Vandaag is het precies negen jaar geleden dat Charles Aznavour een eigen vaste plaats op de Walk of Fame in het hart van Los Angeles kreeg.

De Franse artiest onthulde daar destijds met trots de 2.618e ster.

Voor de aanwezige fotografen en enthousiaste fans poseerde de zanger en acteur uitgebreid voor zijn kersverse tegel in het voetpad.

In een korte toespraak verwees de in 1924 in Parijs geboren zoon van Armeense immigranten naar zijn afkomst.

Hij gaf aan dat hij het fantastisch vond om twee culturen met zich mee te dragen.

Hij benadrukte daarbij dat Frans zijn werktaal was, maar dat Armeens altijd zijn moedertaal zou blijven.

Met een knipoog voegde hij eraan toe dat hij dankzij zijn ster nu ook een klein beetje Californiër was geworden, een staat waar bovendien een van zijn dochters en enkele kleinkinderen woonden.

De internationale ster, die wereldfaam verwierf met klassiekers als La bohème, She, Emmenez-moi en Mes emmerdes, componeerde in zijn ruim zeventig jaar beslaande carrière meer dan duizend nummers.

Daarnaast maakte hij furore als acteur in talloze films, waarin hij werkte met gerenommeerde regisseurs zoals François Truffaut, Claude Chabrol en Volker Schlöndorff.

Een jaar later, op 1 oktober 2018, overleed Charles Aznavour op 94-jarige leeftijd.

Op vrijdag 5 oktober 2018 organiseerde de Franse overheid een officiële nationale hommage op het terrein van Les Invalides in Parijs.

Zijn kist was bedekt met de Franse vlag en werd geflankeerd door een bloemenkrans in de kleuren van de Armeense vlag.

Onder de klanken van de duduk, een traditioneel Armeens blaasinstrument, werd de kist binnengedragen.

De plechtigheid werd bijgewoond door de Franse president Emmanuel Macron, de Armeense premier Nikol Pasjinjan, voormalige presidenten zoals Nicolas Sarkozy en François Hollande, en bekende Franse beroemdheden waaronder Eddy Mitchell, Dany Brillant, Mireille Dumas, Michel Leeb en zijn beste vriend Jean-Paul Belmondo.

In zijn toespraak noemde Macron de zanger een van de gezichten van Frankrijk. Bij het verlaten van de binnenplaats speelde de militaire kapel van de Garde Républicaine zijn wereldberoemde hit Emmenez-moi.

De daadwerkelijke begrafenis vond de volgende dag plaats in strikt besloten kring.

Voor familie en naaste vrienden werd er eerst een religieuze ceremonie gehouden in de Armeens-Apostolische Kathedraal van Johannes de Doper in Parijs.

Na deze dienst trok de begrafenisstoet naar Montfort-l’Amaury, een middeleeuws stadje zo’n 45 tot 50 kilometer ten zuidwesten van Parijs.

Daar werd Aznavour bijgezet in het marmeren mausoleum van de familie Aznavourian-Garvarentz, aan de zijde van zijn ouders en zijn zoon Patrick, die in 1981 op 25-jarige leeftijd overleed.

In Armenië werd de dag van zijn begrafenis uitgeroepen tot een officiële dag van nationale rouw.

De vriendschap tussen Charles Aznavour en acteur Jean-Paul Belmondo was een van de meest bijzondere, langdurige en oprechte vriendschappen binnen de Franse culturele geschiedenis.

Hun band ontstond in de jaren zestig, toen beiden op het hoogtepunt van hun roem stonden.

Ze steunden elkaar onvoorwaardelijk bij artistieke projecten, premières en concerten.

Aznavour noemde Belmondo publiekelijk zijn ami de toujours, oftewel vriend voor altijd.

Ze stonden erom bekend dat ze samen genoten van het goede Franse leven, gekenmerkt door humor, loyaliteit en wederzijdse bewondering.

Slechts een week voor het onverwachte overlijden van Aznavour, op 25 september 2018, kwamen de twee vrienden nog samen voor een uitgebreide lunch in een van hun favoriete Parijse cafés.

Tijdens deze lunch lieten zij een vrolijke foto samen maken. Belmondo deelde deze foto later op sociale media, wat achteraf de allerlaatste publieke foto van Charles Aznavour bleek te zijn.

Ze namen afscheid met de belofte elkaar snel weer te zien.

In plaats van een gezellig weerzien moest Jean-Paul Belmondo op 5 oktober 2018 aanschuiven bij het nationale eerbetoon in Parijs om definitief afscheid te nemen van zijn vriend.

Belmondo, die destijds zelf al fysiek zeer broos en verzwakt was, was zichtbaar diep emotioneel aangedaan tijdens de ceremonie.

Zijn aanwezigheid werd door de Franse media gezien als een van de meest aangrijpende momenten van de herdenking.

Drie jaar later overleed Jean-Paul Belmondo op 6 september 2021 op 88-jarige leeftijd.

Vandaag is het precies tien jaar geleden dat de Antwerpse schrijfster Françoise Mallet-Joris overleed..

Françoise Mallet-Joris, geboren als Françoise Lilar op 6 juli 1930 in Antwerpen, groeide op in een prominent advocatengezin.

Haar vader, Albert Lilar, diende jarenlang als Belgisch minister van Justitie.

Haar moeder, Suzanne, was niet alleen een van de allereerste vrouwelijke advocaten in België, maar ook een verdienstelijk schrijfster.

Zij schreef onder andere het schitterende Journal de l’Analogiste in 1954 en Le Malentendu du Deuxième Sexe in 1969, een werk waarin ze het bekende essay van Simone de Beauvoir met verve weerlegde.

De literatuur stroomde Françoise duidelijk door het bloed, want toen ze amper eenentwintig was, debuteerde ze met de roman Le Rempart des Béguines.

Het boek verscheen in 1951 bij René Julliard, liefst drie jaar voordat deze uitgever Françoise Sagan zou ontdekken.

Het verhaal, dat zich afspeelt in een kille en mistige Vlaamse stad, volgt een jonge vrouw die de minnares is van een oudere man en tegelijk een intieme relatie heeft met diens dochter.

Deze verhaallijn zorgde in die tijd voor flink wat opschudding, maar het boek werd meteen opgemerkt en betekende de vliegende start van een indrukwekkende literaire carrière.

Onder het pseudoniem Mallet-Joris bouwde ze een veelzijdig oeuvre op van een dertigtal titels, uitgegeven bij de meest prestigieuze huizen zoals Julliard, Grasset, Gallimard en Flammarion.

Haar grote talent werd bekroond met een hele reeks onderscheidingen.

Zo ontving ze in 1956 de Librairesprijs voor Les mensonges en in 1958 de Feminaprijs voor L’Empire céleste.

Daarna volgden de René-Julliardprijs in 1963 voor Lettre à moi-même en de Monacoprijs in 1964 voor haar historische biografie Marie Mancini, le premier amour de Louis XIV.

Naast haar werk als schrijfster van romans en biografieën had Françoise een grote passie voor het Franse chanson.

Ze schreef vele teksten voor de zangeres Marie-Paule Belle. Een interessant weetje is dat hun band verder ging dan enkel een professionele samenwerking; de twee vrouwen deelden lange tijd een romantische relatie.

Françoise was in haar leven ook drie keer getrouwd en voedde vier kinderen op.

Die boeiende en soms chaotische gezinssituatie beschreef ze op een bijzonder geestige manier in haar autobiografische succesroman La Maison de papier uit 1970, een boek dat in Frankrijk een regelrechte bestseller werd.

Haar aanzien in de literaire wereld was bijzonder groot.

Ze bracht het grootste deel van haar leven door in Parijs, waar ze van 1969 tot 1971 in het comité van de Feminaprijs zetelde.

In november 1971 werd ze unaniem verkozen tot lid van de illustere Académie Goncourt.

Ze bleef een zeer gewaardeerd lid van deze jury tot 2011, het jaar waarin ze om gezondheidsredenen besloot een stap terug te zetten.

Als extra erkenning voor haar werk uit haar geboorteland werd ze in 1993 overigens ook opgenomen in de Académie royale de langue et de littérature françaises de Belgique.

Na een rijkgevuld leven vol literatuur en cultuur publiceerde ze in 2007 haar allerlaatste roman, Ni vous sans moi, ni moi sans vous, die opnieuw bij Grasset verscheen.

