55 jaar geleden, de verzamelaar Top Star Festival

In 1971 bracht een bijzonder erecomité een dwingende boodschap naar buiten om aandacht te vragen voor een wereldwijd probleem.

Het comité introduceerde de verzamelaar Top Star Festival, een uitzonderlijke artistieke prestatie die destijds met enthousiasme werd aanbevolen.

Het luistergenot van de kopers werd destijds vergroot door de wetenschap dat zij met hun aankoop tegelijkertijd de talloze vluchtelingen in de wereld hielpen, mensen die destijds veel minder bevoorrecht waren.

Grote artiesten verleenden destijds belangeloos hun medewerking aan dit album. Ook de grammofoonplatenindustrie, de Amerikaanse Federatie van Musici, componisten, tekstdichters en muziekuitgevers werkten in die periode intensief samen.

Zij maakten het destijds mogelijk om snel te reageren op een nobel en menslievend appèl.

Deze onbaatzuchtige inzet had destijds echter pas echt zin als het publiek de plaat kocht en aanbeval bij vrienden.

De leden van het erecomité van de Hoge Commissaris spraken destijds, namens de vluchtelingen over de gehele wereld, hun oprechte dank uit aan iedereen die aan het album meewerkte.

Onder de betrokkenen bevonden zich destijds bekende namen zoals Burt Bacharach, Dave Brubeck, Duke Ellington, David Frost en Paul Mauriat.

In die tijd werden vluchtelingen gedefinieerd als mensen die door angst voor vervolging gedwongen waren hun huis en vaderland te verlaten.

Om hen te beschermen en bij te staan, had de internationale volkerengemeenschap destijds de United Nations Relief and Works Agency opgericht, die zich specifiek richtte op Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten.

Alle overige vluchtelingen stonden destijds onder de hoede van de United Nations High Commissioner for Refugees.

De voornaamste taak van de UNHCR was destijds het bieden van internationale bescherming. In de toenmalige moderne wereld was een mens zonder land immers een mens zonder rechten.

Op verzoek van de gastlanden hielp de organisatie destijds in eerste instantie met minimale materiële bijstand om te overleven, om vervolgens te zoeken naar blijvende oplossingen.

Het uiteindelijke doel was destijds om te zorgen dat iemand geen vluchteling meer hoefde te zijn, bijvoorbeeld door vrijwillige terugkeer of door het aannemen van een nieuwe nationaliteit.

Destijds vielen naar schatting zo’n tweeënhalf miljoen vluchtelingen onder de bescherming van de organisatie.

De verdeling over de continenten liet in die periode een miljoen vluchtelingen in Afrika zien, honderdzestigduizend in Azië, zevenhonderdvijftigduizend in Europa en nog eens ruim zeshonderdvijfenzestigduizend elders.

Een groot deel van hen had destijds nog altijd acute materiële hulp nodig. Het succes van de UNHCR steunde in die tijd op een zuiver humanitaire, niet-politieke en pragmatische benadering.

Door vluchtelingen te helpen met hun vestiging, nam de organisatie destijds die bron van potentiële spanningen weg, wat direct bijdroeg aan de vrede en stabiliteit in de wereld.

Hoewel de schaal in de vroege jaren zeventig al aanzienlijk was, is de problematiek in de decennia daarna exponentieel gewijzigd door een samenspel van verschillende oorzaken.

Ter vergelijking: de UNHCR rapporteert dat er in 2026 wereldwijd naar schatting 120 miljoen mensen op de vlucht zijn of gedwongen zijn ontheemd, waaronder vluchtelingen, asielzoekers en binnenlandse ontheemden.

Dit enorme verschil met 1971 laat zich deels verklaren door de groei van de wereldbevolking, waardoor conflicten grotere groepen mensen treffen.

Ook het karakter van conflicten is veranderd van kortstondige oorlogen tussen staten naar langdurige binnenlandse burgeroorlogen, waardoor terugkeer vaak onmogelijk blijft.

Daarnaast spelen tegenwoordig nieuwe factoren een grote rol, zoals klimaatverandering en extreme weersomstandigheden die gebieden onbewoonbaar maken.

Tot slot zorgen de moderne globalisering, betere transportnetwerken en een snellere toegang tot informatie ervoor dat grotere groepen mensen lange afstanden kunnen afleggen om aan uitzichtloze situaties te ontsnappen, wat ook leidt tot een hogere registratie van asielzoekers wereldwijd.

Het exacte aantal van rond de zevenhonderdvijftigduizend of ruim zeshonderdvijfenzestigduizend vluchtelingen en asielzoekers dat jaarlijks Europa binnenkomt, is de afgelopen jaren een constant gegeven in de statistieken van Eurostat en de UNHCR.

Zo werden er in 2025 in de hele Europese Unie bijvoorbeeld een kleine 670.000 eerste asielaanvragen geregistreerd.

Deze mensen komen uit verschillende delen van de wereld, waarbij enkele landen al jarenlang de grootste groep asielzoekers leveren vanwege aanhoudende oorlogen, politieke instabiliteit of economische crises.

De belangrijkste herkomstregio’s en landen zijn tegenwoordig het Midden-Oosten, waarbij Syrië al sinds 2013 de grootste leverancier van asielzoekers in Europa is, omdat mensen daar nog steeds de gevolgen van de slepende burgeroorlog en de repressie ontvluchten.

Daarnaast komen er aanzienlijke aantallen vluchtelingen uit Turkije, Irak en Jemen.

In Azië staat Afghanistan steevast in de top drie van herkomstlanden; sinds de machtsovername door de Taliban zoeken veel Afghanen een veilig heenkomen in Europese landen, met name in Duitsland.

Ook uit landen als Pakistan en Bangladesh reizen groepen mensen richting Europa.

Een zeer grote en opvallende stroom is afkomstig uit Zuid- en Midden-Amerika, met name uit Venezuela en Colombia.

Door de diepe economische en politieke crisis in Venezuela is een miljoenenstroom op gang gekomen, waarvan een aanzienlijk deel via Spanje Europa probeert binnen te komen, waardoor Venezolanen in recente Europese statistieken soms zelfs de grootste groep eerste aanvragers vormen.

Uit het Afrikaanse continent komen vluchtelingen hoofdzakelijk uit landen met dictatoriale regimes of interne conflicten, waarbij Eritrea en Somalië de bekendste voorbeelden zijn, maar er is ook instroom vanuit landen als Nigeria, Marokko, Algerije en Tunesië.

