Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
We leerden het nummer ‘Als je weet wat liefde is’ kennen dankzij de legendarische televisieserie Sil de Strandjutter.
Deze onvergetelijke reeks, met fantastische hoofdrollen voor Jan Decleir en Monique van de Ven, werd voor het eerst uitgezonden in 1976.
De muziek werd gecomponeerd door Johnny Pearson, waarna Karel H. Hille zorgde voor de prachtige Nederlandse tekst.
Monique van de Ven bracht het nummer destijds uit op single, maar helaas kwam het niet verder dan de Tipparade.
Later besloot ook Mieke Telkamp het nummer te coveren.
Sil de Strandjutter is een dramaserie gebaseerd op het gelijknamige en succesvolle boek van de Nederlandse auteur Cor Bruijn uit 1940.
Het verhaal speelt zich af in de negentiende eeuw op het waddeneiland Terschelling en volgt het leven van de eigenzinnige boer en strandjutter Sil Droeviger.
Wanneer hij tijdens een zware storm een Zweeds meisje uit een zinkende boot redt, besluit hij haar als zijn eigen dochter op te voeden, wat leidt tot een meeslepend gezinsdrama vol liefde, trots en religieuze spanningen.
De serie was destijds een gigantisch kijkcijferkanon in zowel Nederland als Vlaanderen en geldt nog altijd als een van de absolute hoogtepunten uit de Nederlandstalige televisiegeschiedenis.
Een leuk weetje is dat de productie destijds ontzettend ambitieus en duur was voor die tijd.
De opnames vonden grotendeels plaats op Terschelling zelf, wat zorgde voor een zeer authentieke en rauwe sfeer.
Hoewel Monique van de Ven destijds al een grote ster was door haar filmdebuut in Turks Fruit, was haar muzikale uitstapje met de titelsong een zeldzaamheid in haar carrière.
De serie zorgde bovendien voor een enorme boost in het toerisme naar Terschelling, omdat kijkers massaal de prachtige, melancholische locaties uit de afleveringen met eigen ogen wilden bewonderen.
Monique van de Ven woont inmiddels al jaren samen met haar man, de acteur en scenarioschrijver Turks Fruit, in het Gooise Blaricum.
Stilzitten doet de actrice nog allerminst, want ze denkt nog zeker niet na over een definitief pensioen.
Zo speelde ze recent nog de hoofdrol in het deels fictieve docudrama Een vrouw als Monique en staan er ook alweer diverse nieuwe filmprojecten op haar planning.
In de Verenigde Staten waren er destijds overal gespecialiseerde Laserdisc-winkels te vinden, en men verwachtte dat er tegen het einde van dat jaar meer dan drieduizend verkooppunten zouden zijn, terwijl de hardware ook op Europees niveau beschikbaar was.
Japan was op dat moment het enige land met een volwassen markt voor de beeldplaten.
Men verwachtte er in dat jaar meer dan een miljoen spelers te verkopen, geproduceerd door alle elektronicafabrikanten met uitzondering van JVC, wat het totale aantal spelers in Japanse huishoudens voor het einde van het jaar ruim over de vier miljoen zou brengen.
De keuze aan software was daar erg groot met meer dan tienduizend beschikbare titels van acht verschillende fabrikanten.
Ondertussen begon ook in Amerika de cd-video van de grond te komen, waar toen ongeveer een half miljoen spelers bij de mensen thuis stonden.
Die markt zou dat jaar nog verder groeien met rond de 300.000 exemplaren.
Het Amerikaanse aanbod omvatte meer dan vijfduizend titels en groeide maandelijks met ongeveer 140 nieuwe releases, waardoor er tegen het einde van het jaar ongeveer zevenduizend verschillende platen te koop zouden zijn.
Het voorgaande jaar was in Europa het startsein gegeven voor een derde poging om de beeldplaat aan de man te brengen.
De plaat werd toen van CD-video omgedoopt in Laserdisc en de European Laserdisc Association, afgekort als ELDA, werd opgericht om de Europese zaken gecoördineerd aan te pakken.
Dat was hard nodig, want in de oude wereld waren er in het begin van dat jaar slechts 85.000 spelers in gebruik, waarvan er ongeveer de helft in Frankrijk stond.
In Nederland lag dat aantal naar schatting tussen de zeven- en achtduizend.
Hoewel de derde lancering van de beeldplaat op een cynisch onthaal van de pers stuitte, kon niemand eromheen dat de Laserdisc technisch gezien een fenomenaal product was dat verreweg de beste kwaliteit bood voor zowel beeld als geluid.
Robert van Eck, de voorzitter van de ELDA, legde uit dat de consument nog moest leren om video’s te kopen.
Daarom werkte de organisatie met lokale comités die inspeelden op de specifieke behoeften per land, zoals wetgeving, ondertiteling, dubbing en de lokale smaak.
In Frankrijk was die aanpak al aardig geslaagd; het was niet alleen het land met de grootste Laserdisc-penetratie, maar de markt voor koopvideo’s was er in drie jaar tijd ook gestegen van nul procent naar meer dan de helft van de totale markt.
Wie een kijkje nam in een winkel als de Virgin Megastore op de Champs-Élysées in Parijs, begreep meteen waarom, want daar stond een groot aanbod aan platen opgesteld naast diverse demonstratiemodellen van spelers.
Een van de redenen waarom Laserdiscs tot dan toe nog niet echt aansloegen, was het feit dat de gemiddelde koper zich er geen voorstelling van kon maken wat zo’n systeem precies presteerde.
Een nauwe samenwerking tussen de aanbieders van hardware en software was dus van levensbelang.
Volgens Van Eck zorgde de ELDA er in veel gevallen voor dat deze partijen voor het eerst met elkaar rond de tafel gingen zitten.
Een volgend probleem was dat beide aspecten ook in dezelfde winkel te zien moesten zijn, iets wat op een enkele uitzondering na nog vaak ontbrak. In Nederland leverden op dat moment drie fabrikanten Laserdisc-spelers, te weten Philips, Sony en Pioneer.
Vooral Pioneer was van plan om zich extra in te spannen voor het medium en zou binnenkort starten met een speciale Laserdisc-roadshow om de voordelen van de beeldplaat persoonlijk aan het publiek te tonen.
Op het gebied van software was het aanbod in Europa destijds nog niet zo groot, met naar schatting zo’n zes- tot zevenhonderd beschikbare titels.
Ongeveer vijfhonderd daarvan waren muziekplaten, variërend van klassiek tot pop, met onder andere concerten en clipcollecties.
Daarnaast waren er speelfilms beschikbaar, waarvan zo’n zeventig in Duitsland en al meer dan honderd in Frankrijk.
In het Nederlandse taalgebied toonden RCA Columbia Video, Warner Home Video en Cascar zich actief. RCA was toen het meest actief met een aardig aanbod aan films zoals Red Heat, My Stepmother Is An Alien, La Bamba, Robocop, Ghostbusters en Karate Kid III, die voor een prijs van 59,95 gulden, omgerekend 27,20 euro, over de toonbank gingen.
