Deze week, 40 jaar geleden, komt de Britse groep UB 40 met hun nummer Please Don’t Make Me Cry binnen in de Brt Top 30.

Het nummer is een cover van reggaezanger Winston Tucker, ook bekend als Winston Groovy en hij schreef het nummer in 1970.

Voor UB 40 was dit nummer de opvolger van hun grote hit Red Red Wine, die ook een cover was van Neil Diamond.

Please Don’t Make Me Cry bereikte in hun thuisland de negende plaats in de hitparade.

In Vlaanderen bereikte het nummer de vijfde plaats in de Brt Top 30. In Nederland was de single goed voor een vierde plaats in de Top 40.

Het nummer is ook terug te vinden op het album Labour of Love, uitgebracht in 1983. (Diverse bronnen, Joepie en Wikipedia)

Een van de invloedrijkste en geliefde auteurs uit de Zweedse literatuurgeschiedenis is Selma Lagerlöf, die vandaag 165 jaar geleden geboren werd (20 november 1858)

Ter ere van haar verjaardag publiceerde het tijdschrift Ons Land in november 1933 een interview met de schrijfster, die toen al wereldberoemd was.

Selma Lagerlöf groeide op in een welgestelde familie op een landgoed in Värmland.

Ze studeerde voor onderwijzeres en gaf les op verschillende scholen. Haar literaire carrière begon met de roman Gösta Berling (1891), die haar meteen veel succes en erkenning bracht.

Ze schreef nog vele andere werken, waarin ze haar rijke verbeelding, haar gevoel voor de Zweedse natuur en cultuur, en haar interesse voor het spirituele en het religieuze liet zien.

Enkele van haar bekendste boeken zijn De wonderen van Anti-christ (1897), Jerusalem (1901) en Nils Holgerssons wonderbare reis (1906).

Dit laatste boek was oorspronkelijk bedoeld als een leermiddel voor de Zweedse aardrijkskunde, maar werd al snel een klassieker voor jong en oud.

De Nederlandse vertaling door Margaretha Meijboom verscheen in 1911.

Ze was de eerste vrouw die de Nobelprijs voor Literatuur won in 1909, en de eerste vrouw die lid werd van de prestigieuze Zweedse Academie in 1914.

Ze was ook betrokken bij sociale en politieke kwesties, zoals vrouwenrechten, pacifisme en antisemitisme.

Ze stierf op 16 maart 1940 op haar geliefde landgoed Marbacka, dat nu een museum is.

Haar gezicht sierde tot 2015 het bankbiljet van twintig kronen.

45 jaar geleden, Bolland & Bolland vervelen zich niet.

De broers Rob (°17 april 1955) en Ferdi Bolland (°5 augustus 1956) werden in Zuid-Afrika geboren en kwamen in 1966 in Den Haag terecht.

Ze speelden al vroeg gitaar en orgel en speelden met hun oudere broer Antoine in het bandje De Swingkickers.

Vanaf 1971 gaan Rob en Ferdi verder als Bolland & Bolland.

Ze versieren een platencontract en treden op tijdens het immens populaire tv-programma Voor De Vuist Weg met Willem Duys.

De door Eddy Ouwens geproducete singles ‘Florida’ en ‘Summer Of ‘71’ zijn de eerste Nederlandse hits.

Na een album met producer Hans Van Hemert besluiten ze voortaan hun platen zelf te producen.

De single ‘Spaceman’ kent in die periode het meeste succes. Bolland & Bolland scoren er in Vlaanderen (n°11) en Nederland (n°14) in de lente van 1978 een top 15-hit mee.

Een jaar later producen ze ‘Colorado’, de Nederlandse inzending van Xandra (de precies een jaar geleden overleden Sandra Reemer).

Van dan af concentreren de broers zich op het schrijven producen voor anderen.

Hun grootste hits werden gezongen door Falco (voor wie ze een heel album maken met o.a. de Britse en Amerikaanse n°1 ‘Rock Me Amadeus’), Samantha Fox (‘Love House’), Amii Stewart, Suzi Quatro en Status Quo (‘In The Army Now’ waarmee ze zelf in 1981 een grote hit in Scandinavië scoorden).

Later richten ze zich meer op girl- en boybands als B.E.D., WOW! en O Die 3.

Ook aan het album van Dana International werken ze mee. Daarna lopen hun wegen wat apart, maar in 2003 schrijven ze nog de muziek voor de musical De Drie Musketiers voor Joop Van Den Ende.

Hierna zat er een haar tussen de boter waarna de broers elkaar niet meer spraken.

Na de mededeling in augustus 2020 dat Rob (de blonde) terminaal ziek is, volgt de verzoening (Joepie 12 november 1978 en Denis Michiels).

Vandaag, 35 jaar geleden, stierf Christina Onassis, de enige dochter van de Griekse scheepsmagnaat Aristoteles Onassis, op 37-jarige leeftijd aan een hartaanval.

Haar dood was het tragische einde van een leven vol drama, eenzaamheid en verdriet.

Christina Onassis werd geboren in een wereld van rijkdom en luxe, maar ook van rivaliteit en schandalen.

