90 jaar geleden, de verbazende bloei van de gemeente Anderlecht

Aan het einde van de negentiende eeuw kampte Brussel met zijn gemeentelijk slachthuis.

De verouderde installaties veroorzaakten ernstige hygiënische problemen en de lozing van afval in de Zenne vervuilde de rivier.

Daarom werd in 1887 besloten om het gebouw te vervangen.

De oplossing kwam een jaar later, in 1888, toen de gemeente Anderlecht een concessie verleende voor de bouw en uitbating van een nieuw slachthuis met een veemarkt. Hiervoor werd de vennootschap “Abattoirs et Marchés d’Anderlecht-Cureghem” opgericht, waarin naast banken ook industriëlen en handelaars investeerden.

Architect Emile Thiron kreeg de opdracht en liet zich voor zijn ontwerp inspireren door de beroemde “Grande Halle de la Villette” in Parijs.

Op een drassig terrein van zo’n twintig hectare, dat eerst opgehoogd moest worden, verrees een indrukwekkende overdekte markthal van 100 bij 100 meter.

De constructie is een parel van industriële architectuur, met een gebogen staalstructuur die rust op gietijzeren pilaren.

Zelfs vandaag nog wordt de hal overeind gehouden door 218 ton gietijzer en 640 ton ijzer.

De monumentale hoofdingang, ontworpen door architect Henri Rieck, werd in 1901-1902 toegevoegd en wordt gesierd door twee iconische bronzen stieren van de hand van Isidore Bonheur.

In 1920 nam de gemeente Anderlecht de leiding over.

Na een periode van economische moeilijkheden werd het domein in 1980 verkocht aan een coöperatieve vereniging van handelaars en slachters die de renovatie op zich namen.

Hieruit ontstond in 1983 de vennootschap die we vandaag kennen als Abattoir.

Vandaag is de site veel meer dan enkel een slachthuis. De historische hal is een levendige overdekte markt voor voeding en een populaire rommelmarkt.

Op het terrein bevinden zich ook de Kelders van Kuregem, die sinds een renovatie in 1992 dienstdoen als evenementenlocatie voor beurzen en tentoonstellingen.

Daarnaast herbergt het domein ook een ijskelder en een paddenstoelenkwekerij.

De oorspronkelijke functie van de site loopt echter op zijn einde.

De slachtlijn, die vandaag vooral voor rituele slachtingen wordt gebruikt, zal na het aflopen van de milieuvergunning in 2028 definitief sluiten.

Hiermee komt een einde aan een belangrijk tijdperk voor het slachthuis van Anderlecht.

Eind 1967 bundelden drie grote textielbedrijven—Union Cotonnière, Louisiane-Texas (Loutex) en Etablissements Textiles Fernand Hanus—hun krachten tot één nieuwe textielgigant: UCO.

De leiding van de nieuwe groep was een complex web van de grote Gentse textielfamilies.

René Hanet werd voorzitter van het directiecomité, terwijl de Generale Maatschappij als tweede aandeelhouder de Raad van Bestuur voorzat.

De directie zelf was verdeeld over de families Hanet, Braun, Voortman en Hebbelynck, waarbij zonen en schoonzonen de belangrijkste commerciële en technische posten bezetten.

Op haar hoogtepunt was UCO een waar imperium. Het bedrijf beschikte over meer dan twintig fabrieken, waaronder spinnerijen, weverijen en chemische bedrijven die aan textielveredeling deden, zoals het verven, bleken en waterafstotend maken van textiel., en stelde bijna 7000 mensen te werk.

Met een kapitaal van meer dan 1,6 miljard Belgische frank en enorme reserves controleerde UCO na de fusie bijna de volledige Gentse katoenindustrie.

De kantoren waren gevestigd in een modern pand aan de snelweg, met op de bovenverdieping zelfs een appartement voor baron Braun om belangrijke gasten te ontvangen.

Wat het hoogtepunt leek, zou echter het begin van het einde blijken.

In 1989 werd UCO opgesplitst in divisies en werden de innovatieve afdelingen voor onderzoek en ontwikkeling gesloten.

Een fusie met het Indiase Raymond Ltd. in 2006 kon het tij niet keren: in 2008 sloot de denimfabricage in Gent, wat 393 banen kostte.

De genadeslag volgde in 2009 met de sluiting van de modernste fabriek, Cotonnière E.J. Braun. Zo verdween niet alleen UCO, maar met het bedrijf ook bijna de gehele katoenindustrie uit Gent.

