Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Ze produceerde dit album zelf, waarbij ze werd bijgestaan door Nile Rodgers.
Een van de nummers op deze plaat is ‘Victor Should Have Been a Jazz Musician’, een compositie van Grace Jones en Bruce Woolley.
De carrière van Woolley is indrukwekkend; hij is mede-auteur van de hit Video Killed The Radio Star van The Buggles en schreef daarnaast nummers voor artiesten als Dollar, Shirley Bassey, Divine, Cliff Richard, Tori Amos, Tom Jones, Cher en Bebel Gilberto.
De samenwerking tussen Bruce en Grace begon overigens al eerder, toen zij samenwerkten aan haar album Slave to the Rhythm uit 1985.
In maart 1987 werd de single ‘Victor Should Have Been a Jazz Musician’ uitgebracht in Vlaanderen en Nederland.
Hoewel dit voor velen haar beste nummer is, bleef het grote succes in de hitlijsten uit.
De single bereikte de BRT Top 30 niet en stond in de Nationale Top 50 slechts één week op de veertigste plaats.
In de Nederlandse Top 40 kwam het nummer niet verder dan de vijfendertigste positie.
Robert Miles werd als Roberto Concina geboren in Zwitserland, groeide op in Italië en woonde de jongste jaren van zijn leven op het Spaanse eiland Ibiza.
Tijdens zijn carrière was hij actief als componist, producent, dj én als radiomaker.
Hij was een invloedrijke Italiaanse producer en dj die een pioniersrol speelde in de dancemuziek van de jaren negentig.
Hij werd wereldwijd bekend als de grondlegger van de dreamtrance, een melodieus subgenre binnen de elektronische muziek dat gekenmerkt werd door rustgevende pianoklanken en sfeervolle synthesizers.
Zijn internationale doorbraak kwam er in 1996 met het nummer Children.
In Vlaanderen was de single goed voor een tweede plaats in de BRT Top 30 en in Nederland was het nummer goed voor een derde plaats in de Top 40.
De track is nog steeds een van de bestverkochte danceplaten aller tijden.
In 1997 werd Miles bovendien vereerd met een Brit Award voor beste internationale nieuwkomer.
Het succes kreeg al snel een waardig vervolg met het nummer Fable.
Deze single verscheen eveneens in 1996 en was afkomstig van zijn veelgeprezen debuutalbum Dreamland.
Fable wist de kenmerkende sound van Miles perfect te vangen.
Het nummer combineerde een dromerige, melancholische pianomelodie met een stuwende dancebeat.
Er werden destijds twee versies van uitgebracht: een instrumentale versie die de nadruk legde op de muzikale sfeer, en een vocale versie met de stem van de zangeres Fiorella Quinn.
Fable werd een enorme internationale hit en bereikte hoge posities in de hitlijsten in heel Europa, waaronder in het Verenigd Koninkrijk en Italië.
Het nummer bereikte in Vlaanderen de derde plaats in de BRT Top 30.
In Nederland was de single maar goed voor een vierentwintigste plaats in de Top 40.
Met dit nummer bewees Miles dat hij geen eendagsvlieg was en verstevigde hij zijn status als vernieuwer in de elektronische muziek.
De track droeg bij aan de populariteit van het dreamhouse-genre, dat destijds een rustiger en melodieuzer alternatief bood voor de hardere beats in de clubs.
Aan het einde van 2003 verhuisde Miles van Londen naar Los Angeles.
Al snel koos hij in zijn carrière voor een meer experimentele en alternatieve muzikale richting.
Zo bracht hij in 2004 een album uit samen met Trilok Gurtu, getiteld Miles_Gurtu.
Zijn vijfde studioalbum Th1rt3en kwam uit in februari 2011.
Onder meer Robert Fripp, Dave Okumu, Jon Thorne en Davide Giovannini werkten mee aan dit album, dat bestaat uit alternatieve en progressieve rock gemengd met elektronische geluiden.
Naast zijn eigen muziek bleef hij nauw betrokken bij de cultuurwereld; dankzij de oprichting van zijn Open Lab steunde hij jong talent binnen de elektronische muziek én de beeldende kunsten.
Hoewel hij deze nieuwe wegen verkende, blijven nummers als Fable, Children en One & One symbool staan voor een gouden tijdperk in de dancemuziek.
Miles overleed in mei 2017 op 47-jarige leeftijd op Ibiza aan de gevolgen van een uitgezaaide vorm van kanker, na een strijd van negen maanden tegen de ziekte.
In de Verenigde Staten waren er destijds overal gespecialiseerde Laserdisc-winkels te vinden, en men verwachtte dat er tegen het einde van dat jaar meer dan drieduizend verkooppunten zouden zijn, terwijl de hardware ook op Europees niveau beschikbaar was.
Japan was op dat moment het enige land met een volwassen markt voor de beeldplaten.
Men verwachtte er in dat jaar meer dan een miljoen spelers te verkopen, geproduceerd door alle elektronicafabrikanten met uitzondering van JVC, wat het totale aantal spelers in Japanse huishoudens voor het einde van het jaar ruim over de vier miljoen zou brengen.
De keuze aan software was daar erg groot met meer dan tienduizend beschikbare titels van acht verschillende fabrikanten.
Ondertussen begon ook in Amerika de cd-video van de grond te komen, waar toen ongeveer een half miljoen spelers bij de mensen thuis stonden.
Die markt zou dat jaar nog verder groeien met rond de 300.000 exemplaren.
Het Amerikaanse aanbod omvatte meer dan vijfduizend titels en groeide maandelijks met ongeveer 140 nieuwe releases, waardoor er tegen het einde van het jaar ongeveer zevenduizend verschillende platen te koop zouden zijn.
Het voorgaande jaar was in Europa het startsein gegeven voor een derde poging om de beeldplaat aan de man te brengen.
De plaat werd toen van CD-video omgedoopt in Laserdisc en de European Laserdisc Association, afgekort als ELDA, werd opgericht om de Europese zaken gecoördineerd aan te pakken.
Dat was hard nodig, want in de oude wereld waren er in het begin van dat jaar slechts 85.000 spelers in gebruik, waarvan er ongeveer de helft in Frankrijk stond.
In Nederland lag dat aantal naar schatting tussen de zeven- en achtduizend.
Hoewel de derde lancering van de beeldplaat op een cynisch onthaal van de pers stuitte, kon niemand eromheen dat de Laserdisc technisch gezien een fenomenaal product was dat verreweg de beste kwaliteit bood voor zowel beeld als geluid.
Robert van Eck, de voorzitter van de ELDA, legde uit dat de consument nog moest leren om video’s te kopen.
Daarom werkte de organisatie met lokale comités die inspeelden op de specifieke behoeften per land, zoals wetgeving, ondertiteling, dubbing en de lokale smaak.
In Frankrijk was die aanpak al aardig geslaagd; het was niet alleen het land met de grootste Laserdisc-penetratie, maar de markt voor koopvideo’s was er in drie jaar tijd ook gestegen van nul procent naar meer dan de helft van de totale markt.
Wie een kijkje nam in een winkel als de Virgin Megastore op de Champs-Élysées in Parijs, begreep meteen waarom, want daar stond een groot aanbod aan platen opgesteld naast diverse demonstratiemodellen van spelers.
Een van de redenen waarom Laserdiscs tot dan toe nog niet echt aansloegen, was het feit dat de gemiddelde koper zich er geen voorstelling van kon maken wat zo’n systeem precies presteerde.
Een nauwe samenwerking tussen de aanbieders van hardware en software was dus van levensbelang.
Volgens Van Eck zorgde de ELDA er in veel gevallen voor dat deze partijen voor het eerst met elkaar rond de tafel gingen zitten.
Een volgend probleem was dat beide aspecten ook in dezelfde winkel te zien moesten zijn, iets wat op een enkele uitzondering na nog vaak ontbrak. In Nederland leverden op dat moment drie fabrikanten Laserdisc-spelers, te weten Philips, Sony en Pioneer.
Vooral Pioneer was van plan om zich extra in te spannen voor het medium en zou binnenkort starten met een speciale Laserdisc-roadshow om de voordelen van de beeldplaat persoonlijk aan het publiek te tonen.
Op het gebied van software was het aanbod in Europa destijds nog niet zo groot, met naar schatting zo’n zes- tot zevenhonderd beschikbare titels.
Ongeveer vijfhonderd daarvan waren muziekplaten, variërend van klassiek tot pop, met onder andere concerten en clipcollecties.
Daarnaast waren er speelfilms beschikbaar, waarvan zo’n zeventig in Duitsland en al meer dan honderd in Frankrijk.
In het Nederlandse taalgebied toonden RCA Columbia Video, Warner Home Video en Cascar zich actief. RCA was toen het meest actief met een aardig aanbod aan films zoals Red Heat, My Stepmother Is An Alien, La Bamba, Robocop, Ghostbusters en Karate Kid III, die voor een prijs van 59,95 gulden, omgerekend 27,20 euro, over de toonbank gingen.
Bij Warner Home Video viel op dat moment vooral de titel Batman op. Het label Cascar, een dochter van Super Club en Philips, bracht films uit van Vestron, Cinema International en natuurfilms van National Geographic, wat goed was voor zo’n zestig titels.
Daarnaast zou er binnenkort ook materiaal van Disney verschijnen via Buena Vista Home Entertainment.
De Laserdisc bood echter meer dan alleen een concert of film op een plaat, want men was in de Verenigde Staten volop bezig met het toevoegen van extra dimensies aan het beeld. In de eerste plaats waren veel films verkrijgbaar in twee verschillende formaten.
Allereerst was er de gewone, beeldvullende variant via de zogenaamde pan-and-scan-methode.
Omdat het volle beeld van een bioscoopfilm niet helemaal op een traditioneel televisiescherm paste, koos men bij deze methode een nieuwe uitsnede, waardoor er steeds een gedeelte van het oorspronkelijke beeld wegviel.