Haar broer Alexander kwam in 1973 om bij een vliegtuigongeluk, waardoor Christina na het overlijden van haar vader in 1975, 55 % van het fortuin erfde. De andere 45 % was voor Jacqueline Kennedy Onassis.

Gisteren nog vandaag

Christina Onassis erfenis bestond onder andere uit onroerend goed, bedrijven, aandelen, kunst, het privé-eiland Skorpios en een privé-vliegtuig.

Ze trouwde vier keer, maar geen van haar echtgenoten kon haar gelukkig maken.

Ze leed aan depressie, eetstoornissen en drugsverslaving.

Ze zocht troost in haar enige kind, Athina, die ze kreeg uit haar derde huwelijk met Thierry Roussel.

Maar ook die relatie was niet harmonieus, want Roussel verliet haar voor een andere vrouw en vocht om de voogdij over Athina.

Gisteren nog vandaag

Christina Onassis stierf in Buenos Aires, waar ze was om de doop van haar peetzoon bij te wonen.

Ze werd gevonden in de badkuip van een herenhuis in Buenos Aires.

Haar dood werd toegeschreven aan een overdosis pillen, hoewel sommigen ook speculeerden over zelfmoord of moord.

Haar lichaam werd overgevlogen naar Griekenland en begraven op het privé-eiland Skorpios, naast haar vader en broer.

Haar dochter, Athina Roussel was de enige erfgenaam en was succesvol als amazone en nam deel aan internationale springwedstrijden.

Ze studeerde in Zwitserland en Brussel.

Ze was getrouwd met de Braziliaanse ruiter Alvaro de Miranda Neto en dit van 2005 tot en met 2017.

Tijdens hun huwelijk woonde het koppel in Antwerpen en Zwitserland.

Daarom verliep de gerechtelijke procedure tot scheiding ook in Antwerpen.

Na de scheiding verhuisde ze naar Griekenland.

Gisteren nog vandaag

Vandaag is het precies 90 jaar geleden dat in Gent een gedenkplaat werd ingehuldigd voor de Vlaamse schrijver en dichter Lambrecht Lambrechts, die op 13 augustus 1932 overleed.

Hij was een van de voortrekkers van de Vlaamse Beweging en een veelzijdig kunstenaar, die zowel proza, poëzie als muziek schreef.

Na zijn dood werd zijn lichaam overgebracht naar zijn geboortedorp Hoeselt, waar hij een ereplaats kreeg op de gemeentelijke begraafplaats.

Zijn grafmonument werd ontworpen door de beeldhouwer Jules Vits. Bij de plechtigheid waren onder meer zijn weduwe Maria Vanden Doorne en de gouverneur van Oost-Vlaanderen Hubert Verwilghen aanwezig.

Lambrecht Lambrechts, die het pseudoniem Lambrecht Renier gebruikte, was de zoon van Willem-Hendrik Lambrechts en Rosalia Somers.

Zijn vader was hoofdonderwijzer in Hoeselt, waardoor hij de bijnaam “Lemmen van de Meester” kreeg.

Hij volgde de lagere school in zijn geboortedorp en kreeg daar ook zijn eerste muzieklessen van de koster van Werm.

Daarna studeerde hij aan het Koninklijk Atheneum van Tongeren, waar hij bevriend raakte met Camille Huysmans en Jef Cuvelier.

In 1884 ging hij naar de normaalschool in Brugge, waar hij in 1887 afstudeerde als regent Nederlands en Engels.

Omdat hij geen werk vond, schreef hij zich in aan het Koninklijk Conservatorium van Luik, waar hij zang studeerde.

In 1889 werd hij aangesteld als leraar aan de Rijksnormaalschool in Ronse, waar hij tot 1901 bleef.

Op 25 augustus 1894 huwde hij in Ronse met de pianiste Maria Vanden Doorne, met wie hij meer dan 100 zangavonden verzorgde in heel Vlaanderen.

In 1901 verhuisde hij naar Lier, waar hij leraar werd aan de normaalschool.

Van 1905 tot 1918 gaf hij les aan de normaalschool in Gent.

Hij woonde toen in de Kunstlaan nr. 51 in Gent, waar zijn vrienden (onder wie Emiel Hullebroeck) in 1933 een gedenkplaat lieten aanbrengen.

In 1912 werd hij benoemd tot ridder in de Leopoldsorde.

In 1919 werd hij (omwille van zijn “flamingantisch non-conformisme”) overgeplaatst naar de normaalschool in ‘s-Gravenbrakel.

Zijn laatste overplaatsing (naar Blankenberge) gebeurde in 1921, waar hij les gaf tot in 1925 (hij was toen 60 jaar).

Van 1923 tot 1926 gaf hij ook les aan het Handels- en Taalinstituut van Jan Baptist Wannyn in de Savaanstraat in Gent.

In 1922 publiceerde hij zijn autobiografie “Mijn leven”, waarin hij zijn strijd voor de Vlaamse zaak en zijn artistieke loopbaan beschreef.

Hij schreef ook talrijke romans, verhalen, gedichten en liederen, die getuigen van zijn liefde voor zijn geboortestreek en zijn volk.