zo schreef hij de tekst van ‘Vreemde Vogels’, de zomerhit van Claire uit 1973 die nog altijd staat als een huis.

Daarnaast schreef hij nummers voor namen als Johan Verminnen, Kris De Bruyne, Ann Christy en Miek en Roel.

Ook voor Rob de Nijs was hij een belangrijke schakel; Walter werkte mee aan diens album ‘Tussen Zomer En Winter’ uit 1977.

Rob de Nijs verbleef destijds enkele weken in Gent in 1976, voor de voorbereiding, en was toen bijna elke avond aanwezig in de Hotsy Totsy.

De hoes van dat album is overigens een kunstwerk van de Gentse kunstenaar Frank Liefooghe.

Ook als producer liet Walter zijn sporen na in samenwerkingen met Roland, de Skyblasters en Zaki.

Zijn creativiteit reikte echter verder dan muziek alleen; samen met Herwig Deweerdt maakte hij de film Jacques Brel aux Marquises en tot 2001 verzorgde hij een column in het Radio 1-programma ‘Het Einde van de Wereld’.

Bovendien was hij de drijvende kracht achter de Waterfront Galerie op Meulestede in Gent.

Dat was ook de plek waar Hotsy Totsy in 1998 een groot feest gaf ter gelegenheid van ons 25-jarig bestaan, gecombineerd met een tentoonstelling in de galerie.

Voor zijn eigen muzikale project werkte hij samen met componist Yves Meersschaert en liet hij zich omringen door het kruim van de Gentse muziekscene, met bijdragen van onder anderen Roland, Steven De bruyn, Bart Maris en Edward Buadee.

In memoriam Philip Vanoutrive: het heengaan van een begenadigd Gents fotograaf en verteller.

Philip Vanoutrive was een veelzijdige Gentse creatieveling die bekendstaat om zijn vermogen om verhalen te vertellen via zowel de lens als het geschreven woord.

Hij combineerde zijn passie voor fotografie vaak met een scherp oog voor detail en een diepgaande interesse in menselijke verhalen en landschappen.

Hij had een talent voor het vinden van schoonheid in de eenvoud en de rust van het alledaagse leven.

Zijn vakmanschap werd jarenlang gewaardeerd door een breed publiek, mede door zijn werk als fotograaf bij Het Volk en later bij De Gentenaar, waar hij talloze gebeurtenissen en menselijke verhalen visueel vertaalde voor de lezers.

Tijdens zijn eerste jeugdjaren woonde het gezin op de Coupure Links in Gent, tot het gezin enkele jaren later naar De Pinte verhuisde.

Het was daar dat de jarenlange band met mijn familie ontstond; mijn plusmama Magda was destijds zijn leidster toen hij als welp bij de plaatselijke jeugdbeweging zat.

Zelf leerde ik Philip kennen dankzij het NTG, maar daarna steunde hij mij toen ik de patron was van de Hotsy Totsy.

Jarenlang was hij daar een trouwe klant en toen hij samenwerkte met Manu, was de Hotsy Totsy de vaste plek om de werkweek op vrijdag af te sluiten.

Nog maar een paar maanden geleden hadden we een gesprek op sociale media om binnenkort nog eens af te spreken, samen met Magda.

Het is pijnlijk dat deze ontmoeting er niet meer zal komen.

Wat veel mensen echter niet weten, is dat hij ook een zeer goede tekenaar was en prachtige metaal- en houtsculpturen maakte.

In deze kunstwerken kon hij zijn creativiteit en ambacht op een andere manier tot uiting brengen.

Een bijzonder hoogtepunt in zijn carrière was dat hij als eerste Belgische fotograaf een eerste prijs won in de wereldwijd gerenommeerde wedstrijd World Press Photo, specifiek in de categorie Nature in 1989.

Deze prestigieuze erkenning onderstreepte zijn vakmanschap en zijn vermogen om de natuur op een unieke en impactvolle manier vast te leggen.

Naast zijn natuurfotografie legde Vanoutrive ook belangrijke historische tradities en menselijke getuigenissen vast in verschillende boekpublicaties.

Zijn sociaal-historische betrokkenheid bleek al vroeg uit het boek ‘De allerlaatste getuigen van WOI’, uitgebracht in september 2011, waarin veertig oorlogskinderen van 1914-1918 een stem kregen.