Françoise Mallet-Joris overleed uiteindelijk op 13 augustus 2016 op zesentachtigjarige leeftijd in de Franse gemeente Bry-sur-Marne, waar ze haar laatste levensjaren in rust doorbracht

Vandaag, precies 150 jaar geleden, werd Margaretha Geertruida Zelle geboren, de vrouw die later wereldberoemd zou worden onder haar artiestennaam Mata Hari.

Haar jeugd kende een veelbelovende start; tot haar dertiende kreeg zij privélessen Frans, Duits en Engels.

Het tij keerde echter snel. Na het faillissement van haar vader in 1889 scheidden haar ouders, en in 1891 overleed haar moeder.

Margaretha verhuisde daarop naar een oom in Den Haag, waar ze een opleiding tot kleuterleidster volgde.

In 1894 reageerde de toen achttienjarige Margaretha op een huwelijksadvertentie in Het Nieuws van den Dag.

Ze trouwde met de twintig jaar oudere militair Rudolph MacLeod, maar het huwelijk werd een regelrechte hel.

Hij beschuldigde haar van flirten met zijn mede-officieren, terwijl zij stelde dat hij haar had besmet met syfilis.

Hun zoontje overleed op jonge leeftijd, mogelijk door een behandeling met kwik tegen deze ziekte.

Een bitter gevecht om hun dochter Nonnie volgde.

Na de vechtscheiding zorgde de familie MacLeod er definitief voor dat Margaretha haar dochter nooit meer te zien kreeg. Margaretha deed later nog een ultieme poging om contact te leggen.

Gisteren nog vandaag

Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vroeg ze een Duitse officier om brieven en een broche die ze ooit van haar ex-man had gekregen, aan haar dochter te geven.

Zo zou Nonnie althans nog een aandenken aan haar moeder hebben.

De broche bereikte haar echter nooit.

Nonnie overleed in 1919 op 21-jarige leeftijd onverwacht in haar slaap.

Net als bij haar broertje bleef de precieze doodsoorzaak onbekend.

Haar vader Rudolph was toen al voor de derde keer getrouwd.

Na de scheiding trok Margaretha naar Parijs, waar zij vanaf 1905 het uitgaansleven veroverde als de exotische danseres Mata Hari, wat Maleis is voor oog van de dag.

Ze trad zelfs op in het gerenommeerde La Scala in Milaan.

In 1914 kreeg ze een aanbod voor een halfjaarlijks optreden in het Metropol-theater in Berlijn, maar het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog maakte een abrupt einde aan haar danscarrière doordat alle theaters moesten sluiten.

Mata Hari keerde kort terug naar Nederland.

Voordat ze weer naar Parijs reisde, werd ze benaderd door de Duitse geheime dienst: voor 20.000 franc wilde men dat ze in Frankrijk zou spioneren.

Ze nam het geld aan, maar was nooit van plan om ook daadwerkelijk voor de Duitsers te werken.

De Franse en Britse geheime diensten wisten echter van dit contact.

Bovendien paste Mata Hari perfect in het profiel van een spionne, omdat ze veel reisde, haar talen sprak en voortdurend in de cirkels van hooggeplaatste mannen verkeerde.

In Frankrijk werd ze vervolgens gevraagd om te spioneren voor de Franse regering.

In ruil voor een grote som geld bracht ze verslag uit over haar contacten met de Duitsers.

Hoewel ze de Duitsers om de tuin leidde, was ze niet van plan de Fransen te bedonderen.

Gisteren nog vandaag

Des te opmerkelijker was haar arrestatie door zes politieagenten in haar Parijse hotel op 13 februari 1917.

Hoewel er geen sluitend bewijs was voor haar schuld, werd ze op 15 juli van datzelfde jaar ter dood veroordeeld.

Op 15 oktober 1917 werd Mata Hari door een executiepeloton om het leven gebracht.

Ze weigerde een blinddoek, hoefde niet geboeid te worden en accepteerde moedig haar lot.

Volgens sommige bronnen wierp ze het peloton zelfs nog een handkus toe.

Waarom ze precies door de Fransen werd veroordeeld, blijft onduidelijk.

Theorieën lopen uiteen: werd ze in de val gelokt, had ze simpelweg alle schijn tegen, of wilden de Fransen het moreel tijdens de oorlog hooghouden door een zondebok te executeren?

Gisteren nog vandaag

Later werd het doodvonnis heftig bekritiseerd, ook vanuit Nederland.

Onder meer doordat de publiciteit over Mata Hari en haar tragische einde ook na 1917 doorging, heeft haar naam over de hele wereld bekendheid gekregen.

Toch bleef de tragiek haar ook na haar dood achtervolgen.

Het lichaam van Mata Hari werd gebruikt als dissectiemateriaal voor Parijse geneeskundestudenten.

Haar hoofd werd bewaard in het Museum voor Anatomie, tot twintig jaar geleden werd ontdekt dat het spoorloos verdwenen was, vermoedelijk gestolen.

Haar mythe leefde voort in de populaire cultuur.

Zo verscheen er een Amerikaanse film over haar leven met Greta Garbo in de hoofdrol, een van haar zeldzame rollen als koude, berekenende femme fatale.

De film werd internationaal een doorslaand succes en wordt tot op de dag van vandaag gerekend tot de beste prestaties van de Zweedse actrice.

Gisteren nog vandaag

65 jaar geleden, te gast bij de Duitse kunstverzamelaar en eigenaar van de kunstgalerie Daniel-Henry Kahnweiler in Parijs.

Kahnweiler wordt beschouwd als een van de grootste aanhangers van de kubistische kunstbeweging door zijn activiteiten als kunsthandelaar en woordvoerder van kunstenaars.

Hij was een van de eersten die het belang en de schoonheid van Picasso’s Les Demoiselles D’Avignon inzag en wilde het meteen samen met al het werk van Picasso kopen.

Picasso schreef over Kahnweiler: “Wat zou er van ons zijn geworden als Kahnweiler geen zakelijk inzicht had gehad?”

Kahnweilers waardering voor Picasso’s talenten was vooral verheugend voor de kunstenaar, aangezien hij grotendeels onbekend en berooid was in de tijd dat veel van zijn beroemdste werken werden gemaakt.

Kahnweiler ondersteunde in zijn galerie veel grote kunstenaars die weinig erkenning en belangstelling van verzamelaars kregen.

De eerste aankopen waren werken van Kees van Dongen, André Derain, André Masson, Fernand Léger, Georges Braque, Juan Gris, Maurice de Vlaminck en verschillende andere kunstenaars van dezelfde generatie.

Om zijn eigen woord te gebruiken, Kahnweiler wilde grote artiesten “verdedigen”, maar alleen degenen die geen dealers hadden en van wiens talenten hij overtuigd was.

Samen met mannen als Alfred Flechtheim, Paul Cassirer, Daniel Wildenstein, Léonce Rosenberg en Paul Rosenberg was Kahnweiler een van de invloedrijke kunstkenners van de 20e eeuw.

De ondernemerscapaciteiten van Kahnweiler waren zo acuut dat zijn kunstgalerie in de jaren vijftig qua exportcijfers tot de top 100 van Franse bedrijven behoorde.

Hij stierf in 1979 in Parijs, op de leeftijd van 94 jaar.

Gisteren nog vandaag

Foto met Picasso

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

35 jaar geleden: nieuwe kans voor de laserdiscs

In de Verenigde Staten waren er destijds overal gespecialiseerde Laserdisc-winkels te vinden, en men verwachtte dat er tegen het einde van dat jaar meer dan drieduizend verkooppunten zouden zijn, terwijl de hardware ook op Europees niveau beschikbaar was.

Japan was op dat moment het enige land met een volwassen markt voor de beeldplaten.

Men verwachtte er in dat jaar meer dan een miljoen spelers te verkopen, geproduceerd door alle elektronicafabrikanten met uitzondering van JVC, wat het totale aantal spelers in Japanse huishoudens voor het einde van het jaar ruim over de vier miljoen zou brengen.

De keuze aan software was daar erg groot met meer dan tienduizend beschikbare titels van acht verschillende fabrikanten.

Ondertussen begon ook in Amerika de cd-video van de grond te komen, waar toen ongeveer een half miljoen spelers bij de mensen thuis stonden.

Die markt zou dat jaar nog verder groeien met rond de 300.000 exemplaren.

Het Amerikaanse aanbod omvatte meer dan vijfduizend titels en groeide maandelijks met ongeveer 140 nieuwe releases, waardoor er tegen het einde van het jaar ongeveer zevenduizend verschillende platen te koop zouden zijn.

Het voorgaande jaar was in Europa het startsein gegeven voor een derde poging om de beeldplaat aan de man te brengen.

