De geschiedenis van Pop-Telescoop, Sound 2000 en de Hitkrant.

Het muziektijdschrift Pop-Telescoop werd in 1968 opgericht en kende zijn bloeiperiode in de late jaren zestig en vroege jaren zeventig.

Het verscheen destijds als een wekelijks blad met de ondertitel Weekblad voor de Nederlandse showbusiness, uitgegeven door de Amsterdamse uitgeverij Showunie.

In de beginjaren was de opzet van het blad relatief sober. Het bestond vaak uit slechts vier pagina’s in zwart-wit gedrukt krantenpapier, maar het vervulde een cruciale rol voor muziekliefhebbers door het publiceren van het laatste nieuws over artiesten, concertagenda’s, advertenties en vooral een breed scala aan hitlijsten.

Het tijdschrift werd in de popcultuur een belangrijk klankbord, omdat het diverse toonaangevende hitlijsten bundelde die destijds via de radio te horen waren.

Denk hierbij aan de legendarische Veronica Top 40, de Tipparade en de hitlijsten van Radio Noordzee en Radio Luxemburg.

Zelfs onze Vlaamse Radio 2 Top 30 kreeg een plek in het blad.

Ook de Hilversum 3 Top 30 was een vast onderdeel in het tijdschrift.

De allereerste uitzending van deze Hilversum 3 Top 30 vond plaats op vrijdag 23 mei 1969.

Het programma werd destijds uitgezonden door de VPRO en gepresenteerd door Willem van Kooten, beter bekend als Joost den Draaijer.

Hij koos destijds voor een lijst van precies dertig singles, omdat dit exact in de twee uur zendtijd paste die de VPRO tot haar beschikking had.

Het programma werd later overgedragen aan de NOS en omgedoopt tot De Daverende Dertig, destijds gepresenteerd door Felix Meurders, wat uiteindelijk de voorloper werd van de latere Mega Top 50.

Voor de jeugd in die tijd was het kopen van Pop-Telescoop de ideale manier om wekelijks bij te houden welke singles en elpees al deze hitparades domineerden.

Enkele jaren later hield het blad plotseling op te bestaan, net op het moment dat de muziekwereld snel veranderde en de roep om meer diepgang en een modernere uitstraling groeide.

Toen Pop-Telescoop eind maart 1975 definitief stopte, moesten de trouwe lezers het maandenlang zonder hun vertrouwde informatiebron stellen.

Dit vacuüm leidde later dat jaar tot de oprichting van de opvolger, Muziekkrant Sound 2000.

Dit nieuwe blad was een rechtstreeks gevolg van de aanhoudende vraag van voormalige Pop-Telescoop-lezers naar muziekinformatie.

Uit het tijdschrift blijkt dat Sound 2000 in de eerste plaats een puur Nederlandse uitgave was van E&E Produkties uit Amsterdam.

Het redactieteam bestond uit Emanuel Damsteeg en Peter Rensen, met medewerking van Cor Sanne en Charles Prick.

Achter deze namen schuilen figuren die hun sporen diep hebben nagelaten in de media- en muziekindustrie.

Emanuel Damsteeg begon zijn loopbaan bij de AVRO en was de feitelijke oprichter van het oorspronkelijke vakmuziekblad Pop-Telescoop, waarna hij met Sound 2000 de doorstart opzette via E&E Produkties.

Na zijn avonturen in de popbladen bleef hij actief in de uitgeverswereld met diverse bladen en de Music Industry Directory.

Dit laatste was een specifiek type gedrukte gids of adresboek voor de professionele muzieksector, waarin destijds alle belangrijkste contactgegevens van platenmaatschappijen, studio’s, boekingskantoren en radioredacties stonden gebundeld, zodat artiesten en managers snel de juiste ingangen konden vinden.

Damsteeg gebruikte zijn brede netwerk om zulke gidsen op te zetten, waarna zijn focus verschoof naar de videowereld en hij een bekende naam werd door verschillende handboeken en encyclopedieën over audio-, camera- en videotechnieken te schrijven.

Over Peter Rensen, die samen met Damsteeg het redactieteam vormde, zijn in mijn bronnen nauwelijks nog specifieke biografische sporen terug te vinden.

Medewerker Cor Sanne ontwikkelde zich tot een van de belangrijkste promotors en boekers van countrymuziek, bluegrass en americana in de Lage Landen.

Met zijn boekingskantoor- en platenlabel Strictly Country Records haalde hij talloze Amerikaanse artiesten naar Europa, terwijl hij zelf al decennia op de planken staat als zanger, muzikant en de drijvende kracht achter de theaterproductie Back to the Country.

Charles Prick, in de industrie beter bekend als Charly Prick, bouwde na zijn tijd bij het blad een carrière op als succesvol muziekproducent, artiestenmanager en labelbaas met zijn bedrijven Charly Prick Music en Hitneus.

In de jaren zestig, zeventig en tachtig werkte hij met bekende Nederlandse artiesten zoals The Chaplin Band, Frank & Mirella en Ciska Peters.

In de jaren negentig speelde hij achter de schermen een grote rol in de Europese eurodance- en popscene via hitlijst-acts zoals Twenty 4 Seven, T-Spoon en Down Low.

Tevens was hij in die periode nauw betrokken bij de heropgestarte formaties van Boney M.

De oorspronkelijke bezetting van deze discogroep was in de late jaren tachtig officieel uit elkaar gegaan, waarna na juridische strijd over de groepsnaam verschillende originele leden elk met een eigen formatie gingen toeren.

De hernieuwde populariteit van disco en eurodance in de jaren negentig zorgde, mede door het succesvolle verzamelalbum Gold – 20 Super Hits en als extra de Mega Mix die zowel als single als op 12 inch toen is uitgebracht en dit van de nummers Rivers Of Babylon, Sunny, Daddy Cool, Ma Baker en Rasputin, en zorgde voor een ware heropleving.

Charles Prick hielp deze optredens en carrières mee te coördineren, waardoor de hits van Boney M. op nostalgische festivals wereldwijd opnieuw een groot publiek bereikten.

Het technische productieproces van hun gezamenlijke muziekkrant vond volledig in Nederland plaats: het drukwerk werd verzorgd door Propaflex B.V. in Rijswijk.