Daarnaast is het belangrijk om te vermelden dat de miljoenen Oekraïners, die sinds de Russische inval in 2022 naar de Europese Unie zijn gevlucht, meestal buiten de reguliere asielstatistieken vallen. Dit komt omdat zij via een speciale Europese richtlijn direct een tijdelijke beschermingsstatus kregen, zonder de gewone asielprocedure te hoeven doorlopen.

In 1971 lag de situatie op het gebied van vluchtelingenstromen in Europa heel anders dan in 2026.

Het cijfer van zevenhonderdvijftigduizend vluchtelingen dat destijds werd genoemd, had een totaal andere achtergrond en de herkomstgebieden waren destijds niet te vergelijken met de huidige crisisgebieden.

In de vroege jaren zeventig kwamen grote groepen vluchtelingen binnen Europa inderdaad voor een heel belangrijk deel uit Oost-Europa en Centraal-Europa.

Door de Koude Oorlog en het IJzeren Gordijn ontvluchtten veel mensen het communistische regime in het Oostblok. Grote stromen kwamen destijds uit landen als Tsjecho-Slowakije, na het neerslaan van de Praagse Lente in 1968, en uit Polen en Hongarije om politiek asiel te zoeken in West-Europese landen.

Daarnaast was er in die specifieke periode rond 1971 een grote vluchtelingenstroom buiten Europa die indirect ook impact had, namelijk door de onafhankelijkheidsoorlog in Bangladesh (toen nog Oost-Pakistan), wat destijds miljoenen mensen op de vlucht joeg, al bleven de meesten daarvan in de regio zelf opgevangen.

Ook de politieke spanningen in het Midden-Oosten zorgden toen voor de eerste migratiestromen, maar de massale asielaanvragen uit landen als Syrië, Afghanistan of Venezuela, zoals we die nu kennen, bestonden toen nog niet.

Het cijfer is in de loop der jaren dus weliswaar in omvang soms vergelijkbaar gebleven, maar de geografische oorsprong en de politieke redenen achter de vluchtelingenstromen zijn tussen 1971 en 2026 compleet verschoven van de Europese binnengrenzen naar conflictgebieden ver daarbuiten.

Met de explosieve groei van het aantal vluchtelingen zijn uiteraard ook de benodigde budgetten en de internationale steun meegegroeid.

In 1971 beschikte de UNHCR over een regulier operationeel budget van ongeveer 7 miljoen dollar, al werd dat jaar door de onafhankelijkheidsoorlog van Bangladesh ook nog eens ruim 115 miljoen dollar aan extra noodhulp ingezameld via speciale oproepen.

In die tijd zegden 74 overheden een financiële bijdrage toe.

In 2026 liggen de bedragen in een totaal andere orde van grootte, met een vastgestelde totale budgetbehoefte van ruim 8,5 miljard dollar.

Vrijwel alle lidstaten van de Verenigde Naties dragen tegenwoordig op een of andere manier bij, al komt de kern van de financiering van een vaste groep donorlanden en de Europese Unie.

De verhoudingen binnen deze internationale financiering zijn zeer scheef verdeeld, aangezien de UNHCR bijna volledig afhankelijk is van vrijwillige bijdragen.

Grote mogendheden zoals China en Rusland betalen weliswaar mee, maar hun aandelen zijn uiterst beperkt; China schenkt doorgaans minder dan 0,1 procent van het totale budget en Rusland schommelt vaak rond de 0,05 procent.

India hanteert een soortgelijk beleid en kiest voor een minimale rechtstreekse bijdrage van enkele honderdduizenden dollars, ondanks de vele vluchtelingen die het land zelf opvangt.

De regio Zuid-Amerika draagt via individuele landen zoals Brazilië, Chili en Colombia gezamenlijk voor minder dan 0,5 procent bij aan het wereldwijde budget, mede omdat veel landen daar zelf grote interne ontheemdenstromen moeten opvangen met steun van de organisatie.

De rijke olielanden in de Golfregio vormen een wisselende factor; zij dragen circa 1 tot 2 procent bij, maar doen dit bijna uitsluitend in de vorm van ad-hoc noodhulp die specifiek is geoormerkt voor crises binnen de Arabische of islamitische wereld.

Alles bij elkaar genomen vertegenwoordigen Rusland, China, India, Zuid-Amerika en de olielanden nog geen 3 procent van het geheel.

De resterende 97 procent van het miljardenbudget wordt opgebracht door de traditionele westerse partners, waarbij de rol van de belangrijkste lidstaten cruciaal blijft.

Soms kent de geschiedenis politieke verschuivingen, zoals begin 2026, toen de Amerikaanse regering een grootschalige terugtrekking aankondigde uit maar liefst 66 internationale organisaties en VN-organen, waaronder verschillende klimaat- en handelsorganisaties.

De Amerikaanse administratie maakte destijds echter een expliciete uitzondering voor een klein aantal organisaties die als cruciaal voor de veiligheid of humanitaire belangen worden gezien.

De VN-vluchtelingenorganisatie viel onder die uitzondering, waardoor de Verenigde Staten tot op de dag van vandaag nog altijd lid zijn van de UNHCR en de werking ervan actief ondersteunen.

De Verenigde Staten zijn historisch gezien en ook nu nog altijd de absolute koploper en de grootste individuele financier en betaler van de UNHCR.

De Amerikaanse overheid maakt jaarlijks gigantische bedragen over die de basis vormen van het budget, met totale bijdragen die steevast ruim boven de 2 miljard dollar per jaar liggen en recent zelfs opliepen tot ruim 2,4 miljard dollar.

Er zijn geen andere individuele landen die nog meer betalen dan de Verenigde Staten.

Het internationale blok, namelijk de Europese Unie, is de enige speler die het Amerikaanse volume evenaart, omdat de Europese Commissie de individuele bijdragen van alle Europese lidstaten samenvoegt.

Binnen die westerse gemeenschap nemen ook Nederland en Vlaanderen hun verantwoordelijkheid.

Nederland behoort van oudsher tot de belangrijkste internationale donateurs en schenkt jaarlijks stabiele bedragen van rond de 90 tot 100 miljoen dollar.

Dit geld wordt bewust grotendeels flexibel en ongeoormerkt overgemaakt, waardoor Nederland stevig in de wereldwijde top tien van grootste overheidsdonateurs staat.

Vlaanderen draagt als regio binnen België onafhankelijk bij met gerichte projectsteun en bijdragen aan het noodhulpfonds.