De plaat werd toen van CD-video omgedoopt in Laserdisc en de European Laserdisc Association, afgekort als ELDA, werd opgericht om de Europese zaken gecoördineerd aan te pakken.

Dat was hard nodig, want in de oude wereld waren er in het begin van dat jaar slechts 85.000 spelers in gebruik, waarvan er ongeveer de helft in Frankrijk stond.

In Nederland lag dat aantal naar schatting tussen de zeven- en achtduizend.

Hoewel de derde lancering van de beeldplaat op een cynisch onthaal van de pers stuitte, kon niemand eromheen dat de Laserdisc technisch gezien een fenomenaal product was dat verreweg de beste kwaliteit bood voor zowel beeld als geluid.

Robert van Eck, de voorzitter van de ELDA, legde uit dat de consument nog moest leren om video’s te kopen.

Daarom werkte de organisatie met lokale comités die inspeelden op de specifieke behoeften per land, zoals wetgeving, ondertiteling, dubbing en de lokale smaak.

In Frankrijk was die aanpak al aardig geslaagd; het was niet alleen het land met de grootste Laserdisc-penetratie, maar de markt voor koopvideo’s was er in drie jaar tijd ook gestegen van nul procent naar meer dan de helft van de totale markt.

Wie een kijkje nam in een winkel als de Virgin Megastore op de Champs-Élysées in Parijs, begreep meteen waarom, want daar stond een groot aanbod aan platen opgesteld naast diverse demonstratiemodellen van spelers.

Een van de redenen waarom Laserdiscs tot dan toe nog niet echt aansloegen, was het feit dat de gemiddelde koper zich er geen voorstelling van kon maken wat zo’n systeem precies presteerde.

Een nauwe samenwerking tussen de aanbieders van hardware en software was dus van levensbelang.

Volgens Van Eck zorgde de ELDA er in veel gevallen voor dat deze partijen voor het eerst met elkaar rond de tafel gingen zitten.

Een volgend probleem was dat beide aspecten ook in dezelfde winkel te zien moesten zijn, iets wat op een enkele uitzondering na nog vaak ontbrak. In Nederland leverden op dat moment drie fabrikanten Laserdisc-spelers, te weten Philips, Sony en Pioneer.

Vooral Pioneer was van plan om zich extra in te spannen voor het medium en zou binnenkort starten met een speciale Laserdisc-roadshow om de voordelen van de beeldplaat persoonlijk aan het publiek te tonen.

Op het gebied van software was het aanbod in Europa destijds nog niet zo groot, met naar schatting zo’n zes- tot zevenhonderd beschikbare titels.

Ongeveer vijfhonderd daarvan waren muziekplaten, variërend van klassiek tot pop, met onder andere concerten en clipcollecties.

Daarnaast waren er speelfilms beschikbaar, waarvan zo’n zeventig in Duitsland en al meer dan honderd in Frankrijk.

In het Nederlandse taalgebied toonden RCA Columbia Video, Warner Home Video en Cascar zich actief. RCA was toen het meest actief met een aardig aanbod aan films zoals Red Heat, My Stepmother Is An Alien, La Bamba, Robocop, Ghostbusters en Karate Kid III, die voor een prijs van 59,95 gulden, omgerekend 27,20 euro, over de toonbank gingen.

Bij Warner Home Video viel op dat moment vooral de titel Batman op. Het label Cascar, een dochter van Super Club en Philips, bracht films uit van Vestron, Cinema International en natuurfilms van National Geographic, wat goed was voor zo’n zestig titels.

Daarnaast zou er binnenkort ook materiaal van Disney verschijnen via Buena Vista Home Entertainment.

De Laserdisc bood echter meer dan alleen een concert of film op een plaat, want men was in de Verenigde Staten volop bezig met het toevoegen van extra dimensies aan het beeld. In de eerste plaats waren veel films verkrijgbaar in twee verschillende formaten.

Allereerst was er de gewone, beeldvullende variant via de zogenaamde pan-and-scan-methode.

Omdat het volle beeld van een bioscoopfilm niet helemaal op een traditioneel televisiescherm paste, koos men bij deze methode een nieuwe uitsnede, waardoor er steeds een gedeelte van het oorspronkelijke beeld wegviel.

Dit gold als een nachtmerrie voor elke filmliefhebber en menig regisseur.

Daarom kwamen er in Amerika veel films uit op het zogenaamde letterbox-formaat, waarbij de hele film wordt getoond met een zwarte balk boven en onder het beeld, zodat het volledige breedbeeld zichtbaar bleef voor de echte cinefielen.

Voor de toekomst bood dit brievenbusformaat extra mogelijkheden, aangezien de toekomstige breedbeeldtelevisies de optie zouden hebben om dergelijke beelden op te blazen tot de volle hoogte en breedte van het grotere scherm.

De kwaliteit vormde daarbij geen enkel probleem, want de beeldplaat had een oplossend vermogen van 400 lijnen, vergeleken met slechts 240 lijnen voor de gemiddelde videorecorder.

Een andere mogelijkheid die speciaal op filmgekken was gericht, was het aanbieden van extra informatie.

Het Amerikaanse merk Criterion Collection specialiseerde zich in zulke cinefiele edities van bioscoopfilms.

Bij titels als Raging Bull en Taxi Driver kreeg de koper naast de film bijvoorbeeld een documentaire over het maken van de productie en de originele promotiefilmpjes.

Bovendien gaf regisseur Martin Scorsese op een apart geluidsspoor commentaar bij de film.

Voordat zulke extra’s in Nederland beschikbaar zouden zijn, was men naar verwachting wel weer een paar jaartjes verder.

Wie destijds een Laserdisc-speler wilde aanschaffen, had nog niet zo heel veel keuze.

Er waren drie fabrikanten waarvan de apparaten ruim verkrijgbaar waren: Philips, Sony en Pioneer.

De prijzen begonnen bij ongeveer 1200 gulden, wat omgerekend neerkwam op circa 544,54 euro.

Voor dat bedrag kocht men een speler die niet alleen laserdiscs van alle formaten kon afspelen, maar ook geschikt was voor gewone audio-cd’s.

Het verdient daarom aanbeveling om de speler niet alleen op de televisie, maar eveneens op de hifi-installatie aan te sluiten.

Alleen Sony had op dat moment een multisysteemspeler op de markt waarmee ook Amerikaanse en Japanse Laserdiscs konden worden afgespeeld.

Deze buitenlandse platen werkten volgens de NTSC-kleurennorm en konden daardoor niet op alle gangbare Europese televisies worden aangesloten.

Naar alle waarschijnlijkheid zou ook Pioneer later dat jaar met een eigen multisysteemspeler op de proppen komen.

In de Noord-Hollandse plaats Huizen hield Ron Exalto zich destijds bezig met zijn speciaalzaak Elvic.

Hij was al jaren bezeten van het medium en had van zijn hobby zijn werk gemaakt, waarmee hij de enige winkel in Nederland bezat die zich exclusief toelegde op beeldplaten.

Exalto had in zijn zaak zowel de spelers als de discs overzichtelijk naast elkaar uitgestald, zodat hij klanten die nog niet bekend waren met het medium direct kon tonen wat er allemaal mogelijk was.

Wat ooit was begonnen als een klein postorderbedrijfje, was uitgegroeid tot een van de grootste collecties Laserdiscs in het land, met een sterke specialisatie in speelfilms en popmuziek.

Klassieke muziek was er op bestelling leverbaar en hij bood regelmatig speciale acties aan.

Zo had hij destijds een partij Nederlandse Laservision-kinder-video’s opgekocht en importeerde hij platen uit Engeland en de Verenigde Staten. De winkel was gevestigd aan de Haardstedelaan 2 in Huizen.

Laserdiscs werden destijds gezien als het mooiste videomedium dat men zich kon bedenken, dankzij een fantastische beeldkwaliteit en volledig digitaal geluid dat via de hifi-installatie voor een echte bioscoopervaring in de huiskamer zorgde.

Toch was de Laserdisc in Nederland toen nog steeds niet het grote succes dat het feitelijk had moeten zijn, terwijl het medium in Japan en de Verenigde Staten wel een redelijk succes genoot.

De geschiedenis van de beeldplaat was toen ongeveer tien jaar daarvoor begonnen. Met de introductie van de compactdisc bleek destijds dat dit medium ook uitstekend geschikt was voor de opslag van beelden.

Onder de naam Laservision werden de eerste beeldplaten op een formaat van 30 centimeter uitgebracht, maar dat werd destijds geen doorslaand succes.

