Upstairs, Downstairs: de tijdloze klasse van De familie Bellamy

De Britse dramareeks Upstairs, Downstairs, bij ons beter bekend als De familie Bellamy, blijft zonder twijfel een van de strafste en meest invloedrijke kostuumdrama’s uit de televisiegeschiedenis.

De serie werd oorspronkelijk tussen 1971 en 1975 uitgezonden door de Britse zender ITV en telde vijf seizoenen met in totaal 68 afleveringen.

Het idee kwam van actrices Jean Marsh en Eileen Atkins, die een verhaal wilden neerzetten waarin het personeel minstens even belangrijk was als de adel zelf.

Het hele gebeuren speelt zich af in een prachtig herenhuis aan Eaton Place 165 in de chique Londense wijk Belgravia, tussen 1903 en 1930.

De grote sterkte van de reeks zat hem in het contrast tussen de twee werelden onder hetzelfde dak.

Boven leefde de welgestelde familie Bellamy, onder leiding van politicus Richard Bellamy en zijn adellijke echtgenote Lady Marjorie.

Beneden, in de keukens en de kelders, zwaaide het personeel de plak onder het strenge oog van de plichtsgetrouwe Schotse butler Hudson, kokkin Mrs. Bridges en het trouwe kamermeisje Rose Buck, een rol van bedenkster Jean Marsh zelf.

Door het wel en wee van de heren en hun bedienden door elkaar te weven, schetste de serie een geweldig tijdsbeeld van een Groot-Brittannië in volle verandering.

Grote historische gebeurtenissen passeerden de revue en zetten de boel op stelten, zoals de ramp met de Titanic, de strijd voor het vrouwenstemrecht, de gruwel van de Eerste Wereldoorlog en de beurskrach van 1929.

Met de jaren zag je die vanzelfsprekende standenmaatschappij dan ook langzaam maar zeker afbrokkelen.

Het werd wereldwijd een overrompelend succes, met naar schatting meer dan een miljard kijkers die aan hun scherm gekluisterd zaten voor de belevenissen aan Eaton Place.

De reeks sleepte dan ook een pak prestigieuze prijzen in de wacht, waaronder verschillende BAFTA’s, Emmy Awards en een Golden Globe.

Met zijn sterke personages en rake blik op de maatschappij legde De familie Bellamy indertijd de basis voor latere topseries, met Downton Abbey natuurlijk als bekendste erfgenaam.

Als we vandaag terugblikken op die geweldige cast, moeten we helaas vaststellen dat de meesten van hen intussen van ons heengegaan zijn.

We namen al jaren geleden afscheid van Gordon Jackson, die zo onvergetelijk gestalte gaf aan butler Hudson, en van Angela Baddeley, de immer bedrijvige kokkin Mrs. Bridges.

Ook David Langton, het aristocratische familiehoofd Richard Bellamy, en Rachel Gurney, die zijn elegante echtgenote Lady Marjorie speelde, zijn al geruime tijd overleden.

Verder ontvielen ons Nicola Pagett, die de opstandige dochter Elizabeth Bellamy speelde, Meg Wynn Owen, die te zien was als Hazel Bellamy, Christopher Beeny, het vrolijke loopjongetje Edward Barnes, en Pauline Collins, die onvergetelijk schitterde als het kamermeisje Sarah Moffat.

Ook bedenkster en het boegbeeld van de reeks Jean Marsh, die decennialang het gezicht was van Eaton Place als kamermeisje Rose Buck, is ons inmiddels ontvallen.

Van de hoofdcast uit de originele reeks zijn er vandaag gelukkig nog enkele vertrouwde gezichten onder ons.

Zo leeft Simon Williams nog altijd, die destijds gestalte gaf aan zoon James Bellamy.

Ook Lesley-Anne Down, die als de beeldschone Georgina Worsley menig mannenhart sneller deed slaan, en Jacqueline Tong, die de rol van het guitige keukenmeisje Daisy neerzette, zijn er nog steeds.

En achter de schermen is ook mede-bedenkster Eileen Atkins nog altijd onder ons. Zij zou pas vele decennia later, bij de doorstart in 2010, voor het eerst zelf in de serie te zien zijn.

Zelf heb ik deze reeks destijds ontzettend graag gezien; het was elke keer weer genieten voor de buis.

Hebben jullie indertijd ook naar De familie Bellamy gekeken, en welke herinneringen hebben jullie er nog aan?

Het album Dead Ringer van Meat Loaf en Jim Steinman, dat 45 jaar geleden verscheen

Doordat Meat Loaf zijn stem kwijt was door een combinatie van drugs, oververmoeidheid en een intensieve tournee, duurde het tot september 1981 voordat zijn tweede studioalbum Dead Ringer verscheen.

Net als bij het debuutalbum Bat out of Hell uit 1977 zijn alle nummers van het album geschreven door Jim Steinman.

Het album werd geproduceerd door Meat Loaf en Stephan Galfas, samen met Jimmy Iovine en Jim Steinman, met uitzondering van drie nummers.

Ondanks de bewuste poging om het album te voorzien van hetzelfde succesvolle recept als het debuut, viel het resultaat artistiek gezien tegen, en dat lag vooral aan de stem van Meat Loaf.

Als je eerst naar Bat out of Hell luistert en daarna naar Dead Ringer, dan lijkt het wel of je naar een compleet andere zanger zit te luisteren.

Van dit album kwamen vier singles uit: ‘Dead Ringer For Love’ (waaraan zangeres Cher haar muzikale medewerking verleende, hoewel zij vreemd genoeg niet op de hoes van de single vermeld stond), ‘I’m Gonna Love Her For Both Of Us’, ‘Read ‘Em And Weep’ en ‘Peel Out’.

Voor de videoclip van ‘Dead Ringer For Love’, waarin Meat Loaf samen met Cher te zien is, werd de regie verzorgd door Allan F. Nicholls.

Bij de release werd het album gemengd tot teleurstellend ontvangen door critici, die vonden dat het de ongekende genialiteit en de kenmerkende productie van Todd Rundgren miste die het debuutalbum zo sterk maakten.

Commercieel deed het album het in Groot-Brittannië uitstekend, waar het de eerste plaats in de hitlijsten bereikte, maar in de rest van Europa en Noord-Amerika waren zowel de singles als het album grotendeels een commerciële flop.

Jim Steinman bekende jaren later dat hij ook niet tevreden was over het album, en dit kwam opnieuw vooral door de vocale beperkingen en de stemproblemen van Meat Loaf destijds.

Het zou dan ook jaren duren voor een nieuwe samenwerking tussen beide heren, tot we in 1993 eindelijk een waardig vervolg kregen op Bat out of Hell, dat dan ook toepasselijk de titel Bat out of Hell 2 meekreeg.