In dit werk vertellen hoogbejaarde, maar kranige mannen en vrouwen op levendige wijze over hun ervaringen. De prachtige portretfoto’s van Vanoutrive vormden een respectvol eerbetoon aan deze getuigen.

In 2014 bracht hij het rijk geïllustreerde boek ‘The Last Post’ uit.

Hiervoor bracht hij een jaar lang de unieke ceremonie onder de Menenpoort in Ieper in beeld, waarbij Ian Connerty de geschiedenis van de ceremonie en haar helden beschreef en unieke archieffoto’s de beelden van Vanoutrive aanvulden.

Enkele jaren later, in 2017, volgde het boek Meneer de champetter.

Hierin bracht hij een hommage aan de veldwachter die dag en nacht bereikbaar was om het welzijn van plattelanders te beschermen.

Het boek beschrijft de laatste vijftig jaar van de landelijke politie tot aan de hervorming in 2001 en brengt straffe verhalen en anekdotes samen die door meer dan dertig oud-veldwachters zijn opgegraven.

Zijn werk verscheen geregeld in diverse media en publicaties, waar hij gewaardeerd werd om zijn vermogen om sfeer en emotie over te brengen op een authentieke manier, of het nu ging om reizen, cultuur of diepmenselijke geschiedenissen.

Volkomen onverwacht is onze vriend Philip Vanoutrive gisteren, op 9 februari 2026, overleden ten gevolge van hartfalen in het AZ Sint-Lucas te Gent.

In het weekblad ABC van 12 januari 1936 wordt een bijzonder portret geschetst van de arbeider Emiel Van Heddegem als kunstenaar uit Wetteren.

In een tijd waarin economische crisis en werkloosheid voor velen een dagelijkse realiteit waren, zochten veel arbeiders naar een zinvolle invulling van hun vrije uren.

Terwijl sommigen uit noodzaak knutselden om de morele leegte te vullen, waren er ook vakmensen zoals Emiel Van Heddegem uit Wetteren die hun passie naar een uitzonderlijk artistiek niveau tilden.

Tijdens een bezoek aan zijn woning aan de Oordegemsesteenweg krijgt de lezer een blik in de wereld van deze gedreven houtbewerker.

Van Heddegem begon in 1930 met zijn artistieke arbeid aan de draaibank. Wat begon als een liefhebberij, groeide al snel uit tot werk van een niveau dat nationale erkenning verdiende.

De foto’s bij het artikel tonen een indrukwekkende collectie voorwerpen, variërend van fijnzinnige vazen en gedecoreerde doosjes tot kandelaars.

Vooral het geometrische inlegwerk en de verfijnde details getuigen van een groot technisch vernuft.

Zijn vakmanschap werd bekroond met diverse prestigieuze onderscheidingen.

Zo behaalde hij in 1932 de beker Dees Cnudde.

Deze prijs was vernoemd naar Désiré Cnudde, een invloedrijk Gents politicus en vertrouweling van Edward Anseele, die zich hartstochtelijk inzette voor de sociale en culturele verheffing van de arbeidersklasse.

De beker was een centrale ereprijs op de groots opgezette tentoonstellingen van de vrije tijd, vaak georganiseerd in gebouwen zoals de Vooruit in Gent.

Deze evenementen hadden als doel de arbeider weg te trekken uit de sfeer van passieve ontspanning en te laten zien dat handarbeiders over een enorme dosis creativiteit en geduld beschikten.

Het winnen van deze beker was een bijzondere prestatie, omdat de deelnemers streng werden beoordeeld op zowel technische perfectie als esthetische waarde.

Voor Van Heddegem was dit slechts het begin, want in 1935 werd hij bovendien benoemd tot laureaat van de Arbeid van België in de eerste klasse.

De tekst benadrukt dat deze vorm van vrijetijdsbesteding veel meer was dan louter tijdverdrijf. Het was een vorm van geestelijke emancipatie.

Voor de arbeider-kunstenaar vormde de creatieve arbeid een noodzakelijk tegenwicht voor de dagelijkse sleur van de fabriek of de werkplaats.

De voldoening van het creëren van schoonheid uit ruwe materialen compenseerde de vele uren van inspanning en opoffering.