De videorecorder was toen net aan een sterke opmars begonnen en iedereen riep dat men met een Laservision-speler niet zelf programma’s kon opnemen.

Bovendien was het in die tijd nog onduidelijk welk beeldplaatsysteem de toekomst zou gaan worden.

Uit Amerika kwam destijds het CED-systeem van RCA, dat nog met een conventionele naald werkte, terwijl JVC het VHD-systeem voor beeldplaten ontwikkelde.

Hoewel Laservision technisch het meest geavanceerde systeem van de drie was, hield het destijds in Europa en Amerika evenmin gemakkelijk stand.

Alleen in Japan zette men destijds door op de ingeslagen weg. Ondertussen evolueerde de techniek en in 1987 werd ook in Europa en Amerika een nieuwe versie van Laservision geïntroduceerd onder de naam CD-video.

Hierbij werd het geluid voortaan digitaal opgeslagen in plaats van analoog. Bovendien werden de nieuwe spelers geschikt gemaakt voor alle soorten compact discs, zodat zowel de audio-cd als de nieuwe CD-video en de oudere Laservision-platen erop konden worden afgespeeld.

Maar ook na deze tweede introductieronde bleef het grote succes in Europa aanvankelijk uit, terwijl de markt in Japan juist wel goed begon aan te trekken.

Men was daar inmiddels tien jaar bezig met het medium en aan het begin van dat jaar stonden er volgens Robert van Eck al zo’n 3,2 miljoen spelers bij de Japanse consumenten thuis.

De voornaamste reden dat het systeem uiteindelijk nooit doorbrak bij het grote publiek, lag in de harde concurrentie met de VHS-videoband.

De consument gaf massaal de voorkeur aan het gemak van de videorecorder, waarmee men zelf televisieprogramma’s en films van de televisie kon opnemen. Een Laserdisc-speler bood die opnamemogelijkheid niet en was puur een afspeelmedium.

Daarnaast bleven de aanschafkosten voor zowel de spelers als de grote, kwetsbare disc-platen erg hoog in vergelijking met de goedkope magneetbanden.

Ook het feit dat men een film halverwege handmatig moest omdraaien, omdat de disc twee kanten had, werd door velen als onpraktisch ervaren.

Hoewel filmliefhebbers en cinefielen bleven zweren bij de superieure beeld- en geluidskwaliteit, bleef die Laserdisc daardoor een nicheproduct voor de fijnproever.

Het definitieve einde van het systeem werd ingeluid aan het einde van de jaren negentig met de komst van de DVD.

Dit nieuwe digitale medium bood dezelfde hoge kwaliteit, maar dan op een handzaam, kleiner schijfje dat goedkoper te produceren was en bovendien wél moeiteloos een volledige film op één zijde kon tonen.

De productie van de Laserdisc-spelers en de platen werd hierna wereldwijd afgebouwd, tot Pioneer in het begin van de 2000-jaren de fabricage van de allerlaatste spelers definitief stopzette.

In memoriam Jim Morrison.

Morrison overleed op zevenentwintigjarige leeftijd in Parijs op 3 juli 1971.

Zijn dood is nog steeds met mysterie omweven. Hoewel velen dachten dat een overdosis drugs de oorzaak was, is dit nooit bewezen.

Het is een feit dat Jim niet afkerig stond tegenover verdovende middelen, maar de laatste jaren van zijn leven verving hij deze steeds vaker door de traditionele Amerikaanse opkikker, alcohol.

De waarheid ligt waarschijnlijk in het midden.

Morrison leefde extreem hard en sprong brutaal om met zijn lichaam.

Alcohol, drugs, slaapgebrek en een absoluut gebrek aan zelfmedelijden, gecombineerd met een superintense manier van leven, leidden tot een te vroeg einde.

De officiële doodsoorzaak werd vastgesteld als een hartstilstand, wat een logisch verdict lijkt.

Toch geloven veel overtuigde fans nog steeds dat hij leeft en niet op een Parijse begraafplaats ligt.

Het zou een door hemzelf opgezet spel kunnen zijn, en eigenlijk zou zoiets voor iemand als Morrison niet eens zo verrassend zijn.

Hij was exact het type man om een dergelijke show op te voeren en vervolgens rustig onder te duiken, bijvoorbeeld in Afrika, waar hij poëzie zou kunnen schrijven, de wereld zou kunnen uitlachen en iedereen in de waan zou laten dat hij echt was overleden.

Zijn grote droom was altijd om een vooraanstaand schrijver te worden.

In tegenstelling tot zijn schoolvrienden waren zijn idolen geen beroemde acteurs of rockzangers, maar schrijvers, dichters en journalisten.

Hij noemde Rimbaud, Keats en de Amerikaanse beatschrijver Jack Kerouac altijd als de belangrijkste invloeden uit zijn jeugd.

Hun levensstijl en vagebondstijl spraken hem aan. Hij leefde snel en speelde met het idee van een vroege, tragische en romantische dood, net als zijn helden.

Dat de Amerikaanse pers hem later onder andere de nieuwe James Dean doopte, was dan ook geen toeval.

Zelfs toen hij miljoenen verdiende, bleef hij deze levensstijl trouw.

Hij huurde liever een motel- of hotelkamer voor de nacht dan in een luxueus huis te wonen.

Zijn garderobe bestond meestal enkel uit de kleren die hij op dat moment droeg.

Als het ’s nachts koud was, haalde hij zijn creditcard boven om een jas te kopen, die hij de volgende dag bij warmer weer gewoon aan de eerste de beste vreemdeling weggaf.

Nadat zijn rijbewijs werd ingetrokken wegens het verzamelen van te veel processen, probeerde hij het nooit meer te vernieuwen.

Hij kocht dure, nieuwe auto’s die hij in de prak reed of na een dronken nacht ergens parkeerde en vergat.

Hij ging er zelden naar op zoek en gaf ze ook niet op als gestolen.

Hij stuurde zijn vrouw Pamela de wereld rond om kleren te verzamelen voor een boetiek die hij haar cadeau deed.

Dit kostte hem een fortuin en bracht enkel enorme schulden met zich mee, maar zolang Pamela gelukkig was, kon het hem weinig schelen.

Aan het einde van de jaren zestig waren The Doors een absolute supergroep.

Toetsenist Ray Manzarek, gitarist Robbie Krieger en drummer John Densmore waren uitstekende muzikanten die zorgden voor een perfecte balans met Jims extravagante persoonlijkheid.

Hun muziek was afwisselend melancholisch en dreigend, wat perfect aansloot bij de manier waarop Morrison in zijn teksten en podiumshows zijn sentimenten kon aftasten.

De band kwam samen in Los Angeles, repeteerde een half jaar en bouwde via optredens in de Whisky a Go Go een steeds groter wordende aanhang van bijna maniakale fans op.

Daar werden ze ontdekt door Jac Holzman, directeur van Elektra, en producer Paul Rothschild.

Hun debuutalbum verscheen in de memorabele hippiezomer van 1967.

Mede dankzij de grandioze hit “Light My Fire” stootten ze The Beatles met “Sergeant Pepper” van de eerste plaats in de Amerikaanse albumlijsten.

Vier maanden later stond die plaat nog steeds in de top tien, toen deze gezelschap kreeg van de opvolger Strange Days, eveneens een meesterwerk dat staat als een huis.

The Doors en vooral Morrison groeiden uit tot een mythe.

Hij was de droom van elk meisje dat zichzelf niet als toekomstig huismoedertje zag, een idool voor jongens die precies wilden zijn zoals hij, en een gevaarlijke nachtmerrie voor ouders die hem zagen als de duivel die met alle middelen bestreden moest worden.

Tijdens liveoptredens zorgden The Doors steevast voor sensatie en relletjes, wat uiteindelijk leidde tot zoveel arrestaties en veroordelingen dat Morrison er zelf bijna bang van werd en het toeren beperkte.

Er speelden ook andere redenen mee.

De groep was een monsterorganisatie geworden met contracten en verplichtingen die hem absoluut niet lagen.

Hij wilde eruit, en na het voltooien van het verplichte aantal albums en een afgezwakte tournee, kondigde hij eind 1970 aan dat het tijd was voor een uitgebreide vakantie, iets wat ze verdiend hadden.

Hun zevende album, L.A. Woman, was inmiddels opgenomen en zou, net als de andere platen, met goud bekroond worden, een prestatie die nog geen enkele Amerikaanse groep destijds had behaald.

Morrison liet weten dat hij met Pamela in Parijs ging wonen om te reizen, poëzie te schrijven en wellicht een toneelstuk te maken.