De Vlaamse overheid maakt hiervoor jaarlijks bedragen vrij die variëren van enkele honderdduizenden tot 1 à 2 miljoen euro, terwijl de federale overheid van België daarnaast nog eens tientallen miljoenen euro’s aan de organisatie overmaakt.

De grootste vluchtelingenproblemen concentreerden zich in 1971 in Afrika en Azië.

Veel landen in deze werelddelen waren in die periode pas kort onafhankelijk en misten de nodige financiële middelen voor hun eigen nationale ontwikkeling. Hoe gastvrij deze jonge naties destijds ook waren met het verlenen van asiel en het toewijzen van land, er kon destijds niet van hen worden verwacht dat zij de enorme kosten van deze plotselinge vluchtelingenstromen alleen droegen.

Dat was het moment waarop de UNHCR te hulp schoot.

De vestiging van vluchtelingen in Afrika en Azië vereiste destijds die opbouw van compleet nieuwe gemeenschappen in dunbevolkte gebieden.

In die tijd moesten er wegen en bruggen worden aangelegd, bossen worden gekapt, moerassen worden drooggelegd en waterputten worden gegraven.

Ook de bouw van scholen, apotheken en de distributie van gereedschap, zaden en geneesmiddelen eisten destijds enorme investeringen.

Omdat de overheidssubsidies en particuliere giften in die periode niet toereikend waren, zocht de Hoge Commissaris destijds rechtstreeks steun bij het grote publiek.

Voor dat doel waren er destijds al drie eerdere elpees uitgebracht, waar Top Star Festival in 1971 aan werd toegevoegd.

De volledige netto-opbrengst van de verkoop van deze grammofoonplaten werd destijds door de UNHCR en de UNRWA uitsluitend gebruikt voor de directe bijstand aan vluchtelingen.

De muziek op de plaat werd destijds uitgebracht met officiële toestemming van verschillende internationale muziekuitgevers, die de rechten voor de nummers op kant een en kant twee voor dit goede doel beschikbaar stelden.

Doris D And The Pins, winnaar Veronica Award week 24 van 1981

Debbie Jenner werd als kind gekenmerkt door een bijna ziekelijke verlegenheid, een eigenschap die haar in haar geboorteplaats Skegness vaak tot doelwit van pesterijen maakte.

Op school ervaarde zij het als een ware marteling om voor de klas te staan; vaak kreeg ze een brok in haar keel en kon ze geen woord uitbrengen wanneer een leraar haar een vraag stelde.

Zelfs haar eigen danslerares zag aanvankelijk geen toekomst voor haar en adviseerde haar moeder om haar een opleiding tot secretaresse te laten volgen.

Ondanks deze moeilijke start wist Debbie vanaf haar tiende al zeker dat ze danseres wilde worden, een droom die zij uiteindelijk verwezenlijkte bij het ballet van Maria Moore.

Samen met de andere danseressen van dit ballet, Ingrid de Goede, Yvonne Mehagnoul, Irene Verhoeven en Donna Baron, trad zij regelmatig op in AVRO’s TopPop wanneer er geen videoclips beschikbaar waren van artiesten in de hitparade.

Een cruciaal moment was mei 1980, toen de volledige groep in het programma playbackte en danste op het nummer Funkytown van Lipps Inc. playbackte en danste.

Lipps Inc. was een studioband van de Amerikaanse producer en componist Steven Greenberg, met Cynthia Johnson als zangeres.

Johnson was ook bekend van de band Flyte Tyme, waar de producers Jimmy Jam en Terry Lewis deel van uitmaakten.

Enkele jaren later produceerden zij het succesvolle album Control van Janet Jackson, met hits als Control, Nasty en What Have You Done For Me Lately.

Omdat de oorspronkelijke zangeres Cynthia Johnson hoogzwanger was en niet kon reizen, dachten veel kijkers dat deze balletgroep de werkelijke formatie van Lipps Inc. was.

Het nummer Funkytown bereikte de eerste plaats in zowel de Vlaamse BRT Top 30 als de Nederlandse Top 40.

Vanwege de enorme populariteit op de Europese radio was er een gezicht nodig voor de promotie in Europa.

Terwijl de hele groep in Nederland te zien was, werd Debbie Jenner door de platenfirma en de originele groep gekozen om voor dit nummer het gezicht voor Europa te worden, waarbij zij het nummer playbackte tijdens optredens.

Producenten Hans van Hemert en Piet Souer zagen het potentieel van de danseressen en benaderden hen om zelf een plaat op te nemen.

Debbie Jenner nam de artiestennaam Doris D. aan en vormde samen met haar vier Nederlandse danseressen de formatie Doris D. & The Pins.

De passie voor het dansen hielp Debbie uiteindelijk haar enorme verlegenheid te overwinnen; op het podium raakte zij in een soort trance, waardoor zij de mensen om haar heen vergat.

Hun eerste single ‘Shine Up’ werd een groot succes en bereikte op 28 februari de eerste plaats in de BRT Top 30.

Ook in de Nederlandse Top 40 stond de groep hiermee twee weken lang op de hoogste positie.

Snel na dit succes ontstonden er echter spanningen binnen de groep.

De Pins voelden zich gereduceerd tot een dansgroepje op de achtergrond, terwijl zij wel degelijk op een aantal platen hadden meegezongen.

Dit leidde ertoe dat de groep uiteenviel.

De oorspronkelijke Pins gingen verder onder de naam Risqué en scoorden nog twee noemenswaardige internationale hits met The Girls Are Back in Town en Burn It Up Mr. D.J.

Bij Doris D. & The Pins werden de oorspronkelijke leden vervangen door vier Engelse danseressen.

In deze nieuwe samenstelling behaalde de groep in 1982 nog een kleine hit met Jamaica.

De samenstelling van de formatie bleef de jaren daarna regelmatig veranderen, waarbij ‘Starting at the End’ uit 1984 de laatste hitparade-notering markeerde.

In 1985 gingen Doris D. & The Pins definitief uit elkaar. Enkele jaren later verscheen Debbie Jenner weer regelmatig op de Nederlandse televisie, ditmaal als aerobics-instructrice die reclame maakte voor haar eigen videobanden.

Doris D., die nu 67 jaar oud is, werkt nog steeds als choreografe en dansdocente in Nederland.

Hoewel ze af en toe nog wel eens opduikt in nostalgische tv-programma’s, zingt of treedt ze niet meer op.

