
Vandaag 100 geleden, plechtige viering van de honderdjarige Hyroniemus Van Lysebetten in het stadhuis van Gent (25 februari 1924)

Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek

In 1980 brachten The Machines twee singles uit, waarvan er één (The Hustle) op het verzamelalbum Get Sprouts beland was, een door Marcel Vanthilt gemaakte compilatie van Belgische popnummers die door de bank ASLK verspreid werd.
The Machines was een van de vele newwavebands die begin jaren 80 in België als paddenstoelen uit de grond schoten en de naam Belpop meekregen.
De groep verwierf verdere bekendheid door deel te nemen aan de tweede editie van Humo’s Rock Rally in 1980.
In deze editie deden ook Red Zebra, The Employees, The Singles (met Ben Crabbé) en De Brassers mee. The Machines wonnen uiteindelijk de wedstrijd.
De grote doorbraak bij het publiek kwam er eind 1981 met de single ‘Don’t Be Cruel’, een meer gepolijst lied dan hun eerste twee singles.
Het debuutalbum ‘A World of Machines’ uit 1982, waarvan de hoes verzorgd werd door Hergés rechterhand Bob De Moor, werd een groot succes.
‘Yellow Lights’ en het fel door Yesterday van The Beatles beïnvloede ‘(I See) the Lies in Your Eyes’ werden radiohits in Vlaanderen.
In 1983 volgde het album ‘Dots & Dashes’. Met een modernere sound scoorden The Machines opnieuw.
‘Local Radio DJ’ leverde de groep opnieuw een radiohit op.
Daarna volgden enkele disputen met platenmaatschappij EMI. In 1984 trok deze zich terug uit de Belpopmarkt, zodat heel wat bands hun contract verloren.
The Machines zouden nog een handvol singles en het album Jungle! (1989) uitbrengen bij een kleiner platenlabel, maar het grote succes bleef uit.
Ten slotte ging de band uit elkaar: Paul Despiegelaere legde zich toe op productiewerk en Joris Angenon richtte eerst met Alain Tant (Luna Twist) het duo Onygo op, en ging daarna verder met The Dinky Toys.
In 2006 werd het nummer Take Me Away nog gebruikt op de soundtrack van de film Windkracht 10: Koksijde Rescue.
Op 7 september 2013 overleed Paul Despiegelaere na een lange ziekte. (Diverse bronnen, Joepie 12 februari 1984 en Bruno Massaer)


Het kasteel is ontworpen door de architect Joseph Schadde en werd in 1890 voltooid in opdracht van Paul Van Tieghem.
Paul Van Tieghem was de erfgenaam van de heerlijkheid Schaubroeck, een oud leen dat zich uitstrekte over de parochies Mariakerke, Drongen en Wondelgem.
De geschiedenis van deze familie gaat terug tot de 14de eeuw, toen ze eigenaar werden van het goed van Coolman dat later het kasteel Van Tieghem de ten Berghe zou worden.
In de loop der eeuwen kwam de heerlijkheid Schaubroeck in handen van verschillende adellijke geslachten, zoals de Triest, de Borluut en de Van der Noodt.
In 1889 liet Paul Van Tieghem het oude kasteel afbreken en een nieuw neogotisch kasteel bouwen dat hij Les Muguets noemde.
Hij woonde er tot 1917, waarna het kasteel door de Duitsers bezet werd en later aan diverse huurders verhuurd werd.
Het gebied van de heerlijkheid Schaubroeck werd grotendeels verkaveld in de 20ste eeuw.
Na de Tweede Wereldoorlog raakte het kasteel verwaarloosd en onbewoond, totdat het in 1963 werd aangekocht door de gemeente Mariakerke.
Het kasteel werd gerestaureerd en deed vanaf 1967 dienst als het gemeentehuis van Mariakerke.
Na de fusie met Gent in 1977 werd het kasteel een dienstencentrum voor de deelgemeente.
Het kasteel is sinds 1997 beschermd als monument en is een voorbeeld van de neogotische stijl.
Onder neogotiek wordt een 19e-eeuwse stroming in de bouwkunst verstaan die zich geheel heeft laten inspireren door de middeleeuwse gotiek.
Het kasteel heeft een rechthoekige plattegrond met een polygonaal (Polygonaal wil zeggen “naar vele richtingen verlopend” en het woord bestaat uit het Griekse poly (veel) en de toevoeging “gonaal”, die afkomstig is van het Griekse gonia (hoek) hoektorentje op de noordoostelijke hoek.
De voor- en achtergevel worden gemarkeerd door een breed middenrisaliet met een opengewerkte puntgevel.
Het kasteel is opgetrokken uit rode baksteen met verwerking van arduin en heeft een schilddak met leien.
Het interieur is aangepast aan de neogotische stijl en bevat onder meer stucversiering, schouwmantels en wapenschilden (foto februari 1934)

Het begijnhof ontstond in de 19e eeuw als een nieuwe vestiging voor de begijnen van het Oude begijnhof Sint Elisabeth, die moesten wijken voor de stadsuitbreiding en de militaire bezetting.

