45 jaar geleden, Randy Crawford, één of andere dag vliegt ze helemaal naar de top.

Randy Crawford begint op 15-jarige leeftijd te zingen in jazzclubs en komt zo in contact met George Benson.

Op haar 20ste heeft ze haar eerste platencontract beet bij Columbia Records.

Haar eerste singles worden geen succes. In 1976 komt haar debuutalbum uit. Op ‘Everything Must Change’ wordt ze bijgestaan door o.a. Joe Sample van de jazzband The Crusaders , saxofonist Ralph MacDonald en Hugh Masekela.

Twee jaar later zingt ze op het 2de soloalbum van ex-Genesis-gitarist Steve Hackett.

Haar doorbraak komt er in 1979 wanneer ze ‘Street Life’ inzingt voor The Crusaders. In de Billboard Hot 100 blijft de single op n°36 steken, maar in Europa, en met name vooral Vlaanderen (n°25) en Nederland (n°20) kent deze meer succes.

Als wederdienst voor haar bijdrage producen de drie leden van The Crusaders het volgende album van Randy. ‘Now We May Begin’ wordt in het voorjaar van 1980 uitgebracht.

Aanvankelijk krijgt de plaat maar weinig aandacht totdat ‘One Day I’ll Fly Away’ op single verschijnt.

Het nummer staat al snel op n°1 in Vlaanderen en Nederland.

In de Britse top 40 bereikt ze de n°2. Na bijna 15 jaar ploeteren krijgt ze de erkenning die ze al zo lang zocht. In de VS is het wederom geen succes.

Nadien scoort ze vooral met covers, o.a. ‘Rainy Night In Georgia’van Tony Joe White en ‘Knockin’ On Heaven’s Door’ van Bob Dylan. Haar ‘You Might Need Somebody’ wordt dan weer een grote Britse hit voor Shola Ama in 1997 (met dank aan Denis Michiels, Joepie van 21 september 1980)

Vandaag, precies vijftig jaar geleden, deed een aanstekelijk nummer zijn intrede in de Vlaamse BRT Top 30: “Moviestar”.

Het was de creatie van de Zweedse zanger Jan Svensson, beter bekend onder zijn artiestennaam Harpo.

Het lied vertelt het verhaal van iemand die droomt van een grootse filmcarrière, maar in werkelijkheid slechts een rolletje in een tv-reclamespot heeft bemachtigd.

Een opvallend detail is dat de achtergrondzang werd verzorgd door niemand minder dan Anni-Frid Lyngstad, die toen wereldberoemd aan het worden was met Abba.

“Moviestar” groeide uit tot een grote hit en bereikte de vierde plaats in de Brt Top 30 en in Nederland zelfs de tweede plaats in de Top 40.

Ondanks dit succes zou Svensson het niveau van “Moviestar” nooit meer evenaren, waardoor hij vaak als een eendagsvlieg wordt bestempeld.

Toch is Harpo nooit gestopt met optreden.

Naast zijn muziekcarrière legde hij zich later met succes toe op het fokken van paarden.

Deze passie kende echter een donkere keerzijde. In 1980 raakte hij ernstig gewond toen een van zijn paarden hem meermaals in het gezicht trapte, wat hem zijn reukvermogen en het zicht in één oog kostte.

Ondanks deze tegenslag bleef de muziek een constante in zijn leven.

In 2021 bracht hij zelfs zijn tiende album uit, getiteld “Songwriter”.

Op dit album staan enkele pareltjes zoals “We Should Be Building Bridges”, “Love Is Great And Butterflies Are Angels” en “The Boy In The Psychedelic T-Shirt”, waarmee hij bewijst dat de “Moviestar” nog steeds niet is uitgespeeld.

45 jaar geleden, Janis Ian, superstar zijn, is in feite een grote valstrik.

Janis Ian, geboren als Janis Eddy Fink in New York op 7 april 1951, was een natuurtalent dat de muziekwereld al op jonge leeftijd op zijn grondvesten deed schudden.

Ze leerde piano spelen vanaf haar derde en op haar twaalfde schreef ze al haar eerste nummers. Een jaar later, op haar dertiende, koos ze de artiestennaam waaronder ze bekend zou worden: Janis Ian.

Op haar veertiende schreef ze het lied dat haar leven zou bepalen: “Society’s Child”. Het nummer, dat de destijds uiterst gevoelige thematiek van een relatie tussen een blank meisje en een zwarte jongen behandelde, werd een onverwachte hit.

Ondanks dat veel radiostations het weigerden te draaien, bereikte de single in 1966 de top 20, met een verkoop van 600.000 exemplaren.

Haar debuut-lp, geproduceerd door de legendarische George “Shadow” Morton (bekend van The Shangri-Las), was eveneens een succes.

De controverse en het commerciële succes zorgden ervoor dat het nummer later een verdiende plaats kreeg in de Grammy Hall of Fame vanwege de historische impact.

Na dit vroege hoogtepunt volgden er echter moeilijkere jaren. Haar volgende albums verkochten beduidend minder, waardoor ze al snel het stempel van ‘eendagsvlieg’ kreeg.

Maar Janis Ian bewees het tegendeel. Met het album Stars vocht ze zich terug in de aandacht, en de opvolger Between the Lines bereikte zelfs de eerste plaats in de hitlijsten.

Deze succesvolle comeback werd in 1976 bekroond met een Grammy Award voor Beste Vrouwelijke Popartiest.

Aan het einde van de jaren 70 toonde Ian haar veelzijdigheid opnieuw.

Samen met discoproducer Giorgio Moroder schreef ze het nummer “Fly Too High” voor de film Foxes.

Het werd een wereldwijde hit die in veel landen, waaronder Vlaanderen en Nederland, de eerste plaats bereikte. I

n diezelfde periode nam ze in 1980 ook het duet “Don’t leave tonight” op met Conny Vandenbos.

Na een scheiding werd het stil rond Ian. Een nog zwaardere klap volgde toen ze door het bedrog van haar boekhouder bijna failliet was.

In 1993 maakte ze een krachtige rentree met het album Breaking Silence, waarop ze openlijk uitkwam voor haar homoseksualiteit.

In 2003 trouwde ze met haar partner, Patricia Snyder,

Recentelijk heeft Janis Ian een punt gezet achter haar lange carrière.

De moeilijke beslissing om te stoppen met optreden kwam er wegens aanhoudende gezondheidsproblemen.

Een hardnekkige laryngitis heeft permanente littekens op haar stembanden achtergelaten, wat consistent toeren onmogelijk maakt.

Haar afscheid van het podium viel samen met de release van wat ze haar laatste album noemt, The Light at the End of the Line (2022)

Toch bracht ze in 2024 nog de single When he was here uit.

Vandaag, vijf jaar geleden, komt de Franse zanger Alain Delorme te overlijden.

Delorme was jarenlang de frontman van de populaire Belgische formatie Crazy Horse.

Crazy Horse scoorde hits met nummers als “J’ai tant besoin de toi” (een nummer van Paul Severs), “Une fleur, rien qu’une rose”, “Un jour sans toi” en “L’amour la première fois”.

Hun grootste succes behaalden ze echter in 1973 met “Et surtout ne m’oublie pas”, waarvan alleen al in Frankrijk 550.000 exemplaren werden verkocht.

In 1975 besloot Alain Delorme uit de groep te stappen, wat meteen het einde van Crazy Horse betekende.

Met zijn eerste solosingle “Romantique avec toi” was het meteen raak; de single was goed voor een verkoop van 350.000 exemplaren.

Het nummer werd geschreven door Jean Géral en Elisabeth Vigna.

Vreemd genoeg was het in Vlaanderen geen hit en kwam de single niet verder dan de Tipparade.

Ook de opvolger, “Je Rêve Souvent D’une Femme”, was een groot succes in Frankrijk, evenals zijn derde single “Livre d’Amour” die het meer dan behoorlijk deed.

Later haalde hij nog de hitlijsten met singles als “On Danse En France” (1976) en “J’ai Un Petit Faible Pour Toi” (1977).

Alain Delorme overleed vijf jaar geleden, op 7 augustus 2020.

Deze week, precies 60 jaar geleden, maakte Dave Berry zijn entree in de Nederlandse Top 40 met ‘This Strange Effect’.

Deze wereldhit, een creatie van Ray Davies (The Kinks), groeide in 1965 al snel uit tot een nummer één-hit in zowel Nederland als Vlaanderen.

Ook de B-kant, ‘Now’ van de hand van Douglas Hodson, kreeg later een tweede leven toen Patricia Paay er in 1976 een succesvolle discoversie van uitbracht.

Het nummer groeide zowel in Nederland als in Vlaanderen uit tot een nummer één-hit en vestigde de naam van de zanger, die eigenlijk David Holgate Grundy heet, voorgoed in de Lage Landen.

Zijn grote Europese doorbraak was kort daarvoor al ingezet na een bekroond optreden op het songfestival van Knokke of beter gekend als de Knokke Cup.

In 1965 won trouwens Nederland de Knokke Cup, met het team bestaande uit Greetje Kauffeld, Liesbeth List, Connie van Bergen, Suzie en Jan Arntz.

Hoewel ‘This Strange Effect’ zijn lijflied blijft, was het niet zijn enige succes.

Eerder al had hij in het Verenigd Koninkrijk een hit met ‘The Crying Game’ en ook nummers als ‘Mama’, ‘I’m Gonna Take You There’ en ‘Can I Get It From You’ vonden hun weg naar de hitlijsten.

De populariteit van de voormalige elektrolasser was in die tijd zo gigantisch dat hij zich tijdens een tournee met een circus in Nederland in een leeuwenkooi moest verstoppen voor zijn uitzinnige fans.

Later in zijn carrière keerde Berry terug naar zijn muzikale roots, de rhythm-and-blues, wat resulteerde in het door critici geprezen album “Memphis… in the Meantime” uit 2003.

Dave Berry, geboren op 6 februari 1941 en dus 84 jaar oud en die inspiratie was voor latere bands als de Sex Pistols, is getrouwd met Marthy, afkomstig uit Amsterdam.

Zo blijft Dave Berry, de man met de mysterieuze podiumact, onlosmakelijk verbonden met Nederland en België.

Vandaag, 45 jaar geleden, op 19 april 1980, stond Blondie met het nummer “Call Me” bovenaan de Billboard-hitlijst.

Producer Giorgio Moroder schreef de muziek van “Call Me” en Debbie Harry de tekst.

Giorgio Moroder had oorspronkelijk zangeres Stevie Nicks van Fleetwood Mac in gedachten, maar toen zij het aanbod afsloeg, liet hij Debbie Harry het nummer zingen.

Overigens waren Debbie Harry en haar man, Chris Stein, fan van de muziek van Giorgio Moroder. Voor het nummer ‘Heart Of Glass’ lieten ze zich inspireren op zijn producties.

In de studio waren alleen Debbie en Chris aanwezig, omdat Giorgio Moroder zijn eigen muzikanten verkoos boven de andere leden van Blondie.

Zo horen we onder meer Harold Faltermeyer (keyboards) en Keith Forsey (drums).

Ook Chris Stein moest toegevingen doen en zijn gitaarspel werd bewerkt met processing.

“Call Me” werd ook gebruikt voor de film “American Gigolo” en is de bestverkochte single van Blondie in Amerika.

De single werd ook genomineerd voor een Grammy.

Deze week, 55 jaar geleden, komt de Nederlandse zanger Sjakie Schram met zijn nummer Zuster, Oh Zuster binnen in de Nederlandse Top 40.

Sjakie Schram wordt op 2 februari 1927 in Amsterdam geboren en is overleden op 20 mei 1989.

Deze volkszanger kreeg in 1966 grote bekendheid met het liedje Glaasje op laat je rijden (geschreven door Joost den Draayer).

Zijn optreden bij Willem Duys in februari bij Voor de vuist weg zorgt voor de grote doorbraak.

Sjakie probeert met zijn liedje de automobilist te waarschuwen voor de gevaren van het autorijden na een aantal alcholische drankjes.

Zijn liedje bereikte de tweede plaats in de Top 40 en is Sjakie zijn enige top 10 hit.

In de periode 1965-1970 kon hij zich nog wel meten met grote volkszangers als Johnny Hoes, Johnny Jordaan, Vader Abraham en Willy Alberti.

Bassie en Adriaan schrijven voor hem nog het nummer Ik heb niets gezien en Jack Jersey het nummer Zuster oh zuster.

Als in 1969 Ajax in Madrid haar eerste Europacup finale haalt, schrijft hij nummer Ajax, geef hem van katoen.

Enkele bekende nummers van Sjakie zijn: Tante Mien mag ik je poesje even zien; Oh Joke, kon jij maar koken; Ik zie, ik zie wat jij niet ziet; Allemaal op de bok enz

Het leven van Sheldon Allan Silverstein, de componist van het nummer The Ballad Of Lucy Jordan.

Sheldon Allan Silverstein, beter bekend als Shel Silverstein, werd geboren op 25 september 1930 in Chicago, Illinois.

Hij groeide op in de wijk Logan Square en ontwikkelde al op jonge leeftijd een passie voor tekenen en schrijven.

In tegenstelling tot wat veel mensen denken, was hij niet alleen de componist van het nummer “The Ballad of Lucy Jordan,” maar een buitengewoon veelzijdig artiest: dichter, songwriter, muzikant, componist, illustrator, scenarist en schrijver van kinderboeken.

Silverstein begon zijn carrière in de jaren 50 tijdens zijn militaire dienst in Japan en Korea.

Daar tekende hij cartoons voor het militaire dagblad Stars and Stripes. Deze periode legde de basis voor zijn latere succes als illustrator.

Na zijn diensttijd keerde Silverstein terug naar Chicago en begon hij te werken voor verschillende tijdschriften.

Zijn doorbraak kwam in 1956 toen Hugh Hefner, de oprichter van Playboy, hem inhuurde als vaste cartoonist.

Zijn cartoons, bekend om hun scherpe humor en unieke stijl, werden een vast onderdeel van het magazine en droegen bij aan zijn groeiende bekendheid.

Hij zou meer dan 25 jaar voor Playboy werken.

In de jaren zestig verbreedde Silverstein zijn artistieke horizon en begon hij met het schrijven van kinderboeken.

Deze boeken, zoals The Giving Tree (1964), Where the Sidewalk Ends (1974) en A Light in the Attic (1981), werden wereldberoemd.

The Giving Tree was aanvankelijk afgewezen door veel uitgevers die het te verdrietig vonden voor kinderen.

Het werd uiteindelijk een van de meest geliefde en besproken kinderboeken aller tijden.

Zijn verhalen, vaak vergezeld van zijn eigen kenmerkende illustraties, waren geliefd om hun fantasierijke verhalen, humor en diepere boodschappen.

Zijn boeken zijn vertaald in meer dan 47 talen en er zijn wereldwijd meer dan 20 miljoen exemplaren van verkocht.

Naast zijn werk als illustrator en kinderboekenschrijver was Silverstein een begenadigd songwriter.

In 1969 schreef hij het nummer “A Boy Named Sue” voor Johnny Cash dat een wereldwijde een hit werd.

Dit humoristische lied, verteld vanuit het perspectief van een man die door zijn vader met een meisjesnaam is opgezadeld, won een Grammy Award voor Best Country Song.

Silverstein schreef later inderdaad een vervolg hierop, “The Father of a Boy Named Sue,” vanuit het perspectief van de vader.

Hij schreef ook het nummer “25 Minutes to Go” voor Johnny Cash, dat gaat over een ter dood veroordeelde die aftelt tot zijn executie

Silverstein schreef liedjes voor vele andere artiesten, waaronder The Irish Rovers (“The Unicorn”), Brothers Four, en Loretta Lynn.

Zijn succesvolste samenwerking was echter met de band Dr. Hook & The Medicine Show (later ingekort tot Dr. Hook).

Silverstein schreef alle nummers voor hun debuutalbum, Dr. Hook (1971), en een groot deel van hun opvolgende albums.

De single “Sylvia’s Mother”, een tragikomisch verhaal over een man die probeert zijn ex-vriendin telefonisch te bereiken, werd een internationale hit en bereikte in 1972 de vijfde plaats in de Amerikaanse Billboard Hot 100.

Voor Dr. Hook schreef Silverstein ook “The Ballad of Lucy Jordan” in 1974.

Hoewel het nummer oorspronkelijk door Dr. Hook werd opgenomen, bereikte het pas echt wereldfaam toen Marianne Faithfull het in 1979 coverde voor haar album Broken English.

Haar indringende vertolking van het melancholische verhaal over een huisvrouw die haar dromen ziet vervagen, werd een klassieker.

Faithfull’s versie werd later ook gebruikt in de films Thelma & Louise en Montenegro.

Eerder werd het nummer ook al gecoverd door Johnny Darrell (1975) en Lee Hazlewood (1976).

Hij kreeg 2 Grammy Awards en was genomineerd voor een Oscar en een Golden Globe.

Shel Silverstein overleed onverwacht aan een hartaanval op 10 mei 1999 in Key West, Florida, op 68-jarige leeftijd.

Silverstein werd in 2002 postuum opgenomen in de Nashville Songwriters Hall of Fame.

Dan Hartman, van ruige rocker tot discokoning en zijn tragisch einde.

Dan Hartman, was niet alleen de schrijver, maar ook de producer van deze discohit die hij samen zong met de krachtige stem van Loleatta Holloway, een Amerikaanse zangeres die we kennen van onder meer de nummers “Love Sensation”, “Hit and Run”, “Love Sensation” en de prachtige ballade “Cry To Me” uit haar debuutalbum met dezelfde titel en dit jaar ook al 45 jaar geleden uitgebracht in 1975.

Weet je trouwens dat “Love Sensation” later gesampled werd voor het nummer “Ride on Time” van Black Box en “Good Vibrations” van Marky Mark and the Funky Bunch?

Om dan nog maar te zwijgen, over de cover van Relight My Fire door de jongens van Take That met zangeres Lulu, waardoor het nummer terug hoog scoorde in de hitparade.

Eind verleden jaar, oktober 2024 bracht Cascada (geboren als Natalie Horler, Bonn, 23 september 1981) haar cover uit van deze dance klassieker.

Het nummer leverde Hartman en Holloway in België een zevende plaats op in de BRT Top 30, en in Nederland zelfs een indrukwekkende derde plaats in de Top 40.

Maar voordat hij de discowereld veroverde, liet Hartman in 1976 al van zich horen met zijn debuutsingle “High Sign”, die een veel ruiger geluid had.

Misschien verrassend, maar Hartman speelde in die beginjaren zelfs basgitaar in de band van Johnny Winter en was later gitarist en zanger bij de Edgar Winter Group!

De wereld leerde Hartman pas echt goed kennen in de hoogtijdagen van de disco, met name door zijn hit “Instant Replay” uit 1978.

Dit nummer bereikte in verschillende landen de top van de hitlijsten en wordt nog steeds gezien als een absolute discoklassieker.

Wist je dat de baslijn van “Instant Replay” geïnspireerd was door “Philadelphia Freedom” van Elton John?

In 1984 was het weer raak met “I Can Dream About You”, een nummer dat niet alleen hoog in de hitlijsten belandde, maar ook te horen was in de actiefilm “Streets of Fire” uit datzelfde jaar.

Hij schreef “I Can Dream About You” oorspronkelijk voor Hall & Oates, maar besloot het uiteindelijk zelf op te nemen!

Een jaar later, had hij terug een hit met het nummer We Are The Young.

In 1986, had hij een bescheiden hit met het nummer Waiting To See You.

Zowel “We Are The Young” als “Waiting To See You” kon in Nederland reken op radio steun, want beide waren toen goed als de Alarmschijven van de week.

Maar ondanks die steun, bleef het succes dus beperkt.

Helaas kwam er in 1994 een einde aan het leven en de carrière van Dan Hartman. Hij overleed namelijk op slechts 43-jarige leeftijd in Westport, Connecticut aan de gevolgen van een hersentumor (Joepie 9 december 1979).

45 jaar geleden, lp bespreking Reproduction van The Human League.

De band, opgericht in 1977 in Sheffield, Engeland, ontleende zijn naam aan een sciencefiction-bordspel, StarForce: Alpha Centauri, waarin “The Human League” een van de politieke groeperingen was.

De oorspronkelijke line-up bestond uit Philip Oakey (zang, synthesizers), Martyn Ware (synthesizers), Ian Craig Marsh (synthesizers) en Adrian Wright (visuals, later synthesizers).

Reproduction, hun debuutalbum en uitgebracht in oktober 1979, wordt gekenmerkt door het prominente gebruik van synthesizers, drummachines en minimalistische arrangementen, een geluid dat destijds revolutionair was.

De muziek is donkerder en experimenteler dan het latere, meer pop-georiënteerde werk van de band, met duidelijk hoorbare invloeden van bands als Kraftwerk en de producties van Giorgio Moroder.

Hoewel het commercieel niet direct een groot succes was, kreeg het album lovende kritieken van de pers, maar niet van de Humo en wordt het dan ook beschouwd als een pionierswerk in de elektronische muziek.

In 1980, na interne conflicten over de muzikale richting, verlieten Ware en Marsh de band om Heaven 17 te vormen.

Oakey en Wright gingen verder dan The Human League en rekruteerden twee vrouwelijke achtergrondzangeressen, Susan Ann Sulley en Joanne Catherall, die ze ontdekten in een nachtclub in Sheffield.

Deze nieuwe line-up markeerde een verschuiving naar een meer pop-georiënteerd geluid en leidde tot het internationale succes van het album Dare (1981).

Deze week, 45 jaar geleden, komen de jongens van The Sugarhill Gang met hun nummer Rapper’s Delight binnen in de Brt Top 30.

In Vlaanderen behaalden The Sugarhill Gang de derde plaats, en in Nederland veroverden ze zelfs de felbegeerde nummer 1-positie in de Top 40.

De productie van deze single was in handen van Sylvia Robinson.

De invloed van Sylvia Robinson op de ontwikkeling van de hiphop kan moeilijk overschat worden.

Naast haar rol als producer van “Rapper’s Delight”, was ze als artiest bekend van hits als “Love Is Strange” (1957 en dat later een comeback maakte in de film Dirty Dancing) en “Pillow Talk” (1973).

Bovendien schreef ze mee aan “The Message” van Grandmaster Flash and the Furious Five.

Haar bijdragen leverden haar dan ook de eretitel “moeder van de hiphop” op.

Robinson overleed op 29 september 2011.

The Sugarhill Gang bestond uit de leden Guy “Master Gee” O’Brien, Michael “Wonder Mike” Wright, en Henry “Big Bank Hank” Jackson.

De leden van The Sugarhill Gang waren geen doorgewinterde rappers toen ze Rapper’s Delight opnamen.

Sylvia Robinson rekruteerde hen min of meer uit de buurt, Big Bank Hank was bijvoorbeeld de manager van een pizzazaak!

Voor “Rapper’s Delight” gebruikten ze de instrumentale basis van Chic’s “Good Times”.

Deze onvermelde sampling leidde tot een rechtszaak aangespannen door componisten Nile Rodgers en Bernard Edwards, resulterend in een schikking waarbij Rodgers en Edwards alsnog erkenning en royalty’s ontvingen.

Rapper’s Delight was niet alleen een commercieel succes, het wordt ook beschouwd als het nummer dat hiphop introduceerde bij een breed publiek.

Gisteren nog vandaag

Vandaag, 50 jaar geleden, bereikt Leo Sayer met zijn nummer Long Tall Glasses de tweede plaats in de Brt Top 30.

“Long Tall Glasses (I Can Dance)” bereikte nummer 4 in het VK Singles Chart en in Amerika was de single goed voor een negende plaats in de billboard top 100.

In Vlaanderen was de single dus goed voor een tweede plaats en in Nederland zelfs goed voor een eerste plaats.

Deze single is afkomstig van zijn tweede album “Just a Boy” verscheen in 1974 en het album bereikte de vierde plaats in het Britse Albums Chart.

Voor het album werkte hij samen met twee producers, namelijk:

De gekende ex-zanger Adam Faith, die begin jaren 70 een management voor artiesten was begonnen.

Sayer was toen een van zijn eerste klanten.

David Courtney, een songwriter, drummer en producer die met Faith samenwerkte.

Hij schreef ook mee aan de nummers op het album en dit samen met Sayer, die trouwens ook alle teksten schreef.

De arrangementen zijn geschreven door Del Newman.

Buiten het nummer Long Tall Glasses (I Can Dance), die als derde single uit kwam, verscheen er in Vlaanderen en Nederland nog twee andere singles uit het album, namelijk:

“One Man Band” en Bereikte toen nummer 6 in het VK Singles Chart.

In Vlaanderen Nederland bereikte het nummer niet de hitparade.

“Train” werd vreemd niet in het Verenigd Koninkrijk uitgebracht, maar wel dus in andere landen, waaronder Vlaanderen en Nederland.

Het nummer was in Vlaanderen goed voor een vijfentwintigste plaats en in Nederland deed het nummer beter en bereikte daar de vijftiende plaats.

Op dit album verscheen ook het door hem geschreven nummer Giving It All Away, die een groot succes was voor Roger Daltrey in 1973.

Voor het album werkte Sayer met de volgende muzikanten:

Gerry Conway: Drums

Alan Tarney: Basgitaar

Dave Courtney: Keyboards

Cliff White: Gitaar

De albumhoes van Just a Boy is ontworpen door Humphrey Butler-Bowdon, zijn oude leerkracht die hem les gaf aan op academie (Leo Sayer, eindelijk weer mezelf zijn uit de Joepie van 25 december 1974).

45 jaar geleden, Julio Iglesias met zijn nummer Où est passée ma bohème?

De single was goed voor een negentiende plaats in de Super Top 50.

De Spaanse versie deed het beter en bereikte bij ons in september 1979 de eerste plaats in de BRT Top 30.

Een muziekcarrière was eigenlijk ‘plan b’, of zelfs ‘plan c’ voor Julio.

Hij was eind jaren 60 namelijk de reservedoelman van Real Madrid, toen al een grootheid in het Europese voetbal.

Tevens was hij begonnen aan een rechtenstudie.

Een auto-ongeluk sloeg de voetbaldroom echter aan diggelen.

Hij raakte tijdelijk verlamd en was maandenlang aan het bed gekluisterd. Tijdens die periode leerde hij zichzelf gitaar spelen.

Na zijn rechtenstudie in Groot-Brittannië voltooid te hebben, deed Julio mee aan diverse liedjeswedstrijden.

Zo kwam hij in contact met producer Ramón Arcusa. Ze zouden blijven samenwerken tot ver in de 80s.

Het grote publiek leerde Julio kennen via het Eurovisiesongfestival in 1970 in Amsterdam.

Hij werd er met ‘Gwendolyne’ knap 4de. Het nummer werd echter geen hit. Pas met zijn ode aan Galicië breekt hij door in Vlaanderen en Nederland.

Julio zelf is Madrileen, maar zijn vader was afkomstig uit de streek.

Zijn vader werd overigens ooit ontvoerd door de Baskische afscheidingsbeweging ETA maar gezond en wel terug vrijgelaten.

Hierop besloot de familie Iglesias naar Miami te verhuizen.

Het wereldwijde succes kwam er pas na 1977 wanneer Julio een contract tekende met platengigant CBS. (Denis Michiels, Joepie 30 december 1979)