We vieren een bijzondere mijlpaal in onze stad, want het is precies 500 jaar geleden dat de eerste steen van het stadhuis van Oudenaarde werd gelegd.

In 1526 legde stadsgouverneur Philips de Lalaing die allereerste steen voor een ontwerp van de Brusselse bouwmeester Hendrik van Pede.

Philips de Lalaing behoorde tot een van de invloedrijkste adellijke families van die tijd en was nauw verbonden met het hof van keizer Karel V.

Zijn functie als stadsgouverneur was overigens niet hetzelfde als die van een burgemeester.

Het dagelijks bestuur en de rechtspraak lagen in handen van de schepenen en burgemeesters uit de lokale burgerij.

Een stadsgouverneur daarentegen werd rechtstreeks door de centrale vorst aangesteld om namens de kroon toezicht te houden op de strategische garnizoensstad aan de Schelde, de stadsverdediging te overzien en de belangen van de keizer te bewaken.

Dat Lalaing de eerste steen mocht leggen, gaf het ambitieuze bouwproject dan ook een enorm keizerlijk en adellijk aanzien.

De keuze voor architect Hendrik van Pede was eveneens een bewuste zet van het zelfbewuste stadsbestuur.

Oudenaarde beleefde in die periode een enorme economische bloei dankzij de lakenhandel en de internationaal vermaarde wandtapijtweverij, en zocht voor het nieuwe stadhuis de allerhoogste kwaliteit om te kunnen wedijveren met steden als Brussel, Leuven en Gent.

Van Pede, telg uit een befaamde Brusselse dynastie van steenhouwers en bouwmeesters, was sinds 1506 stadsbouwmeester van Brussel en genoot groot aanzien.

Hij had toen al gewerkt aan prestigieuze projecten zoals het Brusselse Broodhuis op de Grote Markt in opdracht van Karel V, het paleis van de familie van Nassau en opdrachten op de Koudenberg.

Hij beschikte over directe connecties met het hof van keizer Karel V en beheerste de Brabantse laatgotiek tot in de finesses.

Bovendien bezat hij het technisch vernuft om het nieuwe gebouw naadloos te laten aansluiten op de al bestaande veertiende-eeuwse lakenhal.

Vanuit Brussel reisde Van Pede regelmatig naar Oudenaarde om persoonlijk toezicht te houden op de werf en de steenhouwers.

Het stadhuis zou uitgroeien tot zijn absolute kroonjuweel en geldt als een van de laatste grote hoogtepunten van de burgerlijke gotiek in onze gewesten.

Het nieuwe gebouw verrees naast de veertiende-eeuwse lakenhal en verving het oude houten schepenhuis op de Markt.

Na amper tien jaar bouwen, tussen 1526 en 1537, stond het er al: een meesterwerk in Brabantse laatgotiek met een L-vormige plattegrond, rijk versierd met beeldhouwwerk, maaswerk en bladgoud.

Vandaag is dit prachtige monument dan ook erkend als UNESCO-werelderfgoed.

Boven op de belforttoren prijkt een bronzen beeld van Hanske de Krijger, onze bekende volksheld en het embleem van de stad Oudenaarde.

De oorsprong van de legendevorming is het vergulde roodkoperen beeld dat sinds 1538 het stadhuis van Oudenaarde bekroont.

Het toont een vaandeldrager uitgerust als een Spaanse soldaat.

De Oudenaardse goudsmid Willem Blansterins maakte dit beeld al in 1530.

Het verhaal gaat dat, toen keizer Karel V Oudenaarde bezocht, de stadswachter Hanske de Krijger, die op uitkijk stond, hem niet had zien aankomen.

Hanske zou toen in slaap zijn gevallen, omdat hij te veel Oudenaards bier had gedronken.

Volgens deze zestiende-eeuwse legende zou de keizer daarom hebben opgedragen om een bril in het wapenschild te zetten.

In werkelijkheid is het embleem in het wapenschild echter geen bril, maar een gotische letter A van Audenaerde.

Tegenwoordig herbergt het stadhuis ook het MOU, een museum dat de geschiedenis van Oudenaarde en de Vlaamse Ardennen vertelt aan de hand van wandtapijten, schilderijen en archeologische vondsten.

Het stadhuis werd door de jaren heen ontelbare keren gefotografeerd, waarbij de oudst bekende foto dateert uit 1864.

Voor een bijzondere foto-expo bundelen de cursisten fotografie van CVO Groeipunt en de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Oudenaarde hun krachten.

Hedendaagse foto’s van de cursisten worden er naast historische beelden uit de collectie van het stadsarchief geplaatst.

Deze gratis expo loopt van 31 oktober tot en met 15 november in de kapel van het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal, telkens van donderdag tot en met zondag tussen 10 uur en 18 uur.

Ook na het jubileum blijft 500 jaar eerstesteenlegging zichtbaar in de stad.

De historische stadswandeling krijgt een permanente bewegwijzering met klinknagels in de grond, die herkenbaar zijn aan een afbeelding van het stadhuis en wandelaars de weg wijzen langs het historische centrum.

Monique Muylaert en Herman Muys: meesters in keramiek met internationale faam

Het kunstenaarsechtpaar Monique Muylaert en Herman Muys geniet wereldwijd aanzien in de keramiekwereld en creëert vanuit hun atelier in de Pennestraat in Kerksken werk van het allerhoogste niveau.

Ze vormen een merkwaardig koppel dat weliswaar een aantal kenmerken gemeen heeft, maar artistiek allerminst identiek is.

Beiden werken met sculpturale keramiek, maar elk met een heel eigen, persoonlijk accent.

Monique Muylaert werd in 1946 geboren in Kerksken.

Ze studeerde aan de Academie voor Schone Kunsten in Aalst, waar ze de Prijs Valerius De Saedeleer in de wacht sleepte.

Daarna zette ze haar opleiding voort aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten in Antwerpen, waar ze als laureaat afstudeerde.

Herman Muys werd in 1944 geboren in Sint-Amands aan de Schelde.

Hij volgde zijn opleiding aan de Koninklijke Academie en aan het Nationaal Hoger Instituut in Antwerpen, waar ook hij het diploma van laureaat behaalde.

Daar, aan het instituut in Antwerpen, kruisten hun wegen elkaar begin jaren zestig en sloeg de vonk over.

Sindsdien delen ze hun leven en hun passie voor klei en vuur. Jarenlang gaven ze hun vakmanschap door als docenten aan de Academie voor Schone Kunsten in Aalst, terwijl ze in Kerksken aan een rijk oeuvre bouwden.

Monique staat bekend om haar uiterst geraffineerde keramische wandreliëfs, die uitblinken door een subtiel spel van tinten.

Kunstcritici omschrijven haar werk vaak als een microkosmos van aarde en materie.

In al haar creaties zit een boodschap verscholen die de toeschouwer uitnodigt tot ontdekking.