Het nieuwe begijnhof werd gebouwd op een ruim domein van 6,11 hectare en in neogotische stijl, met een kerk, een infirmerie, een school, een bakkerij en een kaasmakerij.

Het begijnhof bood onderdak aan meer dan duizend begijnen, die zich inzetten voor de zorg en het onderwijs van de arme bevolking.

Het begijnhof bleef bewoond tot 2005, toen de laatste begijn overleed.
Sindsdien wordt het begijnhof gerestaureerd en herbestemd als woon- en werkplek voor kunstenaars, studenten en gezinnen (postkaarten uit de verzameling van Claude Faseur)


Een schandpaal was een houten of stenen paal die in de middeleeuwen en later werd gebruikt om misdadigers of overtreders aan het publiek te tonen.
Ze werden meestal geplaatst op een centrale plaats in een stad of dorp, zoals een marktplein of een kerkhof.
De schandpaal diende als een vorm van straf en afschrikking, maar ook als een vernedering en een schending van de eer.
In Gent stond er een schandpaal op de groentemarkt, vlakbij het café Galgenhuis.
Dit café dankt zijn naam aan het feit dat het vroeger een gerechtshuis was waar ter dood veroordeelden hun laatste glas konden drinken.
Het café heeft nog steeds een galg in zijn uithangbord.
De schandpaal op de groentemarkt werd in 1772 afgebroken, maar er is nog een replica te zien in het STAM, het stadsmuseum van Gent.
In Vlaanderen zijn er verschillende oude schandpalen bewaard gebleven, die getuigen van de lokale geschiedenis en cultuur.
Een van de bekendste is de schandpaal van Sint-Amands, die dateert uit de 16e eeuw en versierd is met het wapenschild van de familie Lalaing, de toenmalige heren van Sint-Amands.
De schandpaal staat nog steeds op zijn oorspronkelijke plaats aan de Scheldekaai, waar hij vroeger diende om misdadigers aan de schepen te tonen.
Een andere oude schandpaal is die van Viersel, een deelgemeente van Zandhoven.
Deze schandpaal werd in 1771 opgericht door graaf Karel van Ursel, de heer van Viersel, en is versierd met zijn wapenschild en dat van zijn vrouw.
De schandpaal staat nu in het park van het kasteel van Viersel, dat nog steeds eigendom is van de familie van Ursel.
De schandpaal van Merksem is een van de oudste schandpalen van Vlaanderen.
Hij werd in 1393 opgericht door hertog Jan zonder Vrees, de heer van Merksem, en is gemaakt van arduinsteen.
De schandpaal heeft een achthoekige vorm en is voorzien van vier ijzeren ringen waaraan kettingen werden bevestigd.
De schandpaal staat nu op het Burgemeester Jozef Nolfplein, vlakbij de Sint-Bartholomeuskerk.
De schandpaal van Gestel is een bijzondere schandpaal, omdat hij niet alleen diende om mensen te straffen, maar ook om dieren te keuren.
Hij werd in 1756 opgericht door graaf Jan Baptist d’Ursel, de heer van Gestel, en is gemaakt van blauwe hardsteen.
De schandpaal heeft een ronde vorm en is voorzien van een ijzeren haak waaraan een weegschaal werd gehangen.
De schandpaal staat nu op het dorpsplein van Gestel, een deelgemeente van Berlaar.
De meeste schandpalen werden afgeschaft na de Franse Revolutie, toen ze werden beschouwd als symbolen van feodale onderdrukking en onrechtvaardigheid.
Sommige schandpalen werden vernield of verplaatst, andere werden bewaard als historische monumenten of kunstwerken.
De oude schandpalen in Vlaanderen zijn dus niet alleen overblijfselen uit het verleden, maar ook getuigen van het heden.
De schandpaal was een strafinstrument dat gebruikt werd om misdadigers publiekelijk te vernederen.
In Vlaanderen werden schandpalen opgericht vanaf de 13e eeuw, vooral in steden en dorpen met een eigen rechtspraak.
De schandpaal bestond meestal uit een stenen of houten zuil met een ijzeren ring of ketting waaraan de veroordeelde werd vastgebonden.
De schandpaal stond vaak op een centrale plaats, zoals een marktplein of een kerkhof, zodat iedereen de schande kon zien.
De misdadigers moesten soms ook een bord dragen met hun misdaad erop geschreven, of werden bekogeld met rotte eieren, stenen of vuilnis.
De schandpaal werd afgeschaft in de 18e eeuw, toen de Verlichting nieuwe ideeën over strafrecht bracht.
Veel schandpalen werden vernield of verwijderd, maar sommige zijn nog steeds te zien in Vlaanderen.
Een van de oudste en best bewaarde schandpalen staat in Sint-Amands, een gemeente aan de Schelde.
Deze schandpaal dateert uit 1525 en heeft een fraai versierde sokkel met het wapenschild van de heerlijkheid Sint-Amands.
Andere voorbeelden van overgebleven schandpalen zijn die van Viersel, een dorp in de provincie Antwerpen, die uit 1619 dateert en een leeuwenkop als bekroning heeft; die van Merksem, een district van Antwerpen, die uit 1624 dateert en een adelaar als bekroning heeft; en die van Gestel, een gehucht in de gemeente Berlaar, die uit 1773 dateert en een zonnewijzer als bekroning heeft. (Ons Volk 7 januari 1934)

Gisteren nog vandaag
Hier werd vlees verkocht dat nog net eetbaar was, maar niet meer voldeed aan de strenge kwaliteitsnormen voor de rijkere consument.
Dit was dus vooral bedoeld voor de armere bevolking, die zich geen vers vlees kon veroorloven.
De pensmarkt, zoals deze plek later werd genoemd, was een belangrijke bron van inkomsten voor de stad.
Er werd niet alleen pens verhandeld, maar ook andere soorten vlees en gevogelte, zoals kalfs-, lam-, os- en rundvlees.
Vanaf 1664 kon men daar ook kalkoenen, kippen en ganzen kopen.
De pensmarkt was een levendige en kleurrijke plaats, waar de klanten konden kiezen uit een verscheidenheid aan producten naar hun smaak en eetlust (foto van 1874 en afkomstig uit het Stadsarchief)




Foto van ongeveer 78 jaar geleden, mijn overgrootvader Emiel De Blauwer, zijn tweede vrouw Marie Elegeert en zijn drie kinderen.

Gisteren nog vandaag
Zijn drie kinderen waren Polydor De Blauwer (nonkel Pol), Victor De Blauwer (nonkel Victor) en Paula De Blauwer (mijn bomma).
Zijn twee zonen zullen enkele jaren later ruzie krijgen met elkaar en nooit meer elkaar zien.
Ik heb nooit geweten waar de ruzie over ging, maar waarschijnlijk zoals gewoonlijk, zal het over geld gegaan zijn.
Nonkel Pol, was ambtenaar en nonkel Victor was een vishandelaar en had een viswinkel in de Sint-Lievenspoortstraat 67, in Gent.
Mijn bomma bleef met beide contact houden, dus voor mij hetzelfde verhaal.
Maar op feesten, zoals mijn communiefeesten, waren alleen nonkel Pol aanwezig.
Nonkel Pol heeft nooit kinderen gehad en nonkel Victor had 1 dochter.
Mijn bomma had twee dochters en één zoon, mijn vader
Albijn Van den Abeele (1835-1918) was een veelzijdig man die zich zowel als schrijver, politicus en kunstschilder liet gelden.
Hij wordt beschouwd als de stamvader van de Latemse school, een groep kunstenaars die zich in de late 19e en vroege 20e eeuw in Sint-Martens-Latem vestigden en zich lieten inspireren door de natuur en het landleven.
Van den Abeele was zelf geboren en getogen in Sint-Martens-Latem, waar hij ook burgemeester, schepen en gemeentesecretaris was.
Hij schreef verschillende dorpsromans en een geschiedenis van zijn geboorteplaats.
Pas op veertigjarige leeftijd begon hij te schilderen, vooral bosgezichten en landschappen in een fijnzinnig kleurenpalet.
Zijn huis in de Latemstraat was een ontmoetingsplaats voor andere kunstenaars, zoals Xavier de Cock, Emile Claus, George Minne, Valerius de Saedeleer en de broers Gustave en Karel van de Woestyne.
Hij oefende een grote invloed uit op de eerste generatie van de Latemse school, die zich kenmerkte door een realistische en romantische stijl.
Van den Abeele overleed op 16 november 1918 en werd begraven op het kerkhof van Sint-Martens-Latem, waar ook zijn vriend George Minne rust (Ons Land 12 januari 1924).