Hij wist het nog niet zeker, maar zocht vooral een manier om te zwerven, ook in geestelijke zin.

Over de toekomst van The Doors zou na zijn terugkeer misschien nog weleens gesproken worden.

Zonder veel spijt verliet hij Los Angeles, in de hoop ergens anders helemaal opnieuw te kunnen beginnen.

Hoewel dokters hem hadden aangeraden het rustiger aan te doen, was Morrison daar simpelweg niet voor geboren.

Ook in Parijs bleef zijn verlangen naar sensaties, ervaringen en experimenten niet te stuiten.

Hij bleef balanceren op de rand van het mes, trouw aan zijn eigen gezongen woorden: “I want the world, and I want it now,” en hij was niet van plan om zich door iemand te laten belemmeren.

Op 3 juli 1971 vond hij rust, maar daarmee verdween de legende allerminst.

De drie overgebleven bandleden maakten nog enkele muzikaal uitstekende albums zonder hem, die echter pijnlijk duidelijk maakten welke enorme leemte hij had achtergelaten.

Ook in de jaren daarna bleef zijn invloed onverminderd groot, wat bleek uit langdurige hitnoteringen voor hun verzamelalbums, de onverbiddelijke bestseller-status van de biografie No One Here Gets Out Alive, en de plannen voor een film over zijn leven.

Op de begraafplaats Père-Lachaise nabij Parijs, de laatste rustplaats van vele grote kunstenaars, worden bovendien nog altijd dagelijks verse bloemen op het graf van James Douglas Morrison aangevoerd.

Wie echter door een verzameling tijdschriften en kranten uit die specifieke periode bladert, zal iets heel opvallends merken.

Het is bevreemdend hoe weinig aandacht hij direct na zijn dood kreeg in de pers.

Dat in de Muziek Expres van augustus 1971 bijvoorbeeld alleen een foto stond met een in memoriam van amper enkele zinnen, vormt een scherp contrast met zijn latere grote status.

Dit heeft een paar duidelijke en praktische oorzaken.

Ten eerste werd het overlijden van Morrison aanvankelijk strikt stilgehouden door zijn intieme kring in Parijs.

Het grote publiek en de pers kregen het nieuws pas dagen later te horen, op 9 juli, toen hij al in besloten kring was begraven op het Parijse kerkhof.

Deze geheimzinnigheid zorgde voor enorm veel onzekerheid en scepsis op de nieuwsredacties.

Omdat Morrison vaker met het idee van een in scène gezette dood had gespeeld, dachten velen in eerste instantie dat het om een zoveelste vreemde grap van de zanger ging en waren journalisten terughoudend om uitgebreide necrologieën te publiceren zonder harde bewijzen.

Bovendien werkten muziektijdschriften en maandbladen in die tijd met zeer lange aanlooptijden voor de drukpersen.

Tegen de tijd dat het nieuws over zijn dood eindelijk met zekerheid werd bevestigd, was de augustus-editie van bladen zoals Muziek Expres al drukklaar en ingepland.

Redacties hadden simpelweg de tijd en ruimte niet meer om de hele lay-out om te gooien voor een uitgebreid artikel, waardoor ze zich noodgedwongen moesten beperken tot een snelle foto en een korte toegevoegde tekst net voor het drukken.

Tot slot was Morrison in de zomer van 1971, na zijn fysieke achteruitgang en zijn vertrek uit Amerika, al enigszins naar de achtergrond van de toenmalige, snel evoluerende popwereld verdwenen.

De echte mythevorming rond zijn persoon, gestuwd door boeken en films die van hem een onsterfelijke held zouden maken, kwam pas eind jaren zeventig en in de jaren tachtig echt wereldwijd op gang.

In de zomer van 1971 was hij voor de toenmalige pers vooral een uitgedoofde rockster, en nog niet de legende die hij naderhand is geworden

Op 9 februari 1970 brachten The Doors hun vijfde studioalbum uit, getiteld Morrison Hotel. Deze plaat markeerde een stevige terugkeer naar hun rauwe, oorspronkelijke bluesrockstijl.

Hun vorige album, The Soft Parade, bevatte veel koperblazers en strijkers en was mede daardoor een stuk minder succesvol bij het grote publiek en de critici.

Met Morrison Hotel wilden ze terug naar de basis. De lp kreeg een opvallende indeling: de A-kant werd Hard Rock Café gedoopt en de B-kant kreeg de naam Morrison Hotel.

Hoewel er slechts één single van de plaat werd uitgebracht, de dubbele A-kant ‘You Make Me Real’ en ‘Roadhouse Blues’, staat het album vol met onvervalste klassiekers zoals ‘Peace Frog’ en ‘Waiting for the Sun’.

Een opvallend detail over het nummer “Waiting for the Sun” is dat het eigenlijk al geschreven was voor hun gelijknamige derde album uit 1968, maar destijds de uiteindelijke selectie net niet haalde.

In de nummers The Spy en Queen of the Highway geeft zanger Jim Morrison een erg persoonlijk inkijkje in zijn complexe en turbulente relatie met zijn vriendin Pamela Courson.

De beroemde albumhoes kent een bijzonder en ietwat brutaal ontstaansverhaal.

De gerenommeerde rockfotograaf Henry Diltz nam de foto van de band in de etalage van het bestaande Morrison Hotel in Los Angeles.

Ze hadden hiervoor echter geen toestemming gekregen van de eigenaar. Toen de receptionist heel even zijn post verliet, stormde de band naar binnen voor een snelle fotosessie en maakten ze zich snel weer uit de voeten.

Op de achterzijde van de hoes prijkt een foto van het Hard Rock Café, toentertijd een bescheiden eettentje in Los Angeles.

Een leuk weetje is dat de oprichters van de wereldwijde restaurantketen Hard Rock Cafe zich lieten inspireren door deze achterkant van de lp voor hun immens populaire naam.

Tijdens de opnames in de studio, onder leiding van hun vaste producer Paul A. Rothchild en technicus Bruce Botnick, kregen The Doors hulp van een aantal bijzondere gastmuzikanten.

Omdat de band zelf geen vaste bassist had, nam sessiemuzikant Ray Neapolitan de meeste baspartijen op Morrison Hotel voor zijn rekening.

Voor het stevige ‘Roadhouse Blues’ en ‘Maggie M’Gill’ werd echter gitaarlegende Lonnie Mack opgetrommeld om de basgitaar te bespelen.

Een andere opvallende gast op Roadhouse Blues was John Sebastian, de frontman van The Lovin’ Spoonful.

Omdat hij vanwege contractuele redenen eigenlijk niet mocht meewerken aan een album van een andere platenmaatschappij, speelde hij de mondharmonica in onder het pseudoniem G. Puglese.

Mede door deze ongedwongen, spontane samenwerkingen wordt dit album gezien als een van de meest authentieke platen uit de geschiedenis van de band.

De Parijse vlucht en zijn mysterieuze dood

Jim Morrison werd geboren als de zoon van George Stephen Morrison, een admiraal die als vlootcommandant betrokken was bij het Tonkin-incident in 1964, wat de aanleiding vormde voor de Amerikaanse deelname aan de Vietnamoorlog.

In plaats van een militaire carrière na te streven, ging Morrison naar de filmacademie in Los Angeles, Californië.

Daar leerde hij Ray Manzarek kennen, met wie hij The Doors oprichtte. Deze bandnaam was ontleend aan ‘The Doors of Perception’, de titel van een boek van Aldous Huxley.

Huxley had deze frase op zijn beurt weer ontleend aan een gedicht van William Blake, die schreef: “If the doors of perception were cleansed every thing would appear to man as it is, infinite”.

Voor veel jongeren in die dagen was Morrison een onmetelijk groot idool. Hij leefde zeer intens en gebruikte vele soorten verslavende genotsmiddelen, waarbij met name zijn enorme drankgebruik exemplarisch was.

Ondanks deze roerige levensstijl was hij diep gefascineerd door literatuur.

Hij las enorm veel en schreef fanatiek poëzie.

Zijn teksten waren vaak zeer filosofisch en dichterlijk van aard, en zijn muziek toont duidelijke invloeden van jazz en blues.

Van hem is in de loop der tijd ook een aantal dichtbundels uitgegeven, zoals ‘The Lords & The New Creatures’, ‘Wilderness’ en ‘The American Night’.

Hoewel de muziek van Jim Morrison wereldwijd en ook in ons taalgebied mateloos populair is gebleven, zijn zijn gedichtenbundels helaas nooit officieel in het Nederlands vertaald uitgegeven.