Het artikel eindigt met een diep respect voor deze stille werker uit Wetteren, die bewees dat kunst en handarbeid onlosmakelijk met elkaar verbonden kunnen zijn

Gisteren nog vandaag

Voordat Henri Frans als de legendarische Bento de koning van de Lammerstraat werd, kende hij een bescheiden start in Ledeberg.

Als twintiger woonde hij daar nog bij zijn moeder en verdiende hij de kost als dagbladverkoper.

Zijn leven nam een beslissende wending in 1898 toen hij trouwde met de Gentse kleermaakster Clementine Van Guyse.

Het koppel verwachtte toen al hun eerste kind; Clementine was drie maanden zwanger van René Eugène Frans.

Na het overlijden van zijn schoonvader trok het jonge gezin in bij de weduwe en nam daar het café Estaminet Den Biekorf over.

In 1902 werd het gezin compleet met de geboorte van hun tweede zoon, François, roepnaam Frans.

Ondertussen leidde Henri een dubbelleven en timmerde hij hard aan de weg als circusartiest.

Al in 1897 dook hij voor het eerst op in het programma van het Nieuw Circus als deel van Les Franch, de “twee leuke Chinezen uit Ledeberg”.

Tegen 1906 sloot hij zich aan bij een nieuwe acrobatengroep, het Horatius Trio, samen met Theofiel Caluwaert, alias zotten Theo, en de jonge knaap Serafien Fruytier.

Hun act was spectaculair: ze stonden met drie man hoog op elkaars schouders terwijl ze een trap op- en afstapten.

Henri leerde Serafien de knepen van het vak en samen ontwikkelden ze als The Original Bento Brothers een ijzersterk evenwichtsnummer.

Het duo kende succes, maar hun wegen scheidden uiteindelijk definitief. Serafien keerde waarschijnlijk niet met Henri terug naar België na hun Amerikaanse avonturen.

Hij tekende voor nog een seizoen bij Barnum & Bailey in 1913, dit keer met de groep van de Belg Joseph DeKock, en bouwde een leven op in de Verenigde Staten.

In 1918 diende Serafien in het Amerikaanse leger, werd staatsburger onder de naam Jack Bento en overleed uiteindelijk op 75-jarige leeftijd in Chicago.

Henri moest dus op zoek naar een nieuwe cascadeur of vlieger.

Hij vond potentieel in de Gentse turnkring Vrijheidsliefde, waar zijn oog viel op de veertienjarige Polydoor De Baets.

Henri bood de jongen een contract aan van 25 frank per maand, inclusief kost en inwoning.

Na intensief oefenen in turnlokalen en lokale tournees vormden ze samen met de Gentse acrobaat Joseph La Porte het Frans Bento Trio.

Na enkele contracten in België en Frankrijk vertrok het trio in maart 1913 naar Amerika met een contract voor het prestigieuze Ringling Brothers Circus.

Het was een slopend maar succesvol schema: tussen 5 april en 1 november speelden ze in 144 steden en 32 staten.

Na een winter thuis vertrokken Henri en Polly in maart 1914 voor een tweede seizoen. Toen ze op 24 oktober 1914 hun laatste show speelden in Cairo, Illinois, woedde in Europa echter volop de oorlog.

Henri, inmiddels 37 jaar oud en met een carrière van zeventien jaar achter de rug, slaagde erin om via een schip van de White Star Dominion Line vanuit Liverpool terug te keren naar Gent.

Als leider van zijn gezelschap had het acrobatencircuit hem financieel geen windeieren gelegd.

Met dat kapitaal opende hij in mei 1915 Café Bentos op nummer 15 in de Lammerstraat.

De locatie was strategisch: vlak naast het Nieuw Circus dat in die periode dienstdeed als cinema en variétézaal, en recht tegenover Vooruit, het machtige Feestpaleis van de socialisten.

Het café werd een ontmoetingsplek voor artiesten en bood logement aan rondreizende artiesten.

Het interieur werd een bezienswaardigheid dankzij Henri’s jeugdvriend Achilles De Maertelaere.

Ze kenden elkaar van de turnkring De Volksmaatschappij en deelden hun socialistische overtuiging.

Achilles, die het pseudoniem Achille Bentos aannam, beschilderde de muren met taferelen die Henri’s verhalen weerspiegelden: het wilde westen, Japanse landschappen, Egypte en Afrikaanse waterdragers.