Bij Warner Home Video viel op dat moment vooral de titel Batman op. Het label Cascar, een dochter van Super Club en Philips, bracht films uit van Vestron, Cinema International en natuurfilms van National Geographic, wat goed was voor zo’n zestig titels.
Daarnaast zou er binnenkort ook materiaal van Disney verschijnen via Buena Vista Home Entertainment.
De Laserdisc bood echter meer dan alleen een concert of film op een plaat, want men was in de Verenigde Staten volop bezig met het toevoegen van extra dimensies aan het beeld. In de eerste plaats waren veel films verkrijgbaar in twee verschillende formaten.
Allereerst was er de gewone, beeldvullende variant via de zogenaamde pan-and-scan-methode.
Omdat het volle beeld van een bioscoopfilm niet helemaal op een traditioneel televisiescherm paste, koos men bij deze methode een nieuwe uitsnede, waardoor er steeds een gedeelte van het oorspronkelijke beeld wegviel.
Dit gold als een nachtmerrie voor elke filmliefhebber en menig regisseur.
Daarom kwamen er in Amerika veel films uit op het zogenaamde letterbox-formaat, waarbij de hele film wordt getoond met een zwarte balk boven en onder het beeld, zodat het volledige breedbeeld zichtbaar bleef voor de echte cinefielen.
Voor de toekomst bood dit brievenbusformaat extra mogelijkheden, aangezien de toekomstige breedbeeldtelevisies de optie zouden hebben om dergelijke beelden op te blazen tot de volle hoogte en breedte van het grotere scherm.
De kwaliteit vormde daarbij geen enkel probleem, want de beeldplaat had een oplossend vermogen van 400 lijnen, vergeleken met slechts 240 lijnen voor de gemiddelde videorecorder.
Een andere mogelijkheid die speciaal op filmgekken was gericht, was het aanbieden van extra informatie.
Het Amerikaanse merk Criterion Collection specialiseerde zich in zulke cinefiele edities van bioscoopfilms.
Bij titels als Raging Bull en Taxi Driver kreeg de koper naast de film bijvoorbeeld een documentaire over het maken van de productie en de originele promotiefilmpjes.
Bovendien gaf regisseur Martin Scorsese op een apart geluidsspoor commentaar bij de film.
Voordat zulke extra’s in Nederland beschikbaar zouden zijn, was men naar verwachting wel weer een paar jaartjes verder.
Wie destijds een Laserdisc-speler wilde aanschaffen, had nog niet zo heel veel keuze.
Er waren drie fabrikanten waarvan de apparaten ruim verkrijgbaar waren: Philips, Sony en Pioneer.
De prijzen begonnen bij ongeveer 1200 gulden, wat omgerekend neerkwam op circa 544,54 euro.
Voor dat bedrag kocht men een speler die niet alleen laserdiscs van alle formaten kon afspelen, maar ook geschikt was voor gewone audio-cd’s.
Het verdient daarom aanbeveling om de speler niet alleen op de televisie, maar eveneens op de hifi-installatie aan te sluiten.
Alleen Sony had op dat moment een multisysteemspeler op de markt waarmee ook Amerikaanse en Japanse Laserdiscs konden worden afgespeeld.
Deze buitenlandse platen werkten volgens de NTSC-kleurennorm en konden daardoor niet op alle gangbare Europese televisies worden aangesloten.
Naar alle waarschijnlijkheid zou ook Pioneer later dat jaar met een eigen multisysteemspeler op de proppen komen.
In de Noord-Hollandse plaats Huizen hield Ron Exalto zich destijds bezig met zijn speciaalzaak Elvic.
Hij was al jaren bezeten van het medium en had van zijn hobby zijn werk gemaakt, waarmee hij de enige winkel in Nederland bezat die zich exclusief toelegde op beeldplaten.
Exalto had in zijn zaak zowel de spelers als de discs overzichtelijk naast elkaar uitgestald, zodat hij klanten die nog niet bekend waren met het medium direct kon tonen wat er allemaal mogelijk was.
Wat ooit was begonnen als een klein postorderbedrijfje, was uitgegroeid tot een van de grootste collecties Laserdiscs in het land, met een sterke specialisatie in speelfilms en popmuziek.
Klassieke muziek was er op bestelling leverbaar en hij bood regelmatig speciale acties aan.
Zo had hij destijds een partij Nederlandse Laservision-kinder-video’s opgekocht en importeerde hij platen uit Engeland en de Verenigde Staten. De winkel was gevestigd aan de Haardstedelaan 2 in Huizen.
Laserdiscs werden destijds gezien als het mooiste videomedium dat men zich kon bedenken, dankzij een fantastische beeldkwaliteit en volledig digitaal geluid dat via de hifi-installatie voor een echte bioscoopervaring in de huiskamer zorgde.
Toch was de Laserdisc in Nederland toen nog steeds niet het grote succes dat het feitelijk had moeten zijn, terwijl het medium in Japan en de Verenigde Staten wel een redelijk succes genoot.
De geschiedenis van de beeldplaat was toen ongeveer tien jaar daarvoor begonnen. Met de introductie van de compactdisc bleek destijds dat dit medium ook uitstekend geschikt was voor de opslag van beelden.
Onder de naam Laservision werden de eerste beeldplaten op een formaat van 30 centimeter uitgebracht, maar dat werd destijds geen doorslaand succes.
De videorecorder was toen net aan een sterke opmars begonnen en iedereen riep dat men met een Laservision-speler niet zelf programma’s kon opnemen.
Bovendien was het in die tijd nog onduidelijk welk beeldplaatsysteem de toekomst zou gaan worden.
Uit Amerika kwam destijds het CED-systeem van RCA, dat nog met een conventionele naald werkte, terwijl JVC het VHD-systeem voor beeldplaten ontwikkelde.
Hoewel Laservision technisch het meest geavanceerde systeem van de drie was, hield het destijds in Europa en Amerika evenmin gemakkelijk stand.
Alleen in Japan zette men destijds door op de ingeslagen weg. Ondertussen evolueerde de techniek en in 1987 werd ook in Europa en Amerika een nieuwe versie van Laservision geïntroduceerd onder de naam CD-video.
Hierbij werd het geluid voortaan digitaal opgeslagen in plaats van analoog. Bovendien werden de nieuwe spelers geschikt gemaakt voor alle soorten compact discs, zodat zowel de audio-cd als de nieuwe CD-video en de oudere Laservision-platen erop konden worden afgespeeld.
Maar ook na deze tweede introductieronde bleef het grote succes in Europa aanvankelijk uit, terwijl de markt in Japan juist wel goed begon aan te trekken.
Men was daar inmiddels tien jaar bezig met het medium en aan het begin van dat jaar stonden er volgens Robert van Eck al zo’n 3,2 miljoen spelers bij de Japanse consumenten thuis.
De voornaamste reden dat het systeem uiteindelijk nooit doorbrak bij het grote publiek, lag in de harde concurrentie met de VHS-videoband.