Dit gold als een nachtmerrie voor elke filmliefhebber en menig regisseur.
Daarom kwamen er in Amerika veel films uit op het zogenaamde letterbox-formaat, waarbij de hele film wordt getoond met een zwarte balk boven en onder het beeld, zodat het volledige breedbeeld zichtbaar bleef voor de echte cinefielen.
Voor de toekomst bood dit brievenbusformaat extra mogelijkheden, aangezien de toekomstige breedbeeldtelevisies de optie zouden hebben om dergelijke beelden op te blazen tot de volle hoogte en breedte van het grotere scherm.
De kwaliteit vormde daarbij geen enkel probleem, want de beeldplaat had een oplossend vermogen van 400 lijnen, vergeleken met slechts 240 lijnen voor de gemiddelde videorecorder.
Een andere mogelijkheid die speciaal op filmgekken was gericht, was het aanbieden van extra informatie.
Het Amerikaanse merk Criterion Collection specialiseerde zich in zulke cinefiele edities van bioscoopfilms.
Bij titels als Raging Bull en Taxi Driver kreeg de koper naast de film bijvoorbeeld een documentaire over het maken van de productie en de originele promotiefilmpjes.
Bovendien gaf regisseur Martin Scorsese op een apart geluidsspoor commentaar bij de film.
Voordat zulke extra’s in Nederland beschikbaar zouden zijn, was men naar verwachting wel weer een paar jaartjes verder.
Wie destijds een Laserdisc-speler wilde aanschaffen, had nog niet zo heel veel keuze.
Er waren drie fabrikanten waarvan de apparaten ruim verkrijgbaar waren: Philips, Sony en Pioneer.
De prijzen begonnen bij ongeveer 1200 gulden, wat omgerekend neerkwam op circa 544,54 euro.
Voor dat bedrag kocht men een speler die niet alleen laserdiscs van alle formaten kon afspelen, maar ook geschikt was voor gewone audio-cd’s.
Het verdient daarom aanbeveling om de speler niet alleen op de televisie, maar eveneens op de hifi-installatie aan te sluiten.
Alleen Sony had op dat moment een multisysteemspeler op de markt waarmee ook Amerikaanse en Japanse Laserdiscs konden worden afgespeeld.
Deze buitenlandse platen werkten volgens de NTSC-kleurennorm en konden daardoor niet op alle gangbare Europese televisies worden aangesloten.
Naar alle waarschijnlijkheid zou ook Pioneer later dat jaar met een eigen multisysteemspeler op de proppen komen.
In de Noord-Hollandse plaats Huizen hield Ron Exalto zich destijds bezig met zijn speciaalzaak Elvic.
Hij was al jaren bezeten van het medium en had van zijn hobby zijn werk gemaakt, waarmee hij de enige winkel in Nederland bezat die zich exclusief toelegde op beeldplaten.
Exalto had in zijn zaak zowel de spelers als de discs overzichtelijk naast elkaar uitgestald, zodat hij klanten die nog niet bekend waren met het medium direct kon tonen wat er allemaal mogelijk was.
Wat ooit was begonnen als een klein postorderbedrijfje, was uitgegroeid tot een van de grootste collecties Laserdiscs in het land, met een sterke specialisatie in speelfilms en popmuziek.
Klassieke muziek was er op bestelling leverbaar en hij bood regelmatig speciale acties aan.
Zo had hij destijds een partij Nederlandse Laservision-kinder-video’s opgekocht en importeerde hij platen uit Engeland en de Verenigde Staten. De winkel was gevestigd aan de Haardstedelaan 2 in Huizen.
Laserdiscs werden destijds gezien als het mooiste videomedium dat men zich kon bedenken, dankzij een fantastische beeldkwaliteit en volledig digitaal geluid dat via de hifi-installatie voor een echte bioscoopervaring in de huiskamer zorgde.
Toch was de Laserdisc in Nederland toen nog steeds niet het grote succes dat het feitelijk had moeten zijn, terwijl het medium in Japan en de Verenigde Staten wel een redelijk succes genoot.
De geschiedenis van de beeldplaat was toen ongeveer tien jaar daarvoor begonnen. Met de introductie van de compactdisc bleek destijds dat dit medium ook uitstekend geschikt was voor de opslag van beelden.
Onder de naam Laservision werden de eerste beeldplaten op een formaat van 30 centimeter uitgebracht, maar dat werd destijds geen doorslaand succes.
De videorecorder was toen net aan een sterke opmars begonnen en iedereen riep dat men met een Laservision-speler niet zelf programma’s kon opnemen.
Bovendien was het in die tijd nog onduidelijk welk beeldplaatsysteem de toekomst zou gaan worden.
Uit Amerika kwam destijds het CED-systeem van RCA, dat nog met een conventionele naald werkte, terwijl JVC het VHD-systeem voor beeldplaten ontwikkelde.
Hoewel Laservision technisch het meest geavanceerde systeem van de drie was, hield het destijds in Europa en Amerika evenmin gemakkelijk stand.
Alleen in Japan zette men destijds door op de ingeslagen weg. Ondertussen evolueerde de techniek en in 1987 werd ook in Europa en Amerika een nieuwe versie van Laservision geïntroduceerd onder de naam CD-video.
Hierbij werd het geluid voortaan digitaal opgeslagen in plaats van analoog. Bovendien werden de nieuwe spelers geschikt gemaakt voor alle soorten compact discs, zodat zowel de audio-cd als de nieuwe CD-video en de oudere Laservision-platen erop konden worden afgespeeld.
Maar ook na deze tweede introductieronde bleef het grote succes in Europa aanvankelijk uit, terwijl de markt in Japan juist wel goed begon aan te trekken.
Men was daar inmiddels tien jaar bezig met het medium en aan het begin van dat jaar stonden er volgens Robert van Eck al zo’n 3,2 miljoen spelers bij de Japanse consumenten thuis.
De voornaamste reden dat het systeem uiteindelijk nooit doorbrak bij het grote publiek, lag in de harde concurrentie met de VHS-videoband.
De consument gaf massaal de voorkeur aan het gemak van de videorecorder, waarmee men zelf televisieprogramma’s en films van de televisie kon opnemen. Een Laserdisc-speler bood die opnamemogelijkheid niet en was puur een afspeelmedium.
Daarnaast bleven de aanschafkosten voor zowel de spelers als de grote, kwetsbare disc-platen erg hoog in vergelijking met de goedkope magneetbanden.
Ook het feit dat men een film halverwege handmatig moest omdraaien, omdat de disc twee kanten had, werd door velen als onpraktisch ervaren.
Hoewel filmliefhebbers en cinefielen bleven zweren bij de superieure beeld- en geluidskwaliteit, bleef die Laserdisc daardoor een nicheproduct voor de fijnproever.
Het definitieve einde van het systeem werd ingeluid aan het einde van de jaren negentig met de komst van de DVD.
Dit nieuwe digitale medium bood dezelfde hoge kwaliteit, maar dan op een handzaam, kleiner schijfje dat goedkoper te produceren was en bovendien wél moeiteloos een volledige film op één zijde kon tonen.
De productie van de Laserdisc-spelers en de platen werd hierna wereldwijd afgebouwd, tot Pioneer in het begin van de 2000-jaren de fabricage van de allerlaatste spelers definitief stopzette.
De geruchten dat ze een travestiet zou zijn, probeerde ze in diezelfde periode te ontkrachten door te poseren voor Playboy, maar de speculaties stopten hiermee niet.
Zelfs vijftien jaar geleden, in 2011, laaide de controverse weer op toen een Italiaanse krant een geboorteakte publiceerde van een zekere Alain Tap, geboren in 1939.
Dit was veel vroeger dan de late jaren veertig die altijd als Lears geboorteperiode werden aangenomen, al hing er rond haar ware leeftijd sowieso altijd al een zweem van geheimzinnigheid.
De krant toonde bovendien een foto van een jonge Tap die sprekend op haar leek.
Lear zelf bleef er nuchter onder en vertelde tijdens een bezoek aan Brugge in 2009 dat ze net als iedereen in de showbizz altijd moet acteren.
Al die mysteries deden haar muzikale succes destijds in elk geval geen kwaad.
Samen met producer Anthony Monn groeide ze uit tot de blanke queen of disco.
Ze brak in 1978 wereldwijd door met het nummer ‘Follow me’, waarna de successen elkaar snel opvolgden.
Haar single ‘Queen of China-Town’ was oorspronkelijk al in 1977 uitgebracht, maar werd door haar immense populariteit in 1978 opnieuw uitgebracht.
Ook andere nummers zoals ‘Enigma (Give a bit of mmmh to me)’, ‘Gold’, ‘The Sphinx’ en ‘Fashion Pack’ groeiden uit tot grote hits.
Béatrice Marguerite Van der Maat werd geboren op 15 november 1960 in Gent en bouwde vanaf de jaren tachtig een veelzijdige loopbaan op als zangeres, presentatrice, actrice en lerares.
Haar kleutertijd speelde zich af in Itterbeek bij Brussel, in een heel klein schooltje dat gehuisvest was in een gebouw dat ooit een café was geweest.
Van die periode herinnerde ze zich later niet erg veel meer.
Dat ze in de buurt van Brussel opgroeide, was zeker geen slechte zaak, want op die manier leerde ze Frans.
Niets spectaculairs voor zover ze wist, behalve dan dat ze uitzinnig blij was als er om tien uur chocolademelk werd uitgedeeld.
Gisteren nog vandaag
De eerste maanden van het eerste leerjaar bracht ze door in Regina Caeli in Dilbeek.
Die allereerste schooldag zou ze nooit vergeten.
Haar vader reisde in die tijd veel en had haar een zakje gegeven met de opdruk British European Airways, wat afgekort BEA was.
Ze ging er uiteraard trots mee naar school, maar toevallig was er een juffrouw die ook Bea heette.
De oudere kinderen begonnen haar direct te pesten, omdat ze dachten dat ze het zakje van juffrouw Bea had gepakt.
