45 jaar geleden, Harry Thumann, internationaal succes voor een technicus

Thumann startte zijn carrière als drummer tijdens tournees van diverse bands.

Nadat hij het tourleven beu werd, richtte hij zijn pijlen op de elektronische muziek. Hij leverde ook een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van verschillende types synthesizers (o.a. de iconische Fairlight II) en studio-apparatuur en was één van de eerste muzikanten die gebruikt maakte van MIDI en de Commodore 64 voor muziek.

‘Underwater’ staat op het debuutalbum ‘American Express’ dat in 1979 werd uitgebracht.

Vier jaar later lag de opvolger ‘Andromeda’ in de winkel, Harry’s tweede en laatste album. Het nummer ‘Sphinx’ was – samen met het klassieke stuk ‘Procession Of Bacchus’ van Léo Delibes – een van de inspiratiebronnen voor het iconische Knight Rider-thema.

Harry Thumann werkte tevens samen met o.a. het Italiaanse kamerorkest Rondo Veneziano dat als één van de eerste acts klassiek vermengde met synthesizermuziek.

Thumann overleed in 2001 op amper 49-jarige leeftijd

Deze week 53 jaar geleden bereikte het nummer Popcorn, en dat zowel voor de groepen Hot Butter en The Anarchic System, de eerste plaats in de BRT Top 30, een positie die twee weken werd vastgehouden.

De componist van deze instrumentale klassieker is Gershon Kingsley, geboren als Götz Gustav Ksinski op 28 oktober 1922 in het Duitse Bochum.

Vanwege zijn joodse vader en de verslechterende politieke toestand in Duitsland, vertrok hij in 1938 als 15-jarige alleen naar Palestina.

Daar studeerde hij aan het Conservatorium van Jeruzalem en was hij lid van de zionistisch-Joodse paramilitaire organisatie Haganah.

Pas acht jaar later zou hij zijn ouders terugzien in Amerika.

Samen met zijn vriend Jean-Jacques Perrey richtte hij de popgroep The Perrey-Kingsley op.

Ze brachten in 1966 hun eerste lp ‘The In Sound from Way Out’ uit, een jaar later gevolgd door ‘Kaleidoscopic Vibrations, Spotlight on the Moog’.

Daarna ging Kingsley solo en bracht in 1969 zijn album ‘Music to Moog By’ uit.

Op deze lp stonden naast covers ook eigen nummers, waaronder het voor zijn Moog synthesizer geschreven Popcorn.

Drie jaar later werd het nummer gecoverd door diverse artiesten, waaronder Hot Butter, het Pop Corn Orchestra met een jonge Jean-Michel Jarre, en Anarchic System.

Deze laatste groep was opgericht door Olivier Toussaint en Paul de Senneville, die we ook kennen van hun hit Dolannes Melodie en als componist van Ballade Pour Adeline.

Zowel in Vlaanderen als in Nederland behaalden de versies van Anarchic System en Hot Butter de eerste plaats in de hitparade.

Kingsley schreef ook veel muziek voor films en tv-series, waaronder nog in 2009 voor de film Silent Night, Bloody Night. Hij overleed op 10 december 2019 op 97-jarige leeftijd in Manhattan, New York.

Luisa Fernandez mag vandaag 64 kaarsjes uitblazen.

Luisa Fernandez werd in het Noord-Spaanse Vigo geboren, maar verhuisde met haar familie begin jaren 70 naar het Duitse Hamburg.

Daar volgde ze een opleiding tot kapster. In 1977 neemt Luisa, dan 16 jaar, deel aan een talentenjacht in een discotheek in Alveslohe.

Ze wordt daardoor ontdekt en krijgt meteen een platencontract.

In 1978 ligt de debuutsingle ‘Lay Love On You’ in de winkel, een nummer dat wel heel veel gelijkenissen vertoont met de hits van de Australische popzanger John Paul Young, die op dat moment erg populair is.

‘Lay Love On You’ werd een grote zomerhit met hoge noteringen in Vlaanderen (n°7), Nederland (n°4), Duitsland, Oostenrijk en Nieuw-Zeeland.

Enkele weken later deed ze dat nog eens over met ‘Give Love A Second Chance’.

Met het wegdeemsteren van disco verdween ook Luisa van de radar.

In 1986 duikt ze weer op aan de zijde van Peter Kent, in 1981 zelf goed voor een zomerhit met ‘It’s A Real Good Feeling’, met wie ze ook trouwde.