De consument gaf massaal de voorkeur aan het gemak van de videorecorder, waarmee men zelf televisieprogramma’s en films van de televisie kon opnemen. Een Laserdisc-speler bood die opnamemogelijkheid niet en was puur een afspeelmedium.
Daarnaast bleven de aanschafkosten voor zowel de spelers als de grote, kwetsbare disc-platen erg hoog in vergelijking met de goedkope magneetbanden.
Ook het feit dat men een film halverwege handmatig moest omdraaien, omdat de disc twee kanten had, werd door velen als onpraktisch ervaren.
Hoewel filmliefhebbers en cinefielen bleven zweren bij de superieure beeld- en geluidskwaliteit, bleef die Laserdisc daardoor een nicheproduct voor de fijnproever.
Het definitieve einde van het systeem werd ingeluid aan het einde van de jaren negentig met de komst van de DVD.
Dit nieuwe digitale medium bood dezelfde hoge kwaliteit, maar dan op een handzaam, kleiner schijfje dat goedkoper te produceren was en bovendien wél moeiteloos een volledige film op één zijde kon tonen.
De productie van de Laserdisc-spelers en de platen werd hierna wereldwijd afgebouwd, tot Pioneer in het begin van de 2000-jaren de fabricage van de allerlaatste spelers definitief stopzette.
De geruchten dat ze een travestiet zou zijn, probeerde ze in diezelfde periode te ontkrachten door te poseren voor Playboy, maar de speculaties stopten hiermee niet.
Zelfs vijftien jaar geleden, in 2011, laaide de controverse weer op toen een Italiaanse krant een geboorteakte publiceerde van een zekere Alain Tap, geboren in 1939.
Dit was veel vroeger dan de late jaren veertig die altijd als Lears geboorteperiode werden aangenomen, al hing er rond haar ware leeftijd sowieso altijd al een zweem van geheimzinnigheid.
De krant toonde bovendien een foto van een jonge Tap die sprekend op haar leek.
Lear zelf bleef er nuchter onder en vertelde tijdens een bezoek aan Brugge in 2009 dat ze net als iedereen in de showbizz altijd moet acteren.
Al die mysteries deden haar muzikale succes destijds in elk geval geen kwaad.
Samen met producer Anthony Monn groeide ze uit tot de blanke queen of disco.
Ze brak in 1978 wereldwijd door met het nummer ‘Follow me’, waarna de successen elkaar snel opvolgden.
Haar single ‘Queen of China-Town’ was oorspronkelijk al in 1977 uitgebracht, maar werd door haar immense populariteit in 1978 opnieuw uitgebracht.
Ook andere nummers zoals ‘Enigma (Give a bit of mmmh to me)’, ‘Gold’, ‘The Sphinx’ en ‘Fashion Pack’ groeiden uit tot grote hits.
Béatrice Marguerite Van der Maat werd geboren op 15 november 1960 in Gent en bouwde vanaf de jaren tachtig een veelzijdige loopbaan op als zangeres, presentatrice, actrice en lerares.
Haar kleutertijd speelde zich af in Itterbeek bij Brussel, in een heel klein schooltje dat gehuisvest was in een gebouw dat ooit een café was geweest.
Van die periode herinnerde ze zich later niet erg veel meer.
Dat ze in de buurt van Brussel opgroeide, was zeker geen slechte zaak, want op die manier leerde ze Frans.
Niets spectaculairs voor zover ze wist, behalve dan dat ze uitzinnig blij was als er om tien uur chocolademelk werd uitgedeeld.
Gisteren nog vandaag
De eerste maanden van het eerste leerjaar bracht ze door in Regina Caeli in Dilbeek.
Die allereerste schooldag zou ze nooit vergeten.
Haar vader reisde in die tijd veel en had haar een zakje gegeven met de opdruk British European Airways, wat afgekort BEA was.
Ze ging er uiteraard trots mee naar school, maar toevallig was er een juffrouw die ook Bea heette.
De oudere kinderen begonnen haar direct te pesten, omdat ze dachten dat ze het zakje van juffrouw Bea had gepakt.
Later kreeg haar vader een baan in de buurt van Gent te pakken en verhuisde het gezin.
Ze woonden in Sint-Amandsberg en Oostakker, waardoor Bea het eerste studiejaar afmaakte in Onze-Lieve-Vrouw Visitatie.
Dat viel mee, maar het tweede jaar werd een absolute ramp.
Haar zus ging naar het vierde leerjaar en vreesde voor de strenge juffrouw Georgette. Precies die leerkracht bleek te zijn overgeplaatst naar het tweede leerjaar.
Door alle angstaanjagende verhalen van haar zus had Bea vooraf zoveel schrik dat het nooit meer goed is gekomen.
Het werd een verschrikkelijk streng jaar waarin ze continu last had van buikpijn.
Haar moeder nam haar mee naar de dokter, maar er was lichamelijk niets aan de hand.
Het was puur psychologisch, buikpijn van narigheid.
Daarna volgden Tienen en Diest.
Verhuizen vond ze soms erg vervelend, want het was niet leuk om haar vriendinnetjes op school telkens achter te laten.
Vanaf het derde leerjaar tot het tweede jaar humaniora zat ze op het Koninklijk Lyceum in Tienen.
Daar viel alles weer op zijn pootjes.
De eerste dagen waren wel moeilijk, omdat ze haar vriendinnen in Gent miste; samen met haar jongste zus liep ze de eerste twee dagen huilend rond op de speelplaats.
Toch werd het er uiteindelijk heel plezant. Gelukkig vormden ze thuis een hecht gezin met vijf meisjes die stevig aaneen hingen.
Ze zaten met z’n vijven op dezelfde school, wat de leerkrachten en studiemeesteressen sympathiek vonden en waar Bea van kon profiteren.
Ze was een echte babbelkous, maar omdat ze geen studieproblemen had, werd dat door de vingers gezien.
Ze kreeg wel eens flink wat straf toen ze jeukpoeder mee naar de klas had genomen, maar verder waren er nauwelijks problemen.
Op momenten waarop ze zich verveelde, maakte ze haar tafels van vermenigvuldiging al van tevoren af.
Een specifieke herinnering uit de lagere school staat los van de klaspraktijk, maar bleek achteraf erg belangrijk.
Als jongste van het gezin moest ze altijd de gedragen kleren van haar zussen afdragen, terwijl haar vriendinnetjes steeds nieuwe spullen kregen.
Dat voelde soms oneerlijk.
Achteraf gezien is het doorstaan van die jaloezie heel waardevol geweest, want ze leerde dat kleding eigenlijk niet zo belangrijk is.
Tegenwoordig droeg ze met plezier kledingstukken van haar zussen.
Thuis kregen de zussen vooral Franse muziek mee van hun ouders, zoals Julien Clerc en Gilbert Bécaud.
Haar moeder had voortdurend de Franstalige radio opstaan.
Toen Toppop op de Nederlandse televisie begon, was dat meteen helemaal het einde.
Met haar zussen keek ze elke week en ze waren verzot op Gilbert O’Sullivan.
Ze stonden te dansen voor de televisie en zongen vol overgave mee.
Met haar oudste zus deelde Bea een kamer.
Zij luisterde ’s avonds vaak naar Radio Luxemburg, en op die manier leerde Bea ook Engelstalige muziek kennen.
Het begin van de humaniora verliep bijzonder aangenaam.
Samen met drie vriendinnen met wie ze de plechtige communie had gedaan, volgde ze de lessen zedenleer.
Ze waren slechts met hun vieren en hadden een ontzettend leuke lerares.
De lerares nam de vier meisjes in haar Porsche mee naar de bioscoop, en soms gingen ze tijdens de les iets drinken in het cafetaria van de GB.
Eén keer ontstond er opschudding toen de lerares tijdens een les over voorlichting allerlei hulpmiddelen meebracht om de uitleg te verduidelijken.
Nadat dat uitlekte, reageerden sommige ouders woedend.
Vanaf het derde jaar humaniora belandde Bea door een nieuwe verhuizing op de nonnenschool in Diest.
Dat was een grote overgang, maar achteraf bleek de hoge onderwijskwaliteit erg nuttig.
Het niveau lag zo hoog dat ze na haar eerste overhoring wiskunde slechts een half op twintig haalde.
Dat was een diepe ontgoocheling, maar haar moeder reageerde heel begripvol door te zeggen dat het nog altijd beter was dan een nul.
Die reactie deed deugd en stimuleerde haar om haar best te doen.
In het middelbaar koos ze voor wetenschappen, omdat ze hield van vakken zoals scheikunde en biologie.
Op haar jonge leraar biologie was ze trouwens erg lang verliefd.
Hij was pas afgestudeerd en droeg meestal een zwart fluwelen pak.
Boven haar bed hing een kalender waarop ze op biologiedagen de letters P.V. noteerde, wat verwees naar Piet Verhoeven uit de Dagobertstraat in Leuven.
Ondanks haar liefde voor wetenschappen koos ze daarna toch voor een studie Germaanse talen.
Dat bleek evenwel te hoog gegrepen.
Ze heeft uiteindelijk geen examens meegedaan, maar toch heeft ze in dat jaar veel geleerd.
Ze begon kranten te lezen, raakte geïnteresseerd in politiek en in de wereld om haar heen, én ze leerde haar man kennen.
Het jaar daarop ging ze regentaat studeren.
Ze was erg enthousiast over lesgeven en wilde de perfecte lerares worden.
Ze overwoog sterk om effectief in het onderwijs te stappen, maar begin jaren tachtig waren de banen in die richting dun gezaaid.
Bovendien waren Bea en haar man net begonnen met hun newwaveband Chow-Chow en hadden ze geld nodig.
Haar man was een echte muziekfreak en hoewel hij zelf geen gitaar speelde, wilde hij graag een band beginnen.
Het was de bloeiperiode van de punk, waarin emotie belangrijker was dan perfect spel.
Bea bleek een goede stem te hebben en mocht zingen.
Om geld te verdienen voor de band ging ze op de boekhouding van een bedrijf werken.
Het was een saaie baan, maar het leverde de nodige financiële middelen op.
In 1982 deden ze met Chow-Chow een eerste keer mee aan Humo’s Rock Rally.
Ze kregen toen prima beoordelingen, maar raakten niet in de finale.
Bij hun tweede deelname in 1984 lukte dat wel en bereikten ze de finale.
Als ze later naar die muziek luisterde, vond ze het zeker niet slecht, al hoorde je wel hoe jong en onervaren ze toen nog waren.
Na het ontbinden van die groep gingen ze verder met meer muzikanten: een saxofonist, een tweede gitarist en een keyboardspeler.
Met die uitgebreide bezetting ging Bea als frontvrouw verder onder de naam Won Ton Ton.
Die naam klonk gewoon goed en kwam er ook grafisch mooi uit.
Pas later ontdekten ze dat er ooit een film was gemaakt met de titel Won Ton Ton, maar daar had hun naamkeuze niets mee te maken.
Bea was wel blij dat het om een hond ging, want ze was een grote hondenliefhebber.
Wie Won Ton Ton zegt, denkt onvermijdelijk aan de hit ‘I Lie and I Cheat’ uit 1988, wat een grote Belpop-klassieker werd.
Het nummer bereikte destijds in Vlaanderen de tiende plaats in de BRT Top 30.
Ook in Nederland was de single een succes met een dertiende plaats in de Top 40.
Vandaag is dit een onbetwiste klassieker.
De totstandkoming van dat nummer verliep heel organisch, net als bij hun andere nummers.
De ene muzikant speelde iets, de andere ging erop verder en zo groeide het lied vanzelf.
Ook de tekst ontstond via een hechte samenwerking: Bea begon woorden te zingen en haar man maakte de zinnen af.
De uiteindelijke songtekst gaat over mishandeling, al was dat uiteraard helemaal niet autobiografisch.
Hoewel er destijds zelfs internationale interesse was vanuit de Verenigde Staten, koos ze bewust voor haar gezin nadat ze zwanger werd van haar eerste kind.
In 1996 bracht ze nog het soloalbum Thin Skinned uit, een plaat die ze zelf als een persoonlijk muzikaal hoogtepunt beschouwde.
Eind jaren tachtig werd ze een bekend gezicht voor het brede publiek.
Bij de start van de commerciële zender VTM in 1989 vormde ze samen met Willy Sommers het allereerste presentatieduo van het populaire muziekprogramma Tien om te zien.
Een jaar later maakte ze haar filmdebuut aan de zijde van Urbanus in de kaskraker Koko Flanel, die uitgroeide tot een van de meest succesvolle Vlaamse bioscoopfilms ooit.
Later presenteerde ze onder meer de programma’s Dag Coco, Studio Gaga en het natuurprogramma Rare Streken.
Toch verklaarde ze later dat de schijnwerpers en de roem haar niet altijd even goed lagen.
Ze maakte een stap terug uit de mediawereld en besloot haar regentaatsdiploma te gebruiken om les te geven.
Vanaf 2004 gaf ze als leerkracht Engelse les in de middenschool in Keerbergen.
In juni 2022 werd bij haar de spierziekte ALS vastgesteld.
Bea Van der Maat koos uiteindelijk voor euthanasie en overleed op 27 juli 2023 op 62-jarige leeftijd.
30 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse zangeres Bea Van der Maat (De Post 13 september 1991)
Gisteren nog vandaag
Bea Van Der Maat (Joepie januari 1990)
Gisteren nog vandaag
Bea Van Der Maat (1989)
Gisteren nog vandaag
Bea Van Der Maat in de Joepie van 16 juli 1989
Gisteren nog vandaag
Koen Wouters, Willy Sommers, Bea Van Der Maat en Bart Kaëll in de Joepie van 23 juli 1989
Gisteren nog vandaag
Geen sterallures bij Bea Van der Maat en Dani Klein (Joepie 17 april 1988)
Gisteren nog vandaag
Het schoolverleden van Bea Van der Maat (Joepie 5 oktober 1986)
Gisteren nog vandaag
Bea Van Der Maat met het nummer Pain voor de tv-serie Flikken
De formatie uit de regio Brussel bestond oorspronkelijk uit de vier leden Sue, Martine, Pascale en Viviane.
Voordat ze de muziekwereld veroverden, werkten de dames al vijf jaar samen als dansgroep en stonden ze op het podium als achtergronddanseres bij bekende artiesten zoals Will Tura en Lee Towers.
Hun muzikale doorbraak kwam er dankzij een samenwerking met Raymond Felix, die eerder al succes boekte met Jack Jersey.
Het absolute hoogtepunt van Bisquit was de single Roller Boogie, geschreven door het duo Ronny Sigo en Raymond Felix.
Die laatste nam ook de volledige productie van het nummer voor zijn rekening.
De aanpak werkte, want de single deed het commercieel goed en klom tot de achttiende plaats in de BRT Top 30.
Hoewel de hitparade in Nederland buiten bereik bleef, werd het nummer ook in Duitsland een bescheiden succes met een achtenvijftigste plaats als hoogste notering.
De groep viel niet alleen op door de muziek, maar ook door een opvallende futuristische stijl.
De leden traden op in paarse pakken en droegen zilveren discohelmen die volledig met spiegeltjes waren bedekt.
Dit mysterieuze imago was een bewuste strategie om de nieuwsgierigheid van het publiek te prikkelen en boven de massa uit te steken.
Wel zat er een opmerkelijk verschil tussen de werkelijkheid en het imago: hoewel de formatie achter de schermen uit vier vrouwen bestond, werd de groep op de singlehoes gepresenteerd als een trio van twee vrouwen en een man.
Hoewel de spiegelhelmen hun handelsmerk werden, keken de groepsleden al vooruit naar andere vermommingen om hun visuele presentatie vernieuwend te houden.
De kern van hun succes bleef de ijzersterke combinatie van professionele danschoreografieën en aanstekelijke discomuziek, een formule die destijds zowel op de televisie als in de discotheken volop in de smaak viel.
Marc Dex, de artiestennaam van Marcel Deckx, werd geboren op 3 juli 1943 in Retie.
Hij groeide op in een muzikale Kempense familie waarin de liefde voor zang en volksamusement er al vroeg in zat, een passie die ook zijn jongere broer Juul Kabas zou delen.
Als jongeman pakte Marc de gitaar op en begon hij op te treden in lokale zaaltjes, gecharmeerd door het lichte Nederlandstalige lied.
Zijn definitieve doorbraak bij het grote publiek kwam er aan het einde van de jaren zestig.
In 1968 nam hij deel aan Canzonissima, de toenmalige Vlaamse preselectie voor het Eurovisiesongfestival.
Hij behaalde de tweede plaats in de competitie met het melancholische nummer “O clown”.
Dit nummer, waarin de emotionele grens tussen de lach op het podium en het verdriet erachter centraal staat, werd een enorme hit en markeerde de start van zijn grote succes.
In de jaren die volgden, reeg hij de successen aan elkaar.
Hits als ‘Niet huilen mama’, ‘Maar in Amerika’, ‘Palma de Mallorca’ en ‘Jij bent mijn wereld’ veroverden de Vlaamse hitparades en werden klassiekers in zijn repertoire.
Met zijn sympathieke uitstraling, warme stem en innemende podiumaanwezigheid was hij een vaste waarde op de radio, televisie en de vele feesttenten en podia in het land.
Naast zijn werk op de bühne ontpopte Marc Dex zich ook als ondernemer binnen de muziekwereld.
Hij richtte een eigen platenlabel en boekingskantoor op om jong muzikaal talent te ondersteunen en te begeleiden.
Zo werd Margriet Hermans in 1985 ontdekt door Marc Dex, waarna ze op 33-jarige leeftijd begon met een bloeiende zang- en showbusinesscarrière.
Die muzikaliteit gaf hij eveneens door binnen zijn eigen gezin, want zijn dochter Barbara Dex trad later succesvol in zijn voetsporen en vertegenwoordigde België in 1993 op het Eurovisiesongfestival.
Het echtpaar stapte op 27 juli 1971 in het huwelijksbootje, is vandaag 55 jaar getrouwd en woont samen in Oud-Turnhout.
De nu 83-jarige zanger staat nog volop op het podium en staat binnenkort op de affiche met onder meer zangeres Mieke.
Marc Dex, als ik ’s middags wakker werd, rook ik spek en eieren (Story 7 april 1987
Gisteren nog vandaag
Marc Dex, afscheid nemen kan ik niet (Story november 1986)
Gisteren nog vandaag
Gisteren nog vandaag
De tien geboden van Marc Dex (Story 18 september 1981)
Gisteren nog vandaag
Marc Dex met zijn album O Clown
Marc Dex op vakantie in Canada (Joepie 3 september 1978)
Gisteren nog vandaag
Marc Dex, nieuwe producer voor Alwin Frank (Joepie 5 november 1975)
De bekende tv-reeks CHiPs, die van 1978 tot en met 1983 goed was voor zes seizoenen en destijds te zien was op de BRT, is een iconisch en licht misdaaddrama over twee motorpolitieagenten.
In de serie vertolkt Erik Estrada de rol van de macho-agent Francis, beter bekend als Frank Poncherello, terwijl Larry Wilcox gestalte geeft aan zijn no-nonsense en rechttoe rechtaan partner Jon Baker.
Samen patrouilleren ze als Highway Patrolmen voor het kantoor in Central Los Angeles van de California Highway Patrol.
De afkorting van deze politiedienst, CHP, verklaart meteen ook de herkomst van de serietitel.
Hun opdrachten krijgen de agenten steevast van Sergeant Joseph (of Joe) Getraer, een rol gespeeld door Robert Pine.
Kenmerkend voor de reeks is de ronkende motor waar de agenten op rijden: voor de opnames maakte men gebruik van de Kawasaki Z1000 P, waarbij de P heel toepasselijk voor Police staat.
De aanhoudende populariteit van de originele reeks leidde in 2017 nog tot een bioscoopfilm.
Hierin namen Dax Shepard en Michael Peña de hoofdrollen van respectievelijk Jon Baker en Frank Poncherello voor hun rekening, al dook Erik Estrada wel nog even op voor een kleine gastrol.
Wat veel televisiekijkers destijds echter niet wisten over de reeks en de twee hoofdrolspelers, is dat de vriendschap tussen de agenten louter acteerwerk was.
Hoewel Estrada en Wilcox op het scherm onafscheidelijke en loyale partners speelden, konden de twee acteurs het achter de schermen helemaal niet goed met elkaar vinden.
De onderlinge rivaliteit en de spanningen op de set liepen na verloop van tijd zelfs zo hoog op dat Larry Wilcox besloot om op te stappen.
Hij keerde daardoor niet meer terug voor het zesde en tevens laatste seizoen van de serie.
Daarnaast had Erik Estrada de reeks bijna niet kunnen afmaken: hij kreeg tijdens de opnames van het derde seizoen een zeer zwaar motorongeluk op de set, maar wist na een intensieve revalidatie toch succesvol terug te keren.
Betty Holt werd geboren op 23 januari 1931 in Jacksonville, Florida. Ze groeide op in een gezin dat al snel door de filmwereld werd aangetrokken.
Nadat entertainer Will Rogers de danskwaliteiten van haar oudere broer David had geprezen, besloot het gezin Holt de stap naar Californië te wagen.
Ze reisden in een oude auto met aanhanger vanuit Florida naar Hollywood, vastberaden om door te breken in de filmindustrie.
Al op vierjarige leeftijd werd Betty ontdekt door filmstudio Paramount Pictures, waar ze een langdurig contract kreeg aangeboden.
In de tweede helft van de jaren dertig verscheen ze in diverse studioproducties.
Zo maakte ze haar opwachting in films als ‘Without Regret’ uit 1935, ‘It Could Happen to You!’ uit 1937 en de korte film ‘Starlit Days at the Lido’.
Hoewel haar tijd in de schijnwerpers voornamelijk tot haar kinderjaren beperkt bleef, vormt haar werk een charmant onderdeel van de Hollywoodgeschiedenis uit het studio-tijdperk.
Betty Holt overleed op 10 mei 2008 op 77-jarige leeftijd in de Verenigde Staten.
Haar oudere broer David Jack Holt werd geboren op 14 augustus 1927 in Jacksonville, Florida.
Hij was het eerste gezinslid dat het maakte in Hollywood. Paramount Pictures schoof de jonge David begin jaren dertig naar voren en promootte hem als de mannelijke tegenhanger van Shirley Temple.
Hij speelde in talloze bekende klassiekers, waaronder ‘The Adventures of Tom Sawyer’ uit 1938, ‘Beau Geste’ uit 1939, ‘The Pride of the Yankees’ uit 1942 en ‘Courage of Lassie’ uit 1946.
Naarmate hij ouder werd, en minder aan de bak kwam in Hollywood, liet hij het acteren rond zijn vijfentwintigste achter zich.
David bouwde later een succesvolle carrière op als jazzpianist, componist en werd algemeen directeur en mede-eigenaar van een muziekuitgeverij, Clorvel Music in Studio City, Californië.
Als songwriter werkte Holt onder meer samen met Johnny Mercer, Robert Wells, Sammy Cahn, Paul Francis Webster en Dok Stanford.
Tot zijn bekendste nummers behoren ‘What Every Girl Should Know’, ‘Anyone Can Fall in Love’ en het samen met Sammy Cahn geschreven ‘The Christmas Blues’.
Dat laatste nummer werd opgenomen door Dean Martin en gebruikt op de soundtrack van de film L.A. Confidential uit 1997.
Holt componeerde ook de muziek voor verschillende jazzalbums met Pete Jolly.
Hij overleed op 15 november 2003 op 76-jarige leeftijd.
Het jongere broertje Ricky Holt werd geboren op 6 mei 1938.
In de voetsporen van zijn broer en zus trad ook hij op jeugdige leeftijd toe tot de filmindustrie van de late jaren dertig en vroege jaren veertig.
Een van de meest opmerkelijke momenten uit zijn kindertijd was zijn figuratie in de epische filmklassieker ‘Gone with the Wind’ uit 1939.
Hij verscheen daarnaast in diverse kleinere filmrollen als kinderfigurant.
Ricky Holt overleed op 16 augustus 2015 op 77-jarige leeftijd.
De Boetprocessie van Veurne is een van de meest authentieke en ingetogen religieuze tradities in Vlaanderen.
Al sinds de zeventiende eeuw trekt deze historische omgang elke laatste zondag van juli door de straten van de West-Vlaamse boetestad, gedragen door een diepgeworteld gevoel van boetedoening en volksdevotie.
De oorsprong van de traditie ligt in het jaar 1637, toen de regio geteisterd werd door oorlogsgeweld en de pest.
In die donkere periode richtte Jacobijn Jacob Clou de Sodaliteit van de Gekruiste Zaligmaker op.
Deze broederschap stelde zich tot doel het lijden van Christus te herdenken en openlijk boete te doen om onheil af te wenden.
Sinds 1646 is de processie een vast gegeven in Veurne.
Wat de Boetprocessie zo indrukwekkend maakt, is het sobere en anonieme karakter.
De honderden boetelingen die deelnemen, lopen onherkenbaar mee, gehuld in sobere, bruine pijpen met een kap over het hoofd.
Velen van hen lopen blootsvoets en dragen zware, houten kruisen op de schouders als teken van persoonlijk offer en inkeer.
Hun identiteit blijft geheim, wat de focus volledig verlegt naar de innerlijke beleving en de boodschap van de processie.
De rijke geschiedenis van het evenement kent vele gedenkwaardige edities, zoals die van zondag 26 juli 1931.
Hoewel de processie die dag onder minder gunstige weersomstandigheden plaatsvond, lieten de deelnemers zich niet afschrikken.
Niettegenstaande de doorregende straten gingen vele kruisdragers op sandalen of blootsvoets in de optocht mee.
Tussen de groepen viel destijds de oude Pontius Pilatus op, die elk jaar trouw op zijn post was om zijn rol te vervullen.
Een ander aangrijpend moment was de val van Christus onder het kruis, een tafereel dat een diepe indruk van volkskunst achterliet bij het aanwezige publiek.
Die specifieke editie trok bovendien koninklijke belangstelling, zij het in alle discretie.
Ongemerkt voor de vele toeschouwers volgden aartshertog Otto van Oostenrijk en diens moeder keizerin Zita de rondgang van de Boetprocessie, leunend vanuit het balkon van een plaatselijk klooster.
Zita van Bourbon-Parma was de laatste keizerin van Oostenrijk en koningin van Hongarije.
Sinds de afzetting van haar echtgenoot keizer Karel I in 1918 en diens vroege overlijden in 1922 leefde zij met haar gezin in ballingschap.
Vanaf het overlijden van haar man droeg zij uit rouw uitsluitend nog zwarte kleding.
In 1929 kreeg de keizerlijke familie toestemming om zich in België te vestigen, waar zij warm werden onthaald door de Belgische koninklijke familie.
Ze vonden een veilig onderkomen in het kasteel De Ham in Steenokkerzeel, waar ze gedurende de jaren dertig woonden en van waaruit ze tijdens de zomermaanden regelmatig de Belgische kust bezochten voor hun vakanties.
Toen nazi-Duitsland in mei 1940 België binnenviel, liep de uitgesproken anti-nazistische familie echter opnieuw groot gevaar.
Ze moesten halsoverkop vluchten via Frankrijk en Spanje naar Portugal, om uiteindelijk de oversteek te maken naar het Amerikaanse continent.
Na de Tweede Wereldoorlog keerde keizerin Zita terug naar Europa, waar ze haar laatste levensjaren doorbracht in het Johannes-Stift in het Zwitserse Zizers.
Ze overleed daar op 14 maart 1989 op 96-jarige leeftijd, waarna haar lichaam werd overgebracht naar Wenen om te worden bijgezet in de Keizerlijke Crypte.
De oudste zoon, aartshertog Otto van Habsburg, was de voormalige kroonprins.
In juli 1931 was hij een jonge achttienjarige die in België studeerde aan de Katholieke Universiteit Leuven, waar hij in 1935 zijn doctoraat in de sociale en politieke wetenschappen zou behalen.
Voor het keizerlijke gezin, dat diep religieus was en sterke banden had met katholieke tradities, vormde de ingetogen en historische Boetprocessie in het nabijgelegen Veurne een passend moment van bezinning tijdens hun verblijf in Vlaanderen.
Otto van Habsburg zou later uitgroeien tot een van de meest invloedrijke Europese figuren van zijn tijd.
Tijdens de jaren 30 verzette hij zich fel tegen de Anschluss van Oostenrijk bij nazi-Duitsland.
Adolf Hitler liet hem hierom bij verstek ter dood veroordelen.
Otto vluchtte naar de Verenigde Staten, waar hij president Roosevelt waarschuwde voor het naziregime en hielp bij het redden van talloze Joodse vluchtelingen.
Pas in 1961 deed hij officieel afstand van zijn aanspraken op de Oostenrijkse troon om weer als staatsburger naar zijn vaderland te mogen reizen.
In 2007 droeg hij het hoofdschap van het Huis Habsburg over aan zijn oudste zoon, Karl van Habsburg.
Vanaf 1979 tot 1999 was hij voor de Beierse partij CSU lid van het Europees Parlement. Hij zette zich decennialang in voor de Europese integratie en de uitbreiding van de Europese Unie naar voormalige Oostbloklanden.
Tevens diende hij jarenlang als president van de Internationale Paneuropese Unie, een van de oudste Europese eenwordingsbewegingen.
Na zijn overlijden in 2011 in het Duitse Pöcking werd zijn lichaam met traditionele keizerlijke pracht en praal bijgezet in de Keizerlijke Crypte in Wenen, terwijl zijn hart volgens oud familieritueel werd begraven in de Abdij van Pannonhalma in Hongarije.
Het evenement bestaat in de basis uit twee grote delen. In de voormiddag trekken de groepen in historische klederdracht rond om bijbelse taferelen uit te beelden, met een sterke nadruk op het Oude en Nieuwe Testament en het lijdensverhaal van Jezus.
Na de middag volgt de eigenlijke Boetprocessie, waarin de anonieme kruisdragers de hoofdrol spelen, begeleid door het monotone en indringende geluid van trommels.
Ondanks de modernisering van de samenleving blijft de Boetprocessie van Veurne een levend monument.
Het evenement trekt jaarlijks duizenden bezoekers en staat sinds 2009 officieel erkend als immaterieel cultureel erfgoed in Vlaanderen.
Het is een zeldzaam bewaard gebleven uiting van barokke boetevroomheid die generatie op generatie wordt doorgegeven.
Vandaag, op zondag 26 juli 2026, trekt deze eeuwenoude en diepgaande traditie opnieuw door het historische centrum van de stad.
Exact 95 jaar na de legendarische en doorregende editie waarbij de keizerlijke familie stilletjes toekeek, zullen de anonieme boetelingen en de zware houten kruisen weerom het straatbeeld bepalen om deze unieke uiting van volksgeloof levend te houden.
In 1992 zorgde de Ierse zangeres Sinéad O’Connor voor veel beroering toen ze live op de Amerikaanse televisie een foto van de paus verscheurde.
Haar complexe relatie met religie nam in 1999 een nieuwe wending toen ze in Lourdes tot priester werd gewijd door bisschop Michael Cox, de leider van de afgescheurde Latijnse Tridentijnse kerk.
Vanaf dat moment ging ze door het leven als Moeder Bernadette Mary en werd ze de eerste vrouw in deze functie.
De ceremonie veroorzaakte echter stevige ruzie en de weigering van de Rooms-Katholieke Kerk om de wijding te erkennen.
Omdat O’Connor destijds 200.000 dollar aan Cox had geschonken, ontstond al snel de perceptie dat ze haar priesterschap simpelweg had gekocht.
Door de jaren heen bleef de zangeres worstelen met haar identiteit, wat zich onder meer uitte in verschillende naamsveranderingen.
In 2017 veranderde ze haar wettelijke naam naar Magda Davitt.
Slechts een jaar later kondigde ze aan dat Sinéad Marie Bernadette O’Connor niet langer bestond; ze had zich bekeerd tot de islam en wilde voortaan Shuhada’ Davitt genoemd worden, een Arabische naam die staat voor martelaar of getuige.
Naast deze spirituele zoektocht werd haar leven zwaar getekend door persoonlijke en mentale worstelingen.
O’Connor kampte met de naweeën van trauma’s en misbruik uit haar jeugd. Ze gaf zelf aan dat ze door haar directe start in de muziekindustrie nooit had geleerd om een normaal leven te leiden en geen tijd had genomen om te genezen.
Na decennialang cannabisgebruik en een kortstondige verslaving aan andere middelen in 2020 door het verlies van een geliefde en de zorgen om haar tienerzoon Shane, besloot ze in 2021 in te grijpen.
Ze annuleerde al haar optredens voor dat jaar om een jaar lang te focussen op therapie en ontwenning, met als doel haar zwarte gedachten te overwinnen.
Via Twitter vroeg ze haar fans om begrip voor de zes loodzware jaren die ze had doorgemaakt, met de boodschap dat haar herstel nu echt kon beginnen.
Dit herstel werd echter ruw verstoord door een onvoorstelbaar drama toen haar 17-jarige zoon Shane in januari 2022 uit het leven stapte.
O’Connor was gebroken en noemde hem op Twitter het licht van haar leven dat besloten had zijn aardse strijd te beëindigen.
Ze sprak de wens uit dat hij in vrede mocht rusten en drukte haar volgers op het hart om zijn voorbeeld niet te volgen.
Hoe dan ook kwam er op 26 juli 2023 een verdrietig einde aan het roerige bestaan van deze veelbesproken zangeres, die op 56-jarige leeftijd overleed.
Uit het Ierse lijkschouwingsrapport bleek dat ze specifiek overleed aan een verergering van de longziekte COPD, astma en een lichte infectie in de onderste luchtwegen.
Het succes en de schaduwzijde van een countryklassieker.
Het nummer Success Has Made a Failure of Our Home van Sinead O’Connor is gebaseerd op het nummer Success van countryzangeres Loretta Lynn.
Dat origineel werd in 1961 geschreven door Johnny Mullins.
In de tekst zingt de artiest over de keerzijde van roem: het najagen van een succesvolle carrière en rijkdom heeft er in dit verhaal ironisch genoeg voor gezorgd dat het gezinsleven en het huwelijk volledig zijn stukgelopen.
Hoewel de kern en de betekenis in beide versies precies hetzelfde zijn, bracht Sinead O’Connor wel een paar subtiele tekstuele aanpassingen aan.
Zo veranderde ze onder andere de openingsregel over het achterlaten van een eenvoudige boerderij om het lied moderner te maken en beter te laten aansluiten bij haar eigen achtergrond.
Toen Loretta Lynn de single in april 1962 uitbracht, werd het een groot succes en betekende het haar allereerste top 10-hit in de Amerikaanse Hot Country Songs.
Jaren later wist Sinead O’Connor met haar eigen versie ook in de Lage Landen te scoren, waar de cover goed was voor een eenentwintigste plaats in zowel de Vlaamse BRT Top 30 als een vijftiende plaats in de Top 40.
Inmiddels is ook Loretta Lynn overleden. De legendarische countryzangeres stierf op 4 oktober 2022 op negentigjarige leeftijd in haar slaap.
De 25e editie van de Ronde van Frankrijk, verreden in de zomer van 1931, staat bekend als een van de meest slopende en heroïsche edities uit de vroege geschiedenis van de wielersport.
Met een totale afstand van maar liefst 5091 kilometer, verdeeld over 24 etappes, was deze editie een ware uitputtingsslag, waarbij de renners tegen de klok en elkaar streden op loodzware wegen.
Dit enorme aantal kilometers staat in schril contrast met de moderne wielersport.
Waar de renners in 1931 nog 5091 kilometer moesten overbruggen, is de huidige Ronde van Frankrijk, de editie van 2026, een totale afstand van 3320,7 kilometer.
Destijds was het bovendien het tweede jaar dat de Tour met nationale ploegen reed in plaats van individuele sponsors, wat zorgde voor een felle strijd tussen de grote wielerbuurlanden Frankrijk, België en Italië.
In 1931 stonden er slechts 6 officiële nationale ploegen aan de start, aangevuld met een grote groep individuele renners.
De vier grote wielerlanden Frankrijk, België, Italië en Duitsland stuurden elk een ploeg van 8 renners. Daarnaast was er een gecombineerd team van Australië en Zwitserland met elk 4 renners, en nam Spanje deel met slechts 1 enkele renner.
Nederland schitterde in die tijd door afwezigheid en had geen nationale ploeg aan de start.
In deze beginperiode van de Tour met landenploegen was het wegwielrennen in Nederland nog lang niet zo populair of professioneel ontwikkeld als in de omringende landen.
De sportieve focus lag in Nederland destijds vooral op het baanwielrennen, waar wel grote successen werden geboekt.
Het zou nog tot 1936 duren voordat er voor het eerst een Nederlandse afvaardiging aan de start van de Tour verscheen, destijds met renners als Albert van Schendel en Theo Middelkamp, die toen direct de allereerste Nederlandse etappezege wisten op te eisen.
Dit alles bracht het deelnemersveld van 1931 op 41 ploegrenners, die werden vergezeld door 40 onafhankelijke renners, de zogenaamde touriste-routiers, wat zorgde voor een bescheiden peloton van 81 renners in totaal.
Hoe anders is dat in de editie van 2026, waar 23 professionele merkenteams aan de start verschijnen met elk 8 renners, wat resulteert in een gigantisch en strak georganiseerd peloton van 184 renners.
In het begin van de ronde domineerden de sprinters in de vlakke ritten, maar het spektakel begon pas echt toen de bergen opdoemden.
Een gedenkwaardig moment vond plaats in de tweede etappe, toen de Oostenrijkse individuele renner Max Bulla geschiedenis schreef.
Hoewel de individuele renners tien minuten later waren gestart dan de nationale ploegen, slaagde Bulla erin om iedereen in te halen en de etappe te winnen.
Hierdoor pakte hij als enige onafhankelijke renner ooit in de geschiedenis de gele trui.
Het klassement kreeg zijn definitieve vorm in de loodzware Pyreneeën.
Tijdens de negende etappe van Pau naar Luchon ontbond de Franse renner Antonin Magne zijn duivels.
Hij viel aan op de flanken van de legendarische Tourmalet, nam de leiding in de wedstrijd en veroverde de gele trui. Magne, die bekendstond om zijn tactische inzicht en methodische manier van rijden, werd gesteund door een ijzersterke Franse ploeg met onder anderen Charles Pélissier.
Na deze slopende ritten was er voor de renners van de luxe van moderne hotels absoluut geen sprake.
Hoewel ze na een etappe ergens moesten slapen, was de realiteit uiterst sober.
De ploegen huurden meestal eenvoudige kamers in goedkope lokale herbergen of kleine familiehotels langs de route.
Omdat er vaak niet genoeg bedden waren, moesten renners de kamers en soms zelfs de bedden met elkaar delen.
Na een rit van driehonderd kilometer kropen twee renners dan samen in een krap bed.
Ook de hygiëne liet te wensen over, want kamers met eigen warm stromend water waren er amper.
Renners moesten zich vaak behelpen met een teil koud water op de binnenplaats of een gedeelde kraan op de gang. Van een echt sportdieet was evenmin sprake; men at gewoon de zware kost die de lokale herberg serveerde.
Niet alleen het comfort, maar ook het prijzengeld was van een heel andere orde dan vandaag de dag. In 1931 bedroeg de eerste prijs voor de eindwinnaar van het algemeen klassement 25.000 Franse frank, uit een totale prijzenpot van 650.000 Franse frank.
Gecorrigeerd naar de huidige koopkracht was die hoofdprijs toen ongeveer 15.000 tot 20.000 euro waard.
Dit staat in schril contrast met de editie van 2026, waarin de totale prijzenpot ruim 2,3 miljoen euro bedraagt en de uiteindelijke winnaar maar liefst 500.000 euro mee naar huis neemt.
In de Alpen en tijdens de latere vlakke ritten werd de Franse leider constant bestookt door zijn naaste belagers.
Vooral de Belg Jef Demuysere en de Italiaan Antonio Pesenti gaven zich niet zomaar gewonnen.
Demuysere bleef aanvallen opzetten en won meerdere zware ritten, maar Magne gaf geen krimp.
In de voorlaatste etappe, die over de gevreesde kasseien in het noorden van Frankrijk voerde, probeerden de Belgen een beslissende slag te slaan.
Magne wist echter stand te houden door constant aan het wiel van Demuysere te blijven kleven.
Uiteindelijk eindigde de loodzware koers op 26 juli 1931 in het legendarische Prinsenpark, oftewel het Parc des Princes in Parijs.
In die tijd stroomde de wielerbaan van dit stadion traditiegetrouw bomvol met tienduizenden enthousiaste toeschouwers om de helden van de weg na weken van afzien te huldigen.
Na alle kilometers over onverharde wegen en kasseien konden de renners nog een paar laatste rondjes over de houten piste rijden voor het oog van de massa.
Het was in deze historische ambiance dat Antonin Magne als grote triomfator werd binnengehaald, met een voorsprong van bijna dertien minuten op Demuysere en ruim tweeëntwintig minuten op Pesenti.
Het betekende de eerste van zijn twee Tourzeges en een groot feest voor het Franse publiek.
De Belgen grepen met Demuysere, Gaston Rebry en Maurice De Waele weliswaar net naast de individuele hoofdprijs, maar zij namen wel de troostprijs mee naar huis door het ploegenklassement op hun naam te schrijven