Het overstijgt ruimschoots de loutere vorm en materie; het is pure emotie.

Ze ontpopt zich als een geboren vertelster van duizend-en-één mooie, warme verhalen, tintelend van levenslust en sprankelend van geest.

Met dunne kleilagen en breekbare porseleinconstructies bouwt ze fascinerende structuren op, waarin ze met een fijne naald verhalen krast die tot leven komen door verrassende kleurschakeringen.

Herman opteert voor ruimtelijke, vrije plastische werken vol directe spanning en gebalde ontroering, die een sterke ontlading krijgen door een ongebreidelde expressionistische stijl.

Zijn beelden leggen de nadruk op de verscheidenheid van de mens in de samenleving en bezitten een fascinerende dubbele bodem.

Naast een fundamentele basisbeweging bevatten ze vele nevenritmes op de gestalte die men pas gaandeweg ontdekt.

De talloze details in zijn werk geven de keramiek een heel andere dimensie en openbaren versteende opwellingen en emoties die het ontstaan van elk bizar wezen begeleiden, balancerend tussen koele spot en een bedekte glimlach.

Hij bouwt deze krachtige figuren op uit flinterdunne kleiplaten van amper twee tot drie millimeter dik, waarin de vergankelijkheid en kwetsbaarheid van het bestaan voelbaar worden.

Samen vormen ze een bijzonder succesvol duo met een grote internationale weerklank.

Herman kon dankzij een werkbeurs van het toenmalige ministerie van Nederlandse Cultuur in New York een keramische sculptuur realiseren voor het Rockefeller Art Museum, terwijl in 1981 ook van Monique een keramisch reliëf werd aangekocht door het Rockefeller Art Center.

Daarnaast exposeerde zij onder meer in de Brakke Grond in Amsterdam.

Hun werken bevinden zich in de collectie van de Belgische staat en in vele musea in binnen- en buitenland.

In 1980 realiseerden zij samen een monumentale keramische opdracht voor het provinciegebouw van Antwerpen, en in 1992 verscheen bij uitgeverij Lannoo in Tielt een viertalige monografie onder redactie van Marcel Van Jole.

Een indrukwekkend eerbetoon aan twee uitzonderlijke meesters in de hedendaagse keramiekkunst

Vandaag 45 jaar geleden overleed liedjesleverancier Jud Strunk: het verhaal achter Conny Vandenbos en ‘Ome Arie’

Conny Vandenbos, geboren in Den Haag als Jacoba Adriana Hollestelle, groeide uit tot een van de meest geliefde en herkenbare stemmen van de Nederlandse lichte muziek en het chanson.

Ze kwam uit een muzikaal gezin en begon al op jonge leeftijd met zingen.

Haar artiestennaam Vandenbos ontleende ze aan haar eerste echtgenoot, Wim van den Bos; hoewel dat huwelijk na enkele jaren strandde, bleef ze die naam haar hele loopbaan trouw, aaneengeschreven als één geheel.

Haar landelijke doorbraak volgde in het begin van de jaren zestig, onder meer door haar deelname aan het Knokke-festival in 1964 en haar optreden namens Nederland op het Eurovisiesongfestival in 1965 met het ingetogen ’t Is genoeg’.

In de jaren zeventig beleefde ze het absolute hoogtepunt van haar populariteit. Met haar warme stemgeluid, feilloze dictie en het talent om een verhaal echt voelbaar te maken, scoorde ze grote klassiekers zoals ‘Ik ben gelukkig zonder jou’, ‘Een roosje, m’n roosje’ en ‘Sjakie van de hoek’.

Ze wist als geen ander het evenwicht te bewaren tussen luisterliedjes met diepgang en toegankelijke, verhalende popmuziek.

Naast haar zangcarrière was ze bovendien een gewaardeerde radiopresentatrice voor onder meer de KRO en Radio Noordzee Internationaal, waar ze met veel liefde het Nederlandstalige luisterlied en collega-artiesten onder de aandacht bracht.

Midden in die succesvolle jaren zeventig, in 1976, verscheen de single ‘Ome Arie’.

Het lied is een liefdevol en nostalgisch portret van een voormalige kermisatleet, Mister Martokari, ooit de sterkste man ter wereld. Zonder enige kapsones of bombarie woont hij nu in de buurt, waar zijn stoep een toevluchtsoord is voor alle kinderen uit de wijk.

Voor hen vertoont de ouder wordende acrobaat nog altijd zijn spierkracht door staven ijzer met blote handen te buigen, terwijl er limonade en een trommel snoep klaarstaan.

Wanneer een kind in de penarie zit, verdwijnen de zorgen bij hem als sneeuw voor de zon, waardoor de geuzennaam Ome Arie veel meer warmte en respect draagt dan een formeel meneer.

Het nummer roept op een vertederende manier de sfeer op van vroeger, toen zo’n goedhartige buurman het verschil maakte.

Met het kinderkoor van de Plesman-school uit Badhoevedorp op de achtergrond en een zwierig arrangement wist Conny Vandenbos deze vertederende kinderheld perfect tot leven te wekken.

‘Ome Arie’ is een bewerking van een Amerikaans origineel, getiteld ‘Jacob Brown’, geschreven en opgenomen door singer-songwriter Jud Strunk voor diens album Daisy a Day uit 1973.

Strunk was in de Verenigde Staten niet alleen actief als muzikant, maar genoot tevens bekendheid als humorist en verhalenverteller in het populaire televisieprogramma Rowan & Martin’s Laugh-In, waar zijn scherpe en rake karakteriseringen van markante dorpsfiguren een vaste plek kregen.

Het was niet de eerste keer dat Conny Vandenbos succes oogstte met zijn repertoire; ook haar hits ‘Een roosje m’n roosje’ en ‘Sjakie van de hoek’ vonden hun oorsprong in het werk van Strunk.

Het tragische lot van de Amerikaanse singer-songwriter werpt een melancholische schaduw over dit repertoire.

Op 5 oktober 1981 kwam Jud Strunk op 45-jarige leeftijd om het leven bij een vliegtuigongeluk.

Als fervent skiliefhebber en gediplomeerd piloot steeg hij die bewuste dag met zijn vintage, open-cockpit gevechtsvliegtuigje, een Fairchild PT-19, op vanaf een vliegveld in Carrabassett Valley in de staat Maine.

Vermoedelijk kreeg hij direct na de start een zware hartaanval, waarna het toestel neerstortte in de omliggende bossen; noch Strunk noch zijn passagier overleefde de crash.

De Nederlandse tekst voor ‘Ome Arie’ werd geschreven door Herman Pieter de Boer, terwijl Pieter Natte tekende voor het arrangement en Eric Boom de productie verzorgde.

Op de B-kant van het singletje prijkte het nummer ‘Moeder en Dochter’.