Wie de diepere, literaire ziel van de zanger wil doorgronden, is daardoor aangewezen op de Engelstalige edities die nog steeds volop te vinden zijn, al circuleren er onder bewonderaars weleens losse, zelfgemaakte vertalingen van individuele gedichten.

In de laatste periode van zijn leven verruilde Jim Morrison de overweldigende roem in Amerika voor een rustiger bestaan in Parijs.

Onder zijn doopnaam James Douglas leefde hij daar tamelijk anoniem, wat hem bijzonder goed beviel.

Hoewel hij de Franse taal niet machtig was, dompelde hij zich onder in de lokale cultuur; hij bezocht veel theatervoorstellingen en was vaak te vinden op de filmsets van diverse beroemde Franse regisseurs.

Over zijn productiviteit in deze periode lopen de meningen uiteen.

Waar sommigen beweren dat hij juist in Parijs veel schreef, menen anderen dat hij zwaar te lijden had van een schrijversblok.

Hoewel de officiële overlijdensakte een hartaanval als doodsoorzaak vermeldt, nadat hij liggend in een badkuip zou zijn aangetroffen, wordt algemeen aangenomen dat een overdosis drugs hem fataal is geworden.

Door deze voortijdige dood trad hij toe tot de beruchte 27 Club, samen met muzikanten als Janis Joplin, Jimi Hendrix en Brian Jones. Later zijn ook de namen van Kurt Cobain en Amy Winehouse door velen aan deze ledenlijst toegevoegd, omdat zij toevalligerwijs eveneens op 27-jarige leeftijd stierven.

Tijdens de bescheiden begrafenis van Jim Morrison las zijn partner Pamela Courson de laatste paragraaf voor uit Celebration of the Lizard, iets wat hij volgens de laatste biografie zelf had gewild.

Hoewel zij nooit getrouwd waren, had hij in zijn testament zijn volledige erfenis, inclusief de uiterst lucratieve muziekrechten, aan Pamela nagelaten.

Deze situatie kreeg echter een tragische wending toen zij in 1974 eveneens aan een overdosis overleed, zonder zelf een testament te hebben opgemaakt.

Haar bezittingen vielen automatisch toe aan haar ouders, wat leidde tot een bittere juridische strijd met de ouders van Jim Morrison, met wie de zanger altijd een zeer moeizame relatie had onderhouden.

Na een lang en slepend conflict schikten de twee families uiteindelijk door de nalatenschap en alle toekomstige inkomsten exact in tweeën te delen.

Zijn laatste rustplaats vond hij op de beroemde begraafplaats Père-Lachaise, een plek die tot op de dag van vandaag enorm veel bezoekers trekt.

Op zijn graf prijkt de Griekse tekst κατα τον δαιμονα εαυτου, oftewel kata ton daimona eautou.

In het Oudgrieks laat de strekking hiervan zich vertalen als trouw aan zijn ziel, terwijl de Nieuwgriekse vertaling neerkomt op je eigen demon volgen.

Volgens de Thelema wordt hierbij met een demon een externe geest of spirituele gids bedoeld, in tegenstelling tot het woord spirit dat duidt op een interne geest.

Het graf heeft in de loop der jaren de nodige visuele veranderingen ondergaan. Precies tien jaar na zijn dood, in 1981, creëerde de Kroatische kunstenaar Mladen Mikulin als herdenking een borstbeeld van Morrison dat op het graf werd geplaatst.

Dit kunstwerk werd in 1988 gestolen, waarna de familie aangaf geen nieuw beeld te willen.

Ruim dertig jaar later, in mei 2025, werd het gestolen borstbeeld echter per toeval teruggevonden in Parijs tijdens een huiszoeking in verband met een fraudezaak.

De erfenis van Jim Morrison is na al die decennia nog steeds springlevend.

Hij was een groot idool voor velen en wordt nog altijd enorm bewonderd; dagelijks luisteren tienduizenden mensen naar zijn muziek.

Daarnaast vormt zijn leven een onuitputtelijke bron van inspiratie voor schrijvers.

Er zijn talloze boeken over hem verschenen, waaronder de in 2004 uitgebrachte biografie Jim Morrison door Stephen Davis en de biografische grafische roman Dichter van de chaos uit 2012.

Ook ‘No One Here Gets Out Alive’ van Jerry Hopkins en Danny Sugerman is een zeer gewaardeerde biografie, die doorspekt is met persoonlijke ervaringen en waarvan wereldwijd meer dan twee miljoen exemplaren werden verkocht.

Bovendien boekstaafden al zijn voormalige bandleden hun herinneringen: toetsenist Ray Manzarek schreef ‘Light My Fire’, gitarist Robby Krieger bracht ‘Set the Night on Fire’ uit en drummer John Densmore publiceerde de autobiografie ‘Riders On The Storm’.

Delen uit het boek van Densmore werden door regisseur Oliver Stone gebruikt voor het scenario van The Doors, de succesvolle film uit 1991.

Daarin zette Val Kilmer een uiterst overtuigende Morrison neer met een wonderwel gelijkend stemgeluid, vergezeld door Meg Ryan in de rol van Pamela Courson.

Ook in modernere media blijft zijn verhaal verteld worden, zoals in de film ‘When You’re Strange’ uit 2010 van Tom Dicillo, die is voorzien van gesproken commentaar door fan en acteur Johnny Depp.

Zelfs in de Nederlandse popcultuur liet de zanger zijn sporen na; zo was hij het onderwerp in een aflevering van de satireserie Jiskefet, waarin onder meer zijn befaamde graf op Père-Lachaise in beeld werd gebracht.

Het is vandaag al 40 jaar geleden dat de Franse schrijver en dichter Jean Genet is overleden.

Het bewogen leven van de in Parijs geboren Jean Genet vormde een onuitputtelijke bron voor zijn literaire werk.

Omdat hij een ongewenst kind was, liet zijn moeder hem achter bij het Burgerlijk Armenbestuur, waarna hij via een weeshuis bij een timmermansgezin in de Morvan terechtkwam.

Hoewel veel pleegkinderen destijds vooral als goedkope arbeidskrachten werden gezien, trof Genet het met een liefdevolle pleegmoeder.

Hij was een rustige jongen die veel las en goed leerde, maar toch begon hij vanaf zijn tiende te stelen.

Toen hij op die jonge leeftijd voor het eerst in de cel belandde, besloot hij de rol van dief volledig te omarmen, simpelweg omdat de maatschappij hem dit stempel al had opgeplakt.

Na de dood van zijn pleegmoeder en een mislukte opleiding volgde een grimmige periode van weglopen en tuchthuizen.

Vooral zijn tijd in het beruchte opvoedingsgesticht Mettray, een harde mannenwereld vol perverse machtsverhoudingen, liet diepe sporen na.

In tegenstelling tot veel anderen voelde Genet zich daar juist thuis. Eenmaal vrij gaf hij zich over aan een zwerfbestaan vol criminaliteit en prostitutie, en na een korte periode in het vreemdelingenlegioen belandde hij opnieuw regelmatig achter de tralies.

Tijdens een van deze opsluitingen aan het begin van de Tweede Wereldoorlog begon hij met schrijven.

Na een lang gedicht over een ter dood veroordeelde moordenaar voltooide hij zijn debuutroman Onze Lieve Vrouw van de Bloemen. In dit boek neemt de hoofdpersoon de lezer mee op een hallucinante reis door de wereld van pooiers en verschoppelingen.

Het werk was destijds schokkend en zijn tijd ver vooruit. Terwijl Nederland pas in de jaren zestig via Gerard Reve kennismaakte met vergelijkbare homo-erotische thema’s, werd Genet in Frankrijk direct opgemerkt door grootheden als André Gide en Jean-Paul Sartre.

Toen Genet in 1948 een levenslange gevangenisstraf riskeerde, kwamen invloedrijke vrienden zoals Picasso en Cocteau voor hem in actie.

Dankzij een gratieverzoek aan de president kwam hij vrij, waarna hij zich volledig op zijn kunst kon storten.

Hij maakte naam als avant-gardistisch toneelschrijver met stukken als De Meiden en regisseerde de provocerende film Un Chant d’Amour.

Met zijn werk probeerde hij de façade van de burgerlijke samenleving te doorbreken en de eenzaamheid van de mens te tonen.

In zijn latere jaren bleef Genet een controversieel figuur door zijn steun aan radicale politieke groeperingen zoals de Black Panthers en de RAF.

Hij leidde een rusteloos leven, reisde veel en liet uiteindelijk een huis bouwen in Marokko.