Samen scoren ze in 1987 een Oostenrijkse n°1-hit met ‘Solo Por Ti’.

De samenwerking en haar relatie met Kent wordt in 1997 beëindigt.

Na 1997 brengt Fernandez opnieuw solonummers uit, zonder veel succes evenwel

Gisteren nog vandaag

The Go-Go’s, de lieverdjes van Specials en Madness

The Go-Go’s zagen het levenslicht in 1978 in de punkscene van Los Angeles.

De groep werd opgericht door Belinda Carlisle, die haar sporen al had verdiend bij de legendarische band The Germs, samen met Charlotte Caffey en Jane Wiedlin. Met de komst van drumster Gina Shock in 1979 was de bezetting compleet en begon de band met redelijk succes op te treden in het clubcircuit.

Hun aanstekelijke rock & roll, met een duidelijke knipoog naar de meidengroepen uit de jaren zestig, wist het publiek te boeien, maar platenmaatschappijen hapten niet toe.

Gedesillusioneerd maar vastberaden namen de dames in 1980 een drastische beslissing: ze zegden hun banen op om zich volledig op de muziek te richten.

Een tournee door Engeland in het voorprogramma van The Specials bleek een gouden zet.

Het leverde niet alleen een romance op tussen Jane Wiedlin en Specials-zanger Terry Hall, maar ook hun eerste single, ‘We Got The Beat’.

Kort daarna kwam bassiste Kathy Valentine de gelederen versterken en eindelijk toonde een platenlabel, I.R.S. Records, interesse.

In 1981 namen ze met producer Richard Gottehrer hun debuutalbum ‘Beauty and the Beat’ op.

De plaat werd een fenomenaal succes in de Verenigde Staten, waar er meer dan twee miljoen van werden verkocht.

Hits volgden snel, waaronder het door Wiedlin en Hall geschreven ‘Our Lips Are Sealed’ en de opnieuw uitgebrachte single ‘We Got The Beat’, die op zijn beurt een miljoen keer over de toonbank ging.

Druggebruik, persoonlijke conflicten en onenigheid over de muzikale koers zorgden voor steeds meer spanningen.

In oktober 1984 besloot Jane Wiedlin de band te verlaten.

Met Paula Jean Brown als vervangster speelden The Go-Go’s in 1985 nog op het Rock In Rio Festival, maar de magie was verdwenen.

In mei van datzelfde jaar besloten Belinda Carlisle en Charlotte Caffey de stekker uit de groep te trekken.

Carlisle startte een succesvolle solocarrière, terwijl Caffey zich liet behandelen voor haar drugsverslaving. Na deze succesvolle behandeling, Starte ze ook een solocarrière die er mag zijn, binnenkort meer over deze dame in onze groep.

Een reünietournee in 2000 bracht de oorspronkelijke leden weer samen en leidde in 2001 zelfs tot een nieuw album: ‘God Bless The Go-Go’s’.

Dit jaar waren ze ook aanwezig op het Coachella Valley Music and Arts Festival 2025. Waar ook onder meer Lady Gaga, Green Day en

Travis Scott van de partij waren.

45 jaar geleden, Linsey De Paul wil trouwen met de Amerikaans filmacteur James Coburn.

Lynsey De Paul, geboren als Lynsey Monckton Rubin, was een van de meest getalenteerde en onafhankelijke vrouwen in de Britse muziekscene van de jaren zeventig.

Ze was niet alleen een succesvolle zangeres, maar ook een begenadigd songschrijfster.

Haar talent om pakkende liedjes te schrijven bleek al vroeg toen ze de hit “Storm in a Teacup” pende voor de groep The Fortunes.

In 1972 brak ze zelf groots door met het onvergetelijke “Sugar Me”, een nummer dat haar direct tot een ster maakte.

Daarna volgden nog meer hits, waaronder het bekroonde “Won’t Somebody Dance with Me” en “No Honestly”.

In 1977 vertegenwoordigde ze, samen met Mike Moran, het Verenigd Koninkrijk op het Eurovisiesongfestival. Hun aanstekelijke duet “Rock Bottom” werd een grote favoriet en behaalde een verdienstelijke tweede plaats.

Lynsey De Paul was echter veel meer dan een popzangeres. Ze ontwikkelde zich tot producer, schitterde in musicals, nam interviews af voor televisie en was een veelgevraagde mediapersoonlijkheid.