Later kreeg haar vader een baan in de buurt van Gent te pakken en verhuisde het gezin.
Ze woonden in Sint-Amandsberg en Oostakker, waardoor Bea het eerste studiejaar afmaakte in Onze-Lieve-Vrouw Visitatie.
Dat viel mee, maar het tweede jaar werd een absolute ramp.
Haar zus ging naar het vierde leerjaar en vreesde voor de strenge juffrouw Georgette. Precies die leerkracht bleek te zijn overgeplaatst naar het tweede leerjaar.
Door alle angstaanjagende verhalen van haar zus had Bea vooraf zoveel schrik dat het nooit meer goed is gekomen.
Het werd een verschrikkelijk streng jaar waarin ze continu last had van buikpijn.
Haar moeder nam haar mee naar de dokter, maar er was lichamelijk niets aan de hand.
Het was puur psychologisch, buikpijn van narigheid.
Daarna volgden Tienen en Diest.
Verhuizen vond ze soms erg vervelend, want het was niet leuk om haar vriendinnetjes op school telkens achter te laten.
Vanaf het derde leerjaar tot het tweede jaar humaniora zat ze op het Koninklijk Lyceum in Tienen.
Daar viel alles weer op zijn pootjes.
De eerste dagen waren wel moeilijk, omdat ze haar vriendinnen in Gent miste; samen met haar jongste zus liep ze de eerste twee dagen huilend rond op de speelplaats.
Toch werd het er uiteindelijk heel plezant. Gelukkig vormden ze thuis een hecht gezin met vijf meisjes die stevig aaneen hingen.
Ze zaten met z’n vijven op dezelfde school, wat de leerkrachten en studiemeesteressen sympathiek vonden en waar Bea van kon profiteren.
Ze was een echte babbelkous, maar omdat ze geen studieproblemen had, werd dat door de vingers gezien.
Ze kreeg wel eens flink wat straf toen ze jeukpoeder mee naar de klas had genomen, maar verder waren er nauwelijks problemen.
Op momenten waarop ze zich verveelde, maakte ze haar tafels van vermenigvuldiging al van tevoren af.
Een specifieke herinnering uit de lagere school staat los van de klaspraktijk, maar bleek achteraf erg belangrijk.
Als jongste van het gezin moest ze altijd de gedragen kleren van haar zussen afdragen, terwijl haar vriendinnetjes steeds nieuwe spullen kregen.
Dat voelde soms oneerlijk.
Achteraf gezien is het doorstaan van die jaloezie heel waardevol geweest, want ze leerde dat kleding eigenlijk niet zo belangrijk is.
Tegenwoordig droeg ze met plezier kledingstukken van haar zussen.
Thuis kregen de zussen vooral Franse muziek mee van hun ouders, zoals Julien Clerc en Gilbert Bécaud.
Haar moeder had voortdurend de Franstalige radio opstaan.
Toen Toppop op de Nederlandse televisie begon, was dat meteen helemaal het einde.
Met haar zussen keek ze elke week en ze waren verzot op Gilbert O’Sullivan.
Ze stonden te dansen voor de televisie en zongen vol overgave mee.
Met haar oudste zus deelde Bea een kamer.
Zij luisterde ’s avonds vaak naar Radio Luxemburg, en op die manier leerde Bea ook Engelstalige muziek kennen.
Het begin van de humaniora verliep bijzonder aangenaam.
Samen met drie vriendinnen met wie ze de plechtige communie had gedaan, volgde ze de lessen zedenleer.
Ze waren slechts met hun vieren en hadden een ontzettend leuke lerares.
De lerares nam de vier meisjes in haar Porsche mee naar de bioscoop, en soms gingen ze tijdens de les iets drinken in het cafetaria van de GB.
Eén keer ontstond er opschudding toen de lerares tijdens een les over voorlichting allerlei hulpmiddelen meebracht om de uitleg te verduidelijken.
Nadat dat uitlekte, reageerden sommige ouders woedend.
Vanaf het derde jaar humaniora belandde Bea door een nieuwe verhuizing op de nonnenschool in Diest.
Dat was een grote overgang, maar achteraf bleek de hoge onderwijskwaliteit erg nuttig.
Het niveau lag zo hoog dat ze na haar eerste overhoring wiskunde slechts een half op twintig haalde.
Dat was een diepe ontgoocheling, maar haar moeder reageerde heel begripvol door te zeggen dat het nog altijd beter was dan een nul.
Die reactie deed deugd en stimuleerde haar om haar best te doen.
In het middelbaar koos ze voor wetenschappen, omdat ze hield van vakken zoals scheikunde en biologie.
Op haar jonge leraar biologie was ze trouwens erg lang verliefd.
Hij was pas afgestudeerd en droeg meestal een zwart fluwelen pak.
Boven haar bed hing een kalender waarop ze op biologiedagen de letters P.V. noteerde, wat verwees naar Piet Verhoeven uit de Dagobertstraat in Leuven.
Ondanks haar liefde voor wetenschappen koos ze daarna toch voor een studie Germaanse talen.
Dat bleek evenwel te hoog gegrepen.
Ze heeft uiteindelijk geen examens meegedaan, maar toch heeft ze in dat jaar veel geleerd.
Ze begon kranten te lezen, raakte geïnteresseerd in politiek en in de wereld om haar heen, én ze leerde haar man kennen.
Het jaar daarop ging ze regentaat studeren.
Ze was erg enthousiast over lesgeven en wilde de perfecte lerares worden.
Ze overwoog sterk om effectief in het onderwijs te stappen, maar begin jaren tachtig waren de banen in die richting dun gezaaid.
Bovendien waren Bea en haar man net begonnen met hun newwaveband Chow-Chow en hadden ze geld nodig.
Haar man was een echte muziekfreak en hoewel hij zelf geen gitaar speelde, wilde hij graag een band beginnen.
Het was de bloeiperiode van de punk, waarin emotie belangrijker was dan perfect spel.
Bea bleek een goede stem te hebben en mocht zingen.
Om geld te verdienen voor de band ging ze op de boekhouding van een bedrijf werken.
Het was een saaie baan, maar het leverde de nodige financiële middelen op.
In 1982 deden ze met Chow-Chow een eerste keer mee aan Humo’s Rock Rally.
Ze kregen toen prima beoordelingen, maar raakten niet in de finale.
Bij hun tweede deelname in 1984 lukte dat wel en bereikten ze de finale.
Als ze later naar die muziek luisterde, vond ze het zeker niet slecht, al hoorde je wel hoe jong en onervaren ze toen nog waren.
Na het ontbinden van die groep gingen ze verder met meer muzikanten: een saxofonist, een tweede gitarist en een keyboardspeler.
Met die uitgebreide bezetting ging Bea als frontvrouw verder onder de naam Won Ton Ton.
Die naam klonk gewoon goed en kwam er ook grafisch mooi uit.
Pas later ontdekten ze dat er ooit een film was gemaakt met de titel Won Ton Ton, maar daar had hun naamkeuze niets mee te maken.
Bea was wel blij dat het om een hond ging, want ze was een grote hondenliefhebber.
Wie Won Ton Ton zegt, denkt onvermijdelijk aan de hit ‘I Lie and I Cheat’ uit 1988, wat een grote Belpop-klassieker werd.
Het nummer bereikte destijds in Vlaanderen de tiende plaats in de BRT Top 30.
Ook in Nederland was de single een succes met een dertiende plaats in de Top 40.
Vandaag is dit een onbetwiste klassieker.
De totstandkoming van dat nummer verliep heel organisch, net als bij hun andere nummers.
De ene muzikant speelde iets, de andere ging erop verder en zo groeide het lied vanzelf.
Ook de tekst ontstond via een hechte samenwerking: Bea begon woorden te zingen en haar man maakte de zinnen af.
De uiteindelijke songtekst gaat over mishandeling, al was dat uiteraard helemaal niet autobiografisch.
Hoewel er destijds zelfs internationale interesse was vanuit de Verenigde Staten, koos ze bewust voor haar gezin nadat ze zwanger werd van haar eerste kind.
In 1996 bracht ze nog het soloalbum Thin Skinned uit, een plaat die ze zelf als een persoonlijk muzikaal hoogtepunt beschouwde.
Eind jaren tachtig werd ze een bekend gezicht voor het brede publiek.
Bij de start van de commerciële zender VTM in 1989 vormde ze samen met Willy Sommers het allereerste presentatieduo van het populaire muziekprogramma Tien om te zien.
Een jaar later maakte ze haar filmdebuut aan de zijde van Urbanus in de kaskraker Koko Flanel, die uitgroeide tot een van de meest succesvolle Vlaamse bioscoopfilms ooit.
Later presenteerde ze onder meer de programma’s Dag Coco, Studio Gaga en het natuurprogramma Rare Streken.
Toch verklaarde ze later dat de schijnwerpers en de roem haar niet altijd even goed lagen.
Ze maakte een stap terug uit de mediawereld en besloot haar regentaatsdiploma te gebruiken om les te geven.
Vanaf 2004 gaf ze als leerkracht Engelse les in de middenschool in Keerbergen.
In juni 2022 werd bij haar de spierziekte ALS vastgesteld.
Bea Van der Maat koos uiteindelijk voor euthanasie en overleed op 27 juli 2023 op 62-jarige leeftijd.
30 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse zangeres Bea Van der Maat (De Post 13 september 1991)
Gisteren nog vandaag
Bea Van Der Maat (Joepie januari 1990)
Gisteren nog vandaag
Bea Van Der Maat (1989)
Gisteren nog vandaag
Bea Van Der Maat in de Joepie van 16 juli 1989
Gisteren nog vandaag
Koen Wouters, Willy Sommers, Bea Van Der Maat en Bart Kaëll in de Joepie van 23 juli 1989
Gisteren nog vandaag
Geen sterallures bij Bea Van der Maat en Dani Klein (Joepie 17 april 1988)
Gisteren nog vandaag
Het schoolverleden van Bea Van der Maat (Joepie 5 oktober 1986)
Gisteren nog vandaag
Bea Van Der Maat met het nummer Pain voor de tv-serie Flikken
De formatie uit de regio Brussel bestond oorspronkelijk uit de vier leden Sue, Martine, Pascale en Viviane.