Henri zat tijdens de oorlogsjaren echter niet stil en gebruikte zijn netwerk voor liefdadigheid via het socialistische Feestpaleis Vooruit.

Een hoogtepunt was de productie Barnum te Gent in 1917, waarmee hij lokale artiesten speelkansen bood.

Na de oorlog bleef Henri zijn café uitbaten, maar het ondernemersbloed kroop waar het niet gaan kon.

Hij begon zijn eigen Cirque Bento en huurde in 1921 een gigantische viermasttent die hij op het Sint-Pietersplein liet opzetten.

Een verwoestende nachtelijke onweerstorm maakte na enkele maanden echter een einde aan zijn droom.

Met deze tegenslag leek Henri zijn actieve, grootschalige circusplannen voorgoed opgeborgen te hebben.

Hij zag daarentegen zijn zonen René en Frans en zijn leerlingen Serafien en Polly floreren.

Vooral de band tussen René en Polly was hecht; ze waren van dezelfde leeftijd en kenden elkaar door en door, omdat Polly als leerling bij het gezin had ingewoond.

In 1925 bundelden deze jeugdvrienden hun krachten als Los 3 Bentos en toerden door Zuid-Amerika.

Terug in België verstrengelden de familiebanden zich verder: Polly trouwde met Jenny Moreels, de zus van Frans’ vrouw Jeanne.

Samen met René en diens Braziliaanse vrouw Chela vormden ze The 4 Bentos, die successen vierden in Engeland en geportretteerd werden door Laura Knight.

Ook Henri’s andere zoon, Frans, had kortstondig in het acrobatenvak gezeten, maar koos uiteindelijk voor de stabiliteit van de horeca.

In maart 1931 nam hij Café Bentos in de Lammerstraat over van zijn vader. Hij zou er cafébaas blijven tot het einde van de Tweede Wereldoorlog.

Het legendarische café in de Lammerstraat zou uiteindelijk in de jaren vijftig verdwijnen, maar Henri zelf was toen al verhuisd.

In 1935 nam hij café Concordia in de Wondelgemstraat over en doopte hij ook deze zaak om tot Bentos.

De muren hingen vol met grote foto’s uit zijn glorietijd bij Barnum & Bailey en Ringling Brothers.

Aan iedereen die het wilde horen, vertelde hij zijn verhalen bij de beelden.

Dit café in de Wommelgemstraat bestaat vandaag nog steeds, al is het originele interieur helaas verdwenen.

De oude dag van Henri werd overschaduwd door de Tweede Wereldoorlog en persoonlijk drama.

In 1945 verloor hij zijn zoon René, die amper 46 jaar oud werd. Henri overleefde hem drie jaar en stierf op 20 maart 1948.

Zijn goede vriend Achilles Bentos vereeuwigde Henri en Clementine op latere leeftijd in een tweeluik.

Dit beeld toont hun oude dag en vormt een scherp contrast met het bruisende leven dat achter hem lag, altijd onder de mensen en vol van de opwaartse drang die hij ongetwijfeld onder zijn vel had (bronnen: Het Huis van Alijn, diverse bronnen, Wikipedia en Gwendolien Sabbe).

De geschiedenis van Hotel d’Hane-Steenhuyse begint in 1768, wanneer graaf Emmanuel-Ignace d’Hane een reeks middeleeuwse huizen in de Gentse Veldstraat omvormde tot een indrukwekkend stadspaleis.

De graaf was een invloedrijk edelman en nazaat van een familie die al sinds de 15e eeuw een prominente rol speelde in de Gentse politiek en maatschappij.

Als afgevaardigde van de Staten van Vlaanderen beschikte hij over de middelen om een dergelijk prestigieus project te realiseren.

Wie vandaag de kelders bezoekt, kan daar nog steeds de sporen terugvinden van de oorspronkelijke middeleeuwse bebouwing waar hij op voortbouwde.

Drie generaties van het geslacht d’Hane de Steenhuyse hebben bijgedragen aan de bouw van het paleis om het zijn huidige allure te geven.

Graaf Emmanuel Ignace d’Hane (1702-1771) legde de basis met het hoofdgebouw en de uitbundige voorgevel in Lodewijk XV-stijl.

Zijn zoon, graaf Pierre Emmanuel d’Hane de Leeuwergem (1726-1786), zorgde voor de verdere uitbreiding en de meer classicistische tuingevel in Lodewijk XVI-stijl in 1773.