Het nummer opende in 1976 haar succesvolle studioalbum ‘Zo wil ik leven’, dat doordrong tot de top tien van de Nederlandse LP Top 50.

Aan het album werkten tal van gerenommeerde vakmensen mee.

Zo zijn als backing vocals Gerard Stellaard en Titia Dekker te horen, waarbij Stellaard bovendien tekende voor de arrangementen van de nummers ‘Ik Blijf Je Vrouw’ en ‘Toch Dichtbij’.

Ook arrangeur Dick Bakker verleende zijn muzikale medewerking aan het album.

In datzelfde jaar ontving Conny Vandenbos een Gouden Harp voor haar gehele oeuvre en verdiensten voor de Nederlandse muziek, gevolgd door een Edison voor het album ‘Zo wil ik leven’.

Ook als single deed het lied het bijzonder goed in het najaar van 1976. ‘Ome Arie’ kwam op 18 september 1976 binnen in de Nederlandse Top 40, verbleef er zeven weken en bereikte de elfde plaats, terwijl het in de Nationale Hitparade klom naar positie 16.

In Vlaanderen wist de single eveneens de hitlijsten te halen en bereikte het nummer de achtentwintigste plaats in de BRT Top 30.

Op 7 april 2002 overleed Conny Vandenbos op 65-jarige leeftijd in Amsterdam aan de gevolgen van longkanker, kort nadat de ziekte bij haar was vastgesteld.

Haar muzikale nalatenschap bleef echter springlevend, net als de herinnering aan de muzikale familie waaruit ze stamde.

Haar broer Peter Hollestelle bouwde immers eveneens een mooie carrière op in de muziekwereld.

Hij zong in diverse beat- en popformaties, werkte veelvuldig als sessiezanger en vormde eind jaren zeventig samen met Jody Pijper het duo Cashmere.

Met hun single ‘Love’s What You Want’, een bewerking van Leo Sayers’ nummer ‘Easy to Love’, scoorden zij in 1979 een grote hit.

Zo lieten broer en zus ieder op hun eigen manier een blijvende herinnering achter in het collectieve muziekgeheugen.

45 jaar geleden, ex-Mud Rob Davis speelt nu bij Darts

Eind september 1981 was Rob Davis allang geen tieneridool meer. Jaren eerder vormde hij samen met zanger Les Gray het vertrouwde uithangbord van Mud, een band die zowel bij ons in Vlaanderen als in Nederland over de koppen liep.

Dagelijks kreeg Rob zakken vol liefdesbrieven en rustig over straat lopen zat er destijds echt niet meer in.

Die gigantische roem bleef echter niet duren. De hits droogden op, het aantal optredens slonk en ook binnen de groep begon het te wringen.

De vanzelfsprekende chemie tussen Les Gray en drummer Dave Mount verdween.

Les trok het schrijven van singles en covers steeds meer naar zich toe, vaak met B-kantjes die maar weinig voorstelden.

Daardoor groeiden Rob en Les stilaan uit elkaar, tot ze eigenlijk gewoon zaten te wachten op het definitieve einde van de groep.

Na hun laatste hit begonnen Rob Davis en bassist Ray Stiles zich stilaan los te wrikken.

Ze zagen het niet meer zitten en hun muzikale voorkeur verschoof naar oudere soulgroepen en opkomende Amerikaanse westcoastbands zoals The Doobie Brothers en Eagles.

Achteraf bekeken werd Mud toen al een heel andere richting uitgeduwd, zonder dat ze het zelf goed en wel beseften.

Toch bleven ze nog enige tijd samen optreden. Er liepen namelijk nog buitenlandse aanbiedingen binnen, al voelde dat vaak als overleven op korte termijn en gebeurde het lang niet altijd met volle goesting.

In 1978 viel dan toch het doek. Het allerlaatste optreden vond plaats in een afgelegen dorpje.

Muzikaal ging het nog wel, maar de sfeer zat helemaal onder het vriespunt en het plezier was definitief weg. Iedereen voelde dat het verhaal geschreven was.

Dave Mount was kort voor dat einde al opgestapt, waarna Rob een tijdje de kost verdiende met studiowerk en het geven van gitaarles.

Ondertussen stampte Les Gray met verse muzikanten een vernieuwde versie van Mud uit de grond.

De vriendschap bleef wel overeind: Rob hielp Les af en toe nog in de studio, al zag hij hem minder vaak, en hij hield ook geregeld contact met Dave, die op dat moment zonder werk zat.

In 1980 belandde Rob bij de Britse doo-wop- en rock-‘n-rollformatie Darts.

Eerst viel hij even in voor de vertrekkende gitarist George Currie, om wat later een vast bandlid te worden.

Hij zou er zo’n twee jaar blijven, tot in 1982.

Zijn uitstraling was intussen een pak nuchterder dan tijdens de wilde Mud-jaren. Grote hits scoorde Darts in die periode amper, maar aan optredens was er geen gebrek: van intieme clubs en kleine zalen tot verre buitenlandse reizen naar Thailand, Korea en Japan.

Bij Mud was het succes vroeger vooral beperkt gebleven tot Engeland, Duitsland en de Benelux.

Rob vond het achteraf gezien best jammer dat ze met Mud nooit die kleinere, directe concerten hadden gespeeld, maar bij Darts kon dat gelukkig wel.

Een echt idool wilde hij sowieso nooit zijn. De muziek primeerde altijd. Die uitzinnige adoratie van vroeger hoefde voor hem niet eens en had hij ook nooit gevraagd.

Op zijn tijd bij Mud keek hij intussen met een heel nuchtere blik terug.

Bij Darts zat hij weer helemaal op zijn plek: omringd door jongere muzikanten, een goedgevulde agenda en elk optreden dat aanvoelde als een echt feestje.

Eind september 1981 liet hij dan ook weten dat hij voorlopig bij Darts bleef. Hij amuseerde zich rot, net zoals de rest van de bende.

De groep had werk en dat was voor hem het allerbelangrijkste.

Hij prees zich gelukkig dat hij opnieuw deel uitmaakte van een band die hem op handen droeg en respecteerde.

Na zijn periode bij Darts gooide Rob Davis het over een heel andere boeg en legde hij zich volledig toe op het schrijven van pop- en dancehits en het studiowerk achter de knoppen.

Dat bleek een schot in de roos: samen met Cathy Dennis pende hij later gigantische wereldhits neer voor Kylie Minogue, waaronder Can’t Get You Out of My Head en Come Into My World.

Ook de andere Mud-leden kenden elk hun eigen verhaal.

Les Gray blies Mud in de jaren tachtig nieuw leven in met een verjongde bezetting.

Zeker in Vlaanderen, Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk was hij een graag geziene gast op nostalgiefestivals en dook hij geregeld op in televisieprogramma’s.