Voordat ze de muziekwereld veroverden, werkten de dames al vijf jaar samen als dansgroep en stonden ze op het podium als achtergronddanseres bij bekende artiesten zoals Will Tura en Lee Towers.
Hun muzikale doorbraak kwam er dankzij een samenwerking met Raymond Felix, die eerder al succes boekte met Jack Jersey.
Het absolute hoogtepunt van Bisquit was de single Roller Boogie, geschreven door het duo Ronny Sigo en Raymond Felix.
Die laatste nam ook de volledige productie van het nummer voor zijn rekening.
De aanpak werkte, want de single deed het commercieel goed en klom tot de achttiende plaats in de BRT Top 30.
Hoewel de hitparade in Nederland buiten bereik bleef, werd het nummer ook in Duitsland een bescheiden succes met een achtenvijftigste plaats als hoogste notering.
De groep viel niet alleen op door de muziek, maar ook door een opvallende futuristische stijl.
De leden traden op in paarse pakken en droegen zilveren discohelmen die volledig met spiegeltjes waren bedekt.
Dit mysterieuze imago was een bewuste strategie om de nieuwsgierigheid van het publiek te prikkelen en boven de massa uit te steken.
Wel zat er een opmerkelijk verschil tussen de werkelijkheid en het imago: hoewel de formatie achter de schermen uit vier vrouwen bestond, werd de groep op de singlehoes gepresenteerd als een trio van twee vrouwen en een man.
Hoewel de spiegelhelmen hun handelsmerk werden, keken de groepsleden al vooruit naar andere vermommingen om hun visuele presentatie vernieuwend te houden.
De kern van hun succes bleef de ijzersterke combinatie van professionele danschoreografieën en aanstekelijke discomuziek, een formule die destijds zowel op de televisie als in de discotheken volop in de smaak viel.
Betty Holt werd geboren op 23 januari 1931 in Jacksonville, Florida. Ze groeide op in een gezin dat al snel door de filmwereld werd aangetrokken.
Nadat entertainer Will Rogers de danskwaliteiten van haar oudere broer David had geprezen, besloot het gezin Holt de stap naar Californië te wagen.
Ze reisden in een oude auto met aanhanger vanuit Florida naar Hollywood, vastberaden om door te breken in de filmindustrie.
Al op vierjarige leeftijd werd Betty ontdekt door filmstudio Paramount Pictures, waar ze een langdurig contract kreeg aangeboden.
In de tweede helft van de jaren dertig verscheen ze in diverse studioproducties.
Zo maakte ze haar opwachting in films als ‘Without Regret’ uit 1935, ‘It Could Happen to You!’ uit 1937 en de korte film ‘Starlit Days at the Lido’.
Hoewel haar tijd in de schijnwerpers voornamelijk tot haar kinderjaren beperkt bleef, vormt haar werk een charmant onderdeel van de Hollywoodgeschiedenis uit het studio-tijdperk.
Betty Holt overleed op 10 mei 2008 op 77-jarige leeftijd in de Verenigde Staten.
Haar oudere broer David Jack Holt werd geboren op 14 augustus 1927 in Jacksonville, Florida.
Hij was het eerste gezinslid dat het maakte in Hollywood. Paramount Pictures schoof de jonge David begin jaren dertig naar voren en promootte hem als de mannelijke tegenhanger van Shirley Temple.
Hij speelde in talloze bekende klassiekers, waaronder ‘The Adventures of Tom Sawyer’ uit 1938, ‘Beau Geste’ uit 1939, ‘The Pride of the Yankees’ uit 1942 en ‘Courage of Lassie’ uit 1946.
Naarmate hij ouder werd, en minder aan de bak kwam in Hollywood, liet hij het acteren rond zijn vijfentwintigste achter zich.
David bouwde later een succesvolle carrière op als jazzpianist, componist en werd algemeen directeur en mede-eigenaar van een muziekuitgeverij, Clorvel Music in Studio City, Californië.
Als songwriter werkte Holt onder meer samen met Johnny Mercer, Robert Wells, Sammy Cahn, Paul Francis Webster en Dok Stanford.
Tot zijn bekendste nummers behoren ‘What Every Girl Should Know’, ‘Anyone Can Fall in Love’ en het samen met Sammy Cahn geschreven ‘The Christmas Blues’.
Dat laatste nummer werd opgenomen door Dean Martin en gebruikt op de soundtrack van de film L.A. Confidential uit 1997.
Holt componeerde ook de muziek voor verschillende jazzalbums met Pete Jolly.
Hij overleed op 15 november 2003 op 76-jarige leeftijd.
Het jongere broertje Ricky Holt werd geboren op 6 mei 1938.
In de voetsporen van zijn broer en zus trad ook hij op jeugdige leeftijd toe tot de filmindustrie van de late jaren dertig en vroege jaren veertig.
Een van de meest opmerkelijke momenten uit zijn kindertijd was zijn figuratie in de epische filmklassieker ‘Gone with the Wind’ uit 1939.
Hij verscheen daarnaast in diverse kleinere filmrollen als kinderfigurant.
Ricky Holt overleed op 16 augustus 2015 op 77-jarige leeftijd.
In 1992 zorgde de Ierse zangeres Sinéad O’Connor voor veel beroering toen ze live op de Amerikaanse televisie een foto van de paus verscheurde.
Haar complexe relatie met religie nam in 1999 een nieuwe wending toen ze in Lourdes tot priester werd gewijd door bisschop Michael Cox, de leider van de afgescheurde Latijnse Tridentijnse kerk.
Vanaf dat moment ging ze door het leven als Moeder Bernadette Mary en werd ze de eerste vrouw in deze functie.
De ceremonie veroorzaakte echter stevige ruzie en de weigering van de Rooms-Katholieke Kerk om de wijding te erkennen.
Omdat O’Connor destijds 200.000 dollar aan Cox had geschonken, ontstond al snel de perceptie dat ze haar priesterschap simpelweg had gekocht.
Door de jaren heen bleef de zangeres worstelen met haar identiteit, wat zich onder meer uitte in verschillende naamsveranderingen.
In 2017 veranderde ze haar wettelijke naam naar Magda Davitt.
Slechts een jaar later kondigde ze aan dat Sinéad Marie Bernadette O’Connor niet langer bestond; ze had zich bekeerd tot de islam en wilde voortaan Shuhada’ Davitt genoemd worden, een Arabische naam die staat voor martelaar of getuige.
Naast deze spirituele zoektocht werd haar leven zwaar getekend door persoonlijke en mentale worstelingen.
O’Connor kampte met de naweeën van trauma’s en misbruik uit haar jeugd. Ze gaf zelf aan dat ze door haar directe start in de muziekindustrie nooit had geleerd om een normaal leven te leiden en geen tijd had genomen om te genezen.
Na decennialang cannabisgebruik en een kortstondige verslaving aan andere middelen in 2020 door het verlies van een geliefde en de zorgen om haar tienerzoon Shane, besloot ze in 2021 in te grijpen.
Ze annuleerde al haar optredens voor dat jaar om een jaar lang te focussen op therapie en ontwenning, met als doel haar zwarte gedachten te overwinnen.
Via Twitter vroeg ze haar fans om begrip voor de zes loodzware jaren die ze had doorgemaakt, met de boodschap dat haar herstel nu echt kon beginnen.
Dit herstel werd echter ruw verstoord door een onvoorstelbaar drama toen haar 17-jarige zoon Shane in januari 2022 uit het leven stapte.
O’Connor was gebroken en noemde hem op Twitter het licht van haar leven dat besloten had zijn aardse strijd te beëindigen.
Ze sprak de wens uit dat hij in vrede mocht rusten en drukte haar volgers op het hart om zijn voorbeeld niet te volgen.
Hoe dan ook kwam er op 26 juli 2023 een verdrietig einde aan het roerige bestaan van deze veelbesproken zangeres, die op 56-jarige leeftijd overleed.
Uit het Ierse lijkschouwingsrapport bleek dat ze specifiek overleed aan een verergering van de longziekte COPD, astma en een lichte infectie in de onderste luchtwegen.
Het succes en de schaduwzijde van een countryklassieker.
Het nummer Success Has Made a Failure of Our Home van Sinead O’Connor is gebaseerd op het nummer Success van countryzangeres Loretta Lynn.
Dat origineel werd in 1961 geschreven door Johnny Mullins.
In de tekst zingt de artiest over de keerzijde van roem: het najagen van een succesvolle carrière en rijkdom heeft er in dit verhaal ironisch genoeg voor gezorgd dat het gezinsleven en het huwelijk volledig zijn stukgelopen.
Hoewel de kern en de betekenis in beide versies precies hetzelfde zijn, bracht Sinead O’Connor wel een paar subtiele tekstuele aanpassingen aan.
Zo veranderde ze onder andere de openingsregel over het achterlaten van een eenvoudige boerderij om het lied moderner te maken en beter te laten aansluiten bij haar eigen achtergrond.
Toen Loretta Lynn de single in april 1962 uitbracht, werd het een groot succes en betekende het haar allereerste top 10-hit in de Amerikaanse Hot Country Songs.
Jaren later wist Sinead O’Connor met haar eigen versie ook in de Lage Landen te scoren, waar de cover goed was voor een eenentwintigste plaats in zowel de Vlaamse BRT Top 30 als een vijftiende plaats in de Top 40.
Inmiddels is ook Loretta Lynn overleden. De legendarische countryzangeres stierf op 4 oktober 2022 op negentigjarige leeftijd in haar slaap.
Vijftig jaar geleden rees de vraag of de Golden Earring weldra weer met zijn vieren zou zijn.
Het was in die tijd algemeen bekend dat popgroepen die zich uitsluitend op tieners richtten, vaak geen lang leven beschoren waren.
