75 jaar geleden, de aanbouw van wat toen de grootste lichtreclame ter wereld zou worden en dit voor het automerk Chevrolet op de kruising tussen Broadway en Seventh Avenue.

Het ontwerp is van de lichtontwerper Douglas Leigh.

Deze lichtreclame op Times Square had een hoogte van 22 meter en was 32 meter breed. (De Post van 8 januari 1950, foto 5 automatische schakelaars die voor het uit- en aangaan van de lichten zorgde en foto 7 met dit toestel kon men nagaan of één van de duizenden gloeilampen defect is)

35 jaar geleden, in januari 1990, was mobiel bellen nog een luxe die voor weinigen was weggelegd en zeker geen gemeengoed.

Dit blijkt uit een artikel in De Post van 12 januari 1990, dat berichtte over de problemen met de mobilofoon, de logge voorloper van de huidige smartphone.

Deze apparaten, vaak in de vorm van een zware koffer, waren allesbehalve handzaam en werden daarom meestal in auto’s ingebouwd.

De mobiele telefonie stond in België nog in de beginfase en Proximus heette toen nog de RTT (Regie voor Telegraaf en Telefoon) en later Belgacom.

Een mobilofoon was een peperdure aangelegenheid, een echt statussymbool.

Het toestel zelf kostte maar liefst 150.000 Belgische frank, wat omgerekend naar de huidige waarde ongeveer 3718 euro is.

Om gebruik te kunnen maken van het analoge mobiele netwerk, waar gesprekken eenvoudig konden worden afgeluisterd en de geluidskwaliteit vaak te wensen overliet, moest men eerst 6000 Belgische frank (150 euro) aan inschrijvingskosten betalen.

Vervolgens betaalde men een tweemaandelijks abonnement van 3750 Belgische frank (93 euro).

Bellen zelf was ook niet goedkoop: per 20 seconden tikte men 5,95 Belgische frank (0,15 euro) af.

Een telefoongesprek van 5 minuten kostte je dus al snel 45 Belgische frank, ofwel ruim 1,10 euro!

Als je dit vergelijkt met de huidige prijzen voor mobiel bellen, besef je pas hoe duur het toen was en waarom de mobilofoon vooral populair was bij zakenmensen, politici en andere welgestelden.

Bovendien was de netwerkdekking in 1990 nog lang niet wat het nu is.

Er waren veel “witte vlekken” waar geen bereik was.

Door de hoge kosten en de beperkte dekking was de mobilofoon in die tijd vooral populair bij mensen die het zich konden veroorloven om altijd en overal bereikbaar te zijn.

Pas met de introductie van de GSM (Global System for Mobile Communications), een digitaal netwerk, kwam de revolutie in de mobiele telefonie echt op gang.

In België werd het eerste gsm-netwerk in 1994 opengesteld door Proximus met het prefix “075”.

Dit is in België de derde generatie mobiele telefonie en ze werd in haar begindagen dan ook soms aangeduid met de aanduiding MOB3 naar analogie met haar twee voorlopers MOB1 en MOB2.

Toestellen werden ook kleiner, goedkoper en toegankelijker voor een breder publiek.

Volgens onderzoek van Deloitte in 2023 bezit minstens 92 procent van de Belgen een smartphone.

Vandaag 100 jaar geleden, Ras Teferi (Haile Selassie) te gast in Brussel voor een staatsbezoek aan ons land(22 mei 1924).

Haile Selassie werd geboren als Tafari Makonnen.

Haile Selassies vader was gouverneur van de provincie Harar.

Hij was een de adellijke personen met de titel ‘Ras’ (hertog).

Hiervan is de naam van de rastafaribeweging afgeleid.

Selassie wordt dan ook door de Rastafaribeweging gezien als de reïncarnatie van Jezus, hoewel hij zelf Ethiopisch-orthodox was.

Via zijn huwelijk in 1911 met Wayzaro Menen, dochter van keizer Menelik II, kwam Tafari in de keizerlijke familie.

In 1917 werd hij uitgeroepen tot troonopvolger van keizerin Zauditu en als regent ging hij namens haar Abessinië besturen.

Het onafhankelijke Abessinië was in Afrika een bijzonderheid. West-Europese landen hadden het continent in hun kolonisatiedrang onderling verdeeld.

De Ethiopische dynastie, die volgens de overlevering al sinds de 10e eeuw v.Chr. bestond en voort zou komen uit de Bijbelse koning Salomo en de koningin van Sheba, was het gelukt om de onafhankelijkheid van Ethiopië te waarborgen.

In 1918 overleefde hij de Spaanse griep.

In 1924 bracht hij een officieel bezoek aan Italië, Vaticaanstad en diverse andere Europese landen.

In Frankrijk, Zweden en het Verenigd Koninkrijk werd hij met grote eer ontvangen.

Toen hij op 2 november 1930 tot keizer van Ethiopië werd gekroond, kreeg hij de naam Haile Selassie, die staat voor Heilige Drievuldigheid, of Macht van de Drievuldigheid.

Deze situatie veranderde toen de Italiaanse dictator Mussolini in 1935 besloot vanuit Italiaans-Eritrea, een Italiaanse kolonie, Ethiopië binnen te vallen: de Tweede Italiaans-Ethiopische Oorlog.

Haile Selassie vluchtte naar het Verenigd Koninkrijk en probeerde steun te krijgen voor de vrijheidsstrijd.

Hij deed dit onder meer in 1936 tijdens zijn voordracht bij de Volkenbond, mede omtrent het gebruik van mosterdgas door Italië in Ethiopië.

Deze inspanningen bleken vergeefs, tot Italië zich aan de zijde van Duitsland in de Tweede Wereldoorlog mengde.

In 1941 verjoeg een troepenmacht met Britse en Belgische militairen en Ethiopische vrijheidsstrijders de Italiaanse troepen.

Haile Selassie kwam weer op de troon.

Haile Selassie legde op 27 augustus 1942 de wettelijke basis voor de afschaffing van de slavernij, die Italië in zijn land had ingevoerd, en voerde strenge straffen in voor slavenhandel, inclusief de doodstraf.

Hij moderniseerde zijn land met onder meer een nieuw belastingstelsel en een democratische grondwet.

Mede door zijn toedoen werd Ethiopië een stichtend lid van de Verenigde Naties.

Haile Selassie was in de internationale diplomatie een man met gezag en aanzien.

Hij had veel invloed binnen de Organisatie van Afrikaanse Eenheid, met zetel te Addis Abeba en bracht staatsbezoeken aan de Verenigde Staten en diverse Europese landen, waaronder Nederland in 1954 en België in juli 1959.

De keizer was een ridder in de Orde van de Kousenband en, om Ethiopië te eren voor het moedige verzet tegen Mussolini’s troepen, ridder Grootkruis in de Militaire Willems-Orde.

In 1951 werd de voormalige Italiaanse kolonie Eritrea, door middel van een beslissing van de Verenigde Naties, verbonden met Ethiopië in een federatie, waarbij Haile Selassie koning van Eritrea werd.

In de jaren vijftig groeide Haile Selassie uit tot een voorbeeld voor veel Afrikanen, die ook het koloniale juk wilden afschudden. Het viel hem echter niet mee binnenlands de rust te bewaren.

Ethiopië bestond uit vele religieuze groeperingen en Haile Selassie probeerde met een verdeel-en-heerspolitiek de onderlinge vrede te bewaren.

In 1962 annexeerde Selassie Eritrea, nadat het in de jaren vijftig een grote autonomie had gehad.

Een gewapend conflict barstte hierop los, dat 32 jaar zou duren en voornamelijk escaleerde onder de militaire junta, na het afzetten van Haile Selassie.

In 1963 zat hij de oprichtingsvergadering van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid voor, die haar zetel kreeg in Addis Abeba.

Later dat jaar (in oktober) sprak hij de Verenigde Naties toe.

De Jamaicaanse zanger Bob Marley gebruikte een deel van deze speech als tekst voor het lied War.

Begin jaren zeventig stortte de economie in en na een periode van lange droogte greep de hongersnood om zich heen.

In 1974 voerden militairen een staatsgreep uit en namen Haile Selassie gevangen.

Hij werd opgevolgd door luitenant-generaal Aman Andom.

Op 23 november 1974 kwam Aman Andom onder verdachte omstandigheden om het leven.

Aman Andomj zou bij zijn arrestatie niet mee hebben gewerkt en gedood zijn.

Op dezelfde dag werden 59 anderen, waaronder generaals, twee ex-premiers, topambtenaren, aristocraten en leden van de keizerlijke familie geëxecuteerd.

Toen hij in augustus 1975 overleed, officieel aan de complicaties van een operatie, vermoedden velen moord, er werd vooral beweerd dat de oude ex-monarch was verstikt of gewurgd.

Het communistisch regime verhinderde elk onafhankelijk onderzoek naar de doodsoorzaak.

Pas in 1992, na de val van het Dergue-regime, werd zijn stoffelijk overschot teruggevonden.

Van de Ethiopisch-Orthodoxe Kerk kreeg hij in november 2000 een keizerlijke begrafenis in de kathedraal van Addis Abeba.

Bob Marley kreeg in 1977 een ring van Haile Selassie en schreef in 1973 of 1974 het lied Iron Lion Zion voor hem.

Dit werd echter pas in 1992, na Marleys dood, uitgebracht. (Diverse bronnen, Ons Volk 31 mei 1924, De Post 26 november 1972 en Wikipedia)

90 jaar geleden, te gast in het Blandinusbeluik in Gent (De Stad 11 mei 1934)

Dit beluik was gelegen tussen de Rozierstraat (ook nog Rogierstraat) en de Blandinusstraat (sedert 1942 : Blandijnberg).

In 1848 gaf het stadsbestuur aan aannemer Lieven De Vreese de toelating een beluik te .bouwen.

De plannen voor deze “cité ouvrière” werden ontworpen door architect Leclerc-Restiaux. De voorgevel (kant Blandijnberg) werd in 1851 opgetrokken.

Enkele jaren na de bouw, schreef J. J. Steyaert in zijn “Volledige beschrijvingvan Gent 1857″ het volgende: ”Sederdang had men vele plannen gemaekt om gemakkelyke, gezonde en goedkoope wooningen aen werkliedèn te bezorgen; dit heeft men hier verwezentlykc.

Enige oude gebouwen langs het St Pietersplein werden weggebroken, en op dien grond en op den aenpalenden hof, verscheidene ryenhuizen gebouwd, welke omtrent honderd zeer· geschikte wooningen uitmaken, en ten volle aen het menschlievend doel beantwoorden.

Deze huizen staen er langs eenen cour of ruime open binnenplaets, alwaer sommige bewooners vóór het huis een klein hoveken hebben aengelegd. Langs het plein ziet men den prachtigen voorgevel van de twee toegangen naer dit beluik; dezelve zijn in den vorm van twee arkaden of zegebogen met beelden versierd ! hetwelk van op het plein gezien, een fraai gezigt te meer oplevert:”

In het ”Verslag over het onderzoek gedaan ten jare 1904″ omtrent de beluiken binnen de Stad Gent, vernemen wij dat er in het De Vreesebeluik 67 huizen waren bewoond door 62 gezinnen waaronder 29 zonder kinderen. Totaal inwoners : 176. Kant Rozier waren er 24 huizen bewoond door 22 gezinnen met een totaal van 83 inwoners.

De zeer ongezonde Bataviawijk gelegen ten noorden van de “cité ouvrière” verdween in 1883 voor het bouwen van het Instituut der Wetenschappen tussen de Rozier en de nieuwer Plateaustraat (vroeger Laurierstraat en Kaleitje) Het De Vreesebeluik werd afgebroken- einde 1935/begin 1936- voor het bouwen van de nieuwe Universiteitsbibliotheek- met boekentoren naar de plannen van Henry Van de Velde. Op de hoek Rozier en St Hubertusstraat verrees het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde. Jaren later werden de gebouwen van de Faculteit van de Letteren en Wijsbegeerte opgetrokken aan de Blandijnberg.

Het stadsbestuur en de rijke burgerij bekostigen nieuwe prestigieuze gebouwen in het stadscentrum zoals de Aula, de opera, het justitiepaleis en talloze burgerhuizen.

De arbeidersbeluiken in het stadscentrum passen niet in hun burgerlijke plaatje en worden weggemoffeld achter nieuwe gevels. Zo krijgt de architect Charles Leclerc-Restiaux de opdracht de open ruimte aan de Sint-Pietersabdij aan te pakken.

Hij tekent een homogene compositie van burgergevels die de arbeiderskrotten maskeren.

Grenzend aan het plein, op de plaats waar vandaag de Boekentoren de faculteit Letteren en Wijsbegeerte staan, neemt Lieven De Vreese het initiatief om in 1848 een ‘modelwerkmanscité’ te bouwen.

Naar de inzichten van politicus en professor Adolphe Burggraeve, die het huisvestingsprobleem net als Mareska en Heyman vanuit het gezondheidsperspectief benadert, verrijst de ‘Cité Ouvrière of ‘De Vreesebeluik’ met bredere steegjes en comfortabelere huisjes dan zijn beruchte buur Batavia. Binnen in het beluik bevinden zich bovendien een bakkerij, kruidenierszaak, slagerij, herberg en grasplein.

Aan weerszijden van het beluik en uitgevend op het Sint-Pietersplein dienen twee triomfbogen als ingang.

Als de cholera-epidemieën van de jaren 1850 aan het De Vreesebeluik voorbij gaan, ziet men daarin het bewijs van het nut en succes van dit type beluik.

Maar het stadsbestuur is niet enthousiast: het zou de andere arbeiders maar attent maken op hun eigen miserabele woonomstandigheden (De Stad 11 mei 1934 en dank aan Gent Geprent en Stad Gent)

65 jaar geleden, Gaston de Gerlache na 17 maanden weer thuis in Oostende.

Gaston de Gerlache was de zoon van Adrien de Gerlache, en volgde in de voetsporen van zijn vader door de tweede Belgische expeditie naar Antarctica te leiden in november 1957 tot april 1959, 60 jaar nadat zijn vader de eerste leidde met de Belgica.

Tijdens deze tweede expeditie, waarbij de Polarhav en de Polarsirkel hen naar Antarctica brachten, werd daar de Koning Boudewijnbasis opgericht.

De bedoeling van de expeditie was tweeledig.

Ten eerste wilde men wetenschappelijk onderzoek verrichten en verder wilde men Antarctica zelf ontdekken en in kaart brengen.

In 1960 publiceerde Gaston de Gerlache zijn reisverhaal in Retour dans l’antarctique.

Het jaar daarop maakte hij een documentaire over zijn expeditie onder de naam Plein sud.

Tijdens de volgende expeditie, onder leiding van Guido Derom, werd een 2400 meter hoge berg op Antarctica genoemd naar Gaston de Gerlache.

Hij woonde een tijdlang in het kasteel de Gerlache te Huise en Gaston was gehuwd met Lily van Oost, een dochter van bouwheer Georges van Oost.

Hij was gedurende achttien jaar burgemeester van Mullem, zijn vrouw Lily gedurende zes jaar, tot de fusie in 1976.

Na zijn overlijden werd zijn stoffelijk overschot bijgezet in de familiegrafkelder op het kerkhof van Gomery, waar zich ook het familiekasteel bevindt.

De geschiedenis van Sint-Walburgakerk in Oudenaarde in oude postkaarten uit mijn eigen verzameling.

De Sint-Walburgakerk in Oudenaarde is een van de belangrijkste gotische kerken in Vlaanderen.

De kerk werd gebouwd tussen de 12e en 16e eeuw en heeft een rijke geschiedenis.

De kerk was oorspronkelijk gewijd aan de heilige Walburga, een Engelse abdis die in de 8e eeuw leefde.

De huidige kerk bestaat uit twee delen: het vroeggotische koor uit de 13e eeuw en het schip in Brabantse gotiek uit de 15e en 16e eeuw.

De toren, die 88 meter hoog is, heeft een barokke kap uit 1620 die ontworpen werd door de Oudenaardse architect Simon de Pape.

De Sint-Walburgakerk herbergt ook een schat aan kunstwerken, vooral uit de barokperiode.

Een van de meest opvallende werken is het hoofdaltaar dat gemaakt werd door Rubens en zijn leerlingen.

Het altaarstuk toont de hemelvaart van de heilige Walburga en is een meesterwerk van kleur en compositie.

De Sint-Walburgakerk heeft ook een bijzondere orgelgeschiedenis.

Al in de 15e eeuw was er sprake van een groot orgel in de kerk dat later vervangen werd door een nieuw orgel van Cornelis de Moor rond 1543.

Dit orgel werd echter verkocht in 1910 en vervangen door een nieuw orgel van de Brusselse orgelbouwer Cloetens in 1912.

Dit orgel werd in 2013 grondig gerestaureerd en is nog steeds te bewonderen in de kerk.

90 jaar geleden, het Kasteel ter Ham in Steenokkerzeel en toen verblijfplaats van ex-keizerin Zita van Oostenrijk (februari 1934)

Het Kasteel ter Ham is een historisch waterslot in Steenokkerzeel, dat al sinds de 13e eeuw bestaat.

Het huidige kasteel werd gebouwd rond 1500 door Filip III Hinckaert, die het domein had gekocht van de familie van Lannoy.

Hij liet het oude stenen kasteel afbreken en een nieuw kasteel optrekken, omgeven door grote vijvers en twee ophaalbruggen.

Het kasteel werd geïnspireerd door het kasteel van Laarne en kreeg een donjonachtig uitzicht met een groot zadeldak, kantelen en een kegelvormige torenspits.

Het kasteel wisselde nog verschillende keren van eigenaar, onder meer de families van Hamme, Brandenburg, Cotereau, Salm, Groesbeek en de Croix.

Het kasteel kende ook verschillende verbouwingen en restauraties, vooral in de 18e en 20e eeuw.

In 1929 werd het kasteel verhuurd aan de voormalige keizerin Zita van Bourbon-Parma en haar gezin, die er tot mei 1940 verbleven.

In 1943 werd het kasteel zwaar beschadigd door een Duitse bom.

In 1955 kocht de gemeente Steenokkerzeel het domein, maar kon het niet onderhouden.

In 1964 werd het kasteel eigendom van de Vlaamse overheid, die het liet restaureren en inrichten als conferentieoord.

Sinds 2014 is het kasteel in erfpacht gegeven aan Optimum C, een expertisecentrum voor ouderenzorg.

In de onmiddellijke nabijheid van het kasteel, op de plaats van de oude kasteelhoeve, werden vanaf 2018 twintig nieuwbouwwoningen opgetrokken.

De geschiedenis van Onze-Lieve-Vrouwekerk van Pamele in Oudenaarde.

De Onze-Lieve-Vrouwekerk van Pamele is een gotische kerk in Oudenaarde, aan de rechteroever van de Schelde.

In deze kerk werd op 5 juli 1522 Margaretha van Parma gedoopt.

Margaretha van Parma was een buitenechtelijke dochter van keizer Karel V en Johanna van der Gheynst.

Johanna van der Gheynst werd geboren rond 1505 in Nukerke bij Oudenaarde, als dochter van een tapijtverkoper en een adellijke dame.

Ze werd wees op vijfjarige leeftijd en kwam in dienst bij Karel I van Lalaing, de gouverneur van Oudenaarde.

In 1521 ontmoette ze keizer Karel V.

Na de bevalling van haar dochter, moest ze afstand doen van haar kind. Want Karel V erkende haar als zijn wettige kind en liet haar opvoeden door zijn tante en zijn zus.

Johanna trouwde later met Johan van den Dijcke, een raadsheer en rekenmeester, en kreeg nog negen kinderen.

Ze stierf in Brussel op 15 december 1541.

Margaretha van Parma verhuisde op jonge leeftijd naar Italië, waar ze twee keer trouwde en hertogin van Florence, Parma en Piacenza werd.

In 1559 werd ze door haar halfbroer Filips II aangesteld als landvoogdes over de Habsburgse Nederlanden.

Ze kreeg te maken met de opstand van de edelen, het smeekschrift en de beeldenstorm.

In 1567 werd ze vervangen door de hertog van Alva en keerde ze terug naar Italië, waar ze in 1586 overleed in Ortona.

De kerk werd gebouwd tussen 1234 en 1300 in opdracht van Arnulf IV, de heer van Oudenaarde en Pamele.

De naam van de bouwmeester, Arnulf van Binche, staat vermeld op een plaat op de gevel.

De kerk is een voorbeeld van Scheldegotiek, met een dubbele overlangse galerij, een achtzijdige vieringstoren en hoektorentjes.

De kerk heeft ook een authentiek dakgebinte uit de 13e eeuw bewaard.

De drassige grond rond en onder de funderingen van het kerkgebouw zorgt voor instabiliteit.

De Schelde stroomt vlak langs de noordwestelijke gevel. De verzakking is vooral zichtbaar aan de binnenkant van het transept en het priesterkoor.

De provincie Oost-Vlaanderen houdt de stabiliteit regelmatig in de gaten via Monumentenzorg.

Van 21 september 2024 tot 5 januari 2025 organiseert het MOU een ambitieuze tentoonstelling gewijd aan de fascinerende figuur Margaretha van Parma (1522-1586).