Hij overleed op 21 februari 2004 in een Portugees ziekenhuis aan de gevolgen van keelkanker en een daaropvolgende hartaanval.

Bassist Ray Stiles sloot zich vanaf de jaren tachtig aan bij The Hollies en bleef in de groep tot 20 augustus 2026. Toen de twee kernleden, gitarist Tony Hicks (80) en drummer Bobby Elliott (84), besloten om met pensioen te gaan

Samen met twee nieuwe bandleden treedt hij met de andere muzikanten nog altijd geregeld op onder de naam Mud.

Vier jaar geleden stonden ze trouwens nog gewoon bij ons op het podium in Oudenaarde.

Met drummer Dave Mount liep het helaas heel wat minder goed af. Hij trok zich volledig terug uit de muziekwereld en overleed op 2 december 2006 in het ziekenhuis, na een zelfmoordpoging.

Van kasteelpracht naar cel: het societyschandaal rond de broers Parisis

De zaak Parisis barstte in oktober 1986 in alle hevigheid los, toen het zakenimperium van de zogeheten golden boys definitief instortte en Gent werd opgeschrikt door een groot societyschandaal.

Jarenlang stonden de broers Etienne en Antoine Parisis bekend als de Ewings en de Carringtons van Wondelgem.

De blauwe vlag met de witte letter P boven een wereldbol gold als het ultieme symbool van hun succes.

Dag en nacht, in de winter en in de zomer, spoot de fontein op hun kasteeldomein en gaven zij met open handen geld uit.

Aan die schijnbare weelde kwam abrupt een einde met de aanhouding van beide broers, waarna het hele kaartenhuis in elkaar zakte.

In Gent merkte men destijds al schamper op dat het normaal gezien pas de derde generatie is die een familiebedrijf ten gronde richt, terwijl de clan Parisis dat al in de tweede generatie voor elkaar had gekregen.

Waar de familie ooit een onberispelijke reputatie genoot, was dat aanzien door vader Roger opgebouwd.

Hij was gemeentesecretaris van de oude stempel, eerst in Lovendegem en nadien in Wondelgem.

Als trouwe CVP-er en man van gezag deed hij inwoners graag een gunst, waarbij de begunstigden uit dankbaarheid hun verzekeringen bij hem onderbrachten.

De zaken floreerden dermate dat zijn echtgenote, mevrouw Gabriëls, in Wondelgem een agentschap van het Gemeentekrediet opende.

Klachten over Rogers zakelijke handelen waren er nooit geweest; hij combineerde zijn uiteenlopende functies steeds met een voorbeeldige toewijding.

Hij kampte weliswaar met een wankele gezondheid en moest zware heelkundige ingrepen doorstaan, maar bleef een opvliegende patriarch die onvoorwaardelijk voor zijn twee zonen door het vuur ging en gezinsconflicten angstvallig voor de buitenwereld afschermde.

De twee broers, Etienne geboren in augustus 1945 en Antoine in november 1947, verschilden vanaf hun jeugd als dag en nacht. Etienne gold als de bedachtzame, stille en introverte werker die zich in zijn schoolboeken verdiepte, terwijl moeders oogappel Antoine een extraverte sportieveling was die hield van voetbal en basketbal.

Kennissen beschreven Etienne als een ijzige, berekenende sfinx die men nooit echt kon peilen.

Hoewel hij beweerde leverproblemen te hebben en verschillende ontwenningskuren had gevolgd, hield hij het tijdens zakenlunches op Hof Ten Dries steevast bij rauwe groenten en wortelsap, terwijl zijn gasten zich tegoed deden aan champagne en uitgelezen wijnen.

Antoine daarentegen was een joviale levensgenieter die graag verbleef in toprestaurants en exclusieve clubs, maar evengoed pinten dronk in een volkscafé.

Hij won moeiteloos het vertrouwen van investeerders, maar veranderde na enkele glazen drank in een dominante figuur die graag pronkte met zijn geld, zijn horloge en de kledij van zijn vrouw.

Geen van beiden studeerde na het middelbaar onderwijs in Gent verder.

Hun ouders hadden een toekomst voor hen uitgestippeld waarvoor geen hogere diploma’s nodig waren: voor elke zoon een kantoor van het Gemeentekrediet en een degelijke echtgenote.

Het oorspronkelijke plan was dat zij zouden trouwen met twee zussen die in Zaïre waren geboren, Francine en Arlette.

Toen Arlette haar verloving met Antoine na drie jaar verbrak, werd haar dat nooit vergeven.

Toen Etienne haar later alsnog in de zaak opnam als gevolmachtigde en haar Brusselse vriend, een ervaren verzekeringsman, het beheer van de portefeuille toevertrouwde, greep vader Roger in.

Terwijl Etienne op zakenreis was in Amerika, zette hij Arlette op straat, en haar vriend raakte in opspraak nadat hij onderweg naar Nederland met een geldtransport betrokken raakte bij een verkeersongeval.

Zo herstelde de patriarch de orde binnen de clan.

Antoine trouwde vervolgens met Rose-Marie Brysse, bijgenaamd Roosje, een knappe vrouw uit een streng katholiek gezin en dochter van Albert Brysse, oud-leraar aan het Sint-Barbaracollege en gids bij het Lam Gods.

Zij kregen twee zoontjes, terwijl het huwelijk van Etienne en Francine kinderloos bleef.

In Wondelgem stond Rose-Marie bekend als uitermate afstandelijk en neerkijkend op het gewone volk.

Zij weigerde met een Volkswagen Golf te rijden zoals haar schoonzus en eiste met succes een BMW.

Antoine vestigde zich met zijn gezin in een luxe villa aan de Woestijnegoedlaan, die hij met een knipoog naar de televisieserie Dallas op de deurklopper Southfork had gedoopt.

Etienne en Francine woonden daarentegen sober op de tweede verdieping boven het bankkantoor, terwijl vader en moeder Parisis tot hun verhuizing naar Sint-Amandsberg in januari 1986 op de eerste verdieping bleven wonen.

Francine had het er zwaar onder het voortdurende toezicht van haar schoonmoeder en mocht haar eigen familie nauwelijks ontvangen.

Een poging van haar ouders om in het holst van de nacht te bemiddelen, ontaardde in een handgemeen waarbij haar tachtigjarige vader tegen de stoep werd gewerkt en haar moeder een zenuwinzinking kreeg die haar aan één oog blind maakte.

Het plan om twee aparte agentschappen te openen mislukte eveneens.

Het kantoor dat Antoine aan de Muidebrug runde, ging roemloos ten onder, waarna de broers samen het agentschap in Wondelgem gingen uitbaten.

Dat groeide uit tot een van de succesvolste vestigingen van het Gemeentekrediet in België.