Na een reeks hits kwam er meestal een periode van stilte of zelfs neergang. Dat wilde echter niet zeggen dat men zomaar op zijn lauweren kon rusten.
Ook zwaardere rockbands hadden het destijds moeilijk, en het werd meteen opgemerkt wanneer het lp-publiek begon af te haken.
Het meest sprekende voorbeeld daarvan was op dat moment de Nederlandse supergroep Golden Earring.
Na enkele jaren van groot succes stonden ze toen voor een bijzonder lastige periode.
Slechts een paar maanden eerder had alles nog uitstekend geleken voor de band.
Ze waren enorm enthousiast geweest over hun geplande Amerikaanse tournee.
Brian Hay gaf aan dat hun vorige plaat een kassucces was geweest in de Verenigde Staten en dat de daaropvolgende tournee erg goed was meegevallen.
Om hun nieuwe album ‘To The Hilt’ te promoten, hadden ze een nieuwe reeks optredens voorzien, maar de verwachtingen werden die keer helaas niet ingelost.
Het album bereikte destijds de 156e positie in de Amerikaanse Billboard Top 200 en ontving over het algemeen minder gunstige kritieken.
Hierdoor liepen de voorverkoopcijfers van de Amerikaanse tournee drastisch terug.
Ondanks deze tegenvallende cijfers trok de band toch naar Amerika.
Volgens Barry Hay was de eerste show geweldig, maar verzwakte de belangstelling daarna enorm.
Hoewel hij niet precies wist waar dat aan lag, benadrukte hij dat ze zich nochtans de ziel uit het lijf hadden gespeeld.
Hij voegde eraan toe dat men met het Amerikaanse publiek echter nooit zeker was.
De opkomst was op een bepaald moment zo minimaal dat de tournee werd onderbroken en de groepsleden veel vroeger dan verwacht naar Nederland terugkeerden.
Alsof deze zware domper nog niet genoeg was, stond het er rond die tijd ook al zo goed als vast dat de nieuwste aanwinst van de groep, organist Robert Jan Stips, de Golden Earring zou gaan verlaten.
Een tijd daarvoor had hij zijn eerste soloalbum uitgebracht, en de algemene verwachting was dat hij als soloartiest verder wilde gaan.
Robert zelf was toen niet te bereiken voor commentaar, maar Barry Hay gaf wel tekst en uitleg.
Hij vertelde dat Robert het in die periode niet meer met hen zag zitten, omdat hij absoluut veranderingen in hun muziek wilde doorvoeren.
Hoewel de kans op zijn vertrek zeer groot was, stond de definitieve beslissing nog niet voor de volle honderd procent vast en zou er eerst nog verder over gepraat worden.
Barry Hay nuanceerde de situatie door te stellen dat het voor hen geen drama zou zijn als Robert daadwerkelijk de groep verliet.
Ze hadden het immers al die jaren daarvoor ook met zijn vieren gedaan, dus er was geen reden waarom ze dat op dat moment niet meer zouden kunnen.
De hele show zou in dat geval wel herzien moeten worden, maar dat was volgens hem hooguit een kwestie van enkele maanden werk.
Uiteindelijk was Robert Jan Stips van 1974 tot 1976 toetsenist bij de band.
Hij speelde mee op het album Switch en toerde destijds intensief met hen door de Verenigde Staten.
Na zijn vertrek uit de groep in 1976 richtte hij zich op diverse andere projecten.
Zo was hij medeoprichter van de formatie Sweet d’Buster en startte hij daarna kortstondig zijn eigen project Transister.
Daarnaast drukte hij als producer zijn stempel op de Nederlandse popmuziek door onder meer drie albums te produceren voor de bekende new-waveband Gruppo Sportivo.
In 1981 sloot hij zich vervolgens aan bij de groep Nits.
Op een korte onderbreking eind jaren negentig na, is hij nog altijd een vast gezicht binnen deze band.
Zijn muzikale carrière was echter al veel eerder begonnen.
In 1968 was Stips de oprichter van de progressieve rockband Supersister, die een grote hit scoorde met ‘She Was Naked’.
In 2019 blies hij deze groep succesvol nieuw leven in met het Supersister Project.
Vanaf de jaren negentig werkte hij bovendien intensief samen met cabaretier Freek de Jonge.
Stips schreef muziek voor diens theatershows en speelde de herkenbare accordeonpartij in op de nummer één-hit Er is leven na de dood.
De inmiddels 76-jarige Robert Jan Stips is nog altijd enorm actief als veelzijdig muzikant, componist en producer.
Hij combineert zijn decennialange vaste rol als toetsenist en zanger bij The Nits met talloze eigen projecten.
Zo treedt hij nog steeds op met zijn oude band Supersister, waarbij hij een trio vormt met Rinus Gerritsen, en staat hij op de planken met zijn soloprogramma RJSolo.
Ook blijft hij muzikaal vernieuwen; hij werkt samen met violiste Marieke Brokamp en in 2025 bracht een recenter project hem samen met zangeres Jane Goulding, wat resulteerde in het album en de tournee Love & Affection.
Het creatieve talent zit overigens ruimschoots in de familie, want zijn oudere broer Wouter Stips is een bekende kunstschilder en beeldhouwer.
De geschiedenis van de Golden Earring als band kwam uiteindelijk definitief ten einde nadat gitarist George Kooymans in 2021 de diagnose ALS kreeg.
Tot groot verdriet van velen is hij in 2025 aan de gevolgen van deze slopende ziekte overleden.
De overgebleven bandleden gingen daarna ieder hun eigen weg, maar lieten de muziek nooit helemaal los.
De inmiddels zevenenzeventigjarige zanger Barry Hay woont tegenwoordig op Curaçao.
Hij geniet daar van een rustiger leven, al blijft de muziek door zijn aderen stromen en sluit hij een optreden op zijn tijd zeker niet uit.
Ook de energieke drummer Cesar Zuiderwijk is nog altijd actief in de muziekwereld.
Hij geeft regelmatig drumclinics en treedt vol enthousiasme op in theaters met diverse soloprojecten en muzikale shows.
Bassist Rinus Gerritsen is eveneens nog volop met muziek bezig.
Hij blijft muzikaal experimenteren, repeteert veel en voelt naar eigen zeggen dat hij als muzikant nog steeds vooruitgaat.
Begin 2026 kwamen Hay, Zuiderwijk en Gerritsen nog eenmaal samen voor een groots en emotioneel afscheidsconcert in Rotterdam Ahoy.
Daar brachten zij als prachtig eerbetoon, samen met diverse gastartiesten, een indrukwekkende viering van hun enorme muzikale nalatenschap
Zes jaar lang was Anita Heilker (geboren als Antoinetta Johanna Margaretha Blanker) de opvallende zangeres van The Dolly Dots.
Met haar debuutsingle “You’ve got me keyed up” liet ze in 1986 horen dat ze ook buiten de groep kan schitteren.
In een openhartig gesprek met Veronica destijds, vertelt Anita over haar afscheid van de Dolly Dots, haar nieuwe uitdagingen, haar privéleven en haar plannen voor de toekomst.
Eind vorig jaar, in 1985, stond Anita nog één keer met de Dolly Dots op het podium.
Daarna was het definitief afgelopen.
Ze zong onder andere “She’s a liar” en “Doowahdidday” en nam emotioneel afscheid van het publiek. “Ooit hoopte ik toch weer een keer met de groep te zingen,” geeft ze toe, “maar diep vanbinnen wist ik dat het moment was gekomen om solo verder te gaan.”
De echte reden voor haar vertrek was haar dochter Robin.
Anita koos er bewust voor om haar zangcarrière tijdelijk op een lager pitje te zetten. “Uit liefde voor Robin gaf ik de Dolly Dots op,” vertelt ze openhartig.
Ze wilde geen afwezige moeder zijn en koos ervoor om meer tijd met haar kind door te brengen.
“Ik kon het niet opbrengen om mijn kindje avond na avond alleen te laten,” bekende ze toen.
“Mijn vroegere collega’s en ik zijn nog steeds goede vriendinnen.
Daarom haal ik behoorlijk van de roddels als ze uit de Dolly Dots zijn gezet.
Ik ben volledig uit vrije wil opgestapt. Enkel uit liefde voor mijn baby gaf ik mijn zangcarrière op!”
Het management van de groep had gehoopt dat Anita na drie maanden weer zou terugkeren, maar Anita hield voet bij stuk.
Er kwam geen groots afscheidsconcert. “Anita’s ex-collega’s hebben geen tijd voor een afscheidsconcert,” legt ze uit. De planning liet het simpelweg niet toe.
Anita werkte hard aan haar solodebuut. Ze trainde haar stem, werkte aan haar uiterlijk en zocht de beste mensen om mee samen te werken.
Haar eerste single “You’ve got me keyed up” is een fris, dansbaar nummer dat direct laat horen dat Anita ook als soloartieste een sterke stem heeft.
Ze werkte voor dit project opnieuw samen met vertrouwde krachten uit de Dolly Dots-periode, zoals producer Peter van Asten en tekstschrijvers Richard de Bois en Richard Curiale.
“Ik ben in vertrouwde handen,” zegt Anita lachend. “Dat geeft me een veilig gevoel.
Tegelijkertijd werk ik ook met nieuwe mensen en dat maakt het extra spannend.”
Momenteel is Anita druk bezig met de voorbereidingen van haar nieuwe elpee.
Daarnaast heeft ze onlangs een nieuw huis betrokken met haar man Ton.
“Eindelijk is ze dan toch met haar man en manager Ton uit het verre Spijkenisse in het Gooi komen wonen,” vertelt ze.
Anita en Ton beginnen daar een nieuw leven.
Het huis is nog niet helemaal klaar, maar ze is er erg blij mee. “Ja, nu is het wel gelukt,” zegt ze. “We wonen nu op een plek die ideaal is, dat moet je zien.”