Om de Belgische markt te bedienen en de overstap voor Vlaamse lezers te vergemakkelijken, werd de administratie in België gecoördineerd door Rossel & Cie., gevestigd aan de Gemeentestraat 8 in Antwerpen.

Deze Belgische partner was nauw verbonden met de maatschappij Sobeledip N.V., die vanaf ditzelfde Antwerpse adres de abonnees aansprak.

Om het publiek warm te maken voor het nieuwe initiatief, hanteerden de uitgevers een methode die naar hedendaagse normen bijna onvoorstelbaar is.

In plaats van een grootscheepse digitale of flitsende mediacampagne, kregen oude abonnees een papieren brief van Sobeledip thuisgestuurd, samen met een fysiek proefnummer.

In deze brief werd Sound 2000 voorgesteld als een volledig pretentieloos blad dat exact dezelfde vertrouwde inlichtingen bood als zijn voorganger.

De uitgeverij toonde een opmerkelijk vertrouwen en een ongebruikelijke service: de lezers kregen het proefnummer, in dit geval bijlage nummer 13, zomaar opgestuurd ter vervanging van hun oude abonnement.

Een jaarabonnement op het nieuwe blad, dat maar liefst vijftig keer per jaar verscheen, kostte destijds 525 Belgische frank.

Sound 2000 was wat betreft vorm en opzet een typisch product van de popjournalistiek uit de jaren zeventig.

Het blad verscheen wekelijks op groot krantenformaat en werd gedrukt op dun krantenpapier.

Net zoals de vroege edities van Pop-Telescoop was het uiterlijk relatief sober met een opmaak in zwart-wit, al werd er op de voor- en achterpagina regelmatig met steunkleuren gewerkt om op te vallen in de kiosken.

Inhoudelijk was het opgebouwd rond een vaste mix van actuele informatie en popjournalistiek.

Een aanzienlijk deel van de pagina’s werd ingenomen door de hitlijsten.

Dit werd aangevuld met de uitgebreide concertagenda en korte nieuwsberichten uit de nationale en internationale showbizz.

Daarnaast bood het blad veel meer ruimte aan langere artikelen, zoals diepte-interviews met populaire binnenlandse en internationale bands, recensies van elpees en singles,

sfeerverslagen van liveconcerten en visuele posters.

Achterop de krant stonden vaak paginagrote reclames van platenmaatschappijen die hun nieuwste releases promootten.

Muziekkrant Sound 2000 kende echter een zeer kortstondig bestaan en stopte al in de loop van 1976.

Hoewel de lancering via de persoonlijke abonneebrieven met veel enthousiasme en engagement was ingezet, bleek de concurrentie op de markt voor muziektijdschriften simpelweg te groot.

Gevestigde titels zoals Muziekkrant Oor hadden in die periode al een stevige positie veroverd en trokken het grootste deel van de lezers en adverteerders naar zich toe.

Hierdoor slaagde het blad er niet in om op de langere termijn financieel het hoofd boven water te houden, waardoor de publicatie al tijdens de tweede jaargang in 1976 werd gestaakt.

Toen Sound 2000 eenmaal verdwenen was, bleef er opnieuw een gat achter op de markt voor wekelijkse hitlijstenbladen op goedkoop krantenpapier.

In 1977 sprong de Hitkrant in dit vacuüm.

Dit nieuwe blad werd opgericht door uitgeverij De Vrijbuiter onder leiding van Willem van Kooten.

Hoewel de Hitkrant door een andere partij werd gelanceerd en geen officiële voortzetting was, hanteerde het in de beginjaren exact dezelfde vertrouwde formule gericht op popnieuws en hitparades voor de jeugd, waarmee het kan worden gezien als de spirituele opvolger van Pop-Telescoop en Sound 2000.

In 1979 onderging de Hitkrant een grote zakelijke verandering toen het blad werd overgenomen door het Belgische tijdschrift Joepie.

Ondanks deze overname achter de schermen bleef het popblad ongewijzigd en succesvol verdergaan onder zijn vertrouwde eigen naam Hitkrant.

Het tijdschrift kende na deze overname nog een zeer lange geschiedenis, maar stopte uiteindelijk definitief als wekelijks papieren blad in april 2017.

Na precies veertig jaar te zijn verschenen, bleek de wekelijkse papieren oplage door de digitalisering niet langer rendabel.

De toenmalige uitgever besloot toen om van de Hitkrant een digitaal platform te maken, aangevuld met speciale papieren edities per jaar. Uiteindelijk hield in 2021 ook de online aanwezigheid op te bestaan, waarmee het merk definitief verdween.

Niet alleen de Hitkrant, maar ook het legendarische Belgische tiener- en muziekblad Joepie — dat tevens fungeerde als het moederbedrijf van de Hitkrant — onderging een vergelijkbare digitale transformatie.

Joepie stopte al in 2015 met de reguliere verkoop in de dagbladhandels. Na een periode waarin het tijdschrift nog tijdelijk als maandblad werd uitgebracht, koos het merk eind 2015 voor een volledige digitale doorstart.

De zelfstandige website Joepie.be was in april 2015 al stopgezet en getransformeerd tot een digitale subsite binnen HLN.

Toen eind 2015 ook het fysieke maandblad definitief werd opgedoekt, koos uitgever De Persgroep (het huidige DPG Media) vanaf januari 2016 voor een volledige digital-first-aanpak.

Deze Joepie-sectie op HLN werd vervolgens in de loop van 2017 geruisloos uitgedoofd, waarna de inhoud en artikelen voor die specifieke jongerendoelgroep vanaf dat moment volledig opgingen in de algemene showbizz- en lifestyleredactie van de krant.

Het is vandaag precies dertig jaar geleden dat we afscheid namen van de Vlaamse blueszanger Luke Walter Jr., die als Luc Renneboog het levenslicht zag.

Vanwege zijn diepe, warme stemgeluid werd hij ook wel de Belgische Tony Joe White genoemd.

Zijn muzikale reis kreeg begin jaren zeventig al vorm toen hij meewerkte aan een album van dichter Patrick Conrad.

Tijdens die opnames, geproduceerd door Roland Van Campenhout, ontmoette hij Albert Szukalski.