Vandaag is het dertig jaar geleden dat de Gentse acteur Carlos Van Lanckere is overleden.

Na het afronden van een klassieke opleiding aan de Koninklijke Toneelschool van Gent verwierf hij al snel bekendheid binnen de amateurverenigingen, en in het bijzonder bij de Gentse Rederijkerskamer Jhesus met der Balsemblomme.

Daar ontmoette hij de toenmalige Prince Souverein Herman Van Overbeke.

Deze ontmoeting vormde het startschot van een zeer vruchtbare samenwerking, die de aanzet gaf tot het structureren en uitbreiden van talloze rederijkerskamers en amateurgezelschappen in Vlaanderen.

Vanuit die gedrevenheid stichtte Van Lanckere in 1932 het Algemeen Kristelijk Vlaams Toneel (A.K.V.T.), een verbond dat voornamelijk Oost-Vlaamse gezelschappen verenigde.

Slechts vier jaar later volgde de oprichting van het Nationaal Vlaams Kristelijk Toneelverbond (N.V.K.T.), een overkoepelende organisatie voor alle landelijke Vlaams-christelijke amateurgezelschappen.

Hij zette zich hier met hart en ziel voor in als bezielend secretaris-generaal, tot hij in 1986 wegens ziekte de fakkel moest doorgeven.

Zijn ambities in het theater reikten echter nog verder.

In 1950 richtte hij de Keurgroep op, een initiatief waarmee hij getalenteerde acteurs wilde samenbrengen.

De kwaliteiten van deze groep bleven niet onopgemerkt, want al snel werden ze gevraagd om toe te treden tot de International Amateur Theatre Association (I.A.T.A.).

Dit opende de deuren naar een indrukwekkende internationale tournee.

De Keurgroep trad op doorheen heel Europa, met voorstellingen in Nederland, Frankrijk, Duitsland, Joegoslavië, Tsjechoslowakije, Italië, Denemarken, Finland, Oostenrijk, Roemenië, Ierland en Schotland. Ook buiten de Europese grenzen wisten ze het publiek te boeien, met opvoeringen in Amerika, Japan, Mexico en India.

Naast zijn levenswerk in het theater bouwde Carlos Van Lanckere eveneens een mooie carrière op in de film- en televisiewereld.

Hij was erbij toen de allereerste opnamen van het toenmalige N.I.R., de nationale televisieomroep van België, werden gemaakt en groeide al snel uit tot een vertrouwd gezicht in tal van Vlaamse televisiereeksen.

Zo schitterde hij als Naten in De Filosoof van Haeghem, waar hij speelde aan de zijde van Romain Deconinck en Jenny Tanghe.

In de reeks Dirk Van Haveskerke, een bewerking van Hendrik Consciences De Leeuw van Vlaanderen, nam hij de rol van Jan Breydel voor zijn rekening, geflankeerd door Luc Philips in de rol van Pieter De Coninck.

Daarnaast vertolkte hij de opmerkelijke rol van Gust Verhelle in de televisieklassieker De Paradijsvogels.

Ook op het witte doek liet hij zijn sporen na.

Tijdens de eerste internationale doorbraak van de Vlaamse film in 1971 speelde hij deken Broeke in Mira, een film met Jan Decleir en Willeke van Ammelrooy die toen een officiële selectie wist te verzilveren op het prestigieuze filmfestival van Cannes.

Gedurende de laatste tien jaar van zijn leven bleef hij met onverminderde interesse alles wat met het amateurtheater te maken had op de voet volgen, een passie die hij koesterde tot aan zijn overlijden op 23 juli 1996.

Vandaag is het ook al 15 jaar geleden dat Amy Winehouse is overleden.

Amy vormde op haar tiende al met haar vriendin Juliette het duo Sweet ‘n’ Sour dat vooral door Salt ‘n’ Pepa beïnvloed werd.

Op haar 14de schaft ze zich een gitaar aan en begint ze eigen liedjes te schrijven.

Nadat ze (wegens een neuspiercing) van de Sylvia Young Theatre School werd gegooid, zette Amy haar opleiding voort aan de befaamde BRIT School.

Dankzij de bevriende soulzanger Tyler James komen haar demo’s terecht bij Simon Fuller, de ex-manager van The Spice Girls.

Amy debuteert in 2003 met het album ‘Frank’.

De eerste single ‘Stronger Than Me’ levert haar in 2004 de Ivor Novello Award op. Dat is de prijs voor de beste song en compositie die jaarlijks in Groot-Brittannië wordt uitgereikt.

Datzelfde jaar staat ze op Glastonbury en het Montreal International Jazz Festival.

In tegenstelling tot het eerder jazzy ‘Frank’ kiest ze in 2007 voor de opvolger ‘Back In Black’ voor een combinatie van soul, rhythm ‘n’ blues en de 60s-pop van meidengroepen als The Ronettes en The Shirelles.

Ze huurt de befaamde Sharon Jones en haar Dap-Kings in als backinggroep.

In de lente van 2006 draait DJ/producer Mark Ronson de eerste demo’s in zijn programma op een Amerikaans radiostation.

Amy had een inventieve manier om haar songs te promoten.

Ze stak een cd in de taxi van haar vader Mitch, zodat veel mensen kennismaakten met haar muziek.

Het door Ronson geproduceerde ‘Back In Black’ is een doorslaand succes. Het wordt het best verkochte album van 2007 in Groot-Brittannië.

Op de uitreiking van de Grammy Awards wordt ze de eerste Britse zangeres die 5 Grammy’s wint.

Ze mag de prijs voor o.a. beste popalbum en beste song in ontvangst nemen en ze wordt genomineerd voor beste album.

De plaat levert 5 hitsingles op en gaat wereldwijd meer dan 13 miljoen keer over de toonbank.

Alleen al in de UK worden er 3,5 miljoen stuks van verkocht.

Het was gedurende een tijd de bestverkochte plaat van de 21ste eeuw, totdat ‘21’ van Adele in 2011 deze passeerde.

‘Valerie’, een cover van The Zutons, is in veel landen haar grootste hit.

Het nummer staat op ‘Version’, het tweede studioalbum van Mark Ronson.

In Nederland wordt het een n°1-hit, in Vlaanderen komt ze niet verder dan n°18.

Later wordt de single ook toegevoegd aan de deluxe-editie van de plaat. In de Ultratop 50 is ‘Rehab’ het succesvolst.