Desondanks zette de instelling hen in 1977 aan de deur wegens een ernstige beroepsfout, omdat Etienne zich niet had beperkt tot veilige spaarboekjes en kasbons, maar zich had gewaagd aan goudhandel en internationale speculaties.

De familie bleef wel boven het kantoor wonen en er ontstond een slepend proces over de afdracht van patronale lasten, waarbij Etienne kort voor zijn arrestatie nog verklaarde dat hem 500.000 euro was geboden om een minnelijke schikking te treffen.

Etienne behaalde aanvankelijk grote winsten door spaarders massaal aan te raden Amerikaanse dollars te kopen, een munt die van 0,69 euro snel het dubbele waard zou worden.

In hun vroegere ouderlijke woonst aan de Evergemsesteenweg startten de broers een discreet zakenkantoor.

Etienne raakte volledig bezeten door de markten, volgde de beursberichten dag en nacht via een financieel persagentschap en nam zelfs een wisselagent van een Luxemburgse bank in dienst.

Ondanks dure adviezen van een gerenommeerd advocatenkantoor verloor hij langzaam de controle.

Tegelijkertijd wierp Antoine zich met verve op de public relations van het kantoor door middel van royale etentjes en banketten in het Casino van Middelkerke, waarbij hij steeds tegen Etienne zei dat hij op die bijeenkomsten nieuwe beleggers wist binnen te halen.

Met het oog op verdere expansie kocht Antoine het domein Hof Ten Dries in de Winkelstraat van verzekeringsbaas Roeland van Veirdeghem.

Het plan om er een restaurant en twee villa’s te bouwen, stuitte op bezwaren van Stedebouw, omdat het om een groenzone ging.

Enkel de hovenierswoning mocht worden gerestaureerd, maar de broers lieten het pand direct slopen en vervingen het door een riante woning in neo-oude stijl voor Etienne.

Het kasteel zelf werd voor 2.500 euro per dag tot in de puntjes gerestaureerd met paleisachtige allure.

Bulldozers vellen het omliggende bos en oude beuken om plaats te maken voor imitatie-Griekse zuilen, dennenbomen, strakgetrokken vijveroevers en graszoden die kant-en-klaar uit Nederland werden aangevoerd.

Zelfs de goudvissen, eenden en zwanen werden uit de vijver gehaald en vervangen door nieuwe exemplaren.

Antoine liet topkoks overkomen voor exclusieve diners, maar het restaurant sloot al na zes maanden wegens een gebrek aan klandizie.

Hof Ten Dries bleef wel het decor voor grandioze ontvangsten met Rolls-Royces, videobewaking, waakhonden en een fontein die zelfs bij vorst met warm water bleef spuiten.

In het seizoen 1981-1982 stapten de broers in de sportwereld.

Antoine werd voorzitter en sponsor van basketbalclub Hellas Gent, waar hij met overdadige champagne-ontvangsten en grootse plannen voor spanningen zorgde met clubmanager Carlos Sierens.

Na twee seizoenen en een investering van ongeveer 50.000 euro vertrok Antoine met slaande deuren toen zich een andere geldschieter aandiende, waarbij de club achterbleef met onbetaalde btw en loonvoorheffingen.

Ook deden geruchten de ronde over zwart geld en vermeende spelerscontracten in het kader van het gerechtelijk optreden van onderzoeksrechter Bellemans.

Antoine toonde later belangstelling voor de voorzittersstoel bij voetbalclub AA Gent, maar verder dan informele contacten en gesprekken over een loge kwam het niet.

Wel organiseerden de broers dure promotie-evenementen met artiesten zoals Will Tura, die ook meereisde op promotionele vluchten naar de Verenigde Staten voor investeerders, en sponsorden zij met wisselend succes de automobielclub Duindistel.

Voor de cliënten zetten de broers grote investeringsprojecten op in de Amerikaanse stad Dallas, waar dankzij een economische groei woningen werden gebouwd.

Dit liep via de in Panama gevestigde vennootschap Dalfo, waarbij vermogens via Zwitserse banken konden worden weggesluisd.

Beleggers kregen contracten voorgelegd waarin hen na negen maanden terugbetaling van het startkapitaal en periodieke winstuitkeringen werden beloofd.

Daarnaast richtte het kantoor een eigen reisbureau en een informatica-adviesbureau op.

Etienne bleef reizen naar de Verenigde Staten en het Verre Oosten maken en bleef geloven in de degelijkheid van de Texaanse operaties, al vermoedde zijn omgeving later dat hij daar zelf was opgelicht.

Antoine koos daarentegen voor luxueuze gezinsvakanties in Frankrijk en de Verenigde Staten.

Ondertussen etaleerde Rose-Marie de weelde van de familie in de modewereld.

Na een matig succesvolle kledingzaak in de Bennesteeg kocht Antoine voor haar het historische hoekpand Delaet in de Henegouwenstraat.

Een grondige verbouwing ter waarde van 7.500.000 euro leidde tot de opening van Parisis International in 1983, gevierd met een reusachtig stadsfeest.

De winkel bood peperdure haute couture en exclusieve juwelen aan die de draagkracht van de Gentse markt ver overstegen, met creaties zoals een blouse met gouden pailletten van 2.900 euro en bontmantels ter waarde van 10.000 euro, terwijl een bezoeker al schertsend opmerkte dat vier muntsnoepjes van de toonbank vast 300 euro zouden kosten.

De exploitatie kostte handenvol geld en kende een maandelijks elektriciteitsverbruik van 11.155 euro.

Toen de broers in 1985 automobielclub Duindistel sponsorden voor 5000 euro en de tweede schijf van 5000 euro in maart 1986 uitbleef, verdween de naam Parisis van de wagens.

Toen leveranciers van de modezaak niet meer betaald werden en er protest werd aangetekend tegen onbetaalde wissels, greep Etienne in en dwong hij haar tot een uitverkoop, waarna het pand medio 1985 aan een ander bedrijf werd verhuurd en de juwelierszaak in juli 1986 definitief sloot.

Vanaf juni 1986 werd duidelijk dat het imperium ten onder ging, mede aangewakkerd door aanhoudingen in andere financiële fraudedossiers elders in Vlaanderen.

Bezorgde beleggers eisten bedragen tot wel 250.000 euro ineens terug en veroorzaakten een stormloop op het kantoor.

Terwijl een gedupeerder vertelde dat hij 12.500 euro aan spaargeld had toevertrouwd tegen negen procent rente, en dat zijn dochter, vrouw en vriendin er elk 5000 euro hadden staan, zocht Etienne wanhopig naar een uitweg en overwoog hij zelfs zelfmoord.

Antoine daarentegen zag de toekomst veel minder somber in.

Pas nadat hij op één dag zowel een zware BMW als een Mercedes in de prak had gereden, vertrok hij overspannen op vakantie naar Oostenrijk.