90 jaar geleden, te gast in Anderlecht, de drukke nijverheids gemeente uit Brussel

De Sint-Pieter-en-Sint-Guidokerk vormt al eeuwenlang het religieuze en historische middelpunt van Anderlecht.

De oorsprong van haar faam ligt bij Guido van Anderlecht, een lokale boerenzoon die na zijn dood rond 1012 heilig werd verklaard vanwege de vele mirakels die aan hem werden toegeschreven.

Zijn graf maakte van de kerk een belangrijk bedevaartsoord. De kerk zelf vindt haar institutionele oorsprong in 1046, toen de adellijke familie van Aa er een kapittel stichtte.

De kanunniken bouwden eerst een romaanse kerk, waarvan de tiende-eeuwse crypte vandaag de dag nog steeds een van de oudste en waardevolste van België is.

Vanaf de veertiende eeuw onderging de kerk een ingrijpende transformatie naar de gotische stijl. Dit project, dat duurde tot 1527, werd geleid door een reeks prominente bouwmeesters zoals Jan van Ruysbroeck en Lodewijk van Bodegem, die elk hun stempel drukten op onderdelen als het koor en het portaal.

Vlak naast de kerk bevindt zich het Begijnhof, dat in 1252 werd opgericht en daarmee tot de oudste van het land behoort.

Het bood een thuis aan een gemeenschap van begijnen die, onder leiding van een ‘Grote Juffrouw’, een relatief vrij leven leidden.

Ze legden geen eeuwige geloften af, maar speelden een cruciale rol in de lokale samenleving door zich te wijden aan ziekenzorg, stervensbegeleiding en het onderwijzen van arme kinderen.

Aan het actieve leven van het begijnhof kwam een einde na de Franse Revolutie, toen het in 1794 werd opgeheven en de bezittingen werden geconfisqueerd.

De historische gebouwen bleven echter bewaard en werden in de twintigste eeuw omgevormd tot een beschermd museum.

Na een periode van restauratie wordt verwacht dat het museum in 2025 heropent, maar tot vandaag is het nog steeds gesloten (ABC 25 augustus 1935).

Anderlecht had rond het jaar 1800 ongeveer 2000 inwoners, in 1900 was dit al bijna 48000 inwoners. In 2000 waren er bijna 88000 inwoners en vandaag zijn er bijna 129000 inwoners.

Daarvan gingen 48764 mensen naar de stembus in oktober 2024, goed voor bijna een opkomst van 77,26 %. Wat veel hoger is dan in Vlaanderen, zo gingen er in Gent maar 64,9 % naar de stembus, in Antwerpen was dat 60.7 % en in Brugge 60,6 %.

Als we dan kijken naar Brussel, een opkomst van 76,87%, Luik 79,79 %, Charleroi 77,99 % en Namen 82,66 %.

Wat mij ook opvalt, is dat van de mensen die geweest gaan kiezen zijn, nog altijd 6,44 % blanco heeft gestemd, bij de vorige verplichte verkiezing was dit 7,33 %. Dus niet zo een groot verschil.

Dit terug vergelijken met Vlaanderen, in Gent stemde er maar 1.8 % blanco, bij de vorige verkiezing was dat 4.3 %, in Antwerpen 0.7 % en bij de vorige verkiezingen 2.7 % en in Brugge 0.5 % en bij de vorige verkiezing 2.8 %. In Brussel stemde er zelfs 0.2 % meer Blanco stemmen dan de vorige verkiezing.

Als we dan naar Wallonië gaan, zien we dat in Luik 8.45 % blanco stemde, bij de vorige verkiezingen was dat 8.14 %, in Charleroi 11,12 %, bij de vorige verkiezing was dat 11.99 % en in Namen waren er 6,93% blanco stemmers, bij de vorige verkiezingen was 7.10 %.

Dus in Vlaanderen gingen er veel minder mensen naar de stembus en was het aantal blanco stemmen bijna verdwenen. In de rest van het land een veel grotere opkomst om te stemmen, maar daalde bijna niet de Blanco stemmers.

Zou dit komen omdat er in Vlaanderen meer partijen, waar de kiezer zich kan mee verzoenen dan in Wallonië?