Het is bij ons haar enige top 10-hit.

De 3de single ‘Back To Black’ gaat over Amy’s tumultueuze relatie met Blake Fielder-Civil.

En vooral de nasleep van hun breuk nadat hij haar liet zitten voor een ander.

De term “back to black” verwijst naar haar terugval in een depressie en de bijbehorende drank- en drugsverslaving.

De single werd vooral een groot succes in de Duitstalige landen (top 10) en Griekenland, waar het een n°1-hit werd.

Amy kan het succes echter moeilijk plaatsen en verliest zich steeds meer in de drank. In relaties kent ze ook bitter weinig geluk.

Optredens moet ze meer en meer afzeggen of vroegtijdig stopzetten, omdat ze niet in staat is om op een podium te staan.

Ze komt dan ook steeds meer op een negatieve manier in het nieuws.

Plannen voor een nieuw album worden vanwege haar toestand steeds weer uitgesteld.

Totdat het licht definitief uitgaat op 23 juli 2011.

Er worden postuum nog twee singles uitgebracht, ‘Our Day Will Come’, een Amerikaanse n°1 voor Ruby & The Romantics, enkel in IJsland en Japan een hit, en ‘Body & Soul’, haar laatste opname en een duet met Tony Bennett.

Daarna volgt het postume album ‘Lioness: Hidden Treasures’ (n°3 in de Ultratop Album Top 100) met vroegere opnames, geselecteerd door Mark Ronson.

Tony Bennett en Amy Winehouse met hun nummer Body and Soul

Hun paden kruisten elkaar in maart 2011 in de beroemde Abbey Road Studios in Londen voor de opname van de klassieke jazzstandaard Body and Soul.

Dit legendarische nummer heeft zelf ook een rijke geschiedenis die teruggaat tot 1930.

Het werd gecomponeerd door Johnny Green, met tekst van Edward Heyman, Robert Sour en Frank Eyton.

Oorspronkelijk werd het geschreven in Londen voor actrice Gertrude Lawrence, maar het groeide in de Verenigde Staten al snel uit tot een ware sensatie na de uitvoering door Libby Holman in de Broadway-revue Three’s a Crowd.

Al in de jaren dertig omarmde de jazzwereld het stuk gretig; grote namen als Louis Armstrong en het Benny Goodman Trio maakten er vroege opnames van.

De absolute mijlpaal voor het nummer kwam in 1939 met de legendarische instrumentale uitvoering van saxofonist Coleman Hawkins, die met zijn grensverleggende improvisaties de basis legde voor de moderne jazz en van Body and Soul de ultieme jazzklassieker maakte.

Deze samenwerking in 2011 bleek achteraf een historisch en emotioneel moment te zijn, aangezien het de allerlaatste studio-opname van Winehouse werd voor haar vroegtijdige overlijden in juli van datzelfde jaar.

Tijdens de sessie toonde Bennett zich een geduldige mentor, wat Winehouse hielp om haar zenuwen te overwinnen en een adembenemende prestatie neer te zetten.

De chemie tussen de ervaren veteraan en de jonge vocaliste was voelbaar in elke noot, waarbij hun stemmen naadloos samensmolten in een melancholische vertolking.

Het nummer werd uiteindelijk uitgebracht op het album Duets II van Bennett en won later een Grammy Award.

De opbrengst van de single ging naar de Amy Winehouse Foundation om jongeren te ondersteunen.

Body and Soul blijft hierdoor niet alleen een muzikaal hoogtepunt, maar ook een blijvend monument voor de verbinding tussen twee generaties topmuzikanten.

Mireille Mathieu mag vandaag 80 kaarsjes uitblazen.

Het nummer ‘Together We’re Strong’ is een bijzonder duet tussen de Franse zangeres Mireille Mathieu en de Amerikaanse acteur Patrick Duffy.

Het nummer is van de hand van de bekende Duitse componist Ralph Siegel, die vanwege zijn indrukwekkende palmares van vierentwintig inzendingen ook wel Mister Eurovisie Songfestival wordt genoemd.

Hij wist het festival zelfs te winnen met het nummer ‘Ein bißchen Frieden’ van de zangeres Nicole.

De oorspronkelijke tekst werd geschreven door Bernd Meinunger, terwijl Richard Palmer-James, medeoprichter van de band Supertramp, verantwoordelijk was voor de Engelse versie.

De single ‘Together We’re Strong’ werd een groot succes in de Lage Landen; in de BRT Top 30 behaalde het nummer een mooie vierde plaats en in de Nederlandse Top 40 klom het duo zelfs op naar de tweede positie.

Het Steen in Elewijt, ook bekend als het Rubenskasteel, kent een rijke geschiedenis die nauw verbonden is met de landschappen rondom Mechelen en de latere levensjaren van de beroemde barokschilder Peter Paul Rubens.

De oorsprong van het domein gaat ver terug tot de middeleeuwen.

Al in de elfde of twaalfde eeuw stond op deze strategische plek een houten of stenen burcht, die diende als een versterkte grensmoerasburcht om de regio te beschermen.

In de loop van de veertiende eeuw werd dit complex herbouwd tot een stevige burcht van zandsteen, waaraan het kasteel zijn naam Het Steen dankt. Het deed in die tijd ook dienst als gevangenis en garnizoenspost.

De meest glansrijke periode voor het kasteel brak aan in mei 1635. Peter Paul Rubens, destijds een gevierd diplomaat en schilder op leeftijd, kocht het zwaar vervallen middeleeuwse slot en de omliggende gronden voor een bedrag van 14.000 guldens.

Hij was kort daarvoor getrouwd met zijn jonge tweede vrouw, Hélène Fourment, en zocht een rustig buitenverblijf buiten Antwerpen om te ontsnappen aan de stadsdrukte en zijn opspelende jicht.

Rubens droeg bij de aankoop van het kasteel al een indrukwekkende internationale carrière met zich mee, want hij was veel meer dan alleen een begenadigd kunstenaar.

Als meertalige, erudiete en charmante verschijning groeide hij uit tot een van de belangrijkste diplomaten van zijn tijd.

De aartshertogen Albrecht en Isabella van de Spaanse Nederlanden merkten zijn talenten op en zetten hem in voor delicate internationale missies.

Zijn schildersatelier diende vaak als de perfecte dekmantel; terwijl hij vorsten en edellieden portretteerde, voerde hij ondertussen discrete politieke gesprekken.

Zijn diplomatieke meesterstukken vonden plaats tussen 1627 en 1630, toen hij een sleutelrol speelde in het tot stand brengen van vrede tussen Spanje en Engeland.

Hij reisde hiervoor naar de hoven in Madrid en Londen, waar hij diepe indruk maakte op zowel de Spaanse koning Filips de Vierde als de Engelse koning Karel de Eerste.

Als dank voor zijn succesvolle bemiddeling sloegen beide koningen hem tot ridder, een uitzonderlijke eer voor een kunstenaar.

Ondanks zijn successen raakte Rubens in de vroege jaren dertig vermoeid door de complexe intriges aan het hof, waarna hij besloot zich grotendeels uit de actieve diplomatie terug te trekken en zich te richten op zijn gezinsleven en de schilderkunst.

Rubens liet het kasteel ingrijpend verbouwen in de stijl van de Vlaamse renaissancestructuur.

Hij voegde onder andere de karakteristieke trapgevels toe en liet de ramen vergroten om meer licht binnen te laten.

Hoewel de zware zandstenen muren aan de basis behouden bleven, transformeerde het complex van een grimmige middeleeuwse burcht naar een elegant ogend herenhuis op het platteland.

De omgeving van Elewijt inspireerde Rubens enorm tijdens zijn laatste levensjaren.

In deze periode schilderde hij minder religieuze of mythologische taferelen en richtte hij zich volop op de natuur.

Beroemde meesterwerken zoals Herfstlandschap met uitzicht op Het Steen en De runderenwal weerspiegelen direct de weidse weilanden, bossen en sfeer rondom zijn buitenverblijf.

Nadat Rubens in 1626 zijn eerste vrouw Isabella Brant had verloren, hertrouwde de inmiddels 53-jarige kunstenaar in december 1630 met de pas 16-jarige Hélène Fourment.

Hélène werd geboren in Antwerpen op 11 april 1614 als de jongste dochter van de welgestelde tapijten- en zijdehandelaar Daniël Fourment en Clara de Stot.

Haar legendarische schoonheid betoverde de ouder wordende schilder volledig, en ze werd al snel zijn ultieme muze.

Rubens vereeuwigde haar weelderige gedaante in talloze beroemde schilderijen, zoals Het pelsken, Hélène Fourment met haar kinderen en de monumentale Tuin van de liefde.

Samen kregen ze vijf kinderen, van wie de jongste werd geboren na het overlijden van de schilder.

Na de dood van Rubens in 1640 bleef Hélène Fourment nog enige tijd op het kasteel wonen.

Ze weigerde uit respect voor zijn nalatenschap een aantal zeer persoonlijke en intieme naaktschilderingen die hij van haar had gemaakt te verkopen, al werden sommige later alsnog verspreid.

Enkele jaren later hertrouwde ze met de diplomaat Jan Baptist van Broechoven, met wie ze nog vijf kinderen kreeg.

Ze speelde hierdoor een prominente rol in de Antwerpse en Brusselse hoogste kringen tot aan haar overlijden in Brussel op 15 juli 1673.

In de eeuwen daarna wisselde het domein herhaaldelijk van eigenaar.

Tijdens de achttiende eeuw onderging het interieur aanpassingen in de classicistische stijl en in de negentiende eeuw volgde een ingrijpende neogotische restauratie, die het kasteel zijn huidige uiterlijk gaf met behoud van de herkenbare renaissancetrekken die Rubens had achtergelaten.

Het kasteel en de omliggende gronden kwamen in de 20e eeuw onder druk te staan door verstedelijking en de verkoop van gronden.

Dit leidde tot bezorgdheid over het behoud van het historische domein.

In juli 1936 publiceerde het weekblad “De Stad” een paginagroot artikel, met diverse foto’s die het kasteel en de omgeving in beeld brachten.

De tekst uitte felle kritiek op het feit dat een dergelijk nationaal erfgoed aan de hoogstbiedende werd verkocht, en verwees naar de verkoop van andere historische panden die voor het land verloren gingen.

De bezorgdheid betrof ook de integriteit van het domein, dat “niet verkaveld, of nog ten dele verkocht mag worden”.

De actie in “De Stad” was een voorloper van de strijd voor het behoud van cultureel erfgoed en getuigt van de groeiende publieke bewustwording van de waarde van het Rubenskasteel.

Ondanks de oproep werd het kasteel uiteindelijk toch verkocht aan private kopers.

Pas in 2019 werd het kasteel aangekocht door Toerisme Vlaanderen, met als doel het monumentale erfgoed en de omliggende natuur te herstellen en open te stellen voor het publiek.

Hoewel ook vandaag het kasteel nog een sprookjesachtig monument is, omringd door een park van 26 hectare, is het kasteel op dit moment niet open voor het publiek.

Want een restauratie drong zich op en de Vlaamse regering doet daarvoor een beroep op Herita, een gespecialiseerde erfgoedorganisatie die al een resem kastelen en andere erfgoedlocaties in Vlaanderen beheert.

De bedoeling is dat het kasteeldomein tegen 2029 in ere is hersteld.

De buitenkant en de rentmeesterwoning worden gerestaureerd, en de orangerie krijgt een nieuwe functie als onthaal, waar bezoekers het verhaal van Rubens kunnen ontdekken

50 jaar geleden, reclame voor de Kangourak van het merk Salik (juli 1976)

Wie in de jaren zeventig of tachtig is opgegroeid, herinnert zich ongetwijfeld nog de schoolreizen of uitstapjes met de jeugdbeweging waarbij één kledingstuk absoluut onmisbaar was.

Rond de middel van zowat elk kind hing toen een handig, opgerold tasje dat bij de minste regenbui kon worden uitgeplooid tot een felgekleurde regenjas.

Dit ingenieuze kledingstuk, dat sterk leek op de Franse K-way, stond bij ons bekend als de kangourak.

Het was de absolute kaskraker van de Belgische zakenman Pierre Salik en zijn gelijknamige kledingbedrijf.

De geschiedenis van het kledingmerk Salik begint feitelijk al vlak na de Tweede Wereldoorlog bij de Joodse handelaar Jacob Salik, de vader van Pierre.

Het bedrijf kende zijn eerste grote successen met de import en verkoop van militaire overschotten van het Amerikaanse leger en begon in de jaren vijftig met de productie van leren en suède kleding.

Toen Pierre Salik in 1964 het roer overnam van zijn overleden vader, zag de jonge ondernemer meteen een gat in de markt.

Hij richtte zijn pijlen op de productie van jeansbroeken en deed dat met succes.

Het opvallende, Amerikaans lijkende woordlogo Salik werd in de jaren zestig in Europa even bekend als Lee Cooper of Levi’s en vormde zowaar een geduchte concurrent voor deze grote merken.

Pierre Salik was niet alleen een gewiekst zakenman, hij begreep ook de kracht van marketing als geen ander.

Om zijn fortuin te maken met de verkoop van jeansbroeken, plaatste hij onder meer grote advertenties in het weekblad Kuifje.

Wie was er immers beter geplaatst om reclame te maken voor stoere jeans dan stripheld Lucky Luke?

Omdat Salik in Brussel heel wat mensen kende, waaronder tekenaar Hergé, haalde hij uit die nauwe band met de stripwereld in de jaren zeventig nog een meesterzet.

Bij de verkoop van de beroemde kangourak-regenjasjes zat telkens een spaarzegel of een zelfklever van Kuifje, Kapitein Haddock of een ander personage uit de reeks.

De tekeningen hiervoor werden vaak speciaal ontworpen door Hergés rechterhand Bob de Moor.

Het zorgde ervoor dat kinderen maar wat graag een nieuwe kangourak wilden, liefst nog in verschillende kleuren, wat de kassa van Salik flink deed rinkelen.

De man achter dit enorme succes, de in 1930 geboren Pierre Salik, was een bijzonder flamboyant figuur in de Brusselse beau monde.

Salik was naar het schijnt een intimus van de afgetreden koning Leopold III, bij wie hij naar verluidt kind aan huis was, en bouwde in de loop der jaren een fabelachtige kunstcollectie op.

Hij verzamelde werken van klinkende namen als Monet en Modigliani, maar had vooral een immense collectie schilderijen van de Belgische surrealist René Magritte.

Tot zijn verzameling behoorde ooit La corde sensible, een doek dat later voor ettelijke miljoenen euro’s onder de hamer ging bij veilinghuis Christie’s.

Salik hield van het luxueuze leven en ontving geregeld bekende politici op zijn buitenverblijf in Knokke, waarbij hij niet verlegen zat om het uitdelen van dure relatiegeschenken.

Ondanks de grote successen met de Salik-jeans en de onvergetelijke kangourak, kende het zakenimperium in de latere decennia ook donkere periodes.

De fabriek in Quaregnon moest eind jaren zeventig de deuren sluiten en latere avonturen in de kledingsector kenden wisselend succes.

Zo eindigde het verhaal van zijn kinderkledingmerk Kid Cool uiteindelijk in een faillissement.

Vanaf de late jaren tachtig tot ver in de jaren negentig en zelfs in de jaren tweeduizend kwam Pierre Salik vaker in het nieuws door aanslepende en dure conflicten met de fiscus en vermeldingen in politiek-juridische dossiers, in plaats van met nieuwe modetrends.

Die jarenlange fiscale geschillen bleven niet zonder gevolgen.

In 2022 verkocht hij noodgedwongen zijn bekende villa in Knokke voor 14 miljoen euro om een miljoenenboete aan de fiscus te kunnen betalen.

Vandaag is het kledingmerk Salik grotendeels uit het straatbeeld verdwenen.

De fabriek in Quaregnon, de plek waar ooit duizenden broeken van de band rolden, is tegenwoordig een meubelzaak.

Toch blijft de naam Salik, en in het bijzonder de felgekleurde kangourak met de Kuifje-stickers, voor velen een iconisch stukje nostalgie.

Het was een tijd waarin een simpel regenjasje in een buideltje volstond om ons als kind op schoolreis een veilig en stoer gevoel te geven.

Pierre Salik is vorig jaar op 17 januari 2025 op 94-jarige leeftijd overleden.

85 jaar geleden, reclame voor lavendelwater van het merk Mouson

Het huis Mouson: van parfumicoon tot onderdeel van het naziregime

Johann Daniel Mouson werd geboren op 19 mei 1839 in Frankfurt am Main en overleed daar op 26 februari 1909.

Hij was een prominente Duitse zeep- en parfumfabrikant, mede-eigenaar van het familiebedrijf J.G. Mouson en Cie, en tevens lokaal politicus.

Hij kwam uit een hugenotenfamilie met wortels in Metz en was de kleinzoon van August Friedrich Mouson, die de beroemde onderneming in 1798 had opgericht.

De hugenoten waren Franse protestanten die in de 16e en 17e eeuw de leer van Johannes Calvijn aanhingen en vanwege gewelddadige vervolging hun thuisland ontvluchtten, waarbij zij vaak gespecialiseerde vaardigheden en een ijverige werkethiek naar hun nieuwe vaderland brachten.

Onder leiding van Johann Daniel en zijn familieleden groeide de zaak verder uit tot een internationaal bekende producent van cosmetica, zepen en parfums.

Hij trad in het huwelijk met Elisabeth Susanna Gattinger en hun zoon zou later een belangrijke rol spelen in de verdere uitbouw van het imperium.

Het bedrijf J.G. Mouson en Cie begon als een relatief bescheiden onderneming in het hart van Frankfurt, maar ontwikkelde zich al snel tot een van de belangrijkste spelers op de Duitse cosmeticamarkt, waarbij het concurreerde met andere grote merken uit die tijd.

In de jaren twintig van de twintigste eeuw bouwde het bedrijf onder leiding van Fritz Mouson een hypermodern fabriekscomplex.

Het absolute pronkstuk hiervan was de Mousonturm, een indrukwekkend expressionistisch baksteengebouw dat wordt beschouwd als de allereerste wolkenkrabber van Frankfurt en dat de Tweede Wereldoorlog vrijwel ongeschonden doorstond.

Mouson bereikte in die periode een breed publiek met luxeproducten en dagelijkse verzorgingsartikelen die perfect aansloten bij de verlangens van de moderne consument.

Een van de meest iconische successen van het bedrijf was het product Mouson Lavendel.

Deze geurlijn werd oorspronkelijk rond 1935 op de markt gebracht onder de naam Mouson Alt-Englisch Lavendel en was een creatie van Hans Mouson.

Omstreeks 1940 onderging het product een strategische vernieuwing en werd het beroemd als Mouson Lavendel mit der Postkutsche, oftewel met de postkoets.

Deze naam verwees naar de nostalgische en zeer herkenbare afbeelding van een romantische postkoets op de flesjes en verpakkingen.

Dankzij de toegankelijke, maar tegelijkertijd luxueuze uitstraling werd het lavendelwater een enorm commercieel succes.

Het wekte een gevoel van tijdloze traditie en kwaliteit op en werd een vast onderdeel van de badkamer voor vele generaties, waarmee het de internationale reputatie van het huis Mouson definitief vestigde.

Een treffend voorbeeld van hoe het bedrijf dit product in de vroege oorlogsjaren vermarktte, is terug te vinden in een reclame uit het tijdschrift Signal van juli 1941.

In deze advertentie wordt Mouson Lavendel aangeprezen als een verfrissing na het sporten, spelen of dansen, waarbij de associatie met de postkoets (“avec la diligence”) centraal staat om een sportief, klassiek en tegelijkertijd mild karakter uit te stralen.

Tijdens de periode van het nationaalsocialisme heeft het bedrijf van de familie Mouson zich verre van neutraal opgesteld en werkte de onderneming actief mee met het regime.

Hoewel de persoonlijke politieke overtuigingen van alle individuele familieleden uit die tijd niet tot in de kleinste details in de geschiedenisboeken zijn gedocumenteerd, is het historisch bewezen dat J.G. Mouson en Cie na de machtsovername door Adolf Hitler in 1933 daadwerkelijk economisch profiteerden van het systeem en opportunistisch meegingen in de uitsluitingspolitiek.

Het meest opvallende bewijs hiervan is de deelname van Mouson aan een agressieve en antisemitische lastercampagne tegen hun destijds grootste concurrent Beiersdorf, de producent van onder meer Nivea.

Omdat Beiersdorf decennialang was opgebouwd door de Joodse familie Troplowitz en Joodse bestuursleden had, gebruikten bedrijven zoals Mouson dit feit om op te roepen tot een boycot van Nivea-producten.

Ze profileerden hun eigen crèmes en zepen daarbij expliciet als Arisch en van zuiver Duitse oorsprong, in de hoop zo uit nationaalsocialistische motieven de klanten van hun concurrent af te pakken en hun eigen marktaandeel te vergroten.

Naast deze dubieuze marketingstrategie werd de fabriek van Mouson in Frankfurt tijdens de Tweede Wereldoorlog ook stevig ingeschakeld voor de Duitse oorlogsinspanningen.

Het bedrijf produceerde op grote schaal zepen, waspoeders en huidverzorgingsproducten voor de Wehrmacht en de nazipartij. Bovendien werd het immense fabriekscomplex in 1944 gebruikt voor de zware oorlogsindustrie.

In het kader van een nationaal noodprogramma werd de verwerking en productie van kogellagers uit gebombardeerde fabrieken in Schweinfurt deels overgebracht naar de gebouwen van Mouson om de wapen- en voertuigenproductie veilig te stellen.

Uit historische archieven rond het verzet in Frankfurt blijkt verder dat medewerkers met een leidinggevende functie binnen het bedrijf, zoals hoofden van de luchtbescherming, onder zware druk werden gezet om lid te worden van de nazipartij NSDAP als ze hun baan wilden behouden.

Dit alles toont aan dat de directie van het familiebedrijf zich destijds volledig conformeerde aan het naziregime, het heersende antisemitisme misbruikte voor eigen commercieel gewin en een functioneel onderdeel vormde van de Duitse oorlogsmachine.

Na de Tweede Wereldoorlog stond de onderneming voor de enorme uitdaging van de wederopbouw.

Hoewel de fabriek in Frankfurt de oorlog relatief goed had doorstaan, was de positie van het merk op de internationale markt verzwakt door de naziverleden-associaties en de veranderende consumentenbehoeften.

In de decennia na 1945 wist het bedrijf Mouson zich echter te handhaven als een gerespecteerde naam in de cosmeticabranche, mede dankzij de blijvende populariteit van klassiekers zoals het lavendelwater.

De markt werd echter steeds competitiever door de opkomst van grote internationale concerns.

In 1972 werd het familiebedrijf J.G. Mouson en Cie uiteindelijk verkocht aan het Amerikaanse concern Procter & Gamble.

De voormalige fabriek van het bedrijf onderging in de jaren tachtig een opmerkelijke transformatie: de iconische Mousonturm werd in 1988 heropend als een internationaal gerenommeerd theater- en productiehuis voor podiumkunsten, waarmee het gebouw een nieuwe culturele bestemming kreeg in het hart van Frankfurt.

Gisteren nog vandaag

Vandaag mag de Franse actrice en zangeres Charlotte Gainsbourg 55 kaarsjes uitblazen.

Charlotte Gainsbourg werd geboren in Londen, maar groeide op in Parijs.

Naast acteren werd het zingen Gainsbourg met de paplepel ingegoten.

Zij nam op haar dertiende het nummer Lemon Incest met haar vader op, en bij de film Charlotte for Ever bracht ze een gelijknamige cd uit.

Nadat haar vader in 1991 overleed, warmde haar gevoel voor muziek weer op.

In 2006 kwam haar tweede album, 5:55, uit, dat ze co-produceerde met het Franse duo Jean-Benoît Dunckel en Nicolas Godin (die we kennen van de groep Air) en producer Nigel Godrich.

Jean-Benoît Dunckel en Nicolas Godin schreven ook de muziek en de teksten werden verzorgd door Jarvis Cocker en Neil Hannon. Met uitzondering van twee nummers waar de tekst geschreven is door Charlotte Gainsbourg.

Haar muziekstijl wordt door enkelen vergeleken met die van haar ouders, waarbij met name haar zwoele stem gelijkenis vertoont met die van Jane Birkin.

Van de cd werden in Frankrijk meer dan 300.000 stuks verkocht, goed voor een platina-status.

Eind 2009 maakte zij haar derde studioalbum IRM, waarvan de titeltrack op haar officiële website als download werd aangeboden.

De eerste single hiervan is Heaven Can Wait.

De cd werd geproduceerd door Beck Hansen (artiestennaam Beck).

Het album Stage Whisper verscheen eind 2011.

Het bestaat uit twee cd’s: één met live-opnames en één met nieuwe studionummers.

Hierop werkt zij onder andere weer samen met Beck en Villagers-zanger Conor O’Brien. De single Terrible Angels uit dit album was terug een succes in Frankrijk.

In 2017 bracht ze haar album Rest uit.

Voor dit album werkte ze samen met componist en producer Sebastian Akchoté en de Amerikaanse producer en componist Danger Mouse (echte naam