Deze kunstenaar werd een vriend voor het leven die Luke voortdurend stimuleerde om zijn weg in de muziekwereld te vervolgen.

Szukalski had zelf een indrukwekkend parcours afgelegd; hij studeerde aan de Antwerpse Koninklijke Academie voor Schone Kunsten en was daar assistent van grootheden als Jef Verheyen, Paul Van Hoeydonck en Vic Gentils.

Hij verwierf vooral bekendheid met zijn drapages en spookachtige gestalten.

Een van zijn meest iconische projecten is het beeldenpark in de Amerikaanse Death Valley-woestijn, waar hij onder andere Het Laatste Avondmaal creëerde met Jezus en de apostelen als verschijningen.

Zelfs in zijn laatste levensdagen, terwijl hij wegens keelkanker op de palliatieve dienst van het Antwerpse Middelheim-ziekenhuis verbleef, bleef hij creëren.

Met toestemming van de directie maakte hij daar samen met Fred Bervoets een laatste beeld van plaaster en polyester, dat slechts enkele dagen voor zijn overlijden in 2000 werd voltooid.

In 1986 richtte Luke Walter Jr. de band Blue Blot op.

De groepsnaam was een creatieve vondst, want een blue blot is letterlijk een blauwe inktvlek, wat mooi verwees naar hun muzikale blauwdruk van blues en soul.

Kort daarna verscheen in 1987 het debuutalbum Shopping For Love in een beperkte oplage. Blue Blot had toen al een sterke livereputatie opgebouwd met optredens op het Rhythm n Blues Festival in Peer.

De bezetting bestond destijds uit muzikanten zoals drummer Michael Schack en gitarist Marty Townsend.

Een leuk weetje over de band is dat zij destijds een unieke sound creëerden door de inzet van de toen nog relatief onbekende achtergrondzangeressen, die later zelf grote carrières zouden uitbouwen.

De vaste kern van deze getalenteerde dames bestond uit Anja Baert, Catherine Mys, Cindy Barg en Micheline Van Hautem, terwijl in de beginjaren ook presentatrice Sabine de Vos wel eens inviel.

Anja Baert kreeg naderhand grote bekendheid als soloartiest onder haar artiestennaam Chelsy.

Micheline Van Hautem maakte naam in de theaterwereld met haar veelgeprezen vertolkingen van het chansonrepertoire van Jacques Brel.

Zij kon daarbij ook rekenen op een trouwe schare bewonderaars; zo was ik destijds zelf een groot fan en trad ze ook geregeld op in mijn eigen zaak, de Hotsy Totsy in Gent.

Waar trouwens ook Luke Walter Jr. na een optreden in Gent en omgeving vaak naar de Hotsy Totsy kwam met zijn gezelschap.

De grote doorbraak volgde in 1991 met het album Bridge To Your Heart.

De door Dani Klein geproduceerde titeltrack en nummers als September en de Bill Withers-cover Who Is He (And What Is He To You)? werden grote successen.

Dani Klein, die destijds al succes oogstte met Vaya Con Dios, leverde bovendien zelf vocalen aan voor de titeltrack van die plaat.

Wist je dat het nummer ‘Bridge To Your Heart” oorspronkelijk niet eens als single gepland was, maar door de overweldigende reacties tijdens radio-interviews en liveoptredens alsnog werd uitgebracht?

Met de opvolger ‘Where Do You Go?’ kreeg de band ook voet aan de grond in het buitenland, mede dankzij radiohits zoals ‘Pretty Good’ en de Toto-cover ‘Hold The Line’.

Luke Walter Jr. stond erom bekend dat hij nummers zo intens kon brengen dat Toto-gitarist Steve Lukather destijds liet weten erg onder de indruk te zijn van hun coverversie.

Toen Luke Walter Jr. ziek werd door leukemie, kwam de band nog maar sporadisch bij elkaar.

Er werd zonder veel succes geëxperimenteerd met andere zangers, maar in 1996 bracht Luke zelf nog de soloplaat ‘Back To Normal’ uit.

Dit album was zijn muzikale testament en liet een zeer persoonlijke, breekbare kant van de zanger horen.

Na zijn overlijden zetten de overige bandleden hun carrière elders voort.

Michael Schack speelde later bij Clouseau, Angelico en Netsky, en groeide uit tot een internationaal gerespecteerde demonstrateur van elektronische drums.

Marty Townsend werd een veelgevraagd producer voor artiesten als Pop In Wonderland, Spark, John Terra, Jo Vally en Barbara Dex.

Ook speelde hij samen met Nick Beggs in de Belgische progrockband Fish On Friday.

Fish On Friday staat onder contract bij het Britse label Esoteric Recordings en heeft inmiddels zes albums op zijn naam staan, met ‘8 mm’ uit 2023 als meest recente wapenfeit.

Hun muziek wordt omschreven als een verfijnde mix van pop en progressieve rock die toegankelijk is voor een breed publiek.

Vandaag, 50 jaar geleden, was Charles Aznavour te zien met het nummer Mes Emmerdes in het muziekprogramma TopPop.

Het nummer is door hemzelf geschreven en staat op zijn album Voilà que tu reviens.

Naast dit nummer bevat datzelfde album ook bekende hits zoals ‘Par Gourmandise’ en ‘Ils sont tombés’.

Er doen hardnekkige geruchten de ronde dat de tekst van het nummer verwijst naar de moeizame relatie van de zanger met de Franse fiscus.

Nadat hij naar Zwitserland verhuisde, werd hij in 1972 beschuldigd van fiscale fraude.

Dit juridische getouwtrek leidde in 1979 tot een boete van drie miljoen Franse frank (FRF), wat neerkomt op ongeveer 450.000 euro, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een jaar.

Pas na de uiteindelijke betaling in 1980 werd de rechtsvervolging officieel gestaakt.

De titel ‘Mes Emmerdes’ draagt een interessante dubbele lading die perfect aansluit bij dit verhaal.

In het Frans wordt het woord emmerdes vaak gebruikt om te verwijzen naar dagelijkse beslommeringen en kleine ergernissen waarover de zanger in de tekst zingt.

Tegelijkertijd heeft de term een veel plattere, volkse bijbetekenis die verwijst naar diepe narigheid of stront aan de knikker.

Met deze titel wist Aznavour op een ironische en melancholische manier zowel de onschuldige kopzorgen van vroeger als zijn zware juridische strijd met de overheid te vatten.

Hoewel ‘Mes Emmerdes’ in Wallonië een groot succes was met een vierde plaats in de hitlijsten, bleef het succes in Vlaanderen opvallend genoeg beperkt tot een notering in de tipparade.

In Nederland wist het nummer door te dringen tot de vijfentwintigste positie in de Top 40.

Stampeders mogen een dikke kaars branden voor dj Wolfman Jack.

De Stampeders, een van Canada’s meest gewaardeerde formaties, mochten een dikke kaars branden voor deejay Wolfman Jack, ongetwijfeld Amerika’s beroemdste en origineelste platenruiter.

Want alhoewel hun versie van de Ray Charles-hit ‘Hit the Road Jack’ verre van slecht genoemd kon worden, toch hadden ze de Europese doorbraak ervan vooral aan deejay Jack te danken.

De jongens waren op het idee gekomen de plaat te beginnen en te eindigen met een sentimenteel telefonisch onderonsje met de superdikkerd onder de platendraaiers.

In het kort kwam het hierop neer dat een van de Stampeders schreeuwde dat zijn meisje was gaan lopen en hij verrekt in de put zat, waarna Wolfman Jack in zijn klassieke gillende stijl antwoordde dat hij maar eens een weekendje moest afkomen om alles uit te praten.

Dat viel zodanig in de smaak van de meeste deejays in Europa en elders dat ze daarom alleen al ‘Hit the Road Jack’ van The Stampeders waren gaan ronddraaien.

Het publiek pikte daar meteen op in, maar dan ook echt voor het nummer zelf. Het betekende voor deze Canadese formatie na hitjes als ‘Morning Magic’ en ‘Be a woman’ uiteindelijk de eerste grote hit.

Het nummer kende een rijke voorgeschiedenis, want het werd al in 1960 geschreven door Percy Mayfield en vervolgens in 1961 opgenomen door Ray Charles.

Op die bewuste opname, waarop ook The Raelettes-zangeres Margie Hendrix te horen was, groeide het uit tot een van de allerbekendste nummers van Charles.

Het stond destijds zelfs twee weken lang op de eerste plaats in de Amerikaanse Billboard Hot 100. In 1976 besloten The Stampeders het nummer in een nieuw, rockend jasje te steken.

Een opvallend element in deze versie was het telefoongesprek dat de hoofdpersoon voerde met de bekende Amerikaanse radio-dj Wolfman Jack, wiens echte naam Robert Weston Smith is.

Deze unieke aanpak bracht hen internationaal succes in de hitlijsten. In hun thuisland Canada klom de single naar de zesde plaats, en in de Verenigde Staten werd de veertigste positie bereikt.

Ook in de Lage Landen viel het nummer erg in de smaak: in Vlaanderen stootte de plaat door naar een mooie derde plek in de BRT Top 30, terwijl de hit in Nederland goed was voor een zesde plaats in de Top 40.

De Stampeders bestonden op dat moment, in juni 1976, al sedert 1965.

De groep was destijds opgericht door gitarist en componist Rich Dobson, gitarist en componist Ronnie King en gitarist, drummer en componist Kim Berly.

Dit trio was altijd de basis gebleven van de formatie, maar ze lieten zich geregeld door andere muzikanten omringen.

Wolfman Jack overleed op 1 juli 1995. Hij stierf op 57-jarige leeftijd aan de gevolgen van een hartaanval.

Boy George mag vandaag 65 kaarsjes uitblazen.

Boy George werd op 14 juni 1961 geboren als George Alan O’Dowd in Eltham, een wijk in het zuidoosten van Londen.

Hij groeide op in een groot, levendig, maar ook turbulent arbeidersgezin van Ierse afkomst.

Zijn ouders, Jeremiah (Jerry) en Christina (Dinah) O’Dowd, hadden in totaal zes kinderen: George, zijn vier broers en een zus.

Zijn vader Jerry werkte in de bouw en stond bekend als een charismatische man die soms een moeilijk humeur had.

George heeft later in interviews en zijn autobiografie beschreven dat de sfeer thuis soms gespannen was door de driftbuien van zijn vader.

Zijn moeder Dinah werd door George omschreven als de rots in de branding die het gezin ondanks alles bij elkaar hield.

De band met zijn moeder was erg sterk, en hij bewonderde haar veerkracht enorm.

In 2026 verscheen er nog een documentaire waarin George dieper inging op deze familiegeschiedenis en de invloed van zijn Ierse wortels.

Tijdens zijn jeugd voelde George zich vaak een buitenbeentje, of zoals hij het zelf noemde, het roze schaap van de familie.

Terwijl zijn broers zich meer richtten op sport of in de voetsporen van hun vader traden in de bouw, was George gefascineerd door kunst, mode en muziek.

Hij werd sterk beïnvloed door artiesten als David Bowie en Marc Bolan van T. Rex.

Zijn vader nam hem op jonge leeftijd zelfs mee naar een concert van Bowie, wat een grote indruk op hem maakte.

Zijn opvallende verschijning leidde op school tot veel conflicten.

George begon al vroeg te experimenteren met make-up en extravagante kleding, wat er uiteindelijk toe leidde dat hij van school werd gestuurd.

Na zijn schooltijd nam hij verschillende baantjes aan om zijn passie voor mode te financieren, waaronder werk als fruitplukker en als make-upartist bij de Royal Shakespeare Company.

In de nachtelijke uren was hij een bekend gezicht in de Londense clubscene, waar hij uiteindelijk werd ontdekt en zijn weg naar de roem vond met de band Culture Club.

Gisteren nog vandaag

Boy George werd op 14 juni 1961 geboren als George Alan O’Dowd in Eltham, een wijk in het zuidoosten van Londen.

Hij groeide op in een groot, levendig, maar ook turbulent arbeidersgezin van Ierse afkomst.

Zijn ouders, Jeremiah (Jerry) en Christina (Dinah) O’Dowd, hadden in totaal zes kinderen: George, zijn vier broers en een zus.

Zijn vader Jerry werkte in de bouw en stond bekend als een charismatische man die soms een moeilijk humeur had.