Goed nieuws voor mijn stad, Oudenaarde wordt Europees centrum voor fotonische chips

Oudenaarde verwelkomt een nieuwe, baanbrekende chipfabriek die op termijn 500 banen zal creëren.

Het wordt Europa’s eerste productiecentrum voor fotonische chips en blaast zo nieuw leven in de site van de vorige chipproducent, die vorig jaar failliet ging.

Het bedrijf Thema Foundries BV investeert ruim 200 miljoen euro om de fabriek om te bouwen.

In plaats van traditionele chips zal men zich richten op geïntegreerde fotonica. Deze technologie gebruikt lichtdeeltjes (fotonen) in plaats van elektronen, wat resulteert in veel snellere en energiezuinigere chips.

Deze innovatie is bijzonder waardevol voor datacenters en toepassingen met artificiële intelligentie, sectoren die kampen met een enorm energieverbruik.

De site in Oudenaarde wordt een hypermodern centrum waar niet alleen de productie, maar ook onderzoek, ontwikkeling, verpakking en het testen van de fotonische microchips zullen plaatsvinden.

Geschiedenis van onze oude, afgedankte instellingen, zoals de Berg van Barmhartigheid in Kortrijk.

In de 16e eeuw ontstonden in Italië de zogenaamde “Bergen van Barmhartigheid”. Deze liefdadigheidsinstellingen boden een oplossing voor de woekerrentes die arme mensen moesten betalen aan pandjeshuizen. Het idee was simpel: mensen konden tegen een lage rente geld lenen, met een waardevol voorwerp als onderpand.

Ook Gent kreeg in 1618 zijn eigen Berg van Barmhartigheid, enkele jaren vóór die in Kortrijk. Al in de 14e eeuw bestond er in Gent een vergelijkbare instelling, het “Dondersteen”, een soort pandjeshuis. Wenceslas Cobergher, een sleutelfiguur in de oprichting van dergelijke instellingen, kocht het Dondersteen in 1620 en liet het slopen.

Op de locatie in de Abrahamstraat, voorheen bekend als de Ser Symoenstraate, verrees een nieuw gebouw in de stijl van een Italiaans palazzo. De straat, vernoemd naar een verdwenen gevelbeeld van de aartsvader Abraham, is een oud tracé dat parallel loopt met de Burgstraat, van het Prinsenhof naar de Bonifantenstraat. Het nieuwe complex bestond uit drie delen: een conciërgewoning, het huis van de intendant, en het pandhuis zelf. De gevel domineert tot op de dag van vandaag het straatbeeld. In 1930 sloot de Gentse Berg van Barmhartigheid de deuren.

In Kortrijk werd de Berg van Barmhartigheid in 1627 opgericht door Wenceslas Cobergher, die ook de Berg in Brussel ontwierp. De bouw, in een conservatieve, gotische stijl, startte in 1629 en de instelling opende officieel in 1630.

Als openbare kredietinstelling bood de Berg de mogelijkheid om anoniem geld te lenen tegen een lage rente. Lenen gebeurde op basis van onderpand, zoals juwelen, boeken, kunstvoorwerpen of zilverwerk.

Pagadoren, of indragers, fungeerden als tussenpersonen tussen de Berg en de beleners. Ze brachten de eigendommen naar de Berg en haalden ze later weer op, waardoor de identiteit van de belener anoniem bleef.

Voor deze dienst betaalden de beleners een extra vergoeding. Oorspronkelijk werden pagadoren door de stad aangesteld, maar door misbruik kwam hier in de 18e eeuw verandering in. Voortaan werden ze beëdigd en aangesteld door de Bergen zelf. Het merendeel van de pagadoren was vrouwelijk, zo ook in Kortrijk.

De vier draaitrommels van de Kortrijkse Berg staan bij velen bekend als “vondelingenschuiven”, maar dit is een hardnekkige stadslegende.

Twee van de trommels hebben een uitsparing, maar deze dienden om discreet een pand te deponeren, niet om baby’s achter te laten. De trommels waren in feite draaideuren die toegang gaven tot het bureau waar men geld kon lenen.

De Berg van Barmhartigheid in Kortrijk sloot in 1922 door een gebrek aan kapitaal.

De Brusselse vestiging is de enige die vandaag de dag nog steeds bestaat in België.

Na de sluiting deed het gebouw in Kortrijk dienst als Rijksarchief.

Tijdens een bombardement op 21 juli 1944 werd het gebouw zwaar beschadigd, maar de kelders bleven gespaard. In 1960 werd het herbouwd en in 1964 nam het Rijksarchief er opnieuw zijn intrek.

Sinds 2009 is het als Rijksarchief en huis archivaris met stedelijke diensten aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed.

In 2018 werd het complex verkocht aan Konvert Service.

Samen met aanpalende panden in de Onze-Lieve-Vrouwestraat en de Handboogstraat werd het omgebouwd tot het luxehotel “Cobergher Hotel”, een eerbetoon aan de bouwmeester.

Het Rijksarchief blijft wel aanwezig, met een huurcontract tot 2031.

(De Stad 25 januari 1934, diverse bronnen, Inventaris Vlaanderen erfgoed, Gent Geprent en Wikipedia)

Reclame over de computers de MO5 en TO7-70 van het Franse bedrijf Thomson (januari 1985)

De MO5 werd gekenmerkt door:

Een Motorola 6809E processor: Klokkend op 1 MHz, een relatief krachtige processor voor die tijd.

48 KB RAM: Waarvan 32 KB beschikbaar was voor de gebruiker.

Een rubberen toetsenbord: Niet ideaal voor langdurig typen, maar wel kostenefficiënt.

Een grafische resolutie van 320×200 pixels: Met 16 kleuren, wat voor kleurrijke spellen en programma’s zorgde.

Een ingebouwde BASIC-interpreter: Waardoor gebruikers zelf programma’s konden schrijven.

Verschillende uitbreidingsmogelijkheden: Zoals een cassette- of diskettestation voor het laden van software.

De MO5 was een groot succes, mede dankzij de agressieve marketing van Thomson en de ondersteuning van de Franse overheid. Die zag in de computer een uitgelezen kans om de Franse bevolking digitaal vaardig te maken. De MO5 werd dan ook veel gebruikt in het onderwijs, met speciaal ontwikkelde educatieve software.

De Thomson TO7-70: De krachtigere broer

Gelijktijdig met de MO5 bracht Thomson ook de TO7-70 uit. Deze computer was bedoeld voor de meer veeleisende gebruiker en bood een aantal verbeteringen vergeleken met de MO5:

Een verbeterd toetsenbord: Met mechanische toetsen, wat het typen comfortabeler maakte.

64 KB RAM (uitbreidbaar): Waarvan 48 KB beschikbaar was voor de gebruiker, meer ruimte voor complexere programma’s.

Een geavanceerdere BASIC-versie: Met meer functies en mogelijkheden.

De TO7-70 was duurder dan de MO5, maar bood dan ook aanzienlijk meer mogelijkheden.

Het was een populaire keuze voor hobbyisten en kleine bedrijven die behoefte hadden aan een krachtigere machine.

Beide computers waren ook voorzien van een “lichtpen”, een innovatieve invoermethode waarmee direct op het scherm kon worden getekend of geselecteerd.

Jean Rignac, ik vertel u of u morgen miljonair bent (januari 1990)

Jean Rignac, ook wel bekend als Jean-Baptiste Rignac, was een prominente Franse astroloog die een stempel drukte op de 20e-eeuwse astrologie.

Geboren in Bordeaux op 18 september 1911 (hoewel sommige bronnen 28 september 1911 of zelfs 1912 vermelden), ontwikkelde hij al op jonge leeftijd een fascinatie voor de sterrenhemel.

Na studies filosofie en literatuur aan de prestigieuze Sorbonne Universiteit in Parijs, verdiepte Rignac zich in de wereld van de astrologie.

Hij was grotendeels autodidact, maar liet zich ook inspireren door andere bekende astrologen uit die periode.

In de jaren 30 begon hij zijn carrière als professioneel astroloog en zijn faam groeide gestaag dankzij zijn treffende astrologische consultaties en voorspellingen die verschenen in populaire tijdschriften en kranten, waaronder het bekende “Ici Paris”.

Rignac was niet alleen een praktiserend astroloog, maar ook een productief schrijver.

Hij pende verschillende boeken over astrologie neer, waarvan “L’astrologie retrouvée” (1975) en “Traité pratique d’astrologie horaire” (1948) als zijn belangrijkste werken worden beschouwd.

Het laatste boek was en is een standaardwerk voor uurhoekastrologie.

Hij ontwikkelde zijn eigen unieke astrologische technieken, gebaseerd op traditionele astrologie, maar verrijkt met zijn persoonlijke inzichten.

Daarnaast deelde hij zijn kennis via lezingen en workshops, en was hij een veelgevraagd adviseur voor beroemdheden en politici.

In zijn privéleven was Rignac getrouwd met Germaine Rignac. Samen kregen ze een zoon, Jean-François Rignac, die in de voetsporen van zijn vader zou treden en ook een gerenommeerd astroloog zou worden.

Jean Rignac was een controversieel figuur, want bewonderd door sommigen voor zijn diepgaande kennis, werd hij door anderen als een charlatan bestempeld.

Hij was bevriend met de legendarische zangeres Édith Piaf en voorspelde de verkiezing van François Mitterrand tot president van Frankrijk in 1981.

Rignac was lid van verschillende astrologische verenigingen, waaronder het “Centre International d’Astrologie” (CIA).

Zijn boeken blijven tot op de dag van vandaag populair onder astrologen en worden beschouwd als essentiële werken binnen de Franse astrologische literatuur.

Op 6 november 1993, overleed Jean Rignac in Parijs op 82-jarige leeftijd.

Gisteren nog vandaag

90 jaar geleden, te gast in het Kasteel van Boelare.

Het kasteel is gelegen in een groene omgeving aan een bocht van de Dender, ten noordoosten van het vroegere dorpje Nederboelare, dat nu deel uitmaakt van Geraardsbergen in Oost-Vlaanderen.

De eerste vermelding van een heer van Boelare dateert van eind 11e eeuw, met Etienne van Boelare als eerste bekende naam.

Het kasteel was toen waarschijnlijk een versterkte burcht. De Baronie van Boelare was een van de vijf grote baronieën van het Land van Aalst en omvatte twaalf dorpen.

De familie Van Boelare was de eerste bekende familie die het kasteel bewoonde en de titel van baron droeg. Ze waren een rijke en machtige familie in het Land van Aalst.

Door de eeuwen heen is het kasteel in handen geweest van verschillende adellijke families, waaronder de families De Ghellinck en Vilain XIIII.

Het kasteel is omgracht en wordt omgeven door een uitgestrekt park met een deels gekasseide populierendreef.

Na de brand in 1724 werd het kasteel grondig gerenoveerd.

De witsteen kruisramen werden uitgenomen, boven de ramen werden korfbogen gemetst, de ramen verlaagd en de onderdorpels werden vernieuwd in blauwe hardsteen.

Binnen werden de plafonds vernieuwd en opgeplakt, de schouwen werden vervangen door Lodewijk XV schouwen uit marmer, de wanden en plafond werden bepleisterd in dezelfde Lodewijk XV-stijl.

De arduinen deuringang in Lodewijk XVI-stijl werd ook geplaatst en zo kreeg het kasteel het uitzicht dat we nu kennen.

Op het domein bevindt zich ook een neogotische kapel, gebouwd in de 19e eeuw.

In 2007 werd er een vervangingsnieuwbouw gerealiseerd op het domein voor het rust- en verzorgingstehuis.

Het doet dan ook dienst als rust- en verzorgingstehuis en biedt plaats aan 56 residenten, waaronder 37 in het RVT en 10 in kortverblijf.

Het kasteel is niet open voor publiek, behalve voor gelegenheden zoals Open Monumentendag.

Het park is wel toegankelijk voor wandelaars.

90 jaar geleden, mode, model met juwelen aan van het modehuis van Mauboussin (januari 1935)

Maison Mauboussin werd opgericht in 1827 in Parijs.

Het huis werd opgericht door Monsieur Rocher als een juweliersatelier in de Rue Greneta in Parijs.

In 1848 nam Jean-Baptiste Noury, de voorman van het atelier, het over.

In 1869 associeerde Noury zich met zijn neef Georges Mauboussin.

In 1876 nam Georges de leiding van het bedrijf over.

De naam Mauboussin werd synoniem met het merk.

In 1883 werd het huis gevestigd op nummer 3, Rue de Choiseul en in 1898 op nummer 20, Place Vendôme, een prestigieus adres in de juwelierswereld.

Georges’ zoon, Marcel Mauboussin, trad in 1922 toe tot het bedrijf en gaf het een internationale dimensie.

Hij opende filialen in New York, Londen en Buenos Aires.

Mauboussin was een van de eerste juweliershuizen die reclamecampagnes gebruikte om hun producten te promoten.

In 1928 hield het huis een tentoonstelling en verkoop van diamanten in New York, rechtstreeks geleverd per vliegtuig.

Hij werkte in deze periode samen met de Amerikaanse juwelier Trabert & Hoeffer.

In de jaren 30 werd de naam van het huis dan ook Trabert & Hoeffer-Mauboussin.

Mauboussin werd beroemd om zijn Art Deco juwelen, die werden gekenmerkt door geometrische vormen, levendige kleuren en het gebruik van edelstenen zoals smaragden, robijnen en saffieren.

Ze wonnen diverse prijzen op internationale tentoonstellingen, zoals de Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes in Parijs in 1925, waar ze een Grand Prix kregen.

Beroemde klantenkring: Koninklijke families, aristocraten en filmsterren zoals Marlene Dietrich, Greta Garbo, Paulette Goddard, en Audrey Hepburn droegen Mauboussin juwelen.

Na de Tweede Wereldoorlog bleef Mauboussin innoveren en nieuwe stijlen ontwikkelen.

Het huis bleef een favoriet onder de elite en beroemdheden.

Jean Goulet-Mauboussin, kleinzoon van Georges Mauboussin, nam in 1955 de leiding van het bedrijf over.

In de jaren 80 en 90 kende het huis een periode van wisselende eigenaren.

In 2002 werd Mauboussin overgenomen door de Zwitserse financier Dominique Frémont, die het merk nieuw leven inblies.

Hij herpositioneerde het merk met een focus op toegankelijkere luxe.

In 2019 nam Alain Némarq, de huidige CEO, de leiding van het bedrijf over.

In de beginjaren waren de ontwerpen afkomstig van Monsieur Rocher en later Jean-Baptiste Noury.

Georges Mauboussin was niet alleen een zakenman, maar ook betrokken bij het ontwerpproces.

Marcel Mauboussin speelde een belangrijke rol in het ontwikkelen van de Art Deco stijl van het huis.

Door de jaren heen heeft Mauboussin samengewerkt met diverse getalenteerde ontwerpers, vaak in-house, maar ook met externe ontwerpers.

Vandaag de dag heeft Mauboussin een team van in-house ontwerpers die verantwoordelijk zijn voor de creaties van het huis.

Mauboussin stond bekend om zijn innovatieve en gedurfde ontwerpen, vooral tijdens de Art Deco periode.

Onder leiding van Dominique Frémont werd het merk met succes geherpositioneerd als een toegankelijker luxemerk.

Mauboussin heeft verschillende collecties gecreëerd, waaronder de “Nadia” ring (een ring met een centrale edelsteen omringd door kleinere stenen) en de “Le Premier Jour” collectie (een collectie verlovings- en trouwringen).

Het huis staat ook bekend om zijn parfums.

Maison Mauboussin bestaat nog steeds en is actief in de juweliers- en parfumindustrie.

Het heeft boetieks over de hele wereld en verkoopt zijn producten ook online (foto januari 1935)

65 jaar geleden, reclame voor bier van het merk Kronenbourg en de geschiedenis van dit biermerk.

Alles begint in 1664 wanneer Jérôme IV-Hatt brouwerij Le Canon opent aan de Place du Corbeau in Straatsburg.

Bijna twee eeuwen later, in 1850, verhuist de brouwerij naar de wijk Cronenbourg (Kronenburg in het Duits).

Daar wordt overgeschakeld op ondergisting, een destijds innovatief brouwproces dat een constante lage temperatuur vereist van maximaal 10 °C. en dit gebeurt daarom grotendeels ondergronds.

In 1922 verwerft de familie Hatt het prestigieuze Straatsburgse restaurant Le Grand Tigre.

Ter gelegenheid hiervan lanceert de brouwerij het bier Tigre Bock, dat in 1930 het meest gedronken bier van Frankrijk wordt.

De naam Kronenbourg ziet het levenslicht in 1947. Jérôme Hatt, een nazaat van de oprichter, keert terug naar Straatsburg en hernoemt het vlaggenschipbier Tigre Bock naar de wijk Cronenbourg, waar de brouwerij nog steeds gevestigd is.

De ‘C’ wordt vervangen door een ‘K’ om het merk een Duits tintje te geven, destijds een synoniem voor kwaliteit.

Ter ere van de kroning van Elizabeth II tot koningin van het Verenigd Koninkrijk in 1952, brengt Kronenbourg het bier 1664 uit, dat eveneens een groot succes wordt.

In 1969 kan de oude fabriek de groeiende vraag niet meer aan en verhuist de productie naar een gloednieuwe vestiging in Obernai.

Deze brouwerij is op dat moment de grootste van Europa en tot op de dag van vandaag de grootste van Frankrijk.

Het bedrijf kent in de daaropvolgende decennia verschillende eigenaarswisselingen: in 1970 wordt het onderdeel van het BSN-concern en in 1986 fuseert het met Kanterbräu, wat leidt tot de oprichting van de Brasseries Kronenbourg.

In 2000 wordt het overgenomen door Scottish & Newcastle, dat op zijn beurt in 2008 in handen komt van een consortium van Heineken en Carlsberg.

Uiteindelijk wordt Kronenbourg onderdeel van de Carlsberg groep.

Tegenwoordig zijn de Brasseries Kronenbourg met een marktaandeel van 30,5% de absolute marktleider in Frankrijk.

Eén op de drie in Frankrijk gedronken biertjes komt uit de brouwerij in Obernai.

In 2011 behaalde het bedrijf een omzet van 902 miljoen euro.

De brouwerij in Obernai is met een oppervlakte van 70 hectare, een productie van 7,3 miljoen hectoliter en 1210 werknemers nog steeds de grootste van Frankrijk.

90 jaar geleden, foto van de Sint-Leonarduskerk in Zoutleeuw

In de twaalfde eeuw ontstaan als een Romaanse kapel, gesticht door Benedictijnen uit Vlierbeek. en gewijd aan de kluizenaar Leonardus.

Vanaf de veertiende eeuw uitbreidingen en verfraaiingen in gotische stijl, met toevoeging van kapellen en een indrukwekkend sacramentshuis (1552).

In de achttiende eeuw werden er barokke elementen toegevoegd, zoals de preekstoel.

De kerktoren is ook een belfort en erkend als UNESCO Werelderfgoed.

De kerk bezit een waardevolle kerkschatten met liturgische voorwerpen, zoals onder meer:

De Ottoons-Romaanse Christus gesneden tussen 1060 en 1070 is niet te missen in de kerk als oudste werk van de collectie.

Het beeld hing mogelijk eerst in de Sint-Sulpitiuskerk, de eerste kerk van Zoutleeuw.

Bij het bewonderen van het houtsnijwerk, merk je op dat deze Christus geen doornenkroon draagt, en wordt om die reden in verband gebracht met Christus als triomfator over de dood.

De woorden van de Heilige Paulus “De dood is de laatste vijand, die vernietigd wordt” vinden hier hun weerklank.

Centraal in het thema van de Sint-Leonarduskerk, vind je het vita-retabel van de Heilige Leonardus.

De retabel werd in 1378 gesneden en vertelt de legende met de verschillende fasen in het leven van de heilige.

Als patroon van de stad Zoutleeuw, is hij ook de beschermheilige van de gevangenen, geesteszieken, de reumalijders, de gehandicapten, de mijnwerkers, de zwangere vrouwen en het vee.

Je kunt hem herkennen aan de ketting of boeien die hij vaak als attribuut draagt.

Als zoon van een hoveling van koning Clovis I, zou hij het voorrecht gekregen hebben om gevangenen vrij te laten.

De koning bood hem de bisschopshoed aan, maar deze weigerde hij om kluizenaar te worden in Saint Léonard de Noblat in de Franse Limousin.

Toen de Frankische hoogzwangere koningin samen met de koning in de buurt van de kluizenaar op jacht was en in problemen verzeild raakten, zou de Heilige Leonardus door zijn gebed gezorgd hebben voor een goede bevalling.

In de Sint-Leonarduskerk vind je een reusachtige, geelkoperen paaskandelaar van bijna zes meter hoog. Renier I van Thienen heeft hem in 1483 gegoten en werd ontworpen naar een model van de Brusselse kunstenaar Jan Borman.

Aan de voet van de kandelaar wisselen de trouwe hond en de dappere leeuw elkaar af.

Vandaar volgen je ogen de kandelaar van beneden naar boven en merk je dat deze in de hoogte eindigt met Christus aan het Kruis, waaronder zich drie heiligen bevinden, Maria, de apostel Johannes en Maria-Magdalena.

Op 13 augustus 1550 ondertekende Maarten van Wilre, heer van Oplinter, het contract voor het sacramentshuis.

Cornelis II Floris maakte daarop een complex totaalkunstwerk.

Hij bracht de antieke- en renaissancekunst uit Italië samen met Vlaamse traditie.

De toren uit Avesnessteen is achttien meter hoog en telt negen verdiepingen.

Met reden kan dit het indrukwekkendste sacramentshuis uit de Zuidelijke Nederlanden van de zestiende eeuw genoemd worden.

Aan de hoeken van elke verdieping zijn beelden aangebracht. Het aantal personages is bijna niet te tellen.

Ook de geelkoperen balustrade is opgenomen in de Topstukkenlijst.

Maarten van Wilre en zijn vrouw Maria Pyllirpeerts liggen begraven voor het sacramentshuis.

Hun grafsteen werd later naar de muur verplaatst.

De kerk bevat ook schilderijen van onder anderen Pieter Coecke van Aelst en Gaspar de Crayer.

Families de Merode en de Villers liggen begraven in de kerk.

Zoutleeuw organiseert jaarlijks de “Kroningsfeesten” die verwijzen naar het glorieuze verleden (Diverse bronnen, Site Vlaamse Meesters, Wikipedia en foto eind 1934)

75 jaar geleden, de aanbouw van wat toen de grootste lichtreclame ter wereld zou worden en dit voor het automerk Chevrolet op de kruising tussen Broadway en Seventh Avenue.

Het ontwerp is van de lichtontwerper Douglas Leigh.

Deze lichtreclame op Times Square had een hoogte van 22 meter en was 32 meter breed. (De Post van 8 januari 1950, foto 5 automatische schakelaars die voor het uit- en aangaan van de lichten zorgde en foto 7 met dit toestel kon men nagaan of één van de duizenden gloeilampen defect is)

35 jaar geleden, in januari 1990, was mobiel bellen nog een luxe die voor weinigen was weggelegd en zeker geen gemeengoed.

Dit blijkt uit een artikel in De Post van 12 januari 1990, dat berichtte over de problemen met de mobilofoon, de logge voorloper van de huidige smartphone.

Deze apparaten, vaak in de vorm van een zware koffer, waren allesbehalve handzaam en werden daarom meestal in auto’s ingebouwd.

De mobiele telefonie stond in België nog in de beginfase en Proximus heette toen nog de RTT (Regie voor Telegraaf en Telefoon) en later Belgacom.

Een mobilofoon was een peperdure aangelegenheid, een echt statussymbool.

Het toestel zelf kostte maar liefst 150.000 Belgische frank, wat omgerekend naar de huidige waarde ongeveer 3718 euro is.

Om gebruik te kunnen maken van het analoge mobiele netwerk, waar gesprekken eenvoudig konden worden afgeluisterd en de geluidskwaliteit vaak te wensen overliet, moest men eerst 6000 Belgische frank (150 euro) aan inschrijvingskosten betalen.

Vervolgens betaalde men een tweemaandelijks abonnement van 3750 Belgische frank (93 euro).

Bellen zelf was ook niet goedkoop: per 20 seconden tikte men 5,95 Belgische frank (0,15 euro) af.

Een telefoongesprek van 5 minuten kostte je dus al snel 45 Belgische frank, ofwel ruim 1,10 euro!

Als je dit vergelijkt met de huidige prijzen voor mobiel bellen, besef je pas hoe duur het toen was en waarom de mobilofoon vooral populair was bij zakenmensen, politici en andere welgestelden.

Bovendien was de netwerkdekking in 1990 nog lang niet wat het nu is.

Er waren veel “witte vlekken” waar geen bereik was.

Door de hoge kosten en de beperkte dekking was de mobilofoon in die tijd vooral populair bij mensen die het zich konden veroorloven om altijd en overal bereikbaar te zijn.

Pas met de introductie van de GSM (Global System for Mobile Communications), een digitaal netwerk, kwam de revolutie in de mobiele telefonie echt op gang.

In België werd het eerste gsm-netwerk in 1994 opengesteld door Proximus met het prefix “075”.

Dit is in België de derde generatie mobiele telefonie en ze werd in haar begindagen dan ook soms aangeduid met de aanduiding MOB3 naar analogie met haar twee voorlopers MOB1 en MOB2.

Toestellen werden ook kleiner, goedkoper en toegankelijker voor een breder publiek.

Volgens onderzoek van Deloitte in 2023 bezit minstens 92 procent van de Belgen een smartphone.