Jean Genet overleed op 75-jarige leeftijd in een Parijse hotelkamer en vond zijn laatste rustplaats in het Marokkaanse Larache.

Zijn artistieke erfenis leeft nog altijd voort, wat onder meer blijkt uit de diverse opera’s die in de eenentwintigste eeuw op zijn oeuvre werden gebaseerd.

De artistieke gedaanteverwisseling van Romy Schneider in maart 1961

Vandaag 65 jaar geleden, op 29 maart 1961, vond in het Théâtre de la Renaissance in Parijs de spraakmakende première plaats van het toneelstuk ‘Dommage qu’elle soit une putain’, de Franse vertaling van het originele Britse stuk ‘Tis Pity She’s a Whore van John Ford uit de zeventiende eeuw.

Romy Schneider stond hierin samen met Alain Delon op de planken onder regie van Luchino Visconti.

Dit klassieke drama over een gedoemde liefde tussen broer en zus markeerde een definitief omslagpunt in haar carrière.

De actrice, die wereldberoemd werd in de rol van de jonge en onschuldige vorstin, nam hiermee bewust afstand van haar eerdere suikerzoete imago.

Hoewel het grote publiek haar na films als Monpti en Die Halbzarte even uit het oog leek te verliezen, bewees zij hiermee haar transformatie tot een serieuze, Europese karakteractrice.

Deze artistieke ontwikkeling ging hand in hand met een uiterlijke verandering.

Onder invloed van Coco Chanel ruilde Romy haar vroegere stijl in voor die van een elegante Parijse vrouw.

In deze periode van maart 1961 werkte zij ook met Visconti aan het filmproject Boccaccio 70.

Ondanks haar groeiende professionele status bleef haar privéleven de gemoederen bezighouden.

Terwijl zij en Alain Delon veelvuldig samen werden gezien, weigerden zij hun relatie officieel te bevestigen.

De pers speculeerde volop over hun verbintenis, mede door geruchten over de charmes van Claudia Cardinale, die op dat moment met Delon werkte aan de film Rocco e i suoi fratelli, vertaald als Rocco en zijn broers.

Romy Schneider ontweek in maart 1961 behendig de nieuwsgierige vragen over haar toekomstplannen en haar liefdesleven.

Het was duidelijk dat zij zich niet langer liet beperken door de verwachtingen die voortkwamen uit haar vroege successen.

Zij koos resoluut voor haar eigen artistieke weg en persoonlijke groei, ongeacht de aanhoudende stroom aan geruchten in de media.

Met haar optreden in Parijs liet zij zien dat zij vastberaden was om haar eigen koers te blijven varen in de internationale film- en theaterwereld.

Een uniek souvenir uit 1960: het programmaboekje van Line Renaud in het Casino de Paris

De Franse zangeres en actrice Line Renaud, geboren als Jacqueline Ente op 2 juli 1928 in het Noord-Franse Nieppe, is een levend monument van de Franse cultuur.

Ze begon haar carrière als muzikante in het orkest van haar vader, maar haar leven veranderde voorgoed toen ze in 1945 auditie deed in Parijs en de componist Loulou Gasté ontmoette.

Hij werd niet alleen haar mentor die haar artiestennaam bedacht, maar ook de liefde van haar leven, met wie ze getrouwd bleef tot aan zijn dood.

Het is inmiddels zo’n 75 jaar geleden dat Line Renaud definitief doorbrak bij het grote publiek.

In de jaren rond 1950 was ze niet meer weg te denken uit de scène en scoorde ze een enorme hit met Ma cabane au Canada.

Dit markeerde het begin van een glorieuze tijd waarin ze de onbetwiste koningin van de revue werd in het legendarische Casino de Paris.

Dit theater aan de Rue de Clichy was destijds de absolute tempel van de musichall en stond wereldwijd symbool voor de Parijse elegantie.

Haar grootste triomf daar was de revue Plaisirs.

Deze productie ging in 1959 in première, maar was zo’n gigantisch succes dat de show jarenlang onafgebroken op het affiche bleef staan.

Wie bijvoorbeeld in december 1960 het theater bezocht, zag nog steeds dezelfde grandioze show waarmee Line avond aan avond volle zalen trok.

Ze werd op het podium bijgestaan door een indrukwekkende cast van internationale topartiesten, zoals haar vaste Argentijnse danspartner Fernando Rego, de begenadigde solodanseres Danielle Darmance en karakterdanser René Sartoris.

Ook de muzikale omlijsting was van hoog niveau, met bijdragen van artiesten als Freddy Conde, Régine Rumen, het virtuoze Trio Marnhy en de vocale groep Les 4 de Paris.

Het visuele spektakel werd compleet gemaakt door het huisballet Les Girls du Charley Ballet, een dansgroep die vanwege hun glamour en stijl ook wel bekendstond als The Dancers of Las Vegas.

Die Amerikaanse bijnaam voor de danseressen was een voorbode voor het vervolg van haar eigen carrière, want in 1954 vertrok Line naar de Verenigde Staten.

Daar werd ze als eerste Française een ster in de casino’s van Las Vegas en raakte ze bevriend met wereldsterren als Frank Sinatra en Elvis Presley.

Naast haar zangcarrière bouwde ze een indrukwekkende staat van dienst op als actrice, waarbij ze in 2008 opnieuw ongekend populair werd door haar rol als de hartelijke moeder in de filmhit Bienvenue chez les Ch’tis.

Line Renaud, die zich sinds de jaren 80 ook onvermoeibaar inzet voor de strijd tegen aids, blijft voor de Fransen het ultieme symbool van optimisme, wilskracht en de gouden jaren van het Parijse nachtleven.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Oude postkaart van de Franse actrice en zangeres Martha Lagoutte.

Hoewel de naam Martha Lagoutte vandaag de dag misschien niet meer bij iedereen een belletje doet rinkelen, was ze rond 1900 een van de vele ‘artistes lyriques’ die de Parijse theaters kleur gaven.

Deze dames waren de influencers van hun tijd: hun beeltenis werd op grote schaal verspreid en gretig verzameld door bewonderaars.

Wat deze postkaart zo bijzonder maakt, is dat Martha hier niet poseert als de chique ‘Parisienne’ in een avondjurk, maar in haar podiumkostuum.

Ze draagt een fantasievolle outfit die het midden houdt tussen een page-pakje en een pierrot-kostuum, met die wijde broek en het rijk versierde jasje.

In die tijd waren zogeheten ‘travesti-rollen’ (waarbij vrouwen een jongensrol speelden) mateloos populair in operettes en revues.

Het meest in het oog springende detail is echter die enorme Japanse parasol.

Dit plaatst de kaart direct in de context van het ‘Japonisme’, een enorme rage die Frankrijk aan het eind van de 19e eeuw in zijn greep hield.

Alles wat uit het Oosten kwam was hip. Theaters speelden hierop in met operettes die zich afspeelden in exotische oorden, zoals de destijds immens populaire stukken The Geisha of Madame Chrysanthème.

Het is zeer waarschijnlijk dat Martha op deze foto schittert in een rol voor zo’n productie, waarin de Westerse fantasie over het Oosten centraal stond.

De kaart zelf is overigens ook een stukje vakwerk. Links onderin zie je de tekst ‘Héliotypie’, wat verwijst naar een destijds zeer geavanceerde druktechniek.

Hiermee konden foto’s met een ongekende scherpte en zonder korrel worden afgedrukt, waardoor we meer dan honderd jaar later nog steeds de lovertjes op haar jasje kunnen tellen.

100 jaar geleden, mode, model met een hoed van ontwerpster Caroline Reboux.

Caroline Reboux, een naam die synoniem staat voor elegantie en innovatie in de modewereld, werd op 25 februari 1837 geboren in Châtenay-Malabry, Frankrijk (sommige bronnen spreken van 1841, maar 1837 lijkt waarschijnlijker).

Als dochter van Jean-Baptiste Francois Reboux en Sophie Adelaide Chedin begon ze haar carrière als verkoopster in een Parijse hoedenwinkel.

Rond 1860 zette Reboux de gedurfde stap om haar eigen atelier te openen op Rue de la Paix 9 in Parijs, midden in het kloppende hart van de haute couture.

Haar elegante en innovatieve ontwerpen leverden haar al snel de bijnaam “Modiste des Reines” (Hoedenmaakster der Koninginnen) op.

Haar creaties vonden gretig aftrek bij royalty en beroemdheden over de hele wereld.