George heeft later in interviews en zijn autobiografie beschreven dat de sfeer thuis soms gespannen was door de driftbuien van zijn vader.

Zijn moeder Dinah werd door George omschreven als de rots in de branding die het gezin ondanks alles bij elkaar hield.

De band met zijn moeder was erg sterk, en hij bewonderde haar veerkracht enorm.

In 2026 verscheen er nog een documentaire waarin George dieper inging op deze familiegeschiedenis en de invloed van zijn Ierse wortels.

Tijdens zijn jeugd voelde George zich vaak een buitenbeentje, of zoals hij het zelf noemde, het roze schaap van de familie.

Terwijl zijn broers zich meer richtten op sport of in de voetsporen van hun vader traden in de bouw, was George gefascineerd door kunst, mode en muziek.

Hij werd sterk beïnvloed door artiesten als David Bowie en Marc Bolan van T. Rex.

Zijn vader nam hem op jonge leeftijd zelfs mee naar een concert van Bowie, wat een grote indruk op hem maakte.

Zijn opvallende verschijning leidde op school tot veel conflicten.

George begon al vroeg te experimenteren met make-up en extravagante kleding, wat er uiteindelijk toe leidde dat hij van school werd gestuurd.

Na zijn schooltijd nam hij verschillende baantjes aan om zijn passie voor mode te financieren, waaronder werk als fruitplukker en als make-upartist bij de Royal Shakespeare Company.

In de nachtelijke uren was hij een bekend gezicht in de Londense clubscene, waar hij uiteindelijk werd ontdekt en zijn weg naar de roem vond met de band Culture Club.

Gisteren nog vandaag

45 jaar geleden scoorde de Schotse zangeres Aneka een gigantische nummer één-hit met het aanstekelijke ‘Japanese Boy’.

Het nummer werd geschreven door Bob Heatlie en geproduceerd door de Schotse producer Neil Ross.

Wat destijds niet iedereen wist, was dat achter het pseudoniem Aneka de gerespecteerde traditionele folkzangeres Mary Sandeman schuilging, die in haar thuisland Schotland al een gevestigde naam was.

Het idee voor de artiestennaam Aneka ontstond overigens heel toevallig toen ze een Schots telefoonboek doorbladerde en zocht naar een naam die een beetje exotisch en passend klonk bij het popconcept.

In Vlaanderen veroverde Japanese Boy moeiteloos de eerste plaats in de BRT Top 30, en ook in Groot-Brittannië, Ierland, Finland, Zwitserland en Zweden schoot de plaat door naar de absolute toppositie.

In de Nederlandse Top 40 moesten de fans genoegen nemen met een nog altijd zeer respectabele zevende plaats.

Wereldwijd gingen er destijds meer dan vijf miljoen exemplaren van de single over de toonbank.

Een leuk weetje is dat Mary Sandeman destijds al in de dertig was toen ze doorbrak als popster, wat destijds vrij ongebruikelijk was in de popwereld.

Bovendien trad ze tijdens promotie-optredens altijd op in een traditionele Japanse kimono en met een opvallend kapsel, een imagokeuze die tegenwoordig waarschijnlijk veel stof zou doen opwaaien, maar in de vroege jaren tachtig een slimme marketingtruc bleek te zijn.

In 2002 beleefde het nummer een enorme heropleving onder een compleet nieuwe generatie jongeren.

Het werd namelijk toegevoegd aan de soundtrack van het immens populaire computerspel Grand Theft Auto: Vice City, waardoor de iconische synthesizerklanken plotseling weer overal te horen waren.

Het succes van die eerste single bleek echter moeilijk te evenaren.

De opvolger ‘Little Lady’, die eveneens uit de pen van Bob Heatlie kwam, deed het in Vlaanderen nog heel aardig met een zevende plaats in de BRT Top 30.

In Nederland bleef de single steken op de achttiende plaats in de Top 40. De daaropvolgende single,

Ooh ‘Shooby Doo Doo Lang’ wist de hitlijsten niet meer te bereiken en strandde in de Tipparade.

Ook de singles die daarna uitkwamen ondergingen hetzelfde lot.

Na de release van haar laatste single ‘Heart To Beat’ in 1983 besloot de zangeres in 1984 definitief een punt te zetten achter haar popcarrière.

Na dit korte maar hevige popavontuur keerde ze in de jaren tachtig snel terug naar haar oorspronkelijke passie: de traditionele Schotse folkmuziek en Keltische, Gaelische zang.

Onder haar eigen naam Mary Sandeman trad ze onder andere op met het prestigieuze Scottish Fiddle Orchestra en bracht ze gewaardeerde albums uit in haar vertrouwde genre.

In 2006 dook ze nog even op in de publiciteit toen ze meewerkte aan een Britse televisiedocumentaire over eendagsvliegen, de bekende one-hit wonders.

Ze weigerde destijds echter resoluut om naar Londen te reizen voor een reoptreden op televisie.

Ze gaf nuchter aan dat ze nog altijd achter het nummer stond, maar dat ze absoluut geen behoefte meer had om de popact van weleer te herhalen.

Volgens de laatste updates woont Mary Sandeman, die inmiddels 78 jaar oud is, in het schilderachtige Perthshire in de buurt van het Schotse Stirling.

Om bezig te blijven na haar muzikale loopbaan werkte ze de afgelopen decennia onder andere als parttime stadsgids in Stirling, waarbij ze toeristen met veel plezier rondleidde door de Schotse geschiedenis.

Tegenwoordig geniet ze in alle rust van haar pensioen en van haar gezinsleven als trotse grootmoeder.

Alvin Stardust, de man in het zwarte leer en zijn onverwachte succesverhaal.

Aanvankelijk begon Bernard William Lewry zijn muzikale carrière in het begin van de jaren zestig onder de artiestennaam Shane Fenton.

Met zijn band The Fentones kende hij wat lokaal succes. Een opmerkelijk weetje uit die tijd is dat Lewry eigenlijk de roadie van de band was.

Toen de oorspronkelijke zanger, de echte Shane Fenton, vlak voor een belangrijke BBC-auditie door gezondheidsproblemen plotseling overleed, nam Lewry noodgedwongen zijn plaats én zijn naam over om de kans niet aan de band voorbij te laten gaan.

Jaren later kreeg zijn carrière een onverwachte en zeer succesvolle wending.

Componist Peter Shelley had het nummer ‘My coo ca choo’ geschreven en was oorspronkelijk van plan om dit zelf uit te brengen.

Hij had daarvoor zelfs al de extravagante artiestennaam Alvin Stardust bedacht.

Omdat Shelley echter in 1973 samen met Michael Levy een doorstart maakte van hun eigen platenfirma, Shelley Magnet Records, ontbrak het hem simpelweg aan tijd om zelf op te treden en promotie te voeren.

Shelley vond voormalig tieneridool Shane Fenton bereid om in de huid van Alvin Stardust te kruipen en het nummer op het podium te promoten.

Deze samenwerking legde hen geen windeieren, want ‘My coo ca choo’ werd een daverend mondiaal succes.

In Australië stond het nummer maar liefst zeven weken op de eerste plaats.

Ook in Oostenrijk en Noorwegen liep de verkoop uitstekend, met respectievelijk een tweede plaats gedurende zestien weken en een vierde plaats in negen weken.

In Vlaanderen bereikte de single op 2 februari 1974 een mooie derde plaats in de BRT Top 30.

Wat Peter Shelley betreft: hij zou een jaar na dit succes alsnog zelf singles gaan uitbrengen onder zijn eigen naam.

Zijn single ‘Love Me Love My Dog’ uit 1975 deed het behoorlijk goed.

In de Lage Landen kennen we de melodie van dit nummer vooral dankzij Rudi Carrell, die er in 1976 met ‘Samen ’n straatje’ een hit mee scoorde in de Nederlandse vertaling.

Na het gigantische succes van zijn debuutsingle bracht Alvin Stardust nog enkele opvolgers uit, waaronder ‘Red dress’ en ‘You, you, you’.

De zanger cultiveerde in deze periode een zeer kenmerkend imago: strak in het zwarte leer, met grote bakkebaarden, opvallende zwarte handschoenen en een grote, dikke ring om zijn vinger.

Hij nam tijdens tv-optredens steevast een mysterieuze, ietwat norse houding aan die sterk deed denken aan rock-‘n-roll-legendes zoals Gene Vincent.

Bovendien werd hij in Groot-Brittannië een iconisch gezicht door zijn deelname aan een beroemde verkeersveiligheidscampagne, waarin hij Britse kinderen op het matje riep als ze niet goed uitkeken bij het oversteken.

Na de hoogtijdagen in de jaren zeventig werd het even wachten, maar in 1981 maakte hij een krachtige comeback met zijn coverversie van ‘Pretend’.

Dit nummer werd oorspronkelijk in 1952 geschreven door Lew Douglas, Dan Belloc en Frank Lavere en werd destijds wereldberoemd gemaakt door Nat King Cole.

De uitvoering van Alvin Stardust bleek een groot succes te zijn.

Een leuk detail over deze comeback is dat ‘Pretend’ hem in het Verenigd Koninkrijk zijn grootste succes sinds lange tijd opleverde en de deuren naar het legendarische televisieprogramma Top of the Pops opnieuw wijd voor hem opende.

Ook in de Benelux was het een voltreffer: de single bereikte op 12 december 1981 de eerste plaats in de Vlaamse BRT Top 30 en behaalde in de Nederlandse Top 40 een knappe derde plaats.

Ook in de jaren die daarop volgden, wist Alvin Stardust nog enkele hits te scoren.

Zo was hij in 1982 succesvol met ‘A Wonderful Time Up There’ en had hij in 1985 nog een notering met ‘I Feel Like Buddy Holly’.

Naast zijn muziekcarrière speelde hij succesvol mee in diverse theatermusicals zoals Godspell en Chitty Chitty Bang Bang, en verscheen hij regelmatig in Britse televisieseries.

Het leven van deze veelzijdige artiest kwam ten einde in oktober 2014, slechts enkele weken nadat er uitgezaaide prostaatkanker bij hem was vastgesteld.

Bernard William Lewry, de man die we ons altijd zullen herinneren als de in leer gehulde Alvin Stardust, werd 72 jaar oud.

Vandaag is het alweer twee jaar geleden dat Françoise Hardy, een onuitwisbare stem in de Franse popwereld, op 80-jarige leeftijd overleed na een slepende ziekte.

De Parijse, geboren op 17 januari 1944, begon haar carrière als tieneridool met dromerige, melancholische liedjes.

Ze oogstte al snel de bewondering van talloze beroemdheden; zo bekende David Bowie ooit dat hij stiekem verliefd op haar was.

Een van haar absolute tophits is ‘Comment te dire adieu’.

Dit nummer is de Franse bewerking van ‘It Hurts To Say Goodbye’, dat oorspronkelijk door Jack Gold was geschreven voor Margaret Whiting.

De gevatte Franse tekst kwam van de hand van Serge Gainsbourg.

Door de jaren heen is het lied veelvuldig gecoverd door onder meer Jim Nabors, Amanda Lear en uiteraard Jimmy Somerville.

Hardy’s privéleven werd sterk getekend door haar relatie met zanger en acteur Jacques Dutronc.

Na een jarenlange latrelatie traden ze in 1981 in het huwelijk. In haar autobiografie omschrijft ze hem als een ongrijpbare man, steevast verscholen achter een zonnebril en een wolk van sigarenrook.

Hij was bovendien zelden thuis vanwege tournees of filmopnames.

Hoewel ze officieel altijd getrouwd zijn gebleven, bouwde hij later een nieuw leven op Corsica op met actrice Sylvie Duval.

In een openhartig interview blikte de zangeres ooit terug op dit complexe huwelijk.

Ze omschreef Dutronc als een man van weinig woorden, die over haar opmerkte dat ze slim was, omdat ze kritiek altijd behendig verzachtte met een compliment.

Hun relatie vormde een enorme inspiratiebron voor haar liefdesliedjes en de ontelbare brieven die ze hem schreef.

Hoewel de romantische liefde uiteindelijk uitdoofde, bleef hij wel bij haar overnachten wanneer hij in Parijs was.

Hardy besefte naar eigen zeggen pas op latere leeftijd dat haar echtgenoot behoefte had aan een dubbelleven.

Enerzijds zette hij de vrouw van wie hij hield op een voetstuk, maar anderzijds zocht hij stiekem de spanning op in vluchtige avontuurtjes.

Achteraf was ze opgelucht dat ze dit als jonge vrouw niet volledig had beseft, omdat het haar destijds ongetwijfeld gebroken zou hebben.

Met de jaren kon ze zijn hang naar avontuur echter loslaten en accepteerde ze hem zoals hij was.

In hetzelfde interview gaf ze toe lange tijd ongelukkig te zijn geweest, wat haar juist aanzette tot schrijven.

Ze herkende daarin een zekere hang naar tragiek, aangezien ze zich simpelweg niet kon aangetrokken voelen tot een brave, stabiele man.

Hoewel ze later in haar leven emotionele rust vond, werd haar laatste levensfase getekend door zwaar fysiek lijden.

De zangeres kampte jarenlang met lymfeklier- en keelkanker.

Deze ingrijpende ziektegeschiedenis zorgde ervoor dat ze zich in haar laatste jaren nadrukkelijk begon uit te spreken voor het recht op euthanasie.

Ondanks haar roem was Hardy naar eigen zeggen een kluizenaar van nature.

Ze hield het schrijven van een autobiografie lang af met de smoes dat haar leven te saai zou zijn om over te lezen.

Ze verbleef immers het liefst ongestoord tussen haar vier muren met boeken, muziek en schrijfwerk.

Haar wereldje was klein en bestond vooral uit haar zoon Thomas Dutronc en enkele hechte vrienden.

Haar geluk vond ze in kleine, alledaagse momenten: goed eten, wandelen in het Bois de Boulogne en in alle stilte genieten van de bomen en de zonsondergang.

De natuur bood haar een meditatieve rust en een vredige manier om zich van de buitenwereld af te sluiten.

Gisteren nog vandaag

60 jaar geleden bracht Billy Stewart zijn cover van het nummer Summertime uit.

In 1966 scoorde Billy Stewart een grote hit in de Amerikaanse Billboard Hot 100 met zijn eigenzinnige versie van Summertime, een klassieker van George Gershwin en DuBose Heyward.

Op deze opname, die ook terug te vinden is op zijn album Unbelievable, wordt Stewart op drums begeleid door Maurice White, die later wereldberoemd zou worden als de drijvende kracht achter Earth, Wind & Fire.

Hoewel het nummer in Vlaanderen de hitlijsten niet haalde, was het in Nederland wel succesvol met een zeventiende plaats in de Top 40.

Slechts enkele maanden later wist de groep The Shake Spears met ditzelfde nummer wel de Vlaamse hitparade te bestormen.

Deze band, oorspronkelijk afkomstig uit Noord-Rhodesië (het huidige Zambia), had in 1964 een platencontract getekend in België en bereikte met hun uitvoering de vijftiende positie.

Het succes van de groep kreeg jaren later nog een staartje toen ze in 1978 een nieuwe versie van Summertime uitbrachten.

Deze keer werd het een nog grotere hit, met een zesde plaats in de BRT Top 30 als resultaat.

Gisteren nog vandaag

60 jaar geleden, James Brown met zijn klassieker It’s A Man’s Man’s Man’s World.

James Brown, vaak The Godfather of Soul genoemd, was een van de meest invloedrijke artiesten van de twintigste eeuw.

Hij werd in 1933 geboren in grote armoede in South Carolina en groeide op in een ruwe omgeving.

Ondanks deze moeilijke start wist hij zijn rauwe energie en ongekende muzikale talent te bundelen tot een compleet nieuw geluid.

Waar eerdere rhythm-and-bluesartiesten vooral focusten op de melodie, verschoof Brown de nadruk naar het ritme en de eerste tel van de maat.

Deze innovatie zou uiteindelijk de fundering vormen voor de funkmuziek.

Zijn dynamische, explosieve optredens en uiterst strikte leiding over zijn muzikanten maakten hem tot een absolute legende op het podium, waarbij hij het publiek avond aan avond wist te overdonderen.

In 1966 bracht hij een van zijn meest bekende en emotioneel geladen nummers uit, getiteld It’s A Man’s Man’s Man’s World.

Dit nummer, mede geschreven op basis van ideeën van zijn toenmalige vriendin Betty Jean Newsome, wijkt sterk af van de snelle, opzwepende nummers waar hij vaak mee geassocieerd wordt.

Het is een intense, zwaarmoedige soulballad met een rijke orkestratie van strijkers en blazers.

De tekst somt allerlei grote, praktische uitvindingen op die door mannen zijn gedaan, zoals de auto, de trein en de elektrische verlichting.

De ware kracht van het lied zit echter in de krachtige climax van het refrein. Daarin zingt Brown met hart en ziel dat deze door mannen opgebouwde, moderne wereld absoluut niets voorstelt en volledig leeg is zonder de aanwezigheid van een vrouw.

Het werd een gigantische internationale hit en is door de decennia heen uitgegroeid tot een klassieker die de unieke vocale intensiteit van James Brown perfect weet vast te leggen.

Gisteren nog vandaag

Vandaag is het precies 20 jaar geleden dat Drafi Deutscher overleed.

De Duitse zanger en componist, geboren als Drafi Richard Franz Deutscher, kende een rijke muzikale carrière vol hits en pseudoniemen.

Zo bracht hij in 1983 onder de naam Masquerade het Engelstalige nummer ‘Guardian Angel’ uit, dat hij samen met de in 2022 overleden Christopher Evans-Ironside schreef en produceerde.

Het werd een groot Europees succes met eerste plaatsen in Oostenrijk en Denemarken, een derde plek in de Vlaamse BRT Top 30 en een negende positie in de Nederlandse Top 40.

De Duitse zanger Nino de Angelo scoorde vervolgens een gigantische hit met de Duitstalige cover ‘Jenseits von Eden’, die hij later ook als ‘La valle dell’Eden’ in het Italiaans uitbracht.

In de Lage Landen behaalde deze versie eveneens de hitlijsten, met een dertiende plaats in Vlaanderen en een zeventiende plek in Nederland.

Deutscher werd geboren in het Berlijnse stadsdeel Charlottenburg. Zijn vader, de Hongaarse pianist Drafi Kálman, keerde kort na de geboorte terug naar zijn vaderland, waardoor Drafi door zijn moeder werd opgevoed en zijn vader nooit heeft gekend.

Zijn muzikale talent viel al vroeg op: op elfjarige leeftijd nam hij deel aan een talentenjacht en in 1962 richtte hij zijn eerste band op.

Een jaar later scoorde hij met ‘Teeny’ zijn eerste hit in West-Duitsland, in 1965 gevolgd door de evergreen ‘Marmor, Stein und Eisen bricht’.

Dit nummer werd in het Nederlands vertaald door Trea Dobbs als (Marmer, staal en steen vergaan(, en kreeg later zelfs een punkjasje dankzij de Heideroosjes.

Een ander opvallend nummer uit die tijd was Der Hauptmann von Köpenick uit 1967, gebaseerd op het waargebeurde verhaal van de werkzoekende schoenmaker Friedrich Wilhelm Voigt, die begin twintigste eeuw het gemeentehuis van Köpenick beroofde.

Gedurende zijn loopbaan maakte Deutscher veelvuldig gebruik van schuilnamen.

Als Mr. Walkie Talkie scoorde hij in de zomer van 1977 een tweede plaats in Vlaanderen met ‘Be my boogie woogie baby’.

Onder de meisjesnaam Renate Vaplus schreef hij in 1976 het nummer ‘Mama Leone’ voor Ruth Handel.

Hoewel die eerste versie flopte, werd het in 1978 in de uitvoering van de Italiaanse zanger Bino een enorme hit in Duitsland, Vlaanderen en Nederland.

Deutscher schreef daarnaast, samen met Jimmy Bilsbury en Joe Menke, de wereldhit Belfast voor Boney M. Bilsbury, geboren als James Robert Bilsbury, was een van de voormalige leadzangers en de songwriter van de Les Humphries Singers.

Hij kreeg destijds echter nooit het respect en de erkenning voor zijn schrijfwerk, omdat de platenmaatschappij de nadruk uitsluitend op Les Humphries wilde leggen. Bilsbury overleed in 2003 in diepe geldnood als gevolg van zijn alcoholisme.

Mede-auteur Josef Menke was een Duitse componist, producer en geluidstechnicus. Hij werd geboren op 1 april 1925 in het Duitse Greven en overleed op 6 februari 2001.

Eind jaren vijftig en begin jaren zestig schreef Menke talloze Duitse schlagers.

Hij boekte met name grote successen als producer van de band Truck Stop. Veel van zijn nummers en producties bracht hij uit onder de naam Edition Joe Menke. Later, in 1983, richtte hij samen met Harald Gutowski de uitgeverij GuM audio Media op.

Een bijzondere mijlpaal in zijn carrière vond plaats in 1964. In dat jaar richtte Menke Studio Maschen op, de allereerste particuliere geluidsstudio in Duitsland, die hij in de kelder van zijn eigen huis installeerde.

Op persoonlijk vlak was hij de echtgenoot van Karin Menke en de vader van Alexander Menke en Franziska Menke, die ook wel bekendstaat onder haar artiestennaam Frl. Menke.

In 1987 boekte Deutscher opnieuw groot succes, ditmaal als onderdeel van het duo Mixed Emotions met Oliver Simon.

Hun single ‘You want love (Maria Maria)’ bereikte de tweede plaats in Vlaanderen en werd een nummer 1-hit in Nederland.

De Duitse zanger Andreas Martin maakte hier later nog een Duitstalige versie van.

Ook voor zijn toenmalige echtgenote, schlagerzangeres Isabel Varell, schreef hij muziek.

Met de door hem gecomponeerde ‘Melodie d’amour’ werd zij in 1990 zesde tijdens de Duitse voorronde voor het Eurovisiesongfestival.

Op persoonlijk vlak was Drafi Deutscher drie keer getrouwd.

Zijn huwelijk met Isabel Varell duurde van 1989 tot 1991.

Daarvoor was hij van 1966 tot 1976 getrouwd met zijn eerste echtgenote, met wie hij in 1965 een tweeling kreeg: Drafi junior en René.

De veelzijdige zanger en componist overleed op 9 juni 2006 op zestigjarige leeftijd.

Gisteren nog vandaag

De Canadees-Amerikaanse actrice en sopraan Deanna Durbin, geboren als Edna Mae Durbin.

Al op jonge leeftijd veroverde Deanna Durbin de wereld.

Tegen de tijd dat ze eenentwintig jaar oud was, mocht ze zich de bestbetaalde vrouwelijke filmster ter wereld noemen.

Haar ongekende talent bleef niet onopgemerkt, want in 1938 werd ze bekroond met een speciale Academy Juvenile Award, ook wel de kinder-Oscar genoemd, voor haar grensverleggende bijdrage aan het witte doek.

Naast haar succes als actrice oogstte ze veel lof met haar klassieke crossover-muziek.

Ze verkocht miljoenen platen met prachtige vertolkingen van zowel populaire liedjes als operastukken, waaronder het bekende ‘Un bel dì, vedremo’ uit de opera Madama Butterfly.

Wat veel mensen niet weten, is dat haar debuutfilm uit 1936, ‘Three Smart Girls,’ zo’n gigantisch kassucces was dat het de beroemde filmstudio Universal Studios eigenhandig redde van een dreigend faillissement.

Ze had bovendien fans over de hele wereld en in de meest opmerkelijke kringen.

De Britse premier Winston Churchill was bijvoorbeeld een enorm groot bewonderaar en eiste regelmatig om haar nieuwste films in een privébioscoop te mogen bekijken, nog voordat ze officieel voor het grote publiek in première gingen.

Ondanks haar wereldwijde roem en aanhoudende succes koos Durbin er op 27-jarige leeftijd voor om Hollywood en de filmwereld abrupt de rug toe te keren.

Ze wees alle verdere filmaanbiedingen af en vertrok naar Frankrijk om daar samen met haar man een rustig, anoniem leven te leiden, ver weg van de pers en de schijnwerpers.

In datzelfde land is ze uiteindelijk vele decennia later, in april 2013, op 91-jarige leeftijd in alle rust overleden.