De vele gezichten van Davos: van De Toverberg tot Trump.

Davos is een gemeente in het oostelijke deel van Zwitserland, gelegen in het kanton Graubünden.

De plaats staat bekend als de hoogstgelegen stad van Europa, bevindt zich op ruim 1500 meter hoogte in het Landwasser-dal en heeft een rijke geschiedenis die veel verder teruggaat dan de beroemde economische toppen.

Oorspronkelijk werd het gebied in de middeleeuwen bevolkt door de Walser, een Duitstalig volk dat vanuit Oberwallis naar deze hooggelegen gebieden trok om er landbouw te bedrijven.

Eeuwenlang bleef het een relatief geïsoleerde boerengemeenschap, totdat de specifieke ligging en het klimaat in de negentiende eeuw voor een radicale wending zorgden.

De transformatie van boerendorp naar internationale bestemming begon rond 1853, toen de Duitse arts Alexander Spengler de geneeskrachtige werking van de berglucht ontdekte.

Hij merkte op dat tuberculose, destijds een dodelijke volksziekte, nauwelijks voorkwam bij de lokale bevolking.

Dit inzicht leidde tot de ontwikkeling van Davos als een vermaard kuuroord.

Er werden talrijke sanatoria gebouwd waar patiënten uit heel Europa naartoe kwamen om te genezen in de schone, droge lucht.

Deze periode heeft ook een belangrijke literaire erfenis achtergelaten; de Duitse schrijver Thomas Mann bezocht zijn zieke vrouw in Davos en deed daar inspiratie op voor zijn wereldberoemde roman De Toverberg, die zich afspeelt in een van deze sanatoria.

Toen in de loop van de twintigste eeuw medicijnen tegen tuberculose werden ontwikkeld, verloor het kuuroord zijn oorspronkelijke functie, maar de gemeente vond zichzelf succesvol opnieuw uit als bestemming voor wintersport.

Een publicatie uit het tijdschrift ABC van januari 1936 illustreert hoe Davos zich in die periode al had ontwikkeld tot een trekpleister voor sneeuwliefhebbers.

Het gebied Parsenn, gelegen op 2661 meter hoogte en bereikbaar via een spoorwegrit van twintig minuten, werd destijds geprezen als een ideaal terrein met eindeloze hellingen en ongerepte sneeuw.

Prominente bezoekers, zoals de bekende autocoureur Louis Chiron, spraken vol lof over de prachtige skivelden en stelden dat wie de betoverende charme van Davos eenmaal kende, er altijd zou terugkeren.

Hoewel de skisport in die jaren als koning werd gezien, bleven ook activiteiten als kunstschaatsen, ijshockey, curling en tobogganwedstrijden onverminderd populair en trokken ze duizenden mensen naar de bergen.

Tegenwoordig is Davos echter vooral wereldberoemd door een evenement dat jaarlijks in januari plaatsvindt: de bijeenkomst van het World Economic Forum, oftewel het WEF.

De geschiedenis van dit congres begint in 1971, toen de Duitse econoom en ingenieur Klaus Schwab het initiatief nam voor wat toen nog het European Management Symposium heette.

De eerste bijeenkomst vond plaats in het congrescentrum van Davos en trok honderden deelnemers uit het Europese bedrijfsleven.

Het oorspronkelijke doel van Schwab was vrij specifiek: hij wilde Europese bedrijfsleiders kennis laten maken met Amerikaanse managementtechnieken om zo de concurrentiepositie van Europa te versterken.

Hij introduceerde daarbij de stakeholdertheorie, het idee dat een bedrijf niet alleen verantwoording schuldig is aan aandeelhouders, maar aan alle belanghebbenden, inclusief werknemers en de samenleving.

In de jaren die volgden, verbreedde Schwab de horizon van het congres aanzienlijk.

Het werd duidelijk dat economische vraagstukken niet los konden worden gezien van geopolitieke en sociale problemen.

In 1987 veranderde de naam officieel in het World Economic Forum. Het evenement groeide uit tot een uniek platform waar niet alleen CEO’s, maar ook regeringsleiders, intellectuelen, journalisten en activisten samenkomen.

Het informele karakter van de bijeenkomsten in het besneeuwde bergdorp, ver weg van de politieke hoofdsteden, leidde tot wat men de Davos Spirit noemt: een sfeer waarin tegenstanders makkelijker met elkaar in gesprek gaan.

Zo speelde het forum in het verleden een rol bij ontmoetingen tussen Griekenland en Turkije en verschenen Nelson Mandela en F.W. de Klerk er samen op het podium toen de apartheid in Zuid-Afrika ten einde liep.

Vandaag de dag is de combinatie van de kleine berggemeente en het machtige wereldcongres een begrip, waarbij lokale traditie en wereldpolitiek jaarlijks even samensmelten.

De aanwezigheid van president Donald Trump op het Wereld Economisch Forum bevestigt vandaag opnieuw dat het forum nog steeds het centrum van de wereldmacht is.

De geschiedenis van Hotel d’Hane-Steenhuyse begint in 1768, wanneer graaf Emmanuel-Ignace d’Hane een reeks middeleeuwse huizen in de Gentse Veldstraat omvormde tot een indrukwekkend stadspaleis.

De graaf was een invloedrijk edelman en nazaat van een familie die al sinds de 15e eeuw een prominente rol speelde in de Gentse politiek en maatschappij.

Als afgevaardigde van de Staten van Vlaanderen beschikte hij over de middelen om een dergelijk prestigieus project te realiseren.