Tot slot was het graaf Jean-Baptiste d’Hane de Steenhuyse (1757-1826) die verantwoordelijk was voor de verfijnde aankleding en de binnendecoratie van het pand.

Een van de absolute pronkstukken in het interieur is de balzaal, die de volledige hoogte van de twee verdiepingen beslaat.

De wand- en plafondschilderingen in deze zaal zijn het werk van Petrus Nicolaas (P.N.) van Reysschoot (1738-1795). Deze Gentse kunstenaar, die deel uitmaakte van een bekende schildersfamilie, decoreerde het plafond met taferelen die de goden op de Olympus voorstellen.

Samen met zijn broers en zussen werkte hij tot aan zijn dood in 1795 aan verschillende prestigieuze opdrachten in de stad.

De verfijnde afwerking van de zaal wordt gecompleteerd door de parketvloer in inlegwerk uit 1770 van de Parijse schrijnwerker François Felix.

Onder Jean-Baptiste groeide het paleis in het begin van de 19e eeuw uit tot een ontmoetingsplaats voor de Europese adel en wereldtop.

In juli 1805 namen de Franse minister van Buitenlandse Zaken, prins de Talleyrand-Périgord, en zijn echtgenote er hun intrek.

Enkele jaren later, in 1810, logeerden Napoleon en Marie-Louise van Oostenrijk in het hotel, evenals de koning en koningin van Westfalen.

Op 24 juni 1814 was het de beurt aan de Russische tsaar Alexander I en datzelfde jaar verbleef ook John Quincy Adams, de latere president van de Verenigde Staten, in het paleis.

In 1815, tijdens de turbulente Honderd Dagen, vond de Franse koning Lodewijk XVIII hier op 30 maart een veilig onderkomen, nadat hij door Napoleon was verjaagd.

Datzelfde jaar, op 5 september 1815, brachten ook de pas gekroonde koning der Nederlanden, Willem I, en zijn echtgenote Wilhelmina een bezoek tijdens hun Blijde Intrede in Gent.

In 1818 mocht het paleis bovendien prins Willem II der Nederlanden als gast verwelkomen.

Toen de mannelijke lijn van de familie d’Hane de Steenhuyse uitstierf, kwam het stadspaleis in handen van Valerie van Pottelsberghe de la Potterie.

Zij was de dochter van Marie-Thérèse d’Hane de Steenhuyse en de echtgenote van jhr. Edouard van Pottelsberghe de la Potterie.

Door dit erfgoed bleef het paleis nauw verbonden met de Gentse adel. Tot 1902 bleven de erfgenamen het gebouw bewonen, waarna de rijke geschiedenis als privéresidentie tot een einde kwam.

Na de Tweede Wereldoorlog kreeg het pand een nieuwe bestemming als Museum der Honderd Dagen, maar dat bleek weinig succesvol.

Om de kosten te dekken, werden de ruimtes op de gelijkvloerse verdieping uiteindelijk verhuurd als winkels.

In 1981 kwam het pand in handen van Stad Gent, die het gebouw stelselmatig restaureerde en er jarenlang de dienst Monumentenzorg onderbracht.

De toekomst van dit erfgoed is echter onzeker geworden.

Op 2 december 2025 raakte bekend dat Gent maar liefst 48 gebouwen wil verkopen of in erfpacht wil geven.

Naast bekende monumenten zoals het poortgebouw van de Oude Vismijn en de Rabottorentjes staan ook de stadspaleizen Hotel d’Hane-Steenhuyse en Hotel Arnold Vander Haeghen op deze lijst.

De stad spreekt over het creëren van businesscases voor deze locaties, al blijft het onduidelijk wat dat precies zal inhouden.

Deze plannen roepen de nodige bezorgdheid op. Gezien de recente ontwikkelingen in de stad – zoals de horeca in het Gravensteen, de komst van luxe-appartementen in het Geeraard de Duivelsteen en de opening van een Delhaize-supermarkt binnen afzienbare tijd in de Sint-Annakerk – vragen velen zich af welke nieuwe invulling dit historische erfgoed zal krijgen.

Voorlopig blijft het gebouw wel nog toegankelijk voor het publiek. Je kunt het paleis elke vrijdag, zaterdag en zondag bezoeken tussen 14 en 18 uur.