Ze stond bekend als een bewust zelfstandige vrouw die nooit trouwde en overtuigd vegetariër was.

Haar onafhankelijkheid weerhield haar er niet van om relaties te hebben met enkele van de meest bekende mannen van die tijd, waaronder Ringo Starr, Sean Connery en Bernie Taupin.

Tragisch genoeg overleed de zangeres op 1 oktober 2014 onverwacht in een ziekenhuis in Londen na een hersenbloeding.

Vanavond, 45 jaar geleden, start van het vierde Feniksfestival in Roosdaal (9 en 10 augustus 1980)

Het Feniksfestival was een pop- en rockfestival dat in de jaren 70 en begin jaren 80 plaatsvond op de Kapelleweide in de Vlaams-Brabantse gemeente Roosdaal.

Het festival bouwde in de regio een stevige reputatie op als een belangrijk muzikaal evenement, vergelijkbaar met andere bekende openluchtfestivals uit die periode zoals Jazz Bilzen en Rock Torhout.

De vierde editie vond plaats in het weekend van zaterdag 9 en zondag 10 augustus 1980.

Het programma was als volgt:

Op zaterdag 9 augustus 1980 traden de volgende artiesten op:

  • Kevin Coyne
  • The Shirts
  • Sector 27 (de band van Tom Robinson)

Op zondag 10 augustus 1980 was de line-up:

  • Steel Pulse
  • Rick Tubbax & The Taxis
  • Raymond van het Groenewoud & The Millionaires

Het festival was een initiatief van de plaatselijke VZW De Feniks en speelde een belangrijke rol in het culturele leven van het Pajottenland in die tijd.

45 jaar geleden, George Benson een artiest die de zeldzame sprong maakte van een door puristen bewonderde jazzgitarist naar een wereldwijde pop- en R&B-superster.

Benson, geboren in 1943, was een waar wonderkind.

Al op achtjarige leeftijd zong hij in nachtclubs en op zijn tiende nam hij al platen op onder de naam ‘Little Georgie’.

Zijn ware roeping vond hij in de jazz, geïnspireerd door grootheden als Wes Montgomery en Charlie Parker.

Zijn reputatie als technisch begaafd gitarist groeide snel, zeker nadat hij op zijn negentiende toetrad tot de band van de bekende organist Jack McDuff.

In deze periode ontwikkelde hij zijn kenmerkende stijl: een vloeiende gitaartechniek gecombineerd met ‘scat singing’, waarbij hij de noten die hij op zijn gitaar speelde perfect meezong.

Ondanks zijn immense talent en platen voor labels als Polydor en Motown, bleef de grote commerciële doorbraak uit.

Het jaar 1976 veranderde alles. Benson tekende bij Warner Brothers en bracht het album Breezin’ uit.

Op aanraden van de producer nam hij niet alleen instrumentale nummers op, maar zong hij ook.

De cover van het Leon Russel nummer “This Masquerade” werd, tegen alle verwachtingen in, een gigantische hit en een millionseller.

Het leverde hem in 1977 de prestigieuze Grammy Award voor Plaat van het Jaar op.

Zijn samenwerking met de legendarische producer Quincy Jones resulteerde in het album Give Me the Night (1980).

De titeltrack, geschreven door Rod Temperton (die ook voor Michael Jackson schreef), werd een wereldwijde funkklassieker.

Het album was een sterrenproject, met bijdragen van muzikale vrienden als Louis Johnson (The Brothers Johnson), Lee Ritenour en de toetsenisten George Duke en Herbie Hancock.

Andere successen uit zijn Carrière, zijn onder meer “On Broadway”, “Turn Your Love Around” en “Nothing’s Gonna Change My Love for You”.

Hij wordt geëerd als een levende legende, een winnaar van tien Grammy Awards en een NEA Jazz Master, de hoogste eer voor een jazzartiest in de Verenigde Staten.

Hij blijft relevant door samen te werken met moderne artiesten zoals Gorillaz op het nummer “Humility”.

Benson toert nog steeds de wereld rond en verkoopt de prestigieuste zalen, zoals de Royal Albert Hall en het Hollywood Bowl, moeiteloos uit.

Ook in 2025 staan er nog concerten gepland, waar hij zijn publiek trakteert op een mix van zijn jazzy virtuositeit en de onsterfelijke pophits die hem wereldberoemd maakten (Joepie 10 augustus)

45 jaar geleden, Janis Ian, superstar zijn, is in feite een grote valstrik.

Janis Ian, geboren als Janis Eddy Fink in New York op 7 april 1951, was een natuurtalent dat de muziekwereld al op jonge leeftijd op zijn grondvesten deed schudden.

Ze leerde piano spelen vanaf haar derde en op haar twaalfde schreef ze al haar eerste nummers. Een jaar later, op haar dertiende, koos ze de artiestennaam waaronder ze bekend zou worden: Janis Ian.

Op haar veertiende schreef ze het lied dat haar leven zou bepalen: “Society’s Child”. Het nummer, dat de destijds uiterst gevoelige thematiek van een relatie tussen een blank meisje en een zwarte jongen behandelde, werd een onverwachte hit.

Ondanks dat veel radiostations het weigerden te draaien, bereikte de single in 1966 de top 20, met een verkoop van 600.000 exemplaren.

Haar debuut-lp, geproduceerd door de legendarische George “Shadow” Morton (bekend van The Shangri-Las), was eveneens een succes.

De controverse en het commerciële succes zorgden ervoor dat het nummer later een verdiende plaats kreeg in de Grammy Hall of Fame vanwege de historische impact.

Na dit vroege hoogtepunt volgden er echter moeilijkere jaren. Haar volgende albums verkochten beduidend minder, waardoor ze al snel het stempel van ‘eendagsvlieg’ kreeg.

Maar Janis Ian bewees het tegendeel. Met het album Stars vocht ze zich terug in de aandacht, en de opvolger Between the Lines bereikte zelfs de eerste plaats in de hitlijsten.

Deze succesvolle comeback werd in 1976 bekroond met een Grammy Award voor Beste Vrouwelijke Popartiest.

Aan het einde van de jaren 70 toonde Ian haar veelzijdigheid opnieuw.

Samen met discoproducer Giorgio Moroder schreef ze het nummer “Fly Too High” voor de film Foxes.

Het werd een wereldwijde hit die in veel landen, waaronder Vlaanderen en Nederland, de eerste plaats bereikte. I

n diezelfde periode nam ze in 1980 ook het duet “Don’t leave tonight” op met Conny Vandenbos.

Na een scheiding werd het stil rond Ian. Een nog zwaardere klap volgde toen ze door het bedrog van haar boekhouder bijna failliet was.

In 1993 maakte ze een krachtige rentree met het album Breaking Silence, waarop ze openlijk uitkwam voor haar homoseksualiteit.

In 2003 trouwde ze met haar partner, Patricia Snyder,

Recentelijk heeft Janis Ian een punt gezet achter haar lange carrière.

De moeilijke beslissing om te stoppen met optreden kwam er wegens aanhoudende gezondheidsproblemen.

Een hardnekkige laryngitis heeft permanente littekens op haar stembanden achtergelaten, wat consistent toeren onmogelijk maakt.

Haar afscheid van het podium viel samen met de release van wat ze haar laatste album noemt, The Light at the End of the Line (2022)

Toch bracht ze in 2024 nog de single When he was here uit.

Vandaag, vijf jaar geleden, komt de Franse zanger Alain Delorme te overlijden.

Delorme was jarenlang de frontman van de populaire Belgische formatie Crazy Horse.

Crazy Horse scoorde hits met nummers als “J’ai tant besoin de toi” (een nummer van Paul Severs), “Une fleur, rien qu’une rose”, “Un jour sans toi” en “L’amour la première fois”.

Hun grootste succes behaalden ze echter in 1973 met “Et surtout ne m’oublie pas”, waarvan alleen al in Frankrijk 550.000 exemplaren werden verkocht.

In 1975 besloot Alain Delorme uit de groep te stappen, wat meteen het einde van Crazy Horse betekende.

Met zijn eerste solosingle “Romantique avec toi” was het meteen raak; de single was goed voor een verkoop van 350.000 exemplaren.

Het nummer werd geschreven door Jean Géral en Elisabeth Vigna.

Vreemd genoeg was het in Vlaanderen geen hit en kwam de single niet verder dan de Tipparade.

Ook de opvolger, “Je Rêve Souvent D’une Femme”, was een groot succes in Frankrijk, evenals zijn derde single “Livre d’Amour” die het meer dan behoorlijk deed.

Later haalde hij nog de hitlijsten met singles als “On Danse En France” (1976) en “J’ai Un Petit Faible Pour Toi” (1977).

Alain Delorme overleed vijf jaar geleden, op 7 augustus 2020.