Onder haar illustere klantenkring bevonden zich keizerin Eugénie van Frankrijk (een Spaanse gravin die door haar huwelijk met Napoleon III de laatste keizerin der Fransen werd), koningin Alexandra van het Verenigd Koninkrijk (echtgenote van de Britse koning Edward VII) en de befaamde actrice Sarah Bernhardt (pseudoniem van Henriëtte-Rosine Bernardt, een Franse actrice van Nederlandse afkomst).

In de daaropvolgende decennia breidde Reboux haar imperium uit met meerdere salons in Parijs en Londen.

De periode van 1890 tot 1910 markeert het absolute hoogtepunt van haar carrière.

In deze jaren creëerde ze talloze ontwerpen die de mode van die tijd definieerden.

Zo wordt ze beschouwd als de uitvinder van de cloche hoed, een nauwsluitende klokvormige hoed die in de jaren 1920 enorm populair werd.

Vermoedelijk ontwierp ze deze iconische hoed al in 1908, hoewel de cloche pas later wereldwijd doorbrak.

Reboux was een ware pionier in de hoedenmakerij, die niet terugschrok voor het experimenteren met nieuwe materialen en technieken.

Haar ontwerpen werden gekenmerkt door een tijdloze elegantie, eenvoud en onberispelijk vakmanschap.

Naast haar creatieve talent, stond ze ook bekend om haar scherpe zakelijk inzicht en haar vermogen om modetrends feilloos te voorspellen.

Ze werkte samen met andere beroemde ontwerpers uit die tijd, zoals Jacques Doucet en Madeleine Vionnet.

Haar invloed reikte zelfs tot in de literatuur: Reboux wordt genoemd als inspiratiebron voor het personage Madame Aurore in de roman “Pot-Bouille” van Émile Zola.

In 1870 trad Reboux in het huwelijk met Henri Antoine Auguste Léger, maar dit geluk was van korte duur.

Léger overleed al in 1872, waarna Reboux niet hertrouwde.

Op 13 december 1927 overleed Caroline Reboux op 90-jarige leeftijd in haar huis in Parijs (foto 1925)

Jean Rignac, ik vertel u of u morgen miljonair bent (januari 1990)

Jean Rignac, ook wel bekend als Jean-Baptiste Rignac, was een prominente Franse astroloog die een stempel drukte op de 20e-eeuwse astrologie.

Geboren in Bordeaux op 18 september 1911 (hoewel sommige bronnen 28 september 1911 of zelfs 1912 vermelden), ontwikkelde hij al op jonge leeftijd een fascinatie voor de sterrenhemel.

Na studies filosofie en literatuur aan de prestigieuze Sorbonne Universiteit in Parijs, verdiepte Rignac zich in de wereld van de astrologie.

Hij was grotendeels autodidact, maar liet zich ook inspireren door andere bekende astrologen uit die periode.

In de jaren 30 begon hij zijn carrière als professioneel astroloog en zijn faam groeide gestaag dankzij zijn treffende astrologische consultaties en voorspellingen die verschenen in populaire tijdschriften en kranten, waaronder het bekende “Ici Paris”.

Rignac was niet alleen een praktiserend astroloog, maar ook een productief schrijver.

Hij pende verschillende boeken over astrologie neer, waarvan “L’astrologie retrouvée” (1975) en “Traité pratique d’astrologie horaire” (1948) als zijn belangrijkste werken worden beschouwd.

Het laatste boek was en is een standaardwerk voor uurhoekastrologie.

Hij ontwikkelde zijn eigen unieke astrologische technieken, gebaseerd op traditionele astrologie, maar verrijkt met zijn persoonlijke inzichten.

Daarnaast deelde hij zijn kennis via lezingen en workshops, en was hij een veelgevraagd adviseur voor beroemdheden en politici.

In zijn privéleven was Rignac getrouwd met Germaine Rignac. Samen kregen ze een zoon, Jean-François Rignac, die in de voetsporen van zijn vader zou treden en ook een gerenommeerd astroloog zou worden.

Jean Rignac was een controversieel figuur, want bewonderd door sommigen voor zijn diepgaande kennis, werd hij door anderen als een charlatan bestempeld.

Hij was bevriend met de legendarische zangeres Édith Piaf en voorspelde de verkiezing van François Mitterrand tot president van Frankrijk in 1981.

Rignac was lid van verschillende astrologische verenigingen, waaronder het “Centre International d’Astrologie” (CIA).

Zijn boeken blijven tot op de dag van vandaag populair onder astrologen en worden beschouwd als essentiële werken binnen de Franse astrologische literatuur.

Op 6 november 1993, overleed Jean Rignac in Parijs op 82-jarige leeftijd.

Gisteren nog vandaag

90 jaar geleden, mode, model met juwelen aan van het modehuis van Mauboussin (januari 1935)

Maison Mauboussin werd opgericht in 1827 in Parijs.

Het huis werd opgericht door Monsieur Rocher als een juweliersatelier in de Rue Greneta in Parijs.

In 1848 nam Jean-Baptiste Noury, de voorman van het atelier, het over.

In 1869 associeerde Noury zich met zijn neef Georges Mauboussin.

In 1876 nam Georges de leiding van het bedrijf over.

De naam Mauboussin werd synoniem met het merk.

In 1883 werd het huis gevestigd op nummer 3, Rue de Choiseul en in 1898 op nummer 20, Place Vendôme, een prestigieus adres in de juwelierswereld.

Georges’ zoon, Marcel Mauboussin, trad in 1922 toe tot het bedrijf en gaf het een internationale dimensie.

Hij opende filialen in New York, Londen en Buenos Aires.

Mauboussin was een van de eerste juweliershuizen die reclamecampagnes gebruikte om hun producten te promoten.

In 1928 hield het huis een tentoonstelling en verkoop van diamanten in New York, rechtstreeks geleverd per vliegtuig.

Hij werkte in deze periode samen met de Amerikaanse juwelier Trabert & Hoeffer.

In de jaren 30 werd de naam van het huis dan ook Trabert & Hoeffer-Mauboussin.

Mauboussin werd beroemd om zijn Art Deco juwelen, die werden gekenmerkt door geometrische vormen, levendige kleuren en het gebruik van edelstenen zoals smaragden, robijnen en saffieren.

Ze wonnen diverse prijzen op internationale tentoonstellingen, zoals de Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes in Parijs in 1925, waar ze een Grand Prix kregen.

Beroemde klantenkring: Koninklijke families, aristocraten en filmsterren zoals Marlene Dietrich, Greta Garbo, Paulette Goddard, en Audrey Hepburn droegen Mauboussin juwelen.

Na de Tweede Wereldoorlog bleef Mauboussin innoveren en nieuwe stijlen ontwikkelen.

Het huis bleef een favoriet onder de elite en beroemdheden.

Jean Goulet-Mauboussin, kleinzoon van Georges Mauboussin, nam in 1955 de leiding van het bedrijf over.

In de jaren 80 en 90 kende het huis een periode van wisselende eigenaren.

In 2002 werd Mauboussin overgenomen door de Zwitserse financier Dominique Frémont, die het merk nieuw leven inblies.

Hij herpositioneerde het merk met een focus op toegankelijkere luxe.

In 2019 nam Alain Némarq, de huidige CEO, de leiding van het bedrijf over.

In de beginjaren waren de ontwerpen afkomstig van Monsieur Rocher en later Jean-Baptiste Noury.

Georges Mauboussin was niet alleen een zakenman, maar ook betrokken bij het ontwerpproces.

Marcel Mauboussin speelde een belangrijke rol in het ontwikkelen van de Art Deco stijl van het huis.

Door de jaren heen heeft Mauboussin samengewerkt met diverse getalenteerde ontwerpers, vaak in-house, maar ook met externe ontwerpers.

Vandaag de dag heeft Mauboussin een team van in-house ontwerpers die verantwoordelijk zijn voor de creaties van het huis.

Mauboussin stond bekend om zijn innovatieve en gedurfde ontwerpen, vooral tijdens de Art Deco periode.

Onder leiding van Dominique Frémont werd het merk met succes geherpositioneerd als een toegankelijker luxemerk.

Mauboussin heeft verschillende collecties gecreëerd, waaronder de “Nadia” ring (een ring met een centrale edelsteen omringd door kleinere stenen) en de “Le Premier Jour” collectie (een collectie verlovings- en trouwringen).

Het huis staat ook bekend om zijn parfums.

Maison Mauboussin bestaat nog steeds en is actief in de juweliers- en parfumindustrie.

Het heeft boetieks over de hele wereld en verkoopt zijn producten ook online (foto januari 1935)