Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
De discogroep Ottawan, bestaande uit de van oorsprong Caraïbische zangers Jean-Baptiste Patrick en Annette Eltice, was het geesteskind van de succesvolle producenten Jean Kluger en Daniel Vangarde.
De naam van de groep was een verrassend souvenir van een promoreis die de producenten naar de Canadese hoofdstad Ottawa bracht.
Hun grote doorbraak in Vlaanderen kwam in 1980 met ‘D.I.S.C.O.’.
Het nummer was zo aanstekelijk dat zowel de Engelse als de Franse versie de BRT Top 30 bestormde en een indrukwekkende derde plaats in de hitparade wist te veroveren.
Een jaar later, in 1981, herhaalden ze dat succes met ‘Hands Up (Give Me Your Heart)’, dat tot nummer vier klom.
Opvallend was dat de Franse versie, ‘Haut les mains’, een half jaar eerder was uitgebracht, maar niet verder kwam dan een bescheiden dertigste plaats.
De Engelse tekst, geschreven door de Vlaamse Nelly Byl, bleek de sleutel tot het grote succes.
Het liedje werd bovendien onsterfelijk als het promotielied voor de luxe reisorganisatie Club Med.
De groep scoorde nog een kleinere hit met het zomerse ‘Qui va garder mon crocodile cet été?’, dat een drieëntwintigste plek bereikte
Een naam die weinigen kennen, in tegenstelling tot zijn alter ego: Divine.
Een extravagante, grensverleggende en onvergetelijke artiest die de wereld schokte, liet dansen en zelfs onbewust het Disney-universum binnendrong als de inspiratiebron voor de zeeheks Ursula.
Het verhaal van Divine is onlosmakelijk verbonden met dat van regisseur John Waters.
Als tieners in Baltimore sloten ze een vriendschap die de underground filmwereld voorgoed zou veranderen.
Waters gaf Milstead de naam ‘Divine’ en creëerde een persona dat alle regels van goede smaak aan de laars lapte.
Met controversiële cultfilms als ‘Pink Flamingos’ (1972) werd Divine een icoon in de alternatieve scene en de homowereld.
In de jaren tachtig breidde Divine zijn werkterrein uit naar de muziek en veroverde hij de Europese dansvloeren.
De single ‘Shoot Your Shot’ werd een enorme hit in Vlaanderen en bereikte in januari 1983 de vierde plaats in de BRT Top 30, wat leidde tot optredens in legendarische clubs als de DOK in Amsterdam.
Hoewel hij zijn persona omarmde, wilde Milstead bewijzen dat hij ook een getalenteerd acteur was buiten de drag.
Hij speelde mannelijke rollen en kreeg steeds meer erkenning, met als hoogtepunt zijn dubbelrol in de mainstream hit ‘Hairspray’ (1988).
Dit leek de start van een nieuw hoofdstuk. Hij werd gecast voor een gastrol in de populaire sitcom ‘Married… with Children’; de opnames zouden starten op 7 maart 1988.
Die opnames zouden er nooit komen. Op exact die dag werd Divine, op 42-jarige leeftijd, dood aangetroffen in zijn hotelkamer.
Hij was in zijn slaap overleden aan een hartstilstand, veroorzaakt door een zwaarlijvigheidsprobleem waarvoor artsen hem hadden gewaarschuwd.
Voor de buitenwereld was Patrick Nebel de exuberante en fascinerende frontman van Nacht und Nebel.
Een artiest die een mythe rond zichzelf creëerde, bijvoorbeeld door het gerucht te verspreiden dat hij in een Zwitsers sanatorium zat om te vechten tegen zijn verslavingen.
De realiteit was echter veel tragischer. Achter de artiestennaam ging Patrick Marina Schools schuil, een man die leed aan zware angstpsychoses.
Zijn toevluchtsoord was niet de Zwitserse Alpen, maar Oostende.
Volgens zijn ontdekker, Roland Beelen, was de leugen een manier om zijn imago als wildeman te beschermen en zijn kwetsbaarheid te verbergen.
Helaas kon de mythe de man niet redden. De worsteling met drank, drugs en een hartziekte werd hem fataal.
Hij overleed in 1986 in de Sint-Lucaskliniek in Ekeren.
Met zijn dood verdween niet alleen een getormenteerde artiest, maar ook de band Nacht und Nebel.
Zijn uitvaart vond plaats in de kerk van de Zilverenhoek te Kapellen.
Een groep invloedrijke vrouwen in Washington D.C., richtte het Parents Music Resource Center (PMRC) op.
Onder leiding van Tipper Gore, de toenmalige vrouw van senator Al Gore, openden ze de aanval op wat ze zagen als de verderfelijke invloed van popsongs op de jeugd.
Ze waren bezorgd over teksten die volgens hen geweld, drugsgebruik, seksuele losbandigheid en het occulte verheerlijkten.
Om hun punt kracht bij te zetten, stelde de PMRC de beruchte “Filthy Fifteen” samen, een lijst van vijftien nummers die zij als de meest aanstootgevende voorbeelden zagen.
De volledige “Filthy Fifteen” lijst was als volgt:
Prince – “Darling Nikki” (Reden: Seks/Masturbatie)
Sheena Easton – “Sugar Walls” (Reden: Seks)
Judas Priest – “Eat Me Alive” (Reden: Seks/Geweld)
De lobby van de PMRC was zo succesvol dat het leidde tot een hoorzitting in de Amerikaanse Senaat op 19 september 1985.
Hier kreeg de campagne een krachtig en onverwacht tegengeluid van drie muzikanten: folkzanger John Denver, en de rockiconen Frank Zappa en Dee Snider.
Frank Zappa, gewapend met zijn intellect en scherpe tong, noemde het voorstel van de PMRC “een ondoordacht stuk nonsens” en een gevaarlijke eerste stap richting censuur die de vrijheid van meningsuiting zou ondermijnen.
Hij waarschuwde dat vage labels artiesten zouden stigmatiseren en de creativiteit zouden smoren.
Dee Snider, de frontman van Twisted Sister, was misschien wel de grootste verrassing.
De senatoren verwachtten een rebelse en onverstaanbare rocker, maar kregen te maken met een welbespraakte man die zijn teksten met verve verdedigde.
Hij legde uit dat “We’re Not Gonna Take It” een universeel protestlied was en dat de als gewelddadig bestempelde videoclip pure, op tekenfilms gebaseerde, slapstick was.
Hij beschuldigde de PMRC van het verkeerd interpreteren van zijn werk, zoals bij het nummer “Under the Blade”, dat niet over sadomasochisme ging, maar over de angst voor een operatie.
Ondanks de indrukwekkende getuigenissen van de artiesten, zwichtte de platenindustrie uiteindelijk voor de druk.
In plaats van een gedetailleerd ratingsysteem, kwamen ze overeen om vrijwillig de bekende “Parental Advisory: Explicit Lyrics” sticker op albums met expliciete inhoud te plakken.