Rodenbach werd geboren in Doornik op 16 juli 1855, maar verhuisde op jonge leeftijd naar Gent, waar hij opgroeide in een welgestelde familie.
Hij studeerde rechten aan de universiteit van Gent en werd advocaat, maar zijn ware passie lag bij de literatuur.

Hij schreef gedichten, romans, toneelstukken en essays, waarin hij vaak de melancholie en het verval van de moderne stad uitdrukte.
Zijn bekendste boek is Bruges-la-Morte (1892), een roman over de obsessie van een weduwnaar voor zijn overleden vrouw en de stad Brugge.

Rodenbach trouwde in 1887 met Anna-Maria de Schaetzen, met wie hij twee kinderen kreeg.
Hij verhuisde naar Parijs, waar hij actief was in de literaire kringen en bevriend raakte met onder andere Emile Verhaeren en Stéphane Mallarmé.
Hij overleed op 25 december 1898 aan een longontsteking, op 43-jarige leeftijd en werd begraven op het kerkhof van Père-Lachaise, waar zijn grafmonument nog steeds te bewonderen is.

In Gent is er een straat naar hem genoemd, de Georges Rodenbachstraat en een gedenkplaat aan zijn geboortehuis in de Veldstraat.

Het plein is vernoemd naar de vrouw van koning Leopold II, die in 1905 overleed.
Aan de rechterkant van het plein, waar nu de Clementinalaan en de Astridlaan zijn, stond een imposant hotel: het Flandria Palace Hotel.
Het was gebouwd voor de wereldtentoonstelling van 1913, die in Gent plaatsvond.
Het Flandria Palace Hotel is een ontwerp van architect Jules Van den Hende, die ook het station van Gent-Sint-Pieters ontwierp.

Het hotel had 600 kamers en was een van de luxueuste hotels van Europa.
Maar het hotel kende een tragisch lot.
Al in 1914 werd het omgevormd tot een militair hospitaal, waar eerst Belgische, dan Duitse en tenslotte geallieerde soldaten werden verzorgd.
Een deel van het hotel werd ook gebruikt als gevangenis voor burgers die naar Duitsland werden gedeporteerd.
Na de oorlog werd het hotel nooit meer heropend als hotel.

Het werd een laboratorium voor betononderzoek onder leiding van professor Gustave Magnel.
Later werd het een kantoorruimte voor de NMBS en Infrabel.
Het hotel is sinds 1995 beschermd als monument.

In de hal zijn er gedenkplaten voor het spoorwegpersoneel dat sneuvelde in de Eerste Wereldoorlog.
Het gebouw staat te koop en zal dus in de toekomst een nieuwe bestemming krijgen.

De Gentse kunstenaar Geo Vindevogel ontwierp het bronzen gedenkplaat om de gebeurtenis te herdenken.
De plechtigheid vond plaats in de Orbanlaan nummer 9, in Gent, waar Rodenbach zijn jeugd doorbracht.

Onder de aanwezigen waren zijn zus Marie, die gehuwd was met de schilder Georges Le Brun, zijn zoon Constantin en zijn neef Andre, die ook dichter was.
Andre Rodenbach was de halfbroer van de Gentse dichteres Eliane (Ely) Rodenbach.
Hij groeide op in Lokeren, en toen hij 14 jaar was verhuisde het gezin naar Gent. Daar woonde ze in 1915 in de Meerstraat.

In 1919 trokken ze naar de Blankenbergestraat, in 1921 naar de Pelikaanstraat en in 1928 naar de Vrijheidslaan.
Hij was een gepassioneerde dichter, die poëzie beschouwde als een middel om de menselijke geest te verheffen boven het materialisme.
Hij had een grote bewondering voor Frankrijk en zijn cultuur, vooral voor de streek van de Midi.

Hij betreurde de achteruitgang van het Frans in Vlaanderen, die hij toeschreef aan de taalwetten en het verdwijnen van het Frans uit het onderwijs.
Hij voelde zich geroepen om de Franse cultuur levend te houden in België, vooral onder de toen 75000 Franssprekende Vlamingen ( gedenkplaat onthuld op 19 december 1948).