Bij zijn terugkeer werd hij op de luchthaven van Zaventem gearresteerd, daags nadat Etienne met amper 4 euro op zak op het kasteel was opgepakt.

Onderzoeksrechter Eric Beaucourt ondervroeg Etienne over de verdwenen tegoeden, maar kreeg geen antwoord.

Etienne dacht dat zijn klantenbestand veilig was, omdat hij de namen van zijn klanten in het computersysteem net voor de politie-inval had gewist en vervangen door een anonieme vermelding aan toonder, in de hoop dat de speurders nooit zouden achterhalen wie er achter de rekeningen zat.

Financiële speurders slaagden er echter in de code te kraken, waardoor 1939 namen met een gezamenlijk belegd vermogen van 70 miljoen euro zichtbaar werden, nog zonder de projecten in Texas mee te rekenen.

Geheime bedieningsknoppen onder de bureaus, die bedoeld waren om alarm te slaan of het volledige systeem te wissen, bleken tijdens de inval niet te functioneren.

Hoewel er geruchten gingen over betrokkenheid van vooraanstaande kringen en politici, verklaarde het parket dat er geen politieke mandatarissen op de lijsten stonden.

De uiteindelijke val werd ingeluid door een klacht met burgerlijke partijstelling vanuit een plaatselijke houthandel, waar een schoonzoon 50.000 euro uit de bedrijfskas had gehaald om bij Parisis in te leggen.

Toen de man zijn geld wegens liquiditeitsproblemen niet onmiddellijk kon recupereren, stapte de familie naar het gerecht.

Drie dagen later volgde het faillissement van het zakenkantoor.

In een ultieme overlevingspoging hadden de broers nog geprobeerd een kantoorhouder van het Gemeentekrediet in Ledeberg aan te trekken om een nieuwe vennootschap te openen en verspreidden zij huis-aan-huis een infoblad waarin zij spaarders opriepen tot kalmte en zelfbeheersing.

Het mocht niet meer baten, waarna tientallen gedupeerde spaarders zich met hun bezwarende stukken bij het gerecht meldden.

Vandaag, 45 jaar geleden, Grace Jones te gast in de Brusselse discotheek Mirano.

De Mirano in Brussel is een legendarische plek die een rijke geschiedenis ademt.

Het begon allemaal in 1934, toen het pand aan de Leuvensesteenweg in Sint-Joost-ten-Node de deuren opende als bioscoop Ciné Mirano.

Na jarenlang dienst te hebben gedaan als filmzaal sloot de bioscoop eind jaren zeventig, waarna het gebouw in 1981 werd omgevormd tot de discotheek Mirano Continental.

De officiële opening van de Mirano Continental vond plaats op donderdag 19 maart 1981.

De club was van meet af aan bedoeld als de Brusselse tegenhanger van de beroemde New Yorkse Studio 54 en het Parijse Le Palace.

Deze eerste avond werd bijgewoond door tal van prominenten, waaronder de Franse presentator Thierry Ardisson als een van de eregasten.

Niemand minder dan de extravagante Grace Jones verzorgde een optreden en arriveerde op spectaculaire wijze in een witte limousine.

Zij bleef een graag geziene gast in de club, want op 4 oktober 1981 bracht ze een tweede bezoek aan de Mirano na haar optreden in de Ancienne Belgique.

De Mirano werd al snel de plek waar de internationale jetset en mode-elite elkaar ontmoetten.

Grote namen uit de modewereld, waaronder de bekende Antwerpse Zes, gebruikten de club als podium voor hun avant-gardistische shows.

In de hoogtijdagen was het een smeltkroes van kunstenaars, modellen en muzikanten, wat de club een aura van exclusiviteit en creativiteit gaf.

Een van de meest unieke technische snufjes is de draaiende dansvloer.

Dit overblijfsel uit het cinematijdperk werd behouden en gemoderniseerd, waardoor het nog steeds een van de centrale attracties van de zaal is.

Ook de majestueuze entree in de vorm van een trechter en het interieur vol goud- en zwartaccenten dragen bij aan de theatrale sfeer die zo typerend is voor deze locatie.

Tegenwoordig bestaat de Mirano nog steeds, al heeft het een bewogen periode achter de rug.

Na een sluiting in 2017 onderging het gebouw een grondige renovatie, waarbij geprobeerd is om de pracht en praal van de jaren dertig weer terug te brengen.

Sinds de heropening in 2019 functioneert de Mirano niet alleen als discotheek op vrijdag- en zaterdagavond met een focus op electro- en urbanmuziek, maar doet het ook dienst als polyvalente evenementenlocatie en cultureel centrum.

Het wordt nu geëxploiteerd door de groep Art Blanc en is nog steeds een van de meest beeldbepalende plekken in het Brusselse nachtleven voor zowel clubavonden als bedrijfsfeesten en artistieke presentaties.

Grace Jones komt

90 jaar geleden: een reisverslag door de Vlaamse Ardennen door verslaggever A. De Clercq in het tijdschrift De Stad van 2 oktober 1936

In de vroege ochtend van een augustusdag in 1936 trok een gezelschap eropuit voor een tocht door de Vlaamse Ardennen, de heuvelachtige streek in het zuiden van Oost-Vlaanderen tussen Oudenaarde, Ronse en Geraardsbergen.

De hemel hing nog vol nevel en zware wolken, al piepte er af en toe een schuchtere zonnestraal doorheen.

Terwijl de reisgenoten de auto een laatste controle gaven en speurend naar boven keken om het weer in te schatten, lagen de wegenkaart en de verrekijker al vertrekkensklaar.

De motor sloeg aan, er werd nog even gezwaaid naar de thuisblijvers en het gezelschap zette zich in beweging.

Ze reden Geraardsbergen uit via de steenweg naar Oudenaarde en passeerden meteen de oude molen op de linkerhelling, een vertrouwd baken dat bekendstond als de Buitenmolen of de molen van de Oudenaardse poort.

De route liep verder door Deftinge, een aloude dorpskern die vroeger onder de baronie van Boelare viel en er die ochtend heerlijk fris bij lag in het vroege ochtendlicht.

Op de uitgestrekte kouters langs de weg was de oogst al volop bezig.

Het graan stond in schoven te drogen op de rogge- en tarwevelden, terwijl de haveraren nog zachtjes wiegden in de bries, mooi afgewisseld met lappen aardappelen en bieten.

In het landelijke Parike raakten ze aan de praat met een landbouwer die zijn oogst aan het binnenhalen was.

De man bleef er nuchter onder en stelde dat ze eigenlijk niet mochten klagen.

Het graan had wel te lijden gehad onder de aanhoudende regen, maar elders in het land was het veel erger gesteld.

Zo had het Meetjesland eind juni immers nog af te rekenen gekregen met verwoestende wervelwinden.

Even verderop rees de stenen windmolen van Parike op boven de heuvelrug, omringd door pas gemaaid koren.