Vooral de kinderkamer had toen veel aandacht gekregen.
Anita is dolgelukkig dat de kinderkamer nu helemaal is ingericht.
Samen met Ton heeft ze de kamer sfeervol en praktisch gemaakt, klaar voor dochter Robin.
Ze geniet van de rustige momenten thuis en heeft een ideale manier gevonden om werk en moederschap te combineren.
“Ik moest wel eventjes slikken toen ik mijn vijf collega’s van Barbados zag vertrekken,” bekent ze, verwijzend naar de laatste Dolly Dots-opnames.
In 1984 trouwden Anita en Ton Blanker in het geheim.
Het was een bijzondere dag die ze lange tijd voor zichzelf hielden. “Niemand wist ervan,” vertelt Anita.
De bruiloft vond plaats in besloten kring en Anita droeg een prachtige witte bruidsjurk.
Het koppel koos voor een intieme ceremonie, omdat ze de druk van de publiciteit wilden vermijden.
Anita benadrukte toen dat Robin altijd op de eerste plaats komt.
Alles wat ik doe, doe ik met haar in mijn achterhoofd.
Gelukkig heb ik goede opvang, zodat ik mijn werk als zangeres en mijn rol als moeder goed kan combineren.
Anita keek toen met vol vertrouwen naar de toekomst.
Al was ze wel toen realistisch over de muziekwereld, maar ze was vooral ontzettend gemotiveerd.
“Ik heb er enorm veel zin in. Dit is wat ik wil. Ik voel me klaar voor dit nieuwe hoofdstuk.”
Hoewel ze in 1984 met veel media-aandacht met Ton Blanker trouwde, liep het huwelijk begin jaren 90 op de klippen.
Samen kregen zij in 1985 één dochter, Robin. De breuk volgde na een turbulente periode.
Ton Blanker kwam na zijn actieve voetbalcarrière negatief in het nieuws en werd in de jaren negentig veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens wapen- en drugshandel.
De inmiddels 65-jarige Ton Blanker werd in 1994 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar vanwege wapenbezit en drugshandel.
Deze straf heeft hij destijds volledig uitgezeten.
Toen de Dolly Dots in 1988 besloten definitief te stoppen, keerde Anita eenmalig terug op het podium om tijdens het afscheidsconcert in de Amsterdamse discotheek Escape nog een aantal nummers mee te zingen.
Exact tien jaar na het stoppen van de groep kwamen de meiden in de voltallige, originele bezetting (inclusief Anita) weer bij elkaar.
Ze traden op in het televisieprogramma Laat De Leeuw van Paul de Leeuw en gaven een reeks concerten voor fabrikant Princess.
In 2007 maakte Anita haar grote comeback bij de groep tijdens De Vrienden van Amstel LIVE!.
Vanwege dit enorme succes volgden er drie uitverkochte reünieconcerten in Ahoy Rotterdam en in 2008 de Goodbye For Now-tournee.
Na het overlijden van groepslid Ria Brieffies (in 2009) dachten de overgebleven Dots nooit meer op te treden.
Toch kwamen ze in 2020 (met Anita) weer bij elkaar voor een gastoptreden bij Symphonica in Rosso.
Daarna startten ze hun officiële, grootschalige Sisters on Tour-afscheidstournee, die wegens corona doorliep tot eind 2022.
De nu 65-jarige Anita Heilker is nog steeds actief.
Op liefdesgebied is Anita single, maar ze focust zich volop op haar vriendschappen en werk.
Ze treedt nog altijd veel op met haar beste vriendin en mede-Dolly Dot Esther Oosterbeek onder de naam Just A Little Bit More.
De twee hartsvriendinnen hebben recent zelfs plannen gedeeld om samen te gaan wonen.
In 1971 bracht een bijzonder erecomité een dwingende boodschap naar buiten om aandacht te vragen voor een wereldwijd probleem.
Het comité introduceerde de verzamelaar Top Star Festival, een uitzonderlijke artistieke prestatie die destijds met enthousiasme werd aanbevolen.
Het luistergenot van de kopers werd destijds vergroot door de wetenschap dat zij met hun aankoop tegelijkertijd de talloze vluchtelingen in de wereld hielpen, mensen die destijds veel minder bevoorrecht waren.
Grote artiesten verleenden destijds belangeloos hun medewerking aan dit album. Ook de grammofoonplatenindustrie, de Amerikaanse Federatie van Musici, componisten, tekstdichters en muziekuitgevers werkten in die periode intensief samen.
Zij maakten het destijds mogelijk om snel te reageren op een nobel en menslievend appèl.
Deze onbaatzuchtige inzet had destijds echter pas echt zin als het publiek de plaat kocht en aanbeval bij vrienden.
De leden van het erecomité van de Hoge Commissaris spraken destijds, namens de vluchtelingen over de gehele wereld, hun oprechte dank uit aan iedereen die aan het album meewerkte.
Onder de betrokkenen bevonden zich destijds bekende namen zoals Burt Bacharach, Dave Brubeck, Duke Ellington, David Frost en Paul Mauriat.
In die tijd werden vluchtelingen gedefinieerd als mensen die door angst voor vervolging gedwongen waren hun huis en vaderland te verlaten.
Om hen te beschermen en bij te staan, had de internationale volkerengemeenschap destijds de United Nations Relief and Works Agency opgericht, die zich specifiek richtte op Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten.
Alle overige vluchtelingen stonden destijds onder de hoede van de United Nations High Commissioner for Refugees.
De voornaamste taak van de UNHCR was destijds het bieden van internationale bescherming. In de toenmalige moderne wereld was een mens zonder land immers een mens zonder rechten.
Op verzoek van de gastlanden hielp de organisatie destijds in eerste instantie met minimale materiële bijstand om te overleven, om vervolgens te zoeken naar blijvende oplossingen.
Het uiteindelijke doel was destijds om te zorgen dat iemand geen vluchteling meer hoefde te zijn, bijvoorbeeld door vrijwillige terugkeer of door het aannemen van een nieuwe nationaliteit.
Destijds vielen naar schatting zo’n tweeënhalf miljoen vluchtelingen onder de bescherming van de organisatie.
De verdeling over de continenten liet in die periode een miljoen vluchtelingen in Afrika zien, honderdzestigduizend in Azië, zevenhonderdvijftigduizend in Europa en nog eens ruim zeshonderdvijfenzestigduizend elders.
Een groot deel van hen had destijds nog altijd acute materiële hulp nodig. Het succes van de UNHCR steunde in die tijd op een zuiver humanitaire, niet-politieke en pragmatische benadering.
Door vluchtelingen te helpen met hun vestiging, nam de organisatie destijds die bron van potentiële spanningen weg, wat direct bijdroeg aan de vrede en stabiliteit in de wereld.
Hoewel de schaal in de vroege jaren zeventig al aanzienlijk was, is de problematiek in de decennia daarna exponentieel gewijzigd door een samenspel van verschillende oorzaken.
Ter vergelijking: de UNHCR rapporteert dat er in 2026 wereldwijd naar schatting 120 miljoen mensen op de vlucht zijn of gedwongen zijn ontheemd, waaronder vluchtelingen, asielzoekers en binnenlandse ontheemden.
Dit enorme verschil met 1971 laat zich deels verklaren door de groei van de wereldbevolking, waardoor conflicten grotere groepen mensen treffen.
Ook het karakter van conflicten is veranderd van kortstondige oorlogen tussen staten naar langdurige binnenlandse burgeroorlogen, waardoor terugkeer vaak onmogelijk blijft.
Daarnaast spelen tegenwoordig nieuwe factoren een grote rol, zoals klimaatverandering en extreme weersomstandigheden die gebieden onbewoonbaar maken.
Tot slot zorgen de moderne globalisering, betere transportnetwerken en een snellere toegang tot informatie ervoor dat grotere groepen mensen lange afstanden kunnen afleggen om aan uitzichtloze situaties te ontsnappen, wat ook leidt tot een hogere registratie van asielzoekers wereldwijd.
Het exacte aantal van rond de zevenhonderdvijftigduizend of ruim zeshonderdvijfenzestigduizend vluchtelingen en asielzoekers dat jaarlijks Europa binnenkomt, is de afgelopen jaren een constant gegeven in de statistieken van Eurostat en de UNHCR.
Zo werden er in 2025 in de hele Europese Unie bijvoorbeeld een kleine 670.000 eerste asielaanvragen geregistreerd.
Deze mensen komen uit verschillende delen van de wereld, waarbij enkele landen al jarenlang de grootste groep asielzoekers leveren vanwege aanhoudende oorlogen, politieke instabiliteit of economische crises.
De belangrijkste herkomstregio’s en landen zijn tegenwoordig het Midden-Oosten, waarbij Syrië al sinds 2013 de grootste leverancier van asielzoekers in Europa is, omdat mensen daar nog steeds de gevolgen van de slepende burgeroorlog en de repressie ontvluchten.
Daarnaast komen er aanzienlijke aantallen vluchtelingen uit Turkije, Irak en Jemen.
In Azië staat Afghanistan steevast in de top drie van herkomstlanden; sinds de machtsovername door de Taliban zoeken veel Afghanen een veilig heenkomen in Europese landen, met name in Duitsland.
Ook uit landen als Pakistan en Bangladesh reizen groepen mensen richting Europa.
Een zeer grote en opvallende stroom is afkomstig uit Zuid- en Midden-Amerika, met name uit Venezuela en Colombia.
Door de diepe economische en politieke crisis in Venezuela is een miljoenenstroom op gang gekomen, waarvan een aanzienlijk deel via Spanje Europa probeert binnen te komen, waardoor Venezolanen in recente Europese statistieken soms zelfs de grootste groep eerste aanvragers vormen.
Uit het Afrikaanse continent komen vluchtelingen hoofdzakelijk uit landen met dictatoriale regimes of interne conflicten, waarbij Eritrea en Somalië de bekendste voorbeelden zijn, maar er is ook instroom vanuit landen als Nigeria, Marokko, Algerije en Tunesië.
Daarnaast is het belangrijk om te vermelden dat de miljoenen Oekraïners, die sinds de Russische inval in 2022 naar de Europese Unie zijn gevlucht, meestal buiten de reguliere asielstatistieken vallen. Dit komt omdat zij via een speciale Europese richtlijn direct een tijdelijke beschermingsstatus kregen, zonder de gewone asielprocedure te hoeven doorlopen.
In 1971 lag de situatie op het gebied van vluchtelingenstromen in Europa heel anders dan in 2026.
Het cijfer van zevenhonderdvijftigduizend vluchtelingen dat destijds werd genoemd, had een totaal andere achtergrond en de herkomstgebieden waren destijds niet te vergelijken met de huidige crisisgebieden.
In de vroege jaren zeventig kwamen grote groepen vluchtelingen binnen Europa inderdaad voor een heel belangrijk deel uit Oost-Europa en Centraal-Europa.
Door de Koude Oorlog en het IJzeren Gordijn ontvluchtten veel mensen het communistische regime in het Oostblok. Grote stromen kwamen destijds uit landen als Tsjecho-Slowakije, na het neerslaan van de Praagse Lente in 1968, en uit Polen en Hongarije om politiek asiel te zoeken in West-Europese landen.
Daarnaast was er in die specifieke periode rond 1971 een grote vluchtelingenstroom buiten Europa die indirect ook impact had, namelijk door de onafhankelijkheidsoorlog in Bangladesh (toen nog Oost-Pakistan), wat destijds miljoenen mensen op de vlucht joeg, al bleven de meesten daarvan in de regio zelf opgevangen.
Ook de politieke spanningen in het Midden-Oosten zorgden toen voor de eerste migratiestromen, maar de massale asielaanvragen uit landen als Syrië, Afghanistan of Venezuela, zoals we die nu kennen, bestonden toen nog niet.
Het cijfer is in de loop der jaren dus weliswaar in omvang soms vergelijkbaar gebleven, maar de geografische oorsprong en de politieke redenen achter de vluchtelingenstromen zijn tussen 1971 en 2026 compleet verschoven van de Europese binnengrenzen naar conflictgebieden ver daarbuiten.
Met de explosieve groei van het aantal vluchtelingen zijn uiteraard ook de benodigde budgetten en de internationale steun meegegroeid.
In 1971 beschikte de UNHCR over een regulier operationeel budget van ongeveer 7 miljoen dollar, al werd dat jaar door de onafhankelijkheidsoorlog van Bangladesh ook nog eens ruim 115 miljoen dollar aan extra noodhulp ingezameld via speciale oproepen.
In die tijd zegden 74 overheden een financiële bijdrage toe.
In 2026 liggen de bedragen in een totaal andere orde van grootte, met een vastgestelde totale budgetbehoefte van ruim 8,5 miljard dollar.
Vrijwel alle lidstaten van de Verenigde Naties dragen tegenwoordig op een of andere manier bij, al komt de kern van de financiering van een vaste groep donorlanden en de Europese Unie.
De verhoudingen binnen deze internationale financiering zijn zeer scheef verdeeld, aangezien de UNHCR bijna volledig afhankelijk is van vrijwillige bijdragen.
Grote mogendheden zoals China en Rusland betalen weliswaar mee, maar hun aandelen zijn uiterst beperkt; China schenkt doorgaans minder dan 0,1 procent van het totale budget en Rusland schommelt vaak rond de 0,05 procent.
India hanteert een soortgelijk beleid en kiest voor een minimale rechtstreekse bijdrage van enkele honderdduizenden dollars, ondanks de vele vluchtelingen die het land zelf opvangt.
De regio Zuid-Amerika draagt via individuele landen zoals Brazilië, Chili en Colombia gezamenlijk voor minder dan 0,5 procent bij aan het wereldwijde budget, mede omdat veel landen daar zelf grote interne ontheemdenstromen moeten opvangen met steun van de organisatie.
De rijke olielanden in de Golfregio vormen een wisselende factor; zij dragen circa 1 tot 2 procent bij, maar doen dit bijna uitsluitend in de vorm van ad-hoc noodhulp die specifiek is geoormerkt voor crises binnen de Arabische of islamitische wereld.
Alles bij elkaar genomen vertegenwoordigen Rusland, China, India, Zuid-Amerika en de olielanden nog geen 3 procent van het geheel.
De resterende 97 procent van het miljardenbudget wordt opgebracht door de traditionele westerse partners, waarbij de rol van de belangrijkste lidstaten cruciaal blijft.
Soms kent de geschiedenis politieke verschuivingen, zoals begin 2026, toen de Amerikaanse regering een grootschalige terugtrekking aankondigde uit maar liefst 66 internationale organisaties en VN-organen, waaronder verschillende klimaat- en handelsorganisaties.
De Amerikaanse administratie maakte destijds echter een expliciete uitzondering voor een klein aantal organisaties die als cruciaal voor de veiligheid of humanitaire belangen worden gezien.
De VN-vluchtelingenorganisatie viel onder die uitzondering, waardoor de Verenigde Staten tot op de dag van vandaag nog altijd lid zijn van de UNHCR en de werking ervan actief ondersteunen.
De Verenigde Staten zijn historisch gezien en ook nu nog altijd de absolute koploper en de grootste individuele financier en betaler van de UNHCR.
De Amerikaanse overheid maakt jaarlijks gigantische bedragen over die de basis vormen van het budget, met totale bijdragen die steevast ruim boven de 2 miljard dollar per jaar liggen en recent zelfs opliepen tot ruim 2,4 miljard dollar.
Er zijn geen andere individuele landen die nog meer betalen dan de Verenigde Staten.
Het internationale blok, namelijk de Europese Unie, is de enige speler die het Amerikaanse volume evenaart, omdat de Europese Commissie de individuele bijdragen van alle Europese lidstaten samenvoegt.
Binnen die westerse gemeenschap nemen ook Nederland en Vlaanderen hun verantwoordelijkheid.
Nederland behoort van oudsher tot de belangrijkste internationale donateurs en schenkt jaarlijks stabiele bedragen van rond de 90 tot 100 miljoen dollar.
Dit geld wordt bewust grotendeels flexibel en ongeoormerkt overgemaakt, waardoor Nederland stevig in de wereldwijde top tien van grootste overheidsdonateurs staat.
Vlaanderen draagt als regio binnen België onafhankelijk bij met gerichte projectsteun en bijdragen aan het noodhulpfonds.
De Vlaamse overheid maakt hiervoor jaarlijks bedragen vrij die variëren van enkele honderdduizenden tot 1 à 2 miljoen euro, terwijl de federale overheid van België daarnaast nog eens tientallen miljoenen euro’s aan de organisatie overmaakt.
De grootste vluchtelingenproblemen concentreerden zich in 1971 in Afrika en Azië.
Veel landen in deze werelddelen waren in die periode pas kort onafhankelijk en misten de nodige financiële middelen voor hun eigen nationale ontwikkeling. Hoe gastvrij deze jonge naties destijds ook waren met het verlenen van asiel en het toewijzen van land, er kon destijds niet van hen worden verwacht dat zij de enorme kosten van deze plotselinge vluchtelingenstromen alleen droegen.
Dat was het moment waarop de UNHCR te hulp schoot.
De vestiging van vluchtelingen in Afrika en Azië vereiste destijds die opbouw van compleet nieuwe gemeenschappen in dunbevolkte gebieden.
In die tijd moesten er wegen en bruggen worden aangelegd, bossen worden gekapt, moerassen worden drooggelegd en waterputten worden gegraven.
Ook de bouw van scholen, apotheken en de distributie van gereedschap, zaden en geneesmiddelen eisten destijds enorme investeringen.
Omdat de overheidssubsidies en particuliere giften in die periode niet toereikend waren, zocht de Hoge Commissaris destijds rechtstreeks steun bij het grote publiek.
Voor dat doel waren er destijds al drie eerdere elpees uitgebracht, waar Top Star Festival in 1971 aan werd toegevoegd.
De volledige netto-opbrengst van de verkoop van deze grammofoonplaten werd destijds door de UNHCR en de UNRWA uitsluitend gebruikt voor de directe bijstand aan vluchtelingen.
De muziek op de plaat werd destijds uitgebracht met officiële toestemming van verschillende internationale muziekuitgevers, die de rechten voor de nummers op kant een en kant twee voor dit goede doel beschikbaar stelden.
Debbie Jenner werd als kind gekenmerkt door een bijna ziekelijke verlegenheid, een eigenschap die haar in haar geboorteplaats Skegness vaak tot doelwit van pesterijen maakte.
Op school ervaarde zij het als een ware marteling om voor de klas te staan; vaak kreeg ze een brok in haar keel en kon ze geen woord uitbrengen wanneer een leraar haar een vraag stelde.
Zelfs haar eigen danslerares zag aanvankelijk geen toekomst voor haar en adviseerde haar moeder om haar een opleiding tot secretaresse te laten volgen.
Ondanks deze moeilijke start wist Debbie vanaf haar tiende al zeker dat ze danseres wilde worden, een droom die zij uiteindelijk verwezenlijkte bij het ballet van Maria Moore.
Samen met de andere danseressen van dit ballet, Ingrid de Goede, Yvonne Mehagnoul, Irene Verhoeven en Donna Baron, trad zij regelmatig op in AVRO’s TopPop wanneer er geen videoclips beschikbaar waren van artiesten in de hitparade.
Een cruciaal moment was mei 1980, toen de volledige groep in het programma playbackte en danste op het nummer Funkytown van Lipps Inc. playbackte en danste.
Lipps Inc. was een studioband van de Amerikaanse producer en componist Steven Greenberg, met Cynthia Johnson als zangeres.
Johnson was ook bekend van de band Flyte Tyme, waar de producers Jimmy Jam en Terry Lewis deel van uitmaakten.
Enkele jaren later produceerden zij het succesvolle album Control van Janet Jackson, met hits als Control, Nasty en What Have You Done For Me Lately.
Omdat de oorspronkelijke zangeres Cynthia Johnson hoogzwanger was en niet kon reizen, dachten veel kijkers dat deze balletgroep de werkelijke formatie van Lipps Inc. was.
Het nummer Funkytown bereikte de eerste plaats in zowel de Vlaamse BRT Top 30 als de Nederlandse Top 40.
Vanwege de enorme populariteit op de Europese radio was er een gezicht nodig voor de promotie in Europa.
Terwijl de hele groep in Nederland te zien was, werd Debbie Jenner door de platenfirma en de originele groep gekozen om voor dit nummer het gezicht voor Europa te worden, waarbij zij het nummer playbackte tijdens optredens.
Producenten Hans van Hemert en Piet Souer zagen het potentieel van de danseressen en benaderden hen om zelf een plaat op te nemen.
Debbie Jenner nam de artiestennaam Doris D. aan en vormde samen met haar vier Nederlandse danseressen de formatie Doris D. & The Pins.
De passie voor het dansen hielp Debbie uiteindelijk haar enorme verlegenheid te overwinnen; op het podium raakte zij in een soort trance, waardoor zij de mensen om haar heen vergat.
Hun eerste single ‘Shine Up’ werd een groot succes en bereikte op 28 februari de eerste plaats in de BRT Top 30.
Ook in de Nederlandse Top 40 stond de groep hiermee twee weken lang op de hoogste positie.
Snel na dit succes ontstonden er echter spanningen binnen de groep.
De Pins voelden zich gereduceerd tot een dansgroepje op de achtergrond, terwijl zij wel degelijk op een aantal platen hadden meegezongen.
Dit leidde ertoe dat de groep uiteenviel.
De oorspronkelijke Pins gingen verder onder de naam Risqué en scoorden nog twee noemenswaardige internationale hits met The Girls Are Back in Town en Burn It Up Mr. D.J.
Bij Doris D. & The Pins werden de oorspronkelijke leden vervangen door vier Engelse danseressen.
In deze nieuwe samenstelling behaalde de groep in 1982 nog een kleine hit met Jamaica.
De samenstelling van de formatie bleef de jaren daarna regelmatig veranderen, waarbij ‘Starting at the End’ uit 1984 de laatste hitparade-notering markeerde.
In 1985 gingen Doris D. & The Pins definitief uit elkaar. Enkele jaren later verscheen Debbie Jenner weer regelmatig op de Nederlandse televisie, ditmaal als aerobics-instructrice die reclame maakte voor haar eigen videobanden.
Doris D., die nu 67 jaar oud is, werkt nog steeds als choreografe en dansdocente in Nederland.
Hoewel ze af en toe nog wel eens opduikt in nostalgische tv-programma’s, zingt of treedt ze niet meer op.
Amy vormde op haar tiende al met haar vriendin Juliette het duo Sweet ‘n’ Sour dat vooral door Salt ‘n’ Pepa beïnvloed werd.
Op haar 14de schaft ze zich een gitaar aan en begint ze eigen liedjes te schrijven.
Nadat ze (wegens een neuspiercing) van de Sylvia Young Theatre School werd gegooid, zette Amy haar opleiding voort aan de befaamde BRIT School.
Dankzij de bevriende soulzanger Tyler James komen haar demo’s terecht bij Simon Fuller, de ex-manager van The Spice Girls.
Amy debuteert in 2003 met het album ‘Frank’.
De eerste single ‘Stronger Than Me’ levert haar in 2004 de Ivor Novello Award op. Dat is de prijs voor de beste song en compositie die jaarlijks in Groot-Brittannië wordt uitgereikt.
Datzelfde jaar staat ze op Glastonbury en het Montreal International Jazz Festival.
In tegenstelling tot het eerder jazzy ‘Frank’ kiest ze in 2007 voor de opvolger ‘Back In Black’ voor een combinatie van soul, rhythm ‘n’ blues en de 60s-pop van meidengroepen als The Ronettes en The Shirelles.
Ze huurt de befaamde Sharon Jones en haar Dap-Kings in als backinggroep.
In de lente van 2006 draait DJ/producer Mark Ronson de eerste demo’s in zijn programma op een Amerikaans radiostation.
Amy had een inventieve manier om haar songs te promoten.
Ze stak een cd in de taxi van haar vader Mitch, zodat veel mensen kennismaakten met haar muziek.
Het door Ronson geproduceerde ‘Back In Black’ is een doorslaand succes. Het wordt het best verkochte album van 2007 in Groot-Brittannië.
Op de uitreiking van de Grammy Awards wordt ze de eerste Britse zangeres die 5 Grammy’s wint.
Ze mag de prijs voor o.a. beste popalbum en beste song in ontvangst nemen en ze wordt genomineerd voor beste album.
De plaat levert 5 hitsingles op en gaat wereldwijd meer dan 13 miljoen keer over de toonbank.
Alleen al in de UK worden er 3,5 miljoen stuks van verkocht.
Het was gedurende een tijd de bestverkochte plaat van de 21ste eeuw, totdat ‘21’ van Adele in 2011 deze passeerde.
‘Valerie’, een cover van The Zutons, is in veel landen haar grootste hit.
Het nummer staat op ‘Version’, het tweede studioalbum van Mark Ronson.
In Nederland wordt het een n°1-hit, in Vlaanderen komt ze niet verder dan n°18.
Later wordt de single ook toegevoegd aan de deluxe-editie van de plaat. In de Ultratop 50 is ‘Rehab’ het succesvolst.
Het is bij ons haar enige top 10-hit.
De 3de single ‘Back To Black’ gaat over Amy’s tumultueuze relatie met Blake Fielder-Civil.
En vooral de nasleep van hun breuk nadat hij haar liet zitten voor een ander.
De term “back to black” verwijst naar haar terugval in een depressie en de bijbehorende drank- en drugsverslaving.
De single werd vooral een groot succes in de Duitstalige landen (top 10) en Griekenland, waar het een n°1-hit werd.
Amy kan het succes echter moeilijk plaatsen en verliest zich steeds meer in de drank. In relaties kent ze ook bitter weinig geluk.
Optredens moet ze meer en meer afzeggen of vroegtijdig stopzetten, omdat ze niet in staat is om op een podium te staan.
Ze komt dan ook steeds meer op een negatieve manier in het nieuws.
Plannen voor een nieuw album worden vanwege haar toestand steeds weer uitgesteld.
Totdat het licht definitief uitgaat op 23 juli 2011.
Er worden postuum nog twee singles uitgebracht, ‘Our Day Will Come’, een Amerikaanse n°1 voor Ruby & The Romantics, enkel in IJsland en Japan een hit, en ‘Body & Soul’, haar laatste opname en een duet met Tony Bennett.
Daarna volgt het postume album ‘Lioness: Hidden Treasures’ (n°3 in de Ultratop Album Top 100) met vroegere opnames, geselecteerd door Mark Ronson.
Tony Bennett en Amy Winehouse met hun nummer Body and Soul
Hun paden kruisten elkaar in maart 2011 in de beroemde Abbey Road Studios in Londen voor de opname van de klassieke jazzstandaard Body and Soul.
Dit legendarische nummer heeft zelf ook een rijke geschiedenis die teruggaat tot 1930.
Het werd gecomponeerd door Johnny Green, met tekst van Edward Heyman, Robert Sour en Frank Eyton.
Oorspronkelijk werd het geschreven in Londen voor actrice Gertrude Lawrence, maar het groeide in de Verenigde Staten al snel uit tot een ware sensatie na de uitvoering door Libby Holman in de Broadway-revue Three’s a Crowd.
Al in de jaren dertig omarmde de jazzwereld het stuk gretig; grote namen als Louis Armstrong en het Benny Goodman Trio maakten er vroege opnames van.
De absolute mijlpaal voor het nummer kwam in 1939 met de legendarische instrumentale uitvoering van saxofonist Coleman Hawkins, die met zijn grensverleggende improvisaties de basis legde voor de moderne jazz en van Body and Soul de ultieme jazzklassieker maakte.
Deze samenwerking in 2011 bleek achteraf een historisch en emotioneel moment te zijn, aangezien het de allerlaatste studio-opname van Winehouse werd voor haar vroegtijdige overlijden in juli van datzelfde jaar.
Tijdens de sessie toonde Bennett zich een geduldige mentor, wat Winehouse hielp om haar zenuwen te overwinnen en een adembenemende prestatie neer te zetten.
De chemie tussen de ervaren veteraan en de jonge vocaliste was voelbaar in elke noot, waarbij hun stemmen naadloos samensmolten in een melancholische vertolking.
Het nummer werd uiteindelijk uitgebracht op het album Duets II van Bennett en won later een Grammy Award.
De opbrengst van de single ging naar de Amy Winehouse Foundation om jongeren te ondersteunen.
Body and Soul blijft hierdoor niet alleen een muzikaal hoogtepunt, maar ook een blijvend monument voor de verbinding tussen twee generaties topmuzikanten.
Het nummer ‘Together We’re Strong’ is een bijzonder duet tussen de Franse zangeres Mireille Mathieu en de Amerikaanse acteur Patrick Duffy.
Het nummer is van de hand van de bekende Duitse componist Ralph Siegel, die vanwege zijn indrukwekkende palmares van vierentwintig inzendingen ook wel Mister Eurovisie Songfestival wordt genoemd.
Hij wist het festival zelfs te winnen met het nummer ‘Ein bißchen Frieden’ van de zangeres Nicole.
De oorspronkelijke tekst werd geschreven door Bernd Meinunger, terwijl Richard Palmer-James, medeoprichter van de band Supertramp, verantwoordelijk was voor de Engelse versie.
De single ‘Together We’re Strong’ werd een groot succes in de Lage Landen; in de BRT Top 30 behaalde het nummer een mooie vierde plaats en in de Nederlandse Top 40 klom het duo zelfs op naar de tweede positie.