Wie vandaag de kelders bezoekt, kan daar nog steeds de sporen terugvinden van de oorspronkelijke middeleeuwse bebouwing waar hij op voortbouwde.

Drie generaties van het geslacht d’Hane de Steenhuyse hebben bijgedragen aan de bouw van het paleis om het zijn huidige allure te geven.

Graaf Emmanuel Ignace d’Hane (1702-1771) legde de basis met het hoofdgebouw en de uitbundige voorgevel in Lodewijk XV-stijl.

Zijn zoon, graaf Pierre Emmanuel d’Hane de Leeuwergem (1726-1786), zorgde voor de verdere uitbreiding en de meer classicistische tuingevel in Lodewijk XVI-stijl in 1773.

Tot slot was het graaf Jean-Baptiste d’Hane de Steenhuyse (1757-1826) die verantwoordelijk was voor de verfijnde aankleding en de binnendecoratie van het pand.

Een van de absolute pronkstukken in het interieur is de balzaal, die de volledige hoogte van de twee verdiepingen beslaat.

De wand- en plafondschilderingen in deze zaal zijn het werk van Petrus Nicolaas (P.N.) van Reysschoot (1738-1795). Deze Gentse kunstenaar, die deel uitmaakte van een bekende schildersfamilie, decoreerde het plafond met taferelen die de goden op de Olympus voorstellen.

Samen met zijn broers en zussen werkte hij tot aan zijn dood in 1795 aan verschillende prestigieuze opdrachten in de stad.

De verfijnde afwerking van de zaal wordt gecompleteerd door de parketvloer in inlegwerk uit 1770 van de Parijse schrijnwerker François Felix.

Onder Jean-Baptiste groeide het paleis in het begin van de 19e eeuw uit tot een ontmoetingsplaats voor de Europese adel en wereldtop.

In juli 1805 namen de Franse minister van Buitenlandse Zaken, prins de Talleyrand-Périgord, en zijn echtgenote er hun intrek.

Enkele jaren later, in 1810, logeerden Napoleon en Marie-Louise van Oostenrijk in het hotel, evenals de koning en koningin van Westfalen.

Op 24 juni 1814 was het de beurt aan de Russische tsaar Alexander I en datzelfde jaar verbleef ook John Quincy Adams, de latere president van de Verenigde Staten, in het paleis.

In 1815, tijdens de turbulente Honderd Dagen, vond de Franse koning Lodewijk XVIII hier op 30 maart een veilig onderkomen, nadat hij door Napoleon was verjaagd.

Datzelfde jaar, op 5 september 1815, brachten ook de pas gekroonde koning der Nederlanden, Willem I, en zijn echtgenote Wilhelmina een bezoek tijdens hun Blijde Intrede in Gent.

In 1818 mocht het paleis bovendien prins Willem II der Nederlanden als gast verwelkomen.

Toen de mannelijke lijn van de familie d’Hane de Steenhuyse uitstierf, kwam het stadspaleis in handen van Valerie van Pottelsberghe de la Potterie.

Zij was de dochter van Marie-Thérèse d’Hane de Steenhuyse en de echtgenote van jhr. Edouard van Pottelsberghe de la Potterie.

Door dit erfgoed bleef het paleis nauw verbonden met de Gentse adel. Tot 1902 bleven de erfgenamen het gebouw bewonen, waarna de rijke geschiedenis als privéresidentie tot een einde kwam.

Na de Tweede Wereldoorlog kreeg het pand een nieuwe bestemming als Museum der Honderd Dagen, maar dat bleek weinig succesvol.

Om de kosten te dekken, werden de ruimtes op de gelijkvloerse verdieping uiteindelijk verhuurd als winkels.

In 1981 kwam het pand in handen van Stad Gent, die het gebouw stelselmatig restaureerde en er jarenlang de dienst Monumentenzorg onderbracht.

De toekomst van dit erfgoed is echter onzeker geworden.

Op 2 december 2025 raakte bekend dat Gent maar liefst 48 gebouwen wil verkopen of in erfpacht wil geven.

Naast bekende monumenten zoals het poortgebouw van de Oude Vismijn en de Rabottorentjes staan ook de stadspaleizen Hotel d’Hane-Steenhuyse en Hotel Arnold Vander Haeghen op deze lijst.

De stad spreekt over het creëren van businesscases voor deze locaties, al blijft het onduidelijk wat dat precies zal inhouden.

Deze plannen roepen de nodige bezorgdheid op. Gezien de recente ontwikkelingen in de stad – zoals de horeca in het Gravensteen, de komst van luxe-appartementen in het Geeraard de Duivelsteen en de opening van een Delhaize-supermarkt binnen afzienbare tijd in de Sint-Annakerk – vragen velen zich af welke nieuwe invulling dit historische erfgoed zal krijgen.

Voorlopig blijft het gebouw wel nog toegankelijk voor het publiek. Je kunt het paleis elke vrijdag, zaterdag en zondag bezoeken tussen 14 en 18 uur.

40 jaar geleden, Steve Jobs, 30 jaar oud, 12 miljard rijk en plots werkloos.

Steve Jobs, de geadopteerde zoon van een Syrische immigrant en een Amerikaanse vrouw, groeide uit tot een van de invloedrijkste figuren in de moderne technologie.

Samen met Steve Wozniak richtte hij Apple op in de garage van zijn ouders.

Terwijl Wozniak de techneut was, blonk Jobs uit als de visionaire verkoper die hun creaties aan de wereld kon presenteren.

Hun eerste grote succes, de Apple II, was een van de eerste personal computers die technologie toegankelijk maakte voor de gewone man.

De echte revolutie volgde in 1984 met de Macintosh, die met zijn grafische interface en de muis de standaard zette voor hoe we computers vandaag de dag nog steeds gebruiken.

Na in 1985 uit Apple te zijn gezet, bewees Jobs zijn veerkracht.

Hij kocht Pixar dat hij uitbouwde tot een revolutionaire

animatiestudio, en richtte het computerbedrijf NeXT op.

In 1997 keerde hij terug als CEO bij een zwaar noodlijdend Apple en zorgde hij voor een spectaculaire ommekeer.

Onder zijn leiding lanceerde Apple een reeks iconische producten die hele industrieën op hun kop zetten.

De iPod en iTunes veranderden de muziekwereld, de iPhone definieerde de moderne smartphone en de iPad creëerde de tabletmarkt.

De kern van Jobs’ succes was niet dat hij de technologie zelf uitvond, maar dat hij een uniek instinct had om die technologie te vertalen naar prachtig ontworpen, gebruiksvriendelijke producten die consumenten fantastisch vonden.

Na een lange strijd tegen kanker overleed hij in 2011

Vandaag is het ook al vijftig jaar geleden dat Francisco Franco y Bahamonde, en beter bekend als generalísimo Francisco Franco is overleden

Francisco Franco werd op 4 december 1892 geboren in El Ferrol, Galicië, in het noordwesten van Spanje.

Zijn jeugd was moeilijk. Zijn vader, een marineofficier, was vooral bezig met gokken, drinken en vreemdgaan, wat thuis tot voortdurende ruzies leidde.

Uiteindelijk verliet zijn vader het gezin voor een jonge maîtresse in Madrid.

Getekend door deze ervaringen koos Franco zelf een radicaal ander pad: hij was een sober man die roken, drinken, gokken en het bezoek aan kroegen of bordelen meed.

Hoewel hij de marine ambieerde, koos hij in 1907 noodgedwongen voor het leger. Hij was een middelmatige student, maar maakte carrière in het Spaanse protectoraat Marokko.

Zijn optreden tijdens de Rifoorlog (ca. 1921-1926) was meedogenloos.

Nadat hij in 1916 gewond raakte, werd hij bevorderd. Een sleutelrol speelde hij in het Spaanse Vreemdelingenlegioen dat hij omvormde tot een geduchte eenheid.

Het redden van de stad Melilla in 1921 maakte hem tot een nationale held.

In 1923 trouwde hij met Carmen Polo, met wie hij één dochter kreeg.

Toen in 1931 de Tweede Spaanse Republiek werd uitgeroepen, hield Franco zich aanvankelijk afzijdig.

Wel ontstond er frictie toen de republikeinen zijn Militaire Academie sloten.

In de onrustige jaren dertig sloeg hij in 1934 een linkse opstand neer.

Toen het linkse Volksfront in 1936 de verkiezingen won, werd Franco overgeplaatst naar de Canarische Eilanden, wat hij zag als een verbanning.

Dit was de opmaat naar de Spaanse Burgeroorlog, die op 17 juli 1936 uitbrak.

Franco en andere rechtse generaals probeerden de macht te grijpen om te voorkomen dat Spanje ‘links-anarchistisch’ zou worden.

De staatsgreep slaagde deels, wat leidde tot een bloedige oorlog. Franco kreeg cruciale militaire steun van Hitlers Duitsland en Mussolini’s Italië; de republikeinen werden gesteund door Stalins Sovjet-Unie.

De invloed van de communisten binnen het republikeinse kamp zorgde echter voor interne spanningen.

Eind 1938 trok Stalin zijn steun terug, wat het lot van de republiek bezegelde.

Op 1 april 1939 claimden de nationalisten de overwinning.

De nationalisten traden hard op; alleen al in Barcelona werden in enkele dagen 10.000 mensen zonder proces geëxecuteerd.

De oorlog was desastreus, met naar schatting 320.000 doden en 114.000 blijvend vermiste republikeinen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef het fascistische Spanje officieel neutraal.

Hitler en Franco ontmoetten elkaar in 1940, maar naar verluidt had Hitler een hekel aan de Spaanse leider.

Hoewel Franco een lijst met Joodse namen doorspeelde aan Duitsland, diende het neutrale Spanje ook als toevluchtsoord voor ongeveer 200.000 Joden.

Na 1945 bouwde Franco zijn dictatuur uit, wat leidde tot een internationaal isolement.

Hij herstelde in 1947 op papier de monarchie en wees in 1969 Juan Carlos I aan als zijn opvolger.

Francisco Franco stierf op 20 november 1975.

Tot verrassing van velen leidde de nieuwe koning Juan Carlos Spanje naar een democratie.

De erfenis van Franco blijft echter gevoelig; in 2022 werd in Spanje een wet aangenomen die het verheerlijken van Franco en het fascisme verbiedt.

40 jaar geleden, te gast bij Élisabeth de Chimay.

Hoewel ze door haar huwelijk een Belgische prinses werd, was ze van Franse oorsprong.

Prinses Élisabeth werd geboren in Bordeaux, Frankrijk, op 20 maart 1926 als Martha Marie Élisabeth Antoine Manset.

Ze groeide op in de wijnhandel van haar familie, maar haar jeugd werd getekend door een tragedie: ze was slechts 13 jaar oud toen haar ouders in 1939 omkwamen bij een auto-ongeluk.

Op 18-jarige leeftijd verhuisde ze naar Parijs.

In 1947 trouwde Élisabeth Manset met Élie de Riquet, de 20e Prins van Caraman en Chimay (1924-1980).

Door dit huwelijk werd ze Prinses van Chimay en verhuisde ze naar het voorouderlijk kasteel van de familie in Henegouwen.

Vanaf haar huwelijk in 1947 tot aan haar dood op 2 augustus 2023 woonde de prinses op het Kasteel van Chimay.

Prinses Élisabeth wijdde haar leven aan het erfgoed van de familie De Riquet de Caraman en het behoud van de uitgebreide archieven van het kasteel.

Ze stond er ook om bekend het kasteel open te stellen voor cultuur en organiseerde van 1957 tot 1980 een gerenommeerd festival voor barokmuziek.

Daarnaast was ze een goede vriendin en hofdame van koningin Fabiola van België.

Als verdienstelijk schrijfster en biografe publiceerde ze twee belangrijke werken:

  • La Princesse des Chimères (1993): Een biografie van Thérésa Tallien, een invloedrijke figuur tijdens de Franse Revolutie die eveneens prinses van Chimay werd.
  • La Fin d’un siècle, souvenirs (2000): Haar autobiografie, waarin ze terugblikt op haar Franse jeugd en haar ervaringen als prinses.

Het echtpaar kreeg drie kinderen:

  • Philippe (1948)
  • Marie-Gilone (1950)
  • Alexandra (1952)

Haar zoon Philippe (nu de 21e Prins van Chimay) volgt zijn vader op als hoofd van de adellijke familie.

Philippe huwde met een erfgename van InBev, het grootste bierconcern van de wereld.

Bij dat huwelijk was de Belgische prins Laurent aanwezig als getuige.

Op een strategische rots boven de vallei van de Eau Blanche in Henegouwen staat het Kasteel van Chimay.

Al meer dan duizend jaar is dit de residentie van prinselijke families.

Wie ‘Chimay’ hoort, denkt misschien aan het bekende bier, maar het kasteel en de familie die er woont, dragen een veel diepere geschiedenis met zich mee, die zich zelfs uitstrekt tot in het Nederlandse Weert.

De oorsprong van het kasteel gaat terug tot de 11e eeuw. Het is de thuisbasis geweest van vier grote adellijke families, waaronder Croÿ en Hénin-Liétard, en sinds 1804 de familie De Riquet de Caraman.

Het gebouw heeft veel te lijden gehad onder oorlogen, maar de meest recente ramp was een verwoestende brand in 1935, die een groot deel in de as legde.

Het kasteel werd zorgvuldig gereconstrueerd in een renaissance Hendrik IV-stijl, hoewel de middeleeuwse kerkers en de donjon de vroege geschiedenis blijven verraden.

Binnenin tonen de Grote Hal en de Wapenzaal harnassen, terwijl de Portrettenzaal de lange familielijn illustreert.

Het absolute pronkstuk is echter het intieme theater. Dit juweel, een verkleinde kopie van het rococotheater van het Kasteel van Fontainebleau, werd in 1863 gebouwd en is vandaag geklasseerd als Uitzonderlijk Erfgoed van Wallonië.

Het kasteel wordt omgeven door een 25 hectare groot Prinselijk Park, aangelegd als een formele Franse tuin.

De huidige eigenaars, prins Philippe en prinses Françoise de Chimay, hebben net als hun voorgangers hun hart verloren aan Chimay en blazen het kasteel nieuw leven in door er culturele activiteiten met internationale uitstraling te organiseren.

Het theater van het Kasteel van Chimay biedt een divers podium voor concerten (zowel klassieke muziek als jazz), theater, conferenties en speciale voorstellingen voor kinderen.

Vlak bij de bekende Hotsy Totsy in Gent ligt een verborgen parel: de Turrepoortsteeg.

Velen lopen er achteloos voorbij, maar wie de steeg inwandelt, vindt een oase van rust die de Gentse kunstenaar Gustave Dierkens (1878 – 1940) al in 1936 wist te vatten op doek.

Zijn schilderij toont een tafereel uit een ongetwijfeld rustiger tijdperk, maar ook vandaag nog ademt het steegje een sfeer waarin je de wereld even vergeet.

De naam ‘Turrepoort’ (of Torenpoort) is een historische verwijzing naar een van de vier 13e-eeuwse stadspoorten die ooit aan de Oude Houtlei stond.

Vandaag is van de poort enkel een doodlopend steegje over, dat eindigt tegen een blinde muur met een nis.

Het meest opvallende element, zowel in de steeg als op het schilderij, is een bakstenen poortgebouw uit 1764.

Dit gebouw werd dwars over de doorgang gemetseld en fungeerde als achterhuis voor een woning aan de Oude Houtlei.

Tussen de twee ramen van dit poortgebouw prijkt een muurkapelletje met een kleurrijk beeld van Onze-Lieve-Vrouw.

Dit zogenaamde ‘gebuurtekapelletje’, ingewijd in 1929, was nog relatief nieuw toen de kunstenaar het vereeuwigde.

Dit soort kapelletjes ontstond vaak uit dankbaarheid en werd door de buurt zelf gefinancierd.

Dierkens had oog voor detail: op zijn doek zijn aan weerszijden van de kapel ‘zaterdags lichtjes’ te zien. Deze verwijzen naar de oude gewoonte om op zaterdag, de Mariadag, extra verlichting te branden.

De kunstenaar achter dit sfeervolle werk, Gustave Dierkens, was een rasechte Gentenaar.

Hij genoot zijn opleiding aan de Gentse Academie voor Schone Kunsten, waar hij later ook als tekenaar en leraar aan verbonden was.

Hoewel hij vooral bekend stond om zijn stadsgezichten, schilderde hij ook landschappen, bloemen, portretten en stillevens.

Zijn belangrijkste werk buiten zijn thuisstad is te vinden in Leuven, waar hij in 1935 de kruisweg voor de kapel van het Heilige Drievuldigheidscollege ontwierp.

Een leuke wetenswaardigheid is dat deze school lange tijd de bijnaam ‘Gentsch College’ droeg, omdat ze werd opgericht door de Gentse humanist Frans van de Nieulande (Bronnen Robert Declerck en Ghendtsche Tydinghen)

Veertig jaar geleden, werd de Amerikaanse pop- en rockmuziek het middelpunt van een verhitte cultuurstrijd.

Een groep invloedrijke vrouwen in Washington D.C., richtte het Parents Music Resource Center (PMRC) op.

Onder leiding van Tipper Gore, de toenmalige vrouw van senator Al Gore, openden ze de aanval op wat ze zagen als de verderfelijke invloed van popsongs op de jeugd.

Ze waren bezorgd over teksten die volgens hen geweld, drugsgebruik, seksuele losbandigheid en het occulte verheerlijkten.

Om hun punt kracht bij te zetten, stelde de PMRC de beruchte “Filthy Fifteen” samen, een lijst van vijftien nummers die zij als de meest aanstootgevende voorbeelden zagen.

De volledige “Filthy Fifteen” lijst was als volgt:

Prince – “Darling Nikki” (Reden: Seks/Masturbatie)

Sheena Easton – “Sugar Walls” (Reden: Seks)

Judas Priest – “Eat Me Alive” (Reden: Seks/Geweld)

Vanity – “Strap On ‘Robbie Baby'” (Reden: Seks)

Mötley Crüe – “Bastard” (Reden: Geweld/Taalgebruik)

AC/DC – “Let Me Put My Love Into You” (Reden: Seks)

Twisted Sister – “We’re Not Gonna Take It” (Reden: Geweld)

Madonna – “Dress You Up” (Reden: Seks)

W.A.S.P. – “Animal (Fuck Like a Beast)” (Reden: Seks/Taalgebruik/Geweld)

Def Leppard – “High ‘n’ Dry (Saturday Night)” (Reden: Drugs- en alcoholgebruik)

Mercyful Fate – “Into the Coven” (Reden: Occultisme)

Black Sabbath – “Trashed” (Reden: Drugs- en alcoholgebruik)

Mary Jane Girls – “In My House” (Reden: Seks)

Venom – “Possessed” (Reden: Occultisme)

Cyndi Lauper – “She Bop” (Reden: Seks/Masturbatie)

De lobby van de PMRC was zo succesvol dat het leidde tot een hoorzitting in de Amerikaanse Senaat op 19 september 1985.

Hier kreeg de campagne een krachtig en onverwacht tegengeluid van drie muzikanten: folkzanger John Denver, en de rockiconen Frank Zappa en Dee Snider.

Frank Zappa, gewapend met zijn intellect en scherpe tong, noemde het voorstel van de PMRC “een ondoordacht stuk nonsens” en een gevaarlijke eerste stap richting censuur die de vrijheid van meningsuiting zou ondermijnen.

Hij waarschuwde dat vage labels artiesten zouden stigmatiseren en de creativiteit zouden smoren.

Dee Snider, de frontman van Twisted Sister, was misschien wel de grootste verrassing.

De senatoren verwachtten een rebelse en onverstaanbare rocker, maar kregen te maken met een welbespraakte man die zijn teksten met verve verdedigde.

Hij legde uit dat “We’re Not Gonna Take It” een universeel protestlied was en dat de als gewelddadig bestempelde videoclip pure, op tekenfilms gebaseerde, slapstick was.

Hij beschuldigde de PMRC van het verkeerd interpreteren van zijn werk, zoals bij het nummer “Under the Blade”, dat niet over sadomasochisme ging, maar over de angst voor een operatie.

Ondanks de indrukwekkende getuigenissen van de artiesten, zwichtte de platenindustrie uiteindelijk voor de druk.

In plaats van een gedetailleerd ratingsysteem, kwamen ze overeen om vrijwillig de bekende “Parental Advisory: Explicit Lyrics” sticker op albums met expliciete inhoud te plakken.

Vandaag 111 jaar geleden, bezetten de Duitse troepen Gent.

Op 12 oktober 1914 marcheerden Duitse troepen Gent binnen.

De stad werd de hoofdplaats van het Vierde Etappegebied, een militaire zone die West- en Oost-Vlaanderen en een deel van Henegouwen besloeg.

Hierdoor kwam Gent onder een direct militair bestuur te staan, wat een bezettingsregime met zich meebracht dat nog harder was dan in de rest van België.

Het leven in de stad veranderde drastisch. Contact met andere delen van het land werd zo goed als onmogelijk gemaakt.

De pers en de post stonden onder strenge censuur en elke vorm van politieke berichtgeving was verboden.

Het dagelijkse leven werd gedomineerd door voortdurende opeisingen door de bezetter.

In het stadscentrum namen de Duitsers steeds meer gebouwen in beslag, te beginnen met alle kazernes.

De Kouter werd de centrale uitvalsbasis waar onder andere de Kommandantur en de Pass-Zentrale gevestigd waren.

Veel gebouwen kregen een nieuwe, militaire functie: het Gravensteen diende als opslagplaats en herstelplaats voor wapens, in het Groot Vleeshuis werden bier en wijn gestockeerd en Het Pand werd een groentendepot.

Soldaten konden revalideren in hotels, scholen en het Casino aan de Coupure, terwijl het Belfort dienstdeed als uitkijkpost voor piloten.

Het omvangrijke wagenpark van het leger vond onderdak in loodsen in de haven.

Met ongeveer 12.000 militairen was de Duitse aanwezigheid overweldigend en zeer zichtbaar in het straatbeeld.

Duitse vlaggen wapperden aan de gevels, Duitse bewegwijzering hing aan muren en bomen, en cafés kregen Duitse namen.

Het station Gent Sint-Pieters groeide uit tot het centrale spoorwegknooppunt voor het transport van troepen en materieel van en naar het front.

De controle over de bevolking werd aangescherpt door de invoering van de identiteitskaart met foto.

Aanvankelijk was dit document enkel nodig om het Etappegebied te verlaten, maar vanaf 1916 werd iedere inwoner verplicht er een te bezitten en bij zich te dragen.

Vier jaar lang was de bewegingsvrijheid van de Belgen beperkt tot hun eigen gemeentegrens, tenzij ze de nodige papieren konden voorleggen.

De productie van al deze identiteitskaarten stelde fotografen voor een praktisch probleem.

Door een tekort aan fotopapier namen ze vaak hun toevlucht tot een creatieve oplossing: ze maakten een groepsfoto en sneden vervolgens de individuele gezichten uit om op de identiteitskaarten te kleven.

Het grootste probleem vanaf het begin van de oorlog was echter de voedselbevoorrading.

De binnenlandse productie was ontoereikend, de Britse maritieme blokkade verhinderde de invoer van levensmiddelen en de talrijke Duitse opeisingen maakten de situatie nog nijpender.

De Stad Gent reageerde snel en richtte al op 8 augustus 1914 een Stedelijk Comité der Volksvoeding op dat gratis soep en brood uitdeelde.

Tegen het najaar werd de voedselsituatie echter kritiek.

Op 23 oktober 1914 werd in Brussel het Nationaal Hulp- en Voedingscomité opgericht dat de spil zou worden van de nationale hulpverlening.

Voedsel werd in de Verenigde Staten aangekocht door de Commission for Relief in Belgium.

De distributie in België zelf werd door het Nationaal Comité georganiseerd via een netwerk van provinciale en lokale comités.

Het voedsel werd gerantsoeneerd en verkocht in speciale ‘Amerikaanse’ winkels.

In 1916 waren meer dan 60.000 Gentenaars afhankelijk van deze voedselhulp.

Naarmate de oorlog vorderde, nam het Comité steeds meer taken op zich, zoals het organiseren van soepkeukens, melk- en schoolmaaltijden, het uitdelen van kleding, werklozensteun en het versturen van pakjes naar krijgsgevangenen.

Naast dit nationale initiatief waren er in Gent nog een dertigtal kleinere hulporganisaties actief.

Deze georganiseerde hulp was echter maar één kant van het verhaal. Schaarste leidde onvermijdelijk ook tot hamsteren, een bloeiende zwarte markt en woekerprijzen.

Nieuwe rijken, die profiteerden van de tekorten, kregen de smalende bijnaam ‘baron Zeep’, een verwijzing naar de bijzonder winstgevende productie van ersatzzeep.

De afkorting ‘RIF’ op deze zeepblokken werd door de bevolking verkeerdelijk geïnterpreteerd als ‘Reines Jüdisches Fett’, wat de gruwelijke misvatting voedde dat er menselijk vet in verwerkt zat.

In werkelijkheid stond de afkorting voor ‘Reichsstelle für industrielle Fette’, het rijksbureau voor de bevoorrading van industrieel vet, en bevatte de zeep geen menselijk vet.

De Kiekenpuut van Gent: Het Verhaal van Joseph Jacques Kieckepoost

Joseph Jacques Kieckepoost, in de volksmond bekend als de Kiekenpuut van Gent, duikt voor het eerst op in 1810.

Op 30 juli van dat jaar werd hij aangesteld als de beheerder van de begrafenisdienst. Deze functie ging in op 1 januari 1811.

Iedere Gentenaar had hem op een dag nodig om naar een van de drie begraafplaatsen te worden gebracht: die buiten de Brugse Poort, de Dampoort of de Heuvelpoort.

Door zijn functie werd zijn naam verbasterd tot ‘Kiekenpuut’.

Daarnaast werd hij vaak afgebeeld in spotprenten met een misvormde voorarm die leek op een kippenpoot, compleet met extra sterke klauwen.

De dagelijkse uitdrukking ‘hij es bij kiekenpuut’ of ‘zij es bij kiekenpuut’ betekende dan ook dat iemand was overleden.

75 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse kunstschilder Samuel De Vriendt.

Samuel De Vriendt, telg van een oud en roemrijk kunstenaarsgeslacht, was de tweede zoon van de grote meester Juliaan De Vriendt en een neef van de bekende kunstschilder Albert De Vriendt.

Zijn grootvader was een vooraanstaande decorateur in Gent, terwijl zijn broer Stefaan als beeldhouwer en decorateur carrière maakte in Amerika.

Zijn moeder, een telg van een Brusselse bankiersfamilie, was diep geïnteresseerd in kunst en letteren.

De aristocratische uitstraling van zijn moeder en de diepe artistieke gevoeligheid van zijn vader kwamen samen in Samuel.

Zijn werken weerspiegelen zijn diepe christelijke overtuiging.

In september 1920 organiseerde hij samen met Frans Daels de eerste IJzerbedevaart naar het graf van zijn vriend Joe English in Steenkerke.

Gisteren nog vandaag

Hij was voorzitter van het Comité voor de Bedevaarten naar de Graven van de IJzer totdat Daels hem opvolgde.

Later werd De Vriendt voorzitter van de Vlaamse Oudstrijders (VOS).

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij in 1941 schepen van Schone Kunsten en later burgemeester ad interim van de stad Brugge.

Het is grotendeels aan zijn onderhandelingen met de Duitse bevelvoerende officier in september 1944 te danken dat Brugge zonder verwoestende gevechten werd ontruimd en de kunstschatten van de stad ongeschonden bleven.

Gisteren nog vandaag

Hoewel hij ook mensen hielp onderduiken voor de bezetter, werd hij na de bevrijding veroordeeld tot twee jaar cel wegens collaboratie.

Rond 1950 vestigde De Vriendt zich opnieuw in het ouderlijk huis in Schaarbeek.

Hij legde zich daar vooral toe op gekleurde tekeningen van typische Brusselse straathoekjes en kerkinterieurs.

Gisteren nog vandaag

Daarnaast schreef hij diverse artikelen, voornamelijk over zijn herinneringen aan de oorlog van 1914-1918, voor het tijdschrift ‘De Vlaamsche Oudstrijder’.

Samuel De Vriendt overleed op 26 juli 1974.

90 jaar geleden, de verbazende bloei van de gemeente Anderlecht

Aan het einde van de negentiende eeuw kampte Brussel met zijn gemeentelijk slachthuis.

De verouderde installaties veroorzaakten ernstige hygiënische problemen en de lozing van afval in de Zenne vervuilde de rivier.

Daarom werd in 1887 besloten om het gebouw te vervangen.

De oplossing kwam een jaar later, in 1888, toen de gemeente Anderlecht een concessie verleende voor de bouw en uitbating van een nieuw slachthuis met een veemarkt. Hiervoor werd de vennootschap “Abattoirs et Marchés d’Anderlecht-Cureghem” opgericht, waarin naast banken ook industriëlen en handelaars investeerden.

Architect Emile Thiron kreeg de opdracht en liet zich voor zijn ontwerp inspireren door de beroemde “Grande Halle de la Villette” in Parijs.

Op een drassig terrein van zo’n twintig hectare, dat eerst opgehoogd moest worden, verrees een indrukwekkende overdekte markthal van 100 bij 100 meter.

De constructie is een parel van industriële architectuur, met een gebogen staalstructuur die rust op gietijzeren pilaren.

Zelfs vandaag nog wordt de hal overeind gehouden door 218 ton gietijzer en 640 ton ijzer.

De monumentale hoofdingang, ontworpen door architect Henri Rieck, werd in 1901-1902 toegevoegd en wordt gesierd door twee iconische bronzen stieren van de hand van Isidore Bonheur.

In 1920 nam de gemeente Anderlecht de leiding over.

Na een periode van economische moeilijkheden werd het domein in 1980 verkocht aan een coöperatieve vereniging van handelaars en slachters die de renovatie op zich namen.

Hieruit ontstond in 1983 de vennootschap die we vandaag kennen als Abattoir.

Vandaag is de site veel meer dan enkel een slachthuis. De historische hal is een levendige overdekte markt voor voeding en een populaire rommelmarkt.

Op het terrein bevinden zich ook de Kelders van Kuregem, die sinds een renovatie in 1992 dienstdoen als evenementenlocatie voor beurzen en tentoonstellingen.

Daarnaast herbergt het domein ook een ijskelder en een paddenstoelenkwekerij.

De oorspronkelijke functie van de site loopt echter op zijn einde.

De slachtlijn, die vandaag vooral voor rituele slachtingen wordt gebruikt, zal na het aflopen van de milieuvergunning in 2028 definitief sluiten.

Hiermee komt een einde aan een belangrijk tijdperk voor het slachthuis van Anderlecht.

Eind 1967 bundelden drie grote textielbedrijven—Union Cotonnière, Louisiane-Texas (Loutex) en Etablissements Textiles Fernand Hanus—hun krachten tot één nieuwe textielgigant: UCO.

De leiding van de nieuwe groep was een complex web van de grote Gentse textielfamilies.

René Hanet werd voorzitter van het directiecomité, terwijl de Generale Maatschappij als tweede aandeelhouder de Raad van Bestuur voorzat.

De directie zelf was verdeeld over de families Hanet, Braun, Voortman en Hebbelynck, waarbij zonen en schoonzonen de belangrijkste commerciële en technische posten bezetten.

Op haar hoogtepunt was UCO een waar imperium. Het bedrijf beschikte over meer dan twintig fabrieken, waaronder spinnerijen, weverijen en chemische bedrijven die aan textielveredeling deden, zoals het verven, bleken en waterafstotend maken van textiel., en stelde bijna 7000 mensen te werk.

Met een kapitaal van meer dan 1,6 miljard Belgische frank en enorme reserves controleerde UCO na de fusie bijna de volledige Gentse katoenindustrie.

De kantoren waren gevestigd in een modern pand aan de snelweg, met op de bovenverdieping zelfs een appartement voor baron Braun om belangrijke gasten te ontvangen.

Wat het hoogtepunt leek, zou echter het begin van het einde blijken.

In 1989 werd UCO opgesplitst in divisies en werden de innovatieve afdelingen voor onderzoek en ontwikkeling gesloten.

Een fusie met het Indiase Raymond Ltd. in 2006 kon het tij niet keren: in 2008 sloot de denimfabricage in Gent, wat 393 banen kostte.

De genadeslag volgde in 2009 met de sluiting van de modernste fabriek, Cotonnière E.J. Braun. Zo verdween niet alleen UCO, maar met het bedrijf ook bijna de gehele katoenindustrie uit Gent.

90 jaar geleden, te gast in Anderlecht, de drukke nijverheids gemeente uit Brussel

De Sint-Pieter-en-Sint-Guidokerk vormt al eeuwenlang het religieuze en historische middelpunt van Anderlecht.

De oorsprong van haar faam ligt bij Guido van Anderlecht, een lokale boerenzoon die na zijn dood rond 1012 heilig werd verklaard vanwege de vele mirakels die aan hem werden toegeschreven.

Zijn graf maakte van de kerk een belangrijk bedevaartsoord. De kerk zelf vindt haar institutionele oorsprong in 1046, toen de adellijke familie van Aa er een kapittel stichtte.

De kanunniken bouwden eerst een romaanse kerk, waarvan de tiende-eeuwse crypte vandaag de dag nog steeds een van de oudste en waardevolste van België is.

Vanaf de veertiende eeuw onderging de kerk een ingrijpende transformatie naar de gotische stijl. Dit project, dat duurde tot 1527, werd geleid door een reeks prominente bouwmeesters zoals Jan van Ruysbroeck en Lodewijk van Bodegem, die elk hun stempel drukten op onderdelen als het koor en het portaal.

Vlak naast de kerk bevindt zich het Begijnhof, dat in 1252 werd opgericht en daarmee tot de oudste van het land behoort.

Het bood een thuis aan een gemeenschap van begijnen die, onder leiding van een ‘Grote Juffrouw’, een relatief vrij leven leidden.

Ze legden geen eeuwige geloften af, maar speelden een cruciale rol in de lokale samenleving door zich te wijden aan ziekenzorg, stervensbegeleiding en het onderwijzen van arme kinderen.

Aan het actieve leven van het begijnhof kwam een einde na de Franse Revolutie, toen het in 1794 werd opgeheven en de bezittingen werden geconfisqueerd.

De historische gebouwen bleven echter bewaard en werden in de twintigste eeuw omgevormd tot een beschermd museum.

Na een periode van restauratie wordt verwacht dat het museum in 2025 heropent, maar tot vandaag is het nog steeds gesloten (ABC 25 augustus 1935).

Anderlecht had rond het jaar 1800 ongeveer 2000 inwoners, in 1900 was dit al bijna 48000 inwoners. In 2000 waren er bijna 88000 inwoners en vandaag zijn er bijna 129000 inwoners.

Daarvan gingen 48764 mensen naar de stembus in oktober 2024, goed voor bijna een opkomst van 77,26 %. Wat veel hoger is dan in Vlaanderen, zo gingen er in Gent maar 64,9 % naar de stembus, in Antwerpen was dat 60.7 % en in Brugge 60,6 %.

Als we dan kijken naar Brussel, een opkomst van 76,87%, Luik 79,79 %, Charleroi 77,99 % en Namen 82,66 %.

Wat mij ook opvalt, is dat van de mensen die geweest gaan kiezen zijn, nog altijd 6,44 % blanco heeft gestemd, bij de vorige verplichte verkiezing was dit 7,33 %. Dus niet zo een groot verschil.

Dit terug vergelijken met Vlaanderen, in Gent stemde er maar 1.8 % blanco, bij de vorige verkiezing was dat 4.3 %, in Antwerpen 0.7 % en bij de vorige verkiezingen 2.7 % en in Brugge 0.5 % en bij de vorige verkiezing 2.8 %. In Brussel stemde er zelfs 0.2 % meer Blanco stemmen dan de vorige verkiezing.

Als we dan naar Wallonië gaan, zien we dat in Luik 8.45 % blanco stemde, bij de vorige verkiezingen was dat 8.14 %, in Charleroi 11,12 %, bij de vorige verkiezing was dat 11.99 % en in Namen waren er 6,93% blanco stemmers, bij de vorige verkiezingen was 7.10 %.

Dus in Vlaanderen gingen er veel minder mensen naar de stembus en was het aantal blanco stemmen bijna verdwenen. In de rest van het land een veel grotere opkomst om te stemmen, maar daalde bijna niet de Blanco stemmers.

Zou dit komen omdat er in Vlaanderen meer partijen, waar de kiezer zich kan mee verzoenen dan in Wallonië?

Goed nieuws voor mijn stad, Oudenaarde wordt Europees centrum voor fotonische chips

Oudenaarde verwelkomt een nieuwe, baanbrekende chipfabriek die op termijn 500 banen zal creëren.

Het wordt Europa’s eerste productiecentrum voor fotonische chips en blaast zo nieuw leven in de site van de vorige chipproducent, die vorig jaar failliet ging.

Het bedrijf Thema Foundries BV investeert ruim 200 miljoen euro om de fabriek om te bouwen.

In plaats van traditionele chips zal men zich richten op geïntegreerde fotonica. Deze technologie gebruikt lichtdeeltjes (fotonen) in plaats van elektronen, wat resulteert in veel snellere en energiezuinigere chips.

Deze innovatie is bijzonder waardevol voor datacenters en toepassingen met artificiële intelligentie, sectoren die kampen met een enorm energieverbruik.

De site in Oudenaarde wordt een hypermodern centrum waar niet alleen de productie, maar ook onderzoek, ontwikkeling, verpakking en het testen van de fotonische microchips zullen plaatsvinden.