
Vanavond, 35 jaar geleden, Rob de Nijs te zien op de Nederlandse buis

Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek

Vandaag zou Joost Nuissl 81 jaar geworden zijn. Hij werd namelijk op 15 oktober 1945 geboren in Amsterdam, in een gezin waar vooral klassieke muziek opstond en popmuziek ver te zoeken was.
Al vroeg vond hij zijn eigen muzikale weg: op zijn achtste speelde hij ukelele en twee jaar later pakte hij de gitaar op.
Na het gymnasium begon hij aan een studie Frans aan de Universiteit van Amsterdam, maar na welgeteld één college hield hij het alweer voor gezien.
Boeken en collegebanken vond hij maar saai; hij wilde de wereld ontdekken.
Hij pakte zijn biezen en trok een half jaar lang kriskras door Frankrijk.
Terug in Nederland begon hij aan het conservatorium in Amsterdam om muziekleraar te worden.
Om de rekeningen te betalen trad hij tijdens zijn studie al op met Nederlandstalige liedjes, maar ook het conservatorium hield hij na een jaar voor gezien.
Vanaf 1966 liep hij stage bij VARA-radio onder de vleugels van Joop Koopman.
Tegelijkertijd timmerde hij solo aan de weg op de podia in Nederland en Vlaanderen.
Hij speelde overal waar publiek was, van kleine theaters tot gezellige jeugdhuizen.
Hij kon er net van rondkomen en zodra de verdiensten het toelieten, huurde hij twee muzikanten in om hem te begeleiden.
Eind jaren zestig schoof hij aan bij Willem Duys in ‘Voor De Vuist Weg’.
Tekstschrijver en producer Gerrit den Braber zag het meteen in hem zitten en stelde voor een album op te nemen.
Dat leidde in 1970 tot zijn debuutalbum ‘Er Staat Wat Te Gebeuren’, vol met zelfgeschreven nummers.
In 1974 verscheen zijn tweede plaat, ‘Een Huis Van Zachte Steenen’.
De single ‘Ik Ben Blij Dat Ik Je Niet Vergeten Ben’ schoot meteen de hitlijsten in en groeide uit tot een tijdloze evergreen.
Voor de opname kreeg hij versterking van de harmonie Vorster Kapel en het Dameskoor Broekhuizenvorst.
Opvallend genoeg deed de single niets in Vlaanderen, maar in Nederland schopte het nummer het vlot tot een zesde plaats in de Top 40.
Ondanks het feit dat ‘Ik Ben Blij Dat Ik Je Niet Vergeten Ben’ voor de meeste mensen zijn lijflied werd, ga ik toch voor de opvolger van toen, namelijk het nummer ‘Laten We Samen Verder Gaan’, als mijn favoriete nummer van deze sympathieke zanger.
Een jaar later, in 1975, liet Nuissl ook als schrijver van zich horen met de verhalenbundel ‘Verhaaltjes’.
Daarna volgden de albums ‘Joost Nuissl & Zo’ in 1976 en ‘In De Restauratie’ in 1979.
De echt grote hits bleven voor hemzelf echter uit.
Achter de schermen scoorde hij wel: hij schreef de tekst voor ‘Het Werd Zomer’ van Rob de Nijs, wat een enorme hit werd.
Voor Nuissl was de maat vol wat betreft zijn eigen solocarrière, waarna hij besloot vooral voor andere artiesten te gaan schrijven.
Wel vormde hij in 1980 nog even een gelegenheidsduo met Joost Belinfante, bekend van Doe Maar.
Onder de naam Jjoooosst traden ze geregeld op en brachten ze in 1981 een gelijknamig album uit, ‘Jjoooosst’.
Ondertussen schreef Nuissl in 1980 ‘Dromentrein’ voor Lenny Kuhr en leverde hij in 1981 de Nederlandse tekst voor de kraker ‘Willem’ van Willem Duyn.
In 1982 kwam er definitief een einde aan Jjooosstt en beëindigde Nuissl zijn carrière als podiummuzikant.
Hij keerde terug naar een andere grote passie: de theaterwereld.
Datzelfde jaar werd hij directeur van het Waagtheater in Delft.
Drie jaar later, in 1985, stapte hij over naar de stichting Het Onderzoek in Tiel, een bureau voor publieksbemiddeling.
In 1988 volgde zijn benoeming tot directeur van De Kleine Komedie in Amsterdam, een rol die hem op het lijf geschreven was.
Helemaal loslaten kon hij de muziek nooit.
Begin jaren negentig pende hij weer liedjes voor Rob de Nijs, te horen op de albums ‘Hartslag’ uit 1991 en ‘Tussen Jou en Mij’ uit 1993, naast tracks op twee verzamelalbums.
In 1992 leverde hij diverse nummers af voor het album ‘Niet Normaal Meer’ van Willem Duyn.
In september 2006 nam Joost Nuissl na een lange en gewaardeerde periode afscheid van De Kleine Komedie.
Vorig jaar, op 7 oktober 2025, overleed hij.



Frank Liefooghe volgde zijn opleiding aan de Academie van Gent, waar hij zich bekwaamde in grafiek, sierkunst en schilderkunst.
Onder invloed van mentoren als Raoul Servais, Jan Burssens en Pierre Vlerick groeide bij hem een vrijgevochten, non-conformistische mentaliteit die bepalend werd voor zijn artistieke ontwikkeling.
Die houding kwam tot uiting in grootschalige projecten die de gemiddelde toeschouwer verbaasden, zoals zijn plan uit 1969 om het Stedelijk Museum in Amsterdam in te pakken met een gigantisch schilderij.
Hoewel dat herinneringen opriep aan het werk van Christo, kwam het voort uit Liefooghes eigen drang om de ruimte te beheersen en artistieke grenzen te verleggen.
In de vroege jaren zeventig kregen zijn concepten een uitgesprokener maatschappelijke en filosofische lading.
In 1970–1971 experimenteerde hij bijvoorbeeld met een mobiel van hoge ballonnen boven het Amsterdamse IJ, de brede waterweg die noordelijk langs het centrum van Amsterdam loopt en de stad van Amsterdam-Noord scheidt, om de spanning tussen natuur en kunstmatige vergankelijkheid te onderzoeken.
Het project ‘Landschap van de Toekomst’ kwam tot stand in samenwerking met het Stedelijk Museum.
Later richtte hij zijn aandacht meer op thema’s zoals vrede en solidariteit.
Dat leidde onder meer tot een ontwerp voor een monument in Jeruzalem: een blauw ei dat onder invloed van de zon zou openbreken en zo symbolen van verschillende religies zou verenigen.
Het werk uit deze periode weerspiegelt een sterk ideologisch engagement, vaak in opvallende en onconventionele vormen.
Maar Frank Liefooghe was zoveel meer dan de man van grote projecten.
Zo ontwierp hij ook de hoes van het album ‘Tussen Zomer en Winter’ van Rob de Nijs.
De twee leerden elkaar kennen in Gent, via de Gentse muziekproducent en tekstschrijver Walter Ertvelt. Rob de Nijs verbleef toen een korte periode in Gent, waar de voorbereiding van het album plaatsvond.
Na het werk nam Ervelt hem mee naar de Hotsy Totsy. Op een van die avonden ontmoette De Nijs er Frank Liefooghe.
Franks oudste broer, Dirk Liefooghe, was jarenlang leerkracht aan de Gentse academie en een bekende figuur in de Gentse kunstwereld.
Hij werkte mee aan verschillende kunstprojecten en speelde in 1965 in het toneelstuk ‘Maria Stuart’ van Friedrich von Schiller (1759-1805), in een regie van Georges Vitaly, animator van kleine theaters in Parijs.
Regieassistent was Jo Decaluwe.
Het stuk was de eerste productie van het NTG, met Dré Poppe als eerste directeur.
Naast deze conceptuele projecten bleef Liefooghe zich intensief wijden aan de schilderkunst zelf, meestal ver van de gevestigde galeriewereld.
Reizen naar Schotland, Ibiza en Ierland vormden de aanloop naar zijn meest ingrijpende ervaring: een verblijf in West-Afrika in 1982.
De onderdompeling in een andere cultuur en het herontdekken van antieke levenswaarden veranderden zijn artistieke visie fundamenteel. Werken als ‘Regendans van de Lobi’ en ‘Wedergeboorte’ gebruiken weliswaar westerse materialen, maar ademen een geest die losstaat van de Europese traditie.
Zijn schilderstijl wisselt tussen een vrolijk, tachistisch kleurgebruik met veel oranje en groen, en een mystiekere benadering met diepe blauwtinten, bruinen en zwarte accenten.
Die visuele keuzes worden gestuurd door persoonlijke herinneringen aan ontmoetingen met mensen, dieren en de natuur.
Uiteindelijk vormen deze schilderijen een persoonlijke belijdenis, nauw verwant aan de bevlogenheid van zijn eerdere politieke en maatschappelijke projecten.


Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag




Ter gelegenheid van zijn toen zeventigste verjaardag vond hij het na vijftig jaar liedjes schrijven voor anderen de hoogste tijd om zelf een album uit te brengen.
Het werd zelfs een dubbel-cd onder de titel Roaring 2020.
Hoewel zijn naam misschien niet bij iedereen meteen een belletje doet rinkelen, is zijn werk ongetwijfeld bekend.
Zo schreef hij de tekst van ‘Vreemde Vogels’, de zomerhit van Claire uit 1973 die nog altijd staat als een huis.
Daarnaast schreef hij nummers voor namen als Johan Verminnen, Kris De Bruyne, Ann Christy en Miek en Roel.
Ook voor Rob de Nijs was hij een belangrijke schakel; Walter werkte mee aan diens album ‘Tussen Zomer En Winter’ uit 1977.
Rob de Nijs verbleef destijds enkele weken in Gent in 1976, voor de voorbereiding, en was toen bijna elke avond aanwezig in de Hotsy Totsy.
De hoes van dat album is overigens een kunstwerk van de Gentse kunstenaar Frank Liefooghe.
Ook als producer liet Walter zijn sporen na in samenwerkingen met Roland, de Skyblasters en Zaki.
Zijn creativiteit reikte echter verder dan muziek alleen; samen met Herwig Deweerdt maakte hij de film Jacques Brel aux Marquises en tot 2001 verzorgde hij een column in het Radio 1-programma ‘Het Einde van de Wereld’.
Bovendien was hij de drijvende kracht achter de Waterfront Galerie op Meulestede in Gent.
Dat was ook de plek waar Hotsy Totsy in 1998 een groot feest gaf ter gelegenheid van ons 25-jarig bestaan, gecombineerd met een tentoonstelling in de galerie.
Voor zijn eigen muzikale project werkte hij samen met componist Yves Meersschaert en liet hij zich omringen door het kruim van de Gentse muziekscene, met bijdragen van onder anderen Roland, Steven De bruyn, Bart Maris en Edward Buadee.


Het kwam op 22 maart de lp Top 50 binnen en stond vanaf 14 juni maar liefst vijf weken lang op de eerste plaats.
Ook in Vlaanderen was het album een groot succes.
Tijdens een diner, georganiseerd door platenmaatschappij EMI, kreeg De Nijs de onderscheiding uit handen van de Britse zanger Cliff Richard.
Het album, geproduceerd door Gerard Stellaard, bevatte bekende nummers als “Zondag”, geschreven door Stellaard, Bill van Dijk en Tineke Beishuizen, die al eerder teksten schreef voor Rob De Nijs en die in augustus 2023 overleed.
Ook de covers “Alleen Is Maar Alleen” met Nederlandse tekst van Benny Neyman en “Foto Van Vroeger” (oorspronkelijk van Udo Jürgens en de tekst van “Foto Van Vroeger” was van Joost Nuissl, die in totaal voor vijf nummers de tekst schreef voor het album) droegen bij aan de populariteit van het album.







Françoise Hardy met haar nummer Fais moi une place
Het nummer is geschreven door Julien Clerc en de tekst is van Françoise Hardy.
De versie van Françoise Hardy is terug te vinden op haar verzamelalbum Vingt Ans Vingt Titres. (1989)
Een jaar later brengt Julien Clerc ook het nummer uit op single (1990)
Conny Vandenbos was de eerste die het nummer coverde in onze taal.
Oor Rob De Nijs en Willy Sommers coverde het nummer.

Demis Roussos was een succesvolle zanger die in veel Europese landen hits scoorde met zijn Engelstalige nummers, maar ook met versies in andere talen, zoals Duits, Frans, Spaans en Japans.
In 1995 nam hij een nieuwe single op met Rob De Nijs, getiteld On My Own, maar het nummer haalde de hitlijsten niet.
Zijn laatste album verscheen in 2009, na een lange periode van stilte. “Ik was niet gestopt, maar ik had niet veel te vertellen”, zei hij tegen Le Figaro.
In september 2013 trad hij voor het laatst op in het openbaar.
Hij ontving een onderscheiding van de Franse ambassadeur in Athene, maar toen was al duidelijk dat hij ernstige gezondheidsproblemen had.
Hij had kanker in zijn lever en zijn keel.
Hij bleef echter actief als artiest, met nieuwe plannen, nieuwe nummers en nieuwe verzamelalbums.
Roussos stierf op 25 januari 2015 in een ziekenhuis in Athene aan de gevolgen van uitgezaaide alvleesklierkanker.
Hij is een van de weinige popartiesten die een eigen museum heeft gekregen.
Het museum was eerst gelegen in Nijkerk in Gelderland en was mede opgericht door platenbaas Bert van Breda.
De Demis Roussos-collectie verhuisde half september 2018 naar Athene.
Demis heeft meer dan 60 miljoen albums verkocht over de hele wereld.