De reizigers wisselden een paar woorden met de molenaar en legden het idyllische tafereel vast op foto.

Daarna ging de tocht voort richting Nederbrakel.

Het heuvelland vouwde zich steeds breder voor hen open, met goudgele akkers op de voorgrond en donkere boskammen aan de einder.

Aan hun linkerhand lag Everbeek, een Vlaams dorp dat toen nog bij Henegouwen hoorde en waar de toppen van de heuvels de taalgrens markeerden.

Langs de veldwegen rezen statige beuken en olmen op, met her en der een kapelletje en een gietijzeren kruisbeeld onder het bladerdak van oude bomen.

Nederbrakel zelf was toen al een bedrijvige gemeente in de Zwalmvallei, met ruim vijfduizend inwoners en een parochiekerk met een opvallend robuuste, vierkante toren.

Aangekomen in Elst hielden ze halt tegenover de kerk om te informeren naar de juiste weg naar Sint-Maria-Horebeke.

Voorbij het katholieke dorpscentrum, langs de weg naar Nederzwalm, bereikten ze de protestantse Geuzenhoek.

Ze maakten er kennis met dominee Germersaad, die hen met zichtbaar plezier rondleidde langs zowel de oude als de nieuwe kerk.

In het oudste gebedshuis viel hun oog op het portret van meester Karel Blommaert, die tien jaar eerder was overleden.

Hij was een rechtstreekse afstammeling van Jacob Blommaert, de geuzenleider die in 1572 Oudenaarde wist in te nemen.

Na diens vlucht en arrestatie hadden zijn volgelingen een toevlucht gezocht in de omliggende wouden, om uiteindelijk wortel te schieten in Sint-Maria-Horebeke.

De hechte gemeenschap telde in die jaren zo’n honderdvijfenzestig zielen en hield er zelfs een eigen schooltje op na.

Boven het portaal van de nieuwe bakstenen kerk prijkte een gebeeldhouwde open bijbel.

Als geboortedorp van volksschrijver Abraham Hans vormde Sint-Maria-Horebeke de enige overgebleven protestantse enclave van die aard in Vlaanderen, waar katholieken en hervormden in alle sereniteit naast elkaar leefden.

Waar de vrouwen er vroeger nog massaal handschoenen naaiden of kant klosten, was die typische huisnijverheid tegen die tijd vrijwel helemaal uitgedoofd.

Na het hartelijke afscheid van de dominee doorkruiste het gezelschap opnieuw het rijke boerenland.

Overal heerste bedrijvigheid. De kleine keuterboeren maaiden het koren nog met de pik, terwijl de grotere hofsteden al gebruikmaakten van maaimachines en hoog opgetaste wagens vol goudgeel graan naar de schuren zagen dokkeren.

Door het spel van licht en schaduw leken de maaiers en binders wel weggelopen uit een schilderij.

Vervolgens hielden de pelgrims halt in Edelare bij het bekende bedevaartsoord Onze-Lieve-Vrouw van Kerselare, waar vooral in de meimaand duizenden andere pelgrims toestroomden.

Vanaf de heuvel rond de kapel met haar spitse toren genoten ze van een weids panorama.

Ze zagen Mater met zijn karakteristieke witte kerktoren, Etikhove dieper in het dal en Schorisse, de bakermat van Omer Wattez. Aan de verre horizon lagen de wijdvertakte bossen van Vloesberg en Brakel.

Wat later reden ze Oudenaarde binnen, genesteld langs de Schelde.

Boven de rode pannen en leistenen daken torenden de massieve Sint-Walburgatoren en het fijn bewerkte gotische stadhuis uit, terwijl iets verderop in een bocht van de stroom de befaamde Onze-Lieve-Vrouwekerk van Pamele lag.

Over de omliggende meersen en velden waaiden de heldere beiaardklanken hen tegemoet, net zoals dichter Gentil Antheunis, die uit Oudenaarde afkomstig was, het ooit zo treffend had bezongen.

Het deed hen mijmeren over het roemrijke verleden van de oude laken- en tapijtstad, die in de veertiende eeuw al versterkt was en wier wevers tot aan het Franse hof faam genoten.

In het historische gasthuis van Johanna van Constantinopel en de schepenzaal van het stadhuis vormden de bewaarde wandtapijten en historische doeken nog altijd het tastbare bewijs van die glorietijd.

Na een korte groet aan de Scheldestad zette het reisgezelschap koers richting Avelgem om vandaar de oversteek naar de Kluisberg te wagen.

De weg kronkelde langs witgekalkte hoeves, waarvan verschillende strodaken nog bewaard waren gebleven.

De donkere heuvelkam van de Kluisberg rees intussen steeds forser op aan de einder.

Ze dwarsten de kronkelende Schelde en reden door het dichtbebouwde Avelgem met zijn scherpe torenspits, de plek waar Stijn Streuvels destijds in de bakkerij zijn eerste verhalen schreef.

Het nabijgelegen Ruien lag er tegen de heuvelflank bijzonder schilderachtig bij onder de almaar warmer wordende namiddagzon.

Over een steile, mulle zandweg bereikten ze uiteindelijk de top van de Kluisberg, waar tal van cafés, afspanningen en pensions gemoedelijk zij aan zij stonden.

Daar deden ze een minder prettige ontdekking: in de vroege ochtenddrukte was hun zorgvuldig klaargemaakte proviand gewoon thuis blijven liggen.

Er zat dan ook niets anders op dan aan te schuiven voor een stevige boterham met boerenkaas en een dampende tas koffie.

Tussendoor krabbelden ze snel wat prentbriefkaarten voor het thuisfront, waarna ze opnieuw naar buiten trokken.

Inmiddels had de zon de wolken verdreven en lag het panorama er schitterend bij. Vanaf het hoogste punt, ruim honderddertig meter boven de zeespiegel, keken ze tientallen kilometers ver.

De kerktorens van Avelgem, Kwaremont en Etikhove staken helder af tegen het glooiende reliëf.

In de diepte schitterde het lint van de steenweg naar Ronse en in de verte tekenden zich de West-Vlaamse vlas- en tabaksvelden af.

Aan de zuidelijke flank strekten de Henegouwse dorpen Orroir, Amougies en Rozenaken zich uit.

Het bleek een geliefde trekpleister waar wandelaars en gezinnen kwamen herademen in de zuivere boslucht, te midden van verspreid liggende villa’s en buitenverblijven in het groen.

De reizigers haalden nog verschillende keren hun fototoestel boven om de weidsheid van de Schelde-, Ronne- en Zwalmvallei te vereeuwigen.

Hoewel ze maar wat graag nog even waren gebleven om ook de oude uitkijktoren op de top te beklimmen, tikte de tijd door en dwong de naderende avond hen om hun weg weer te vervolgen.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag