Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Gisteren is de zangeres Bonnie Tyler op 75-jarige leeftijd overleden. Haar verhaal begon in 1953, toen ze als Gaynor Hopkins ter wereld kwam in het Zuid-Welshe Skewen.
Ze groeide op met de muziek van Tina Turner en Janis Joplin, die ze gedurende haar hele leven als haar twee grote voorbeelden bleef zien.
Haar muzikale talent bleek al vroeg, toen ze op 17-jarige leeftijd deelnam aan een zangwedstrijd.
Dankzij een indrukwekkende vertolking van het nummer Those Were The Days van Mary Hopkin behaalde ze de tweede plaats.
De sensatie van het optreden en de waardering van het publiek gaven haar zoveel voldoening dat ze besloot voluit voor een zangcarrière te gaan.
Na een succesvolle auditie sloot ze zich aan bij Bobby Wayne And The Dixies. Deze formatie verliet ze na twee jaar om haar eigen band, Imagination, op te richten.
Omdat Hopkins vond dat haar geboortenaam te weinig uitstraling had voor een artiest, nam ze de artiestennaam Bonnie Tyler aan.
Later gaf ze overigens toe dat ze spijt had van die keuze. Als Bonnie Tyler trad ze aanvankelijk op in diverse bars en clubs in Zuid-Wales.
Daar werd ze ontdekt door Ronnie Scott en Steve Wolfe.
Deze producers en liedjesschrijvers namen haar direct onder hun hoede en bleven tot 1981 actief als haar managers, schrijvers en producers.
Zij wisten een platencontract voor haar te regelen bij RCA Records, waar haar allereerste single My My Honeycomb verscheen.
Dit typische popnummer deed echter erg denken aan de dertien-in-een-dozijn-popsongs uit de vroege jaren zeventig en wist de hitlijsten dan ook niet te bereiken.
Tyler zelf dacht later liever zo min mogelijk aan deze debuutsingle terug.
In 1976 kreeg de zangeres te maken met fysieke tegenslag en moest ze een keeloperatie ondergaan.
Na de ingreep kreeg ze het dwingende advies om zes weken lang volledig te zwijgen, waardoor ze zich alleen via geschreven briefjes verstaanbaar kon maken.
Omdat ze zich niet aan deze rustperiode hield, hield ze permanent een karakteristieke, schorre stem over aan de operatie.
Kort na deze medische ingreep scoorde ze haar eerste hit met ‘Lost in France’.
Dit nummer was nog voor de operatie opgenomen, waardoor luisteraars haar oude stemgeluid hoorden.
In Nederland behaalde de single een bescheiden 24e positie, in Vlaanderen was de single goed voor een vijftiende plaats in de BRT Top 30 en in haar thuisland Groot-Brittannië reikte het nummer tot de 9e plaats.
Haar grootste succes met deze plaat beleefde ze echter in Duitsland, waar het nummer ruim een half jaar in de Top 10 genoteerd stond.
De opvolger ‘More Than A Lover’ slaagde er vervolgens niet in om dit succes te evenaren.
Dat lukte haar derde single ‘It’s A Heartache’ daarentegen wel. Dit nummer groeide uit tot een internationale hit die in Groot-Brittannië de 4e plaats bereikte, in Nederland doorstootte naar de 3e positie en ook in de Verenigde Staten de Top 5 behaalde.
Toch bleek het lastig om deze populariteit vast te houden, want de zeven daaropvolgende singles flopten stuk voor stuk.
Tyler nam in totaal vier albums op voor RCA Records, waarbij ze door de maatschappij steeds nadrukkelijker in de richting van de countrymuziek werd gestuurd.
Mede door deze muzikale koers en het feit dat ze uitsluitend materiaal van Scott en Wolfe mocht opnemen, besloot ze in 1981 te breken met haar managers, producers en platenlabel.
Ze moest op zoek naar een volledig nieuw team, dat ze vond in CBS Records, manager David Aspden en producer Jim Steinman.
Hun samenwerking leidde tot het album Faster Than The Speed Of Night, waarmee ze resoluut brak met haar muzikale verleden en een compleet nieuwe sound introduceerde.
Op dit album stond de wereldhit ‘Total Eclipse Of The Heart’, die Tyler haar allereerste nummer 1-hit opleverde in zowel Groot-Brittannië als de Verenigde Staten, hoewel het nummer in Nederland vreemd genoeg bleef steken op de 24e plek.
In Vlaanderen was de single goed voor een zestiende plaats in de BRT Top-30.
Ondanks het beperkte succes in Vlaanderen en Nederland, blijft ‘Total Eclipse Of The Heart’ voor de meeste mensen nog altijd het nummer dat zij het meest associëren met Bonnie Tyler
Op Spotify is het nummer inmiddels al meer dan 1 miljard keer gestreamd.
Het album zelf bereikte eveneens de top van de hitlijsten.
Nieuwe hitsingles bleven daarna echter uit en ook het daaropvolgende album Secret Dreams And Forbidden Fire werd geen commercieel succes.
Zelfs de inzet van een andere producer, Desmond Child, kon het tij niet keren; hoewel Secret Dreams goede kritieken ontving, liet de promotie vanuit de platenmaatschappij te wensen over.
Wat veel mensen niet weten, is dat ‘The Best’ van Tina Turner een cover was.
Bonnie Tyler bracht het nummer namelijk al in 1988 uit, een jaar voordat Tina Turner met haar versie kwam.
Het nummer was geschreven door de bekende producer en componist Mike Chapman, in samenwerking met Holly Knight, die geboren werd als Holly Erlanger.
Om haar carrière nieuw leven in te blazen, besloot de zangeres in 1991 tot een radicale koerswijziging en verhuisde ze naar Duitsland, het land waar ze historisch gezien altijd veel succes had gehad.
Deze stap wierp al snel zijn vruchten af, want haar albums Bitterblue en Angelheart werden in diverse Europese landen bekroond met goud of platina.
Opvallend genoeg werden deze platen destijds niet eens uitgebracht in Groot-Brittannië.
In 1995 bracht ze het album Free Spirit uit via East West in Europa en Atlantic Records in de Verenigde Staten.
Ondanks uitstekende recensies vielen de verkoopcijfers van het album erg tegen.
De single ‘Making Love Out Of Nothing At All’ werd daarentegen wel populair.
In Engeland miste het nummer de hitlijsten, omdat er simpelweg te weinig fysieke exemplaren in de winkels lagen, maar in Nederland wist de single wel door te dringen tot een mooie 12e positie in de Top 40.
In Vlaanderen bereikte het nummer niet de hitparade.
Het nummer ‘Making Love (Out Of Nothing At All)’ is geschreven door Steinman en voor het eerst uitgebracht door Air Supply in 1983.
In maart 2013 lanceerde Tyler haar album Rocks And Honey.
Dit project was opgenomen in de Amerikaanse muziekstad Nashville, waarmee de zangeres na vele jaren weer bewust terugkeerde naar haar oude country-roots.
Op haar 62e vertegenwoordigde Tyler in 2013 het Verenigd Koninkrijk tijdens het Eurovisiesongfestival in Malmö met het nummer Believe In Me, waarmee ze uiteindelijk op de 19e plaats eindigde.
Gedurende haar carrière werd Bonnie Tyler in totaal drie keer genomineerd voor een Grammy, de belangrijkste Amerikaanse muziekprijzen.
Daarnaast werd ze opgenomen in de Orde van het Britse Rijk voor haar grote verdiensten voor de muziek.
Tijdens haar indrukwekkende muzikale loopbaan bracht de Welshe zangeres 18 studioalbums en 83 singles uit, waarmee ze wereldwijd meer dan 100 miljoen platen wist te verkopen.
Dit duo ontstond puur vanuit een gedeelde passie voor muziek, nadat de leden elkaar hadden ontmoet via de Amsterdamse Kleinkunstacademie en een talentenjacht.
April Shower bestond uit zangeres Heddy Affolter, die later landelijk zou doorbreken als Heddy Lester, en gitarist en songwriter Gert Balke.
Voordat Balke in de muziekwereld stapte, werkte hij als medewerker op Schiphol.
De muzikale en artistieke wortels van Heddy zaten in de familie.
Haar Joodse moeder, Louise de Montel, zong onder meer bij Toon Hermans en Gerard Walden.
Zij had haar man, Coen Affolter, destijds leren kennen in Kamp Vught. In de jaren zeventig opende Coen nachtclub Iboyah, die ook wel bekendstond als restaurant De Gouden Eeuw, aan de Amsterdamse Keizersgracht.
Gert Balke trad daar veelvuldig op met Heddy, waardoor hij een kind aan huis en een goede vriend van de familie Affolter werd.
In ditzelfde etablissement ontmoette Heddy bovendien Ramses Shaffy, met wie ze gedurende de jaren zeventig regelmatig zou optreden.
Het grootste succes van April Shower was de door Balke geschreven Railroadsong.
Deze single werd in de zomer van 1971 uitgebracht door platenlabel Polydor, werd uitgeroepen tot Treiterschijf op Radio Noordzee Internationaal en behaalde een bescheiden dertigste positie in de Nederlandse Top 40.
Begin jaren zeventig maakte het duo bovendien een succesvolle tournee door Canada, de Verenigde Staten en Mexico.
In Mexico traden ze zelfs meerdere keren op voor de nationale televisie, nadat een Mexicaanse producer hen in het restaurant van Heddy’s vader had ontdekt.
De Nederlandse pers schonk destijds echter nauwelijks aandacht aan dit internationale succes.
Na Railroadsong volgden nog enkele singles. ‘Mama look upon me’, met op de b-kant ‘Come see’, bereikte in 1971 de Tipparade, maar de opvolgende singles, ‘It’s so funny’ (1972) en ‘Danny’s song’ (1973), flopten.
Nadat het duo in 1973 uit elkaar ging, verdween Gert Balke grotendeels uit de publiciteit.
Heddy Lester koos daarentegen voor een solocarrière en verwierf bekendheid door in 1977 deel te nemen aan het Eurovisiesongfestival met het mooie nummer ‘De mallemolen’, voorzien van een tekst van Wim Hogenkamp en muziek van haar broer Frank Affolter.
Van de achttien deelnemers eindigde ze met 35 punten op de twaalfde plaats. Tussen 1979 en 1987 maakte ze met haar broer en Hogenkamp diverse programma’s.
Voor haar eerste soloprogramma ontving Lester in 1979, samen met haar broer, als allereerste artiest de Pall Mall Exportprijs.
Ook broer Frank Affolter bouwde een uitgebreide eigen muzikale carrière op.
In 1986 scoorde hij zelf een bescheiden hit met The Way to Love / Het is nog niet te laat.
Een hele generatie groeide bovendien op met zijn stem, aangezien hij eind jaren tachtig en begin jaren negentig de Nederlandse titelsongs zong van de Disney-series Ducktales en Darkwing Duck.
De nieuwe avonturen van Winnie de Poeh. In 1993 was hij componist en producent van het lied ‘Samen Verder’, dat speciaal werd geschreven voor een project tegen racisme en waaraan vele bekende Nederlandse artiesten meewerkten.
In 1996 verscheen zijn eerste solo-cd Hold On, waarvoor hij alles componeerde, produceerde en zong, inclusief de single ‘Haven’t we been warned enough’.
Daarnaast was Frank muzikaal leider van verschillende amateurkoren, waarvoor hij de musicals Getikt en Uit de Schaduw schreef.
Dit resulteerde in 2003 in zijn eerste professionele musical Alleen Op De Wereld, die hij ook zelf produceerde.
Voor deze productie werden zowel de muziek van Frank als actrice Hilke Bierman genomineerd voor de John Kraaijkamp Musical Award 2004.
In 2005 volgde de musical Merlijn en het mysterie van Koning Arthur.
Op zondag 18 maart 2007 ging vervolgens de voorstelling 10.000 Zakdoeken in première, een bijzondere hommage aan zijn ouders en hun tijd in en overleving van Kamp Vught.
Jaren later, in 2020, toonde Frank opnieuw zijn vocale kwaliteiten door in The Voice Senior de halve finales te bereiken als lid van het team van Ilse DeLange.
Broer en zus vonden elkaar niet alleen op het podium, maar ook in de filmwereld.
Vanaf 1987 werkte Heddy tevens als freelance actrice, en in 1991 vertolkte zij de rol van moeder in de afstudeerfilm De tranen van Maria Machita van Paul Ruven.
Ze speelde hierin naast onder anderen Ellen ten Damme, Jacques Herb en Ali Çifteci, terwijl Frank alle muziek voor deze productie componeerde.
De film werd bekroond met een Tuschinski Award en een Gouden Kalf in de categorie Beste korte film.
Heddy bleef in de decennia daarnaast actief; in 2001 leende ze haar stem aan Mevrouw Packard in de animatiefilm Atlantis: De Verzonken Stad.
In 2020 was ze nog even op televisie te zien in het programma Even tot hier en speelde ze de moeder van Gerri van Vlokhoven, vertolkt door Frank Lammers, in de film Groeten van Gerri.
Heddy Lester overleed op 30 januari 2023 op 72-jarige leeftijd aan de gevolgen van blaaskanker.
De Fugees vormden een invloedrijke Amerikaanse hiphopgroep die in de vroege jaren negentig werd opgericht in New Jersey.
Het trio bestond uit zangeres en rapper Lauryn Hill, rapper en producer Wyclef Jean en rapper Pras Michel.
De naam van de groep is afgeleid van het woord refugee, wat vluchteling betekent, een verwijzing naar de Haïtiaanse afkomst van Wyclef en Pras.
Hun unieke geluid was een vernieuwende mix van hiphop, soul, r&b en Caraïbische invloeden zoals reggae.
Hun muzikale reis begon met het debuutalbum Blunted on Reality uit 1994.
Hoewel dit album niet onmiddellijk voor een grote internationale doorbraak zorgde, legde het wel de basis voor hun kenmerkende stijl en trok het de aandacht van de underground hiphopscene.
De wereldwijde roem volgde twee jaar later met de release van The Score in 1996.
Dit album was een enorm commercieel en kritisch succes en wordt geprezen als een absoluut meesterwerk uit de jaren negentig. Hitsingles zoals ‘Killing Me Softly’, ‘Ready or Not’ en ‘Fu-Gee-La’ stonden wereldwijd bovenaan de hitlijsten en maakten van de groepsleden wereldsterren.
Hun cover van het nummer ‘Killing Me Softly With His Song’ was zowel in Vlaanderen als in Nederland goed voor de eerste plaats in de BRT Top 30 en de Nederlandse Top 40.
The Score won meerdere Grammy Awards en behoort tot de bestverkochte hiphopalbums aller tijden.
De oorsprong van hun grootste hit, ‘Killing Me Softly’, kent overigens een rijke geschiedenis.
Zangeres Lori Lieberman schreef het gedicht ‘Killing Me Softly With His Blues’ nadat ze een show van Don McLean had bijgewoond.
Tijdens dat optreden kreeg ze het gevoel alsof hij recht in haar ziel zong.
De schrijvers Gimbel en Fox maakten er vervolgens voor Lieberman een lied van en veranderden het in ‘Killing Me Softly’.
Tijdens het wachten op haar vlucht hoorde Roberta Flack het nummer in de luchthaven en ze was meteen verkocht.
Ze werkte drie maanden aan het nummer, maakte wat aanpassingen en scoorde er in 1973 een serieuze hit mee, ruim twintig jaar voordat de Fugees er wereldwijd de hitlijsten mee zouden aanvoeren.
Gimbels carrière begon bij muziekuitgevers David Blum en Edwin H. Morris.
Een van zijn vroege successen was de Engelse tekst voor het gekende nummer Sway, dat we kennen dankzij de uitvoering van Dean Martin in 1954 en later van Michael Bublé.
De muziek, geschreven door Luis Demetrio en Pablo Beltrán Ruiz in 1953, droeg toen de titel ‘Quien Será’ en werd voor het eerst uitgebracht door Nelson Pinedo con la Sonora Matancera.
Twee jaar later, in 1956, scoorde hij opnieuw met de liedjestekst voor ‘Canadian Sunset’, de hitsingle van Andy Williams.
Het meest bekend was hij voor zijn werk in de film- en televisiewereld.
Hij schreef de teksten voor onder meer ‘Laverne and Shirley’ ‘Wonder Woman’ en ‘HR Pufnstuf’.
Ook de begintune van de cultcomedyreeks ‘Happy Days’ is van zijn hand.
Lange tijd vormde Gimbel een duo met Charles Fox, wat hen in 1973 voor hun tekst van “Killing Me Softly” een Grammy Award opleverde.
Daarnaast schreef Gimbel ook de Engelse tekst voor verschillende Braziliaanse bossanova-artiesten.
Voor de Engelse versie van de klassieker ‘The Girl from Ipanema’, in 1964 ingezongen door Astrud Gilberto, won hij de Grammy voor beste nummer van het jaar.
Voor ‘It goes like it goes’ uit de film Norma Rae won Gimbel samen met David Shire een Oscar voor beste originele nummer.
In 1984 werd Gimbel opgenomen in de Songwriters Hall of Fame.
Norman Gimbel kwam te overlijden op 19 december 2018 op 91-jarige leeftijd.
Zijn toenmalige muzikale partner, de nu 85-jarige Charles Fox, is daarentegen nog altijd actief in de muziekwereld.
De documentaire over hem, met de toepasselijke naam Killing Me Softly with His Songs, ging in 2022 in première op filmfestivals en werd in april 2024 officieel digitaal en op Blu-ray uitgebracht.
Deze film is momenteel ook nog te bekijken via Amazon Prime.
Ondanks het gigantische succes van The Score begonnen onderlinge spanningen al snel hun tol te eisen.
Het trio besloot uit elkaar te gaan om zich te concentreren op soloprojecten, die aanvankelijk bijzonder succesvol waren.
Wyclef Jean bracht het geprezen album The Carnival uit, terwijl Lauryn Hill de muziekwereld veroverde met haar veelgeprezen soloalbum The Miseducation of Lauryn Hill, dat in 1998 verscheen.
Ze ontving hiervoor vijf Grammy’s en wereldwijd werden er negentien miljoen exemplaren van de plaat verkocht.
Pras Michel scoorde dan weer een grote wereldhit met ‘Ghetto Supastar’.
In de jaren die volgden, kwamen de leden van de groep nog enkele keren samen voor optredens en probeerden ze sporadisch nieuwe muziek op te nemen.
Een volledige en langdurige reünie vond echter niet plaats als gevolg van voortdurende meningsverschillen en latere juridische obstakels.
Desondanks blijft hun muzikale erfenis een onmisbare schakel in de popcultuur van de late twintigste eeuw.
Voor muziekliefhebbers en verzamelaars die terugkijken op de jaren negentig, blijft de unieke samenklank van dit trio een bepalend en onvergetelijk geluid.
Vandaag de dag bewandelen de drie leden heel uiteenlopende paden.
Wyclef Jean is nog altijd wereldwijd actief als muzikant, producer en activist.
Dit jaar verscheen hij onder meer op het podium tijdens de countdown-concerten voor het FIFA Wereldkampioenschap voetbal in Toronto.
Ook bracht hij recent de veelbesproken zevenledige albumreeks Quantum Leap uit.
Lauryn Hill blijft een invloedrijke stem binnen de muziek en wordt geregeld geëerd om haar nalatenschap.
Zo ontving zij in de zomer van 2026 de inaugurele Living Legend Icon Award bij de BET Awards.
Samen met Wyclef Jean treedt ze op onder de vlag van Diaspora Calling!, inclusief headliner-shows op festivals.
Eerder dat jaar verzorgde ze ook al een opvallend eerbetoon tijdens de Grammy Awards.
Haar persoonlijke pad ging echter niet altijd over rozen; zo zat Hill in 2013 een gevangenisstraf van drie maanden uit wegens belastingfraude.
Voor Pras Michel, de rapper en medeoprichter van de groep, nam het leven een andere wending.
Hij werd in 2023 schuldig bevonden aan betrokkenheid bij een illegale politieke beïnvloedingscampagne en witwaspraktijken.
Na zijn veroordeling heeft hij in mei 2026 zijn gevangenisstraf van veertien jaar in de Verenigde Staten aangevangen, al vecht zijn juridische team de uitspraak nog altijd in hoger beroep aan.
Wat dit opzwepende nummer extra bijzonder maakt, is dat de zeven getalenteerde groepsleden het helemaal zelf schreven.
Stella Barker, Clare Hirst, Miranda Joyce, Jennie Matthias, Sarah-Jane Owen, Judy Parsons en Lesley Shone vormden destijds een opvallende en stoere verschijning in de muziekwereld.
Een leuk detail is dat de groep deels voortkwam uit de as van The Bodysnatchers, een toen bekende ska-band. Stella Barker, Miranda Joyce, Sarah-Jane Owen en Judy Parsons maakten de overstap vanuit die groep en bundelden hun krachten met de nieuwe leden Clare Hirst, Jennie Matthias en Lesley Shone om The Belle Stars compleet te maken.
De meiden stonden erom bekend dat ze al hun instrumenten zelf bespeelden, wat in de vroege jaren tachtig voor een voltallige vrouwenband nog altijd uitzonderlijk en behoorlijk vooruitstrevend was.
De aanstekelijke mix van pop en new wave, met een stevige knipoog naar hun ska-roots, werd feilloos vastgelegd door producer Peter Collins.
Hij was een bijzonder veelzijdige vakman die zijn sporen in de internationale muziekindustrie ruimschoots heeft verdiend.
Het bleef voor hem overigens niet bij Britse meidengroepen, want zijn productiewerk omvat een opvallend breed scala aan artiesten en stevige genres.
Zo verzorgde hij later het geluid voor uiteenlopende namen als Alice Cooper, Bon Jovi, Suicidal Tendencies, Indigo Girls, Jane Wiedlin, October Project, The Cardigans en Tracey Ullman.
De samenwerking tussen The Belle Stars en Collins bleek een absoluut schot in de roos, want de single vloog overal de hitlijsten in.
In Vlaanderen was het nummer goed voor een indrukwekkende tweede plaats in de toenmalige BRT Top 30, en ook in Nederland was het een enorm succes met een zesde plek in de Top 40.
In hun thuisland, het Verenigd Koninkrijk, piekte de plaat zelfs op de derde positie. Hoewel Sign of the Times wereldwijd hun grootste succes bleef, stonden The Belle Stars aan het eind van de jaren tachtig toch nog een keer onverwacht in de schijnwerpers.
Hun vrolijke cover van het nummer Iko Iko werd toen namelijk prominent gebruikt in de geprezen film Rain Man, wat de groep flink wat jaren na hun hoogtijdagen alsnog een grote hit opleverde in Amerika.
Dit onverwachte succes kwam overigens op het moment dat de groep feitelijk al niet meer bestond, want in 1986 waren The Belle Stars officieel uit elkaar gegaan.
Zangeres Jennie Matthias, die ook bekendstaat als Jennie McKeown, is de muziekwereld echter wel altijd trouw gebleven en treedt tegenwoordig nog af en toe solo op in het retrocircuit.
Hoe een lokaal carnavalslied uit New Orleans de hitlijsten veroverde.
Het nummer Iko Iko van de Britse meidengroep The Belle Stars is een aanstekelijke popklassieker met een rijke en complexe geschiedenis.
Hoewel The Belle Stars er in de jaren tachtig een grote hit mee scoorden, liggen de oorspronkelijke wortels van het lied tientallen jaren eerder in de kleurrijke straten van New Orleans.
De originele versie werd in 1953 geschreven door de Amerikaanse rhythm-and-bluesartiest James Sugar Boy Crawford en begin 1954 uitgebracht onder de titel Jock-A-Mo.
Crawford haalde zijn inspiratie uit de straatcultuur van de Mardi Gras Indians.
Dit zijn groepen Afro-Amerikaanse feestvierders in New Orleans die zich tijdens het carnaval kleden in weelderige, op de inheemse Amerikaanse klederdracht geïnspireerde pakken.
De tekst van het nummer beschrijft een speelse maar stoere confrontatie tussen twee rivaliserende stammen tijdens de parade.
De zang in het refrein is gebaseerd op de traditionele kreten die deze carnavalsgroepen naar elkaar riepen.
De exacte betekenis van de woorden is door de jaren heen vaak besproken, maar taalkundigen en historici gaan er doorgaans van uit dat het een mengsel is van Louisiana Creools Frans, inheemse talen en West-Afrikaanse dialecten.
Het refrein is in essentie bedoeld als een plagerij of een overwinningkreet richting de andere groep.
In 1965 blies de Amerikaanse meidengroep The Dixie Cups het nummer nieuw leven in.
Ze pasten de titel aan naar Iko Iko en scoorden er een enorme hit mee.
De leden van The Dixie Cups dachten destijds dat het een traditioneel volksliedje was dat ze van hun grootmoeder hadden geleerd.
Tijdens de opname improviseerden ze de percussie in de studio door met drumstokjes op asbakken en aluminium flessen te tikken.
Omdat ze het nummer samen met hun producers als hun eigen compositie registreerden, ontstond er later een stevige juridische strijd met James Crawford over de auteursrechten.
Uiteindelijk werd er een schikking getroffen waarbij Crawford deels werd erkend, al moest hij een groot deel van de publicatierechten afstaan.
De versie van The Belle Stars, met een herkenbaar en typisch jaren tachtig synthesizergeluid, werd in 1982 opgenomen en uitgebracht.
Destijds was het vooral een bescheiden succes in het Verenigd Koninkrijk en in enkele Europese landen.
Bij ons in Vlaanderen en Nederland bereikte de single toen niet de hitparade.
Het grote succes kwam pas veel later.
Dat omslagpunt vond plaats eind 1988, toen hun energieke cover op de soundtrack verscheen en werd gebruikt in de opening van de immens populaire film Rain Man met Tom Cruise en Dustin Hoffman.
Door het enorme bioscoopsucces van de film werd het nummer in 1989 opnieuw uitgebracht in de Verenigde Staten, waar het dit keer piekte in de hoogste regionen van de Billboard-hitlijsten.
Wat in 1954 begon als een lokaal carnavalslied over botsende parades in New Orleans, is op die manier via The Dixie Cups en de filmindustrie uitgegroeid tot een wereldwijd bekend popfenomeen.
Daarnaast bleek de aantrekkingskracht van de melodie onweerstaanbaar voor vele andere muzikanten.
Artiesten als Rolf Harris, Warren Zevon, Dr. John, John Baldry en zelfs Hugues Aufray coverden het nummer al in de jaren zestig en zeventig.
Maar ook artiesten als Cyndi Lauper, Ringo Starr, Captain Jack en Zap Mama namen het nummer op in hun repertoire.
Het nummer ‘The Clapping Song’ is bij velen vooral bekend door de aanstekelijke cover van de Britse meidengroep The Belle Stars uit 1982, maar de oorsprong van het lied gaat terug tot 1965.
Het werd geschreven door Lincoln Chase en oorspronkelijk uitgebracht door de Amerikaanse zangeres Shirley Ellis.
Haar versie was een enorm succes, verkocht meer dan een miljoen exemplaren en bereikte hoge posities in de Amerikaanse en Britse hitlijsten.
De tekst en het ritme zijn gebaseerd op een kinderversje en een bijbehorend klapspelletje.
De bekende openingsregels “Three, six, nine, the goose drank wine” zijn bovendien deels geleend van een veel ouder nummer uit de jaren dertig genaamd Little Rubber Dolly van de Light Crust Doughboys.
In de zomer van 1982 bliezen The Belle Stars het nummer nieuw leven in met hun opzwepende mix van pop en ska, uitgebracht op het bekende Stiff Records-label .
Hun cover sloeg enorm aan bij het grote publiek.
Het bereikte de elfde plaats in de Britse hitlijsten en klom in Australië na een verblijf van maar liefst zeven maanden zelfs naar de vierde plek.
Het was een nummer dat perfect de vrolijke, energieke sfeer van de vroege jaren tachtig wist te vangen.
Naast de versie van The Belle Stars hebben door de jaren heen vele andere artiesten The Clapping Song gecoverd.
Artiesten als Anita Harris, Gary Glitter en de Franse groep Les Surfs coverden het nummer al in de jaren zestig en zeventig.
Maar ook artiesten als Pia Zadora, Black Lace, Toto Coelo en Carmel namen het nummer op in hun repertoire.
Zo bracht Aaron Carter het uit in 2000 en nam Queen-drummer Roger Taylor in 2021 nog een versie op, terug te vinden op zijn album Outsider.
In Vlaanderen kennen we het nummer bovendien dankzij de Championettes.
Morrison overleed op zevenentwintigjarige leeftijd in Parijs op 3 juli 1971.
Zijn dood is nog steeds met mysterie omweven. Hoewel velen dachten dat een overdosis drugs de oorzaak was, is dit nooit bewezen.
Het is een feit dat Jim niet afkerig stond tegenover verdovende middelen, maar de laatste jaren van zijn leven verving hij deze steeds vaker door de traditionele Amerikaanse opkikker, alcohol.
De waarheid ligt waarschijnlijk in het midden.
Morrison leefde extreem hard en sprong brutaal om met zijn lichaam.
Alcohol, drugs, slaapgebrek en een absoluut gebrek aan zelfmedelijden, gecombineerd met een superintense manier van leven, leidden tot een te vroeg einde.
De officiële doodsoorzaak werd vastgesteld als een hartstilstand, wat een logisch verdict lijkt.
Toch geloven veel overtuigde fans nog steeds dat hij leeft en niet op een Parijse begraafplaats ligt.
Het zou een door hemzelf opgezet spel kunnen zijn, en eigenlijk zou zoiets voor iemand als Morrison niet eens zo verrassend zijn.
Hij was exact het type man om een dergelijke show op te voeren en vervolgens rustig onder te duiken, bijvoorbeeld in Afrika, waar hij poëzie zou kunnen schrijven, de wereld zou kunnen uitlachen en iedereen in de waan zou laten dat hij echt was overleden.
Zijn grote droom was altijd om een vooraanstaand schrijver te worden.
In tegenstelling tot zijn schoolvrienden waren zijn idolen geen beroemde acteurs of rockzangers, maar schrijvers, dichters en journalisten.
Hij noemde Rimbaud, Keats en de Amerikaanse beatschrijver Jack Kerouac altijd als de belangrijkste invloeden uit zijn jeugd.
Hun levensstijl en vagebondstijl spraken hem aan. Hij leefde snel en speelde met het idee van een vroege, tragische en romantische dood, net als zijn helden.
Dat de Amerikaanse pers hem later onder andere de nieuwe James Dean doopte, was dan ook geen toeval.
Zelfs toen hij miljoenen verdiende, bleef hij deze levensstijl trouw.
Hij huurde liever een motel- of hotelkamer voor de nacht dan in een luxueus huis te wonen.
Zijn garderobe bestond meestal enkel uit de kleren die hij op dat moment droeg.
Als het ’s nachts koud was, haalde hij zijn creditcard boven om een jas te kopen, die hij de volgende dag bij warmer weer gewoon aan de eerste de beste vreemdeling weggaf.
Nadat zijn rijbewijs werd ingetrokken wegens het verzamelen van te veel processen, probeerde hij het nooit meer te vernieuwen.
Hij kocht dure, nieuwe auto’s die hij in de prak reed of na een dronken nacht ergens parkeerde en vergat.
Hij ging er zelden naar op zoek en gaf ze ook niet op als gestolen.
Hij stuurde zijn vrouw Pamela de wereld rond om kleren te verzamelen voor een boetiek die hij haar cadeau deed.
Dit kostte hem een fortuin en bracht enkel enorme schulden met zich mee, maar zolang Pamela gelukkig was, kon het hem weinig schelen.
Aan het einde van de jaren zestig waren The Doors een absolute supergroep.
Toetsenist Ray Manzarek, gitarist Robbie Krieger en drummer John Densmore waren uitstekende muzikanten die zorgden voor een perfecte balans met Jims extravagante persoonlijkheid.
Hun muziek was afwisselend melancholisch en dreigend, wat perfect aansloot bij de manier waarop Morrison in zijn teksten en podiumshows zijn sentimenten kon aftasten.
De band kwam samen in Los Angeles, repeteerde een half jaar en bouwde via optredens in de Whisky a Go Go een steeds groter wordende aanhang van bijna maniakale fans op.
Daar werden ze ontdekt door Jac Holzman, directeur van Elektra, en producer Paul Rothschild.
Hun debuutalbum verscheen in de memorabele hippiezomer van 1967.
Mede dankzij de grandioze hit “Light My Fire” stootten ze The Beatles met “Sergeant Pepper” van de eerste plaats in de Amerikaanse albumlijsten.
Vier maanden later stond die plaat nog steeds in de top tien, toen deze gezelschap kreeg van de opvolger Strange Days, eveneens een meesterwerk dat staat als een huis.
The Doors en vooral Morrison groeiden uit tot een mythe.
Hij was de droom van elk meisje dat zichzelf niet als toekomstig huismoedertje zag, een idool voor jongens die precies wilden zijn zoals hij, en een gevaarlijke nachtmerrie voor ouders die hem zagen als de duivel die met alle middelen bestreden moest worden.
Tijdens liveoptredens zorgden The Doors steevast voor sensatie en relletjes, wat uiteindelijk leidde tot zoveel arrestaties en veroordelingen dat Morrison er zelf bijna bang van werd en het toeren beperkte.
Er speelden ook andere redenen mee.
De groep was een monsterorganisatie geworden met contracten en verplichtingen die hem absoluut niet lagen.
Hij wilde eruit, en na het voltooien van het verplichte aantal albums en een afgezwakte tournee, kondigde hij eind 1970 aan dat het tijd was voor een uitgebreide vakantie, iets wat ze verdiend hadden.
Hun zevende album, L.A. Woman, was inmiddels opgenomen en zou, net als de andere platen, met goud bekroond worden, een prestatie die nog geen enkele Amerikaanse groep destijds had behaald.
Morrison liet weten dat hij met Pamela in Parijs ging wonen om te reizen, poëzie te schrijven en wellicht een toneelstuk te maken.
Hij wist het nog niet zeker, maar zocht vooral een manier om te zwerven, ook in geestelijke zin.
Over de toekomst van The Doors zou na zijn terugkeer misschien nog weleens gesproken worden.
Zonder veel spijt verliet hij Los Angeles, in de hoop ergens anders helemaal opnieuw te kunnen beginnen.
Hoewel dokters hem hadden aangeraden het rustiger aan te doen, was Morrison daar simpelweg niet voor geboren.
Ook in Parijs bleef zijn verlangen naar sensaties, ervaringen en experimenten niet te stuiten.
Hij bleef balanceren op de rand van het mes, trouw aan zijn eigen gezongen woorden: “I want the world, and I want it now,” en hij was niet van plan om zich door iemand te laten belemmeren.
Op 3 juli 1971 vond hij rust, maar daarmee verdween de legende allerminst.
De drie overgebleven bandleden maakten nog enkele muzikaal uitstekende albums zonder hem, die echter pijnlijk duidelijk maakten welke enorme leemte hij had achtergelaten.
Ook in de jaren daarna bleef zijn invloed onverminderd groot, wat bleek uit langdurige hitnoteringen voor hun verzamelalbums, de onverbiddelijke bestseller-status van de biografie No One Here Gets Out Alive, en de plannen voor een film over zijn leven.
Op de begraafplaats Père-Lachaise nabij Parijs, de laatste rustplaats van vele grote kunstenaars, worden bovendien nog altijd dagelijks verse bloemen op het graf van James Douglas Morrison aangevoerd.
Wie echter door een verzameling tijdschriften en kranten uit die specifieke periode bladert, zal iets heel opvallends merken.
Het is bevreemdend hoe weinig aandacht hij direct na zijn dood kreeg in de pers.
Dat in de Muziek Expres van augustus 1971 bijvoorbeeld alleen een foto stond met een in memoriam van amper enkele zinnen, vormt een scherp contrast met zijn latere grote status.
Dit heeft een paar duidelijke en praktische oorzaken.
Ten eerste werd het overlijden van Morrison aanvankelijk strikt stilgehouden door zijn intieme kring in Parijs.
Het grote publiek en de pers kregen het nieuws pas dagen later te horen, op 9 juli, toen hij al in besloten kring was begraven op het Parijse kerkhof.
Deze geheimzinnigheid zorgde voor enorm veel onzekerheid en scepsis op de nieuwsredacties.
Omdat Morrison vaker met het idee van een in scène gezette dood had gespeeld, dachten velen in eerste instantie dat het om een zoveelste vreemde grap van de zanger ging en waren journalisten terughoudend om uitgebreide necrologieën te publiceren zonder harde bewijzen.
Bovendien werkten muziektijdschriften en maandbladen in die tijd met zeer lange aanlooptijden voor de drukpersen.
Tegen de tijd dat het nieuws over zijn dood eindelijk met zekerheid werd bevestigd, was de augustus-editie van bladen zoals Muziek Expres al drukklaar en ingepland.
Redacties hadden simpelweg de tijd en ruimte niet meer om de hele lay-out om te gooien voor een uitgebreid artikel, waardoor ze zich noodgedwongen moesten beperken tot een snelle foto en een korte toegevoegde tekst net voor het drukken.
Tot slot was Morrison in de zomer van 1971, na zijn fysieke achteruitgang en zijn vertrek uit Amerika, al enigszins naar de achtergrond van de toenmalige, snel evoluerende popwereld verdwenen.
De echte mythevorming rond zijn persoon, gestuwd door boeken en films die van hem een onsterfelijke held zouden maken, kwam pas eind jaren zeventig en in de jaren tachtig echt wereldwijd op gang.
In de zomer van 1971 was hij voor de toenmalige pers vooral een uitgedoofde rockster, en nog niet de legende die hij naderhand is geworden
Op 9 februari 1970 brachten The Doors hun vijfde studioalbum uit, getiteld Morrison Hotel. Deze plaat markeerde een stevige terugkeer naar hun rauwe, oorspronkelijke bluesrockstijl.
Hun vorige album, The Soft Parade, bevatte veel koperblazers en strijkers en was mede daardoor een stuk minder succesvol bij het grote publiek en de critici.
Met Morrison Hotel wilden ze terug naar de basis. De lp kreeg een opvallende indeling: de A-kant werd Hard Rock Café gedoopt en de B-kant kreeg de naam Morrison Hotel.
Hoewel er slechts één single van de plaat werd uitgebracht, de dubbele A-kant ‘You Make Me Real’ en ‘Roadhouse Blues’, staat het album vol met onvervalste klassiekers zoals ‘Peace Frog’ en ‘Waiting for the Sun’.
Een opvallend detail over het nummer “Waiting for the Sun” is dat het eigenlijk al geschreven was voor hun gelijknamige derde album uit 1968, maar destijds de uiteindelijke selectie net niet haalde.
In de nummers The Spy en Queen of the Highway geeft zanger Jim Morrison een erg persoonlijk inkijkje in zijn complexe en turbulente relatie met zijn vriendin Pamela Courson.
De beroemde albumhoes kent een bijzonder en ietwat brutaal ontstaansverhaal.
De gerenommeerde rockfotograaf Henry Diltz nam de foto van de band in de etalage van het bestaande Morrison Hotel in Los Angeles.
Ze hadden hiervoor echter geen toestemming gekregen van de eigenaar. Toen de receptionist heel even zijn post verliet, stormde de band naar binnen voor een snelle fotosessie en maakten ze zich snel weer uit de voeten.
Op de achterzijde van de hoes prijkt een foto van het Hard Rock Café, toentertijd een bescheiden eettentje in Los Angeles.
Een leuk weetje is dat de oprichters van de wereldwijde restaurantketen Hard Rock Cafe zich lieten inspireren door deze achterkant van de lp voor hun immens populaire naam.
Tijdens de opnames in de studio, onder leiding van hun vaste producer Paul A. Rothchild en technicus Bruce Botnick, kregen The Doors hulp van een aantal bijzondere gastmuzikanten.
Omdat de band zelf geen vaste bassist had, nam sessiemuzikant Ray Neapolitan de meeste baspartijen op Morrison Hotel voor zijn rekening.
Voor het stevige ‘Roadhouse Blues’ en ‘Maggie M’Gill’ werd echter gitaarlegende Lonnie Mack opgetrommeld om de basgitaar te bespelen.
Een andere opvallende gast op Roadhouse Blues was John Sebastian, de frontman van The Lovin’ Spoonful.
Omdat hij vanwege contractuele redenen eigenlijk niet mocht meewerken aan een album van een andere platenmaatschappij, speelde hij de mondharmonica in onder het pseudoniem G. Puglese.
Mede door deze ongedwongen, spontane samenwerkingen wordt dit album gezien als een van de meest authentieke platen uit de geschiedenis van de band.
De Parijse vlucht en zijn mysterieuze dood
Jim Morrison werd geboren als de zoon van George Stephen Morrison, een admiraal die als vlootcommandant betrokken was bij het Tonkin-incident in 1964, wat de aanleiding vormde voor de Amerikaanse deelname aan de Vietnamoorlog.
In plaats van een militaire carrière na te streven, ging Morrison naar de filmacademie in Los Angeles, Californië.
Daar leerde hij Ray Manzarek kennen, met wie hij The Doors oprichtte. Deze bandnaam was ontleend aan ‘The Doors of Perception’, de titel van een boek van Aldous Huxley.
Huxley had deze frase op zijn beurt weer ontleend aan een gedicht van William Blake, die schreef: “If the doors of perception were cleansed every thing would appear to man as it is, infinite”.
Voor veel jongeren in die dagen was Morrison een onmetelijk groot idool. Hij leefde zeer intens en gebruikte vele soorten verslavende genotsmiddelen, waarbij met name zijn enorme drankgebruik exemplarisch was.
Ondanks deze roerige levensstijl was hij diep gefascineerd door literatuur.
Hij las enorm veel en schreef fanatiek poëzie.
Zijn teksten waren vaak zeer filosofisch en dichterlijk van aard, en zijn muziek toont duidelijke invloeden van jazz en blues.
Van hem is in de loop der tijd ook een aantal dichtbundels uitgegeven, zoals ‘The Lords & The New Creatures’, ‘Wilderness’ en ‘The American Night’.
Hoewel de muziek van Jim Morrison wereldwijd en ook in ons taalgebied mateloos populair is gebleven, zijn zijn gedichtenbundels helaas nooit officieel in het Nederlands vertaald uitgegeven.
Wie de diepere, literaire ziel van de zanger wil doorgronden, is daardoor aangewezen op de Engelstalige edities die nog steeds volop te vinden zijn, al circuleren er onder bewonderaars weleens losse, zelfgemaakte vertalingen van individuele gedichten.
In de laatste periode van zijn leven verruilde Jim Morrison de overweldigende roem in Amerika voor een rustiger bestaan in Parijs.
Onder zijn doopnaam James Douglas leefde hij daar tamelijk anoniem, wat hem bijzonder goed beviel.
Hoewel hij de Franse taal niet machtig was, dompelde hij zich onder in de lokale cultuur; hij bezocht veel theatervoorstellingen en was vaak te vinden op de filmsets van diverse beroemde Franse regisseurs.
Over zijn productiviteit in deze periode lopen de meningen uiteen.
Waar sommigen beweren dat hij juist in Parijs veel schreef, menen anderen dat hij zwaar te lijden had van een schrijversblok.
Hoewel de officiële overlijdensakte een hartaanval als doodsoorzaak vermeldt, nadat hij liggend in een badkuip zou zijn aangetroffen, wordt algemeen aangenomen dat een overdosis drugs hem fataal is geworden.
Door deze voortijdige dood trad hij toe tot de beruchte 27 Club, samen met muzikanten als Janis Joplin, Jimi Hendrix en Brian Jones. Later zijn ook de namen van Kurt Cobain en Amy Winehouse door velen aan deze ledenlijst toegevoegd, omdat zij toevalligerwijs eveneens op 27-jarige leeftijd stierven.
Tijdens de bescheiden begrafenis van Jim Morrison las zijn partner Pamela Courson de laatste paragraaf voor uit Celebration of the Lizard, iets wat hij volgens de laatste biografie zelf had gewild.
Hoewel zij nooit getrouwd waren, had hij in zijn testament zijn volledige erfenis, inclusief de uiterst lucratieve muziekrechten, aan Pamela nagelaten.
Deze situatie kreeg echter een tragische wending toen zij in 1974 eveneens aan een overdosis overleed, zonder zelf een testament te hebben opgemaakt.
Haar bezittingen vielen automatisch toe aan haar ouders, wat leidde tot een bittere juridische strijd met de ouders van Jim Morrison, met wie de zanger altijd een zeer moeizame relatie had onderhouden.
Na een lang en slepend conflict schikten de twee families uiteindelijk door de nalatenschap en alle toekomstige inkomsten exact in tweeën te delen.
Zijn laatste rustplaats vond hij op de beroemde begraafplaats Père-Lachaise, een plek die tot op de dag van vandaag enorm veel bezoekers trekt.
Op zijn graf prijkt de Griekse tekst κατα τον δαιμονα εαυτου, oftewel kata ton daimona eautou.
In het Oudgrieks laat de strekking hiervan zich vertalen als trouw aan zijn ziel, terwijl de Nieuwgriekse vertaling neerkomt op je eigen demon volgen.
Volgens de Thelema wordt hierbij met een demon een externe geest of spirituele gids bedoeld, in tegenstelling tot het woord spirit dat duidt op een interne geest.
Het graf heeft in de loop der jaren de nodige visuele veranderingen ondergaan. Precies tien jaar na zijn dood, in 1981, creëerde de Kroatische kunstenaar Mladen Mikulin als herdenking een borstbeeld van Morrison dat op het graf werd geplaatst.
Dit kunstwerk werd in 1988 gestolen, waarna de familie aangaf geen nieuw beeld te willen.
Ruim dertig jaar later, in mei 2025, werd het gestolen borstbeeld echter per toeval teruggevonden in Parijs tijdens een huiszoeking in verband met een fraudezaak.
De erfenis van Jim Morrison is na al die decennia nog steeds springlevend.
Hij was een groot idool voor velen en wordt nog altijd enorm bewonderd; dagelijks luisteren tienduizenden mensen naar zijn muziek.
Daarnaast vormt zijn leven een onuitputtelijke bron van inspiratie voor schrijvers.
Er zijn talloze boeken over hem verschenen, waaronder de in 2004 uitgebrachte biografie Jim Morrison door Stephen Davis en de biografische grafische roman Dichter van de chaos uit 2012.
Ook ‘No One Here Gets Out Alive’ van Jerry Hopkins en Danny Sugerman is een zeer gewaardeerde biografie, die doorspekt is met persoonlijke ervaringen en waarvan wereldwijd meer dan twee miljoen exemplaren werden verkocht.
Bovendien boekstaafden al zijn voormalige bandleden hun herinneringen: toetsenist Ray Manzarek schreef ‘Light My Fire’, gitarist Robby Krieger bracht ‘Set the Night on Fire’ uit en drummer John Densmore publiceerde de autobiografie ‘Riders On The Storm’.
Delen uit het boek van Densmore werden door regisseur Oliver Stone gebruikt voor het scenario van The Doors, de succesvolle film uit 1991.
Daarin zette Val Kilmer een uiterst overtuigende Morrison neer met een wonderwel gelijkend stemgeluid, vergezeld door Meg Ryan in de rol van Pamela Courson.
Ook in modernere media blijft zijn verhaal verteld worden, zoals in de film ‘When You’re Strange’ uit 2010 van Tom Dicillo, die is voorzien van gesproken commentaar door fan en acteur Johnny Depp.
Zelfs in de Nederlandse popcultuur liet de zanger zijn sporen na; zo was hij het onderwerp in een aflevering van de satireserie Jiskefet, waarin onder meer zijn befaamde graf op Père-Lachaise in beeld werd gebracht.
Frankie Valli and The Four Seasons, het befaamde zangkwartet uit Newark in New Jersey, behoorden begin jaren zestig tot de absolute top van de Amerikaanse muziekindustrie.
Frontman Frankie Valli werd in Newark geboren als Francis Stephen Castelluccio. Hij wist al op zevenjarige leeftijd dat hij zanger wilde worden, nadat zijn moeder hem had meegenomen naar een optreden van Frank Sinatra in New York.
Valli begon zijn professionele muziekcarrière in 1951, toen hij werd opgemerkt door de groep Variety Trio, die bestond uit Nickie DeVito, Tommy DeVito en Nick Macioci.
Een jaar later splitste deze groep op en ging Valli verder met Tommy DeVito.
Samen werden ze lid van de huisband die steevast optrad in The Strand in New Brunswick, New Jersey, waar Valli zong en basgitaar speelde.
In 1953 nam hij zijn eerste single op, getiteld My Mother’s Eyes, onder de artiestennaam Frankie Valley, een naam die hij baseerde op de zangeres Jean Valley.
Rond deze periode besloten DeVito en Valli om The Strand te verlaten en vormden ze een nieuwe groep, The Variatones, samen met Hank Majewski, Frank Cattone en Billy Thompson.
In 1956 zocht men een groep om als achtergrondzangers op te treden voor een bekende zangeres.
De groep deed auditie en werd opgemerkt door Peter Paul, een geluidsman uit New York, die hen een week later auditie liet doen bij RCA Records.
Vanaf dat moment ging de groep door het leven als The Four Lovers.
Ze namen meerdere singles op en scoorden een kleine hit met het liedje ‘You’re the Apple of My Eye’.
Later voegden ook enkele muzikanten uit zijn begintijd zich weer bij de groep, waaronder Nickie DeVito en Nick Macioci, die zichzelf inmiddels Nick Massi noemde.
Ze bleven optreden tot 1959, het jaar waarin Bob Gaudio lid werd van de groep.
Vanaf het begin van de jaren zestig gingen ze door het leven als The Four Seasons, een naam die ze simpelweg leenden van een cocktailbar bij een bowlingbaan in Union, New Jersey.
Met zijn onmiskenbare en krachtige falsetstem leidde Valli de groep naar grote successen.
In 1962 bereikte hij de eerste plaats in de hitlijsten met het liedje Sherry. Een andere belangrijke mijlpaal in die beginjaren was hun nachtclubdebuut op 29 maart 1963 in de beroemde Copacabana in New York.
Dit gebeurde op een moment dat ze vanaf 2 maart al drie weken de Amerikaanse Billboard Hot 100 aanvoerden met het nummer ‘Walk Like A Man’.
Wat veel mensen overigens niet weten, is dat de latere grote hit ‘Silence is Golden’ van The Tremeloes voor het eerst in 1964 werd uitgebracht door Frankie Valli and The Four Seasons.
Na 1967 begon de populariteit van de band echter flink terug te lopen. Het publiek raakte meer geïnteresseerd in soul en hardere rock dan in de harmonieuze pop van de groep, waardoor de singles na 1967 steevast flopten.
Terwijl het succes van de band stagneerde, ging Valli gedurende de jaren zestig steeds vaker solo.
Met de hulp van producer Bob Crewe nam hij verschillende soloprojecten op zoals onder meer ‘The Sun Ain’t Gonna Shine (Anymore)’, wat later een groot succes werd toen het gecoverd werd door The Walker Brothers.
Later scoorde Valli een hit met ‘Can’t Take My Eyes Off You’.
Het nummer bleef in de Verenigde Staten steken op plaats 2 in de hitparade, maar wordt algemeen beschouwd als een wereldhit.
Naast zijn solowerk nam de groep van tijd tot tijd nummers op onder de naam Frankie Valli en The Four.
In deze zelfde periode kreeg de zanger te maken met ernstige gezondheidsproblemen.
Valli leed aan otosclerose, een botaandoening in zijn oren waardoor hij langzaam doof werd en jarenlang op het podium puur vanuit zijn geheugen moest zingen.
Een specialist in Los Angeles wist zijn gehoor pas eind jaren zeventig met operaties te herstellen.
Sinatra, als goede vriend, hielp de zanger door hem speciale vocale oefeningen aan te leren nadat Valli in de late jaren zestig een andere operatie aan zijn stembanden had ondergaan.
In de jaren zeventig kwam Valli wat minder vaak aan bod, maar het duurde tot 1975 voordat de band een indrukwekkende comeback wist te maken met ‘December, 1963 (Oh, What a Night)’.
Een opvallend detail over deze plaat is dat Frankie Valli er nauwelijks in te horen is als hoofdzanger, een beslissing die de platenmaatschappij had doorgedrukt.
Drummer Gerry Polci zong de coupletten, bassist Don Ciccone zong een ander deel, en Valli nam enkel de brug en de achtergrondvocalen voor zijn rekening.
Toch groeide het uit tot een enorm succes met een derde plaats in de Vlaamse BRT Top 30 en de Nederlandse Top 40.
Vrijwel tegelijkertijd kende de solocarrière van Valli een sterke heropleving dankzij succesvolle singles als ‘Swearin’ to God’ en ‘My Eyes Adored You’, waarmee hij opnieuw een grote hit scoorde.
Het bekendste werk van Valli tijdens de jaren zeventig is echter de titelsong voor de uiterst populaire bioscoopfilm Grease uit 1978.
Barry Gibb van The Bee Gees was de componist van dit titelnummer en het was bovendien het enige liedje dat hij voor de soundtrack van de film schreef.
Gibb had Frankie Valli persoonlijk gevraagd om het op te nemen.
Dit kwam de destijds 41-jarige zanger van The Four Seasons buitengewoon goed uit, want hij had dringend geld nodig.
Het nummer werd een gigantisch succes: op 26 augustus 1978 kwam ‘Grease’ binnen op de 23ste plaats in de Nederlandse Top 40, om vervolgens vanaf 30 september twee weken lang de eerste plaats te bezetten.
Op de B-kant van de single stond een instrumentale versie van de saxofonist Gary Brown.
Dit succes bleek destijds zijn laatste grote wapenfeit te zijn met betrekking tot nieuwe muziek; nadien wist hij decennialang geen successen meer te behalen met de platenverkoop, noch solo, noch met de band, uitgezonderd een succesvolle remix van ‘December 1963’ in 1988.
Pas veel later, in 2020, verscheen er online een tweede versie van het nummer Grease, in samenwerking met allerlei gastmuzikanten.
Valli zong het nummer daar op 86-jarige leeftijd opnieuw in, maar liefst 42 jaar na de eerste versie uit 1978.
De grote stempel die de groep op de muziekgeschiedenis heeft gedrukt, werd overigens al in 1990 bekroond met een opname in de Rock and Roll Hall of Fame
Hun bijzondere en roerige ontstaansgeschiedenis vormde in 2005 de basis voor de musical Jersey Boys.
Deze voorstelling ontving zeer positieve kritieken, won meerdere Tony Awards en werd in 2014 verfilmd door regisseur Clint Eastwood.
Van de originele bezetting is inmiddels een groot deel overleden of met pensioen.
Bassist en zangarrangeur Nick Massi overleed op 24 december 2000 op 73-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker.
Twintig jaar later stierf gitarist en baritonzanger Tommy DeVito in september 2020 op 92-jarige leeftijd aan de gevolgen van COVID-19.
Toetsenist Bob Gaudio, de inmiddels 84-jarige hoofdschrijver van klassiekers als Sherry en December, 1963, treedt al lang niet meer op, maar werkt nog steeds achter de schermen aan projecten zoals de musical.
In tegenstelling tot zijn voormalige bandgenoten bleef frontman Frankie Valli nog opmerkelijk lang optreden met nieuwe muzikanten onder de naam The Four Seasons.
Tijdens een interview in 2016 kreeg hij de vraag waarom hij maar bleef optreden met een groep die niet bestond uit de originele bandleden.
Valli antwoordde nuchter dat hij het nog steeds erg leuk vond om te doen en dat hij verder geen hobby’s had, zoals golf.
Zo stond hij eind 2017 en begin 2018, op bijna 84-jarige leeftijd, nog altijd met volle overgave op het podium, en ook in 2019 was de 85-jarige Valli nog volop met optredens bezig.
Uiteindelijk heeft hij pas medio 2026 definitief besloten om de resterende concerten van zijn afscheidstournee te annuleren om zich volledig op zijn gezondheid te kunnen richten.
Nauwelijks drie jaar oud zong Theodore, beter bekend als Teddy Pendergrass, al in een kerkkoortje.
Dit verklaart de belangrijke en blijvende invloed van gospel in zijn latere muziek. Op zijn dertiende leerde hij drummen in een club waar zijn moeder overdag werkte.
Toen een beloofde zangcarrière door een producer een loze belofte bleek te zijn, legde hij zich volledig toe op zijn drumstel.
Samen met het beginnende groepje Little Royal zette hij zijn eerste stappen op het podium. In 1969 werd hij officieel de nieuwe drummer van The Cadillacs, een groep die in Philadelphia al vrij bekend was.
Een jaar later, in 1970, sloot hij zich als drummer aan bij Harold Melvin & the Blue Notes.
Dankzij zijn warme, rijke stem en uitstekende vocale kwaliteiten schoof hij echter al snel door naar de positie van leadzanger.
Hij trok de aandacht van het componistenduo Gamble en Huff, wat leidde tot een succesvolle samenwerking met een reeks hits als resultaat, waaronder het fraaie ‘If You Don’t Know Me by Now’ .
Vanaf dat moment brak de meest succesvolle periode van de band aan.
Pendergrass voelde zich echter niet helemaal thuis bij The Blue Notes, aangezien hij op het podium al had bewezen meer affiniteit te hebben met stevigere nummers.
Bovendien ontstond er wrijving over de financiën, waarbij het leeuwendeel van de inkomsten naar Harold Melvin zou zijn gegaan.
Deze combinatie van factoren leidde in 1976 tot de onvermijdelijke breuk, waarna hij de groep verliet.
Teddy besloot het solo te proberen en nam met Gamble en Huff het album Teddy Pendergrass op, wat hem meteen goud opleverde.
In 1977 stelde hij zijn toenmalige vriendin aan als manager.
Hun professionele relatie liep echter op de klippen en enige tijd na hun breuk werd zij vermoord.
Hoewel Pendergrass tijdens haar uitvaart zong, werd hij verdacht van betrokkenheid, mede aangewakkerd door geruchten over banden met de Zwarte Maffia.
Tijdens de begrafenis zou dominee Jesse Jackson hem bovendien veelbetekenend hebben aangekeken toen hij dit onderwerp tijdens zijn homilie aansneed.
Ondanks deze turbulente periode reeg Teddy de muzikale successen aaneen.
Zijn tweede langspeler Life is a song worth singing was goed voor dubbel platina, net als de latere albums Teddy en TP.
Theodore mocht zich stilaan een superster noemen en kocht zich passend een riant buitenhuis en een Rolls-Royce.
Naast het grote platensucces bouwde hij in de Verenigde Staten een enorme livereputatie op.
Hij was de absolute lieveling van de vrouwen en speelde daar graag en veelzijdig op in.
Met zijn slogan rijk, jong en beschikbaar deed hij avond aan avond de luxetenten in Las Vegas vollopen met wild enthousiaste dames van alle leeftijden die hun idool van dichtbij wilden zien.
Zelf gaf hij aan dat zijn reputatie daarmee wel gemaakt was, al voelde hij zich soms beschaamd over de taferelen die zich in het publiek afspeelden en vond hij het ongepast wanneer gehuwde vrouwen zich zomaar kwamen aanbieden.
In 1981 scoorde hij in de Verenigde Staten nog een hit met het nummer ‘Girl You Know’, een duet dat hij zong met Stephanie Mills.
Eerder werkten ze al samen voor het duet Feel The Fire in 1978.
Het leven van de zanger nam op 18 maart 1982 een dramatische wending door een zwaar auto-ongeluk in Philadelphia.
De officiële lezing stelde dat het ongeval gebeurde na een basketbalwedstrijd, maar later bleek dat hij uit een nachtclub kwam in het gezelschap van de 31-jarige transgendervrouw Tenika Watson.
Ook rond deze gebeurtenis doken verhalen op over de Zwarte Maffia.
Zo zouden de remmen van zijn wagen niet hebben gefunctioneerd, een defect dat naar verluidt ook bij zijn eerdere auto’s was opgetreden.
Als gevolg van de crash liep Pendergrass een dwarslaesie op, waardoor hij vanaf zijn middel verlamd raakte.
Zijn passagier, Tenika Watson, kon na een medische behandeling het ziekenhuis weer verlaten.
Pendergrass weigerde steevast uitleg te geven over haar aanwezigheid in de auto.
Na zijn overlijden beweerde Watson in een interview echter dat de twee al sinds de jaren zeventig een relatie hadden.
Na een intensief revalidatietraject van zes maanden zette de zanger zich in voor lotgenoten door de Teddy Pendergrass Alliance op te richten, een stichting voor mensen met een ruggenmergletsel.
Zijn muzikale comeback volgde in 1984 met het album Love Language, waarop het succesvolle duet ‘Hold Me’ stond met het destijds opkomende talent Whitney Houston.
In 1985 maakte Pendergrass zijn grootse terugkeer op het podium tijdens Live Aid, waar hij het nummer ‘Reach Out and Touch’ zong en de gelegenheid nam om het publiek te bedanken voor alle steun.
Teddy Pendergrass beëindigde zijn podiumcarrière in 2007.
Hij overleed drie jaar later, in 2010, op 59-jarige leeftijd aan de gevolgen van darmkanker.
Hij liet een zoon en twee dochters na, die alle drie van verschillende moeders zijn.
Toen de vier inmiddels wereldberoemde Marx Brothers voor het eerst voor een publiek optraden, hadden zij aanvankelijk helemaal niet de intentie om komieken te worden.
De broers waren destijds jong, bezeten door hoge idealen en hadden enkel de ambitie om klassieke muziek op een perfecte wijze aan hun toehoorders te presenteren.
Alle vier de broers beschikten echter over een groot gevoel voor humor en kampten bovendien met een hevige plankenkoorts.
Deze beklemming verdween alleen wanneer zij tijdens het optreden enkele woorden met elkaar konden wisselen, wat de spanning direct doorbrak.
Dit leidde ertoe dat de broers op een bescheiden manier grappen met elkaar begonnen te maken zodra het publiek ongevoelig bleek te zijn voor de schoonheid van de composities van Chopin of Brahms.
Zo rolden ze langzaam maar zeker het komische vak in.
Later stonden zij bekend als drie dwazen, terwijl Zeppo de rol van impresario op zich nam, en lieten zij het publiek onbedaarlijk lachen met hun grollen.
Hun passie voor muziek lieten de broers overigens nooit helemaal los.
Groucho Marx werd in Amerika beschouwd als een van de beste gitaristen en hij was daarnaast zeer vaardig op de piano, de mandoline en de harp.
Harpo dankte zijn naam aan zijn virtuoze harpspel, al speelde hij ook verdienstelijk piano, fluit en trombone.
De bekende pianist Arthur Shattuck verklaarde destijds zelfs dat Harpo het in zich had om een meesterpianist van de eerste rang te worden, mits hij maar lang en serieus genoeg zou studeren.
Chico speelde op het toneel en in films altijd op een belachelijke manier piano, waarmee hij zijn eigen spel karikaturiseerde.
Als hij dat wilde, kon hij echter spelen als een ware kunstenaar.
Naast de piano wist hij ook aan de kornet, de citer en de viool de prachtigste klanken te ontlokken.
Zeppo bespeelde op zijn beurt de saxofoon, piano, cello en fluit.
Deze buitengewone muzikale vaardigheid vormde de belangrijkste basis voor hun grote succes.
Hoewel de geschilderde snor van Groucho en de zoete ernst van Zeppo de vaste kenmerken van een Marx-voorstelling waren, vergat Chico nooit om even de pianotoetsen te beroeren en liet Harpo steevast zijn gekke houding even varen om melodieuze akkoorden uit de snaren te halen.
Gisteren nog vandaag
Hun veelzijdige artistieke aanleg hadden de broers niet van vreemden.
Hun moeder, Minnie Palmer, was een voormalige actrice en vaudevillester.
Zij stelde hun eerste nummer samen en stuurde de jongemannen ermee op pad, wat hen destijds een gemiddeld bruto-inkomen van vijftig dollar per week opleverde.
Hun grootvader was eveneens een opmerkelijke verschijning; hij reisde als goochelaar en beoefenaar van de zwarte kunst door Duitsland, emigreerde daarna naar Amerika en overleed in Chicago op de hoge leeftijd van honderdeen jaar, nadat hij Harpo al zijn kunstgrepen had geleerd.
Van zijn grootmoeder, die harpiste was, erfde Harpo een versleten en zwaar beschadigde harp die hij zichzelf leerde bespelen.
Hij deed dit op een manier die vakmensen de haren te berge deed rijzen, maar het resultaat was zo schitterend dat elk onbevooroordeeld publiek verrukt was over zijn spel.
De Marx Brothers begonnen hun carrière door als muzikaal nummer langs kermissen te reizen.
Samen met hun moeder en een tante traden zij destijds op onder de naam De zes muzikale mascottes, en in latere jaren noemden zij zichzelf De Vier Nachtegalen.
Op een avond moesten zij in Texas door onvoorziene omstandigheden invallen en een volledig nieuw nummer improviseren.
Dit brachten zij ten gehore onder de naam De Vier Marx Brothers, waardoor plotseling werd ontdekt dat zij clowns waren met een ongelooflijke handigheid en vindingrijkheid.
Vanaf dat moment bleven zij actief als komieken, waar noch de broers, noch het publiek ooit spijt van kregen, aangezien zij in die rol werkelijk grandioos waren.
Voor Paramount en later voor Metro-Goldwyn-Mayer maakten zij verschillende films die hen in Amerika en ver daarbuiten transformeerden tot de absolute koningen van de lach.
Zij verkwikten het grootste deel van de wereld met hun frisse humor, hun uitbundige overmoed en hun kostelijke dwaasheden.
De vier broers bezorgden talloze mensen lachkrampen en slaagden er telkens weer in om zelfs het meest stijve en ongemakkelijke publiek volledig te ontdooien.
Hun succes was vooral te danken aan het feit dat zij spotten met alle vormen en conventies.
Op het witte doek haalden zij streken uit die ieder ander stiekem ook had willen doen, als het fatsoen daar geen onoverkomelijke barrière voor had gevormd, en daardoor maakten zij direct contact met de zaal.
In de vroege jaren speelde Gummo nog mee in plaats van Zeppo, maar na de oorlog nam Zeppo zijn plaats in.
Hoewel Zeppo later zelf minder meespeelde, zorgde hij achter de schermen voor de gags.
Bovendien kon hij zijn broers zo voortreffelijk imiteren dat hij bij ziekte van een van hen onmiddellijk de opengevallen plaats kon innemen.
De vier bekende Marx Brothers bestonden destijds uit Groucho, Chico, Harpo en Zeppo.
De vier oorspronkelijke Marx Brothers, toen zij nog optraden onder de naam The Four Nightingales, circa 1905. Van boven naar onder: Harpo, Groucho, Gummo en Lou Levy (aka Leo Levin). (foto met dank aan (Jef Davidse)
Naast hun gezamenlijke filmcarrière hadden de broers ook elk hun eigen opmerkelijke levensloop en eigenaardigheden, wat een onuitputtelijke bron van weetjes opleverde.
Chico, wiens echte naam Leonard was, stond in het dagelijks leven bekend als een fervent gokker.
Zijn gokverslaving nam zulke proporties aan dat dit de belangrijkste reden was waarom de broers in latere jaren films zoals A Night in Casablanca bleven maken; de inkomsten waren simpelweg nodig om zijn torenhoge schulden af te betalen.
Chico overleed op 11 oktober 1961 op 74-jarige leeftijd aan de gevolgen van aderverkalking.
Harpo, geboren als Adolph, veranderde zijn naam al in 1911 legaal naar Arthur, omdat hij een hekel had aan zijn geboortenaam.
Hoewel hij op het scherm steevast de zwijgende vagabond speelde die communiceerde via een toeter en altijd een overjas droeg vol onmogelijke voorwerpen, was hij in de realiteit een zeer welbespraakte man.
Hij bewoog zich met groot gemak in de hoogste literaire kringen van New York en was een gewaardeerde gast op intellectuele bijeenkomsten.
Harpo stierf op 28 september 1964 na complicaties bij een hartoperatie.
Groucho, wiens werkelijke naam Julius Henry luidde, kende na de gezamenlijke films een bijzonder succesvolle solocarrière.
Hij werd een geliefd presentator van het komische spelprogramma You Bet Your Life op televisie en radio.
Hij was bovendien een groot liefhebber van literatuur en onderhield een jarenlange, levendige correspondentie met de beroemde dichter T. S. Eliot.
Groucho overleed op 19 augustus 1977 aan een longontsteking.
Zijn overlijden viel slechts drie dagen na de dood van Elvis Presley, waardoor dit nieuws in de wereldwijde media ietwat werd overschaduwd door het heengaan van de bekende zanger.
Gummo, ofwel Milton, nam al afscheid van de act voordat de grote filmcarrière begon, omdat hij besloot te dienen in de Eerste Wereldoorlog.
Na zijn militaire dienst keerde hij niet terug naar het podium, maar werd hij een buitengewoon succesvolle impresario.
Hij behartigde niet alleen de zakelijke belangen van zijn eigen broers, maar ook van vele andere bekende artiesten.
Daarnaast was hij ook een verdienstelijk uitvinder met een officieel patent op een speciaal soort verpakkingsdoos.
Gummo stierf op 21 april 1977, enkele maanden voor Groucho.
De jongste broer Zeppo, geboren als Herbert, besloot de komische groep te verlaten na het verschijnen van de film Duck Soup.
Hij sloot zich aan bij het agentschap van Gummo en boekte eveneens grote successen als impresario.
Wat veel mensen niet wisten, was dat Zeppo een indrukwekkend technisch inzicht had.
Hij was verantwoordelijk voor meerdere gepatenteerde uitvindingen, waaronder een speciaal polshorloge dat was ontworpen om de hartslag van hartpatiënten continu te kunnen meten.
Zeppo was de langstlevende van de beroemde broers en overleed uiteindelijk op 30 november 1979 aan de gevolgen van longkanker.
Foto: De laatste foto waarop alle vijf Marx brothers samen te zien zijn: Harpo, Zeppo, Chico, Groucho en Gummo, waarschijnlijk in 1961 (foto met dank aan Jef Davidse)
De single “Music” van John Miles beloofde namelijk een internationale knaller te worden, waarmee Engeland er in één klap een nieuw fenomeen bij had.
Zeker na het uitbrengen van zijn prachtige debuutalbum Rebel, met daarop ook de eerdere single Highfly, werd de muzikant door velen meteen in hetzelfde rijtje geplaatst als idolen zoals Leo Sayer en David Essex.
In tegenstelling tot die twee langharige krullenbollen, die er destijds zeer modieus bij liepen, presenteerde John Miles zich op foto’s, op televisie en op zijn platenhoezen liever met een ouderwetse vetkuif.
In reclamecampagnes werd hij dan ook volop gelanceerd als een soort zingende James Dean.
Toen hem werd gevraagd of een flinke portie muzikaal talent alleen niet voldoende was, legde hij lachend uit dat dit imago hem juist heel snel naar de top had gebracht.
Vroeger had hij net zo’n grote bos krullen als Leo Sayer en David Essex, alleen nog een stuk langer, maar hij wilde simpelweg anders zijn.
Het besluit om zich bij zijn televisieoptreden als James Dean te stylen, bleek een gouden greep. Binnen twee weken schreven de kranten volop over de vergelijking, en dat is daarna altijd zo gebleven.
Niet alleen de hoesfoto, die zo weggeslopen leek uit Deans bekende film ‘Giant’, deed aan de legendarische filmheld denken; ook de titeltrack van de elpee Rebel verwees naar hem.
John Miles gaf toe dat hij altijd al een enorme bewondering voor de acteur had gehad.
Hij had talloze boeken en biografieën over hem gelezen en al zijn films intensief bekeken. Op basis daarvan concludeerde hij dat James Dean feitelijk helemaal geen rebel was, een standpunt dat hij destijds ook letterlijk bezong in het titelnummer van zijn eerste plaat.
Hoewel hij dacht nooit te worden zoals zijn idool, vond hij de constante vergelijking door het publiek absoluut niet erg.
De zanger, die destijds werd begeleid door Alan Parsons, de bekende producer van onder andere Pilot en Cockney Rebel, maakte zich weinig illusies over de vluchtigheid van populariteit.
Toch zorgden zijn verfijnde composities, met de toenmalige hit ‘Music’ voorop, er destijds al voor dat hij in één moeite door tussen de allergrootste artiesten werd geplaatst.
Op jonge leeftijd leerde John Miles al piano en gitaar spelen en op zijn achttiende speelde hij in de groep The Influence, met gitarist Vic Malcolm en drummer Paul Thompson, die vanaf 1971 de drummer bij Roxy Music werd.
In 1976 produceerde Alan Parsons zijn eerste album, Rebel.
De rockballade Music werd een wereldhit en leidde tot een Amerikaanse tournee met Elton John.
Nadat zijn eigen carrière later vastliep, werkte John Miles vervolgens als studiomuzikant voor andere artiesten.
Hij werd vooral bekend als de vaste gitarist van Tina Turner, met wie hij vanaf 1987 toerde. Bij het Alan Parsons Project zong hij een aantal nummers, waaronder La Sagrada Familia in 1987, en in 1992 begeleidde hij Joe Cocker.
John Miles werd daarnaast door grote artiesten als Jethro Tull, Fleetwood Mac, Tom Petty, Stevie Wonder en Jimmy Page van Led Zeppelin mee op tournee gevraagd.
In 1985 was John Miles al aanwezig bij de allereerste editie van Night of the Proms in Antwerpen.
Sindsdien was hij als zanger en als leider van de Electric Band een vast onderdeel van Night of the Proms, met uitzondering van 2008, toen hij op tournee was met Tina Turner en tijdelijk werd vervangen door Midge Ure.
Miles is een muzikale uitdaging nooit uit de weg gegaan, wat zorgde voor onvergetelijke muzikale momenten, waaronder zijn duetten met Andrea Bocelli, Michael McDonald, Sharon den Adel, Anastacia, Zucchero, Emily Bear, Lara Fabian, Milow en Ronan Keating.
Daarnaast verzorgde hij schitterende covers van hits van Queen, Led Zeppelin, ELO, Miley Cyrus, Avicii en Van Halen.
John Miles overleed op 5 december 2021 op 72-jarige leeftijd na een kort ziekbed door kanker in zijn woonplaats Newcastle.
Naast zijn vrouw Eileen, met wie hij 49 jaar getrouwd was, liet hij een zoon, een dochter en twee kleinkinderen na.
John Miles, ik ben geen James Dean, ik lijk er alleen maar op (Joepie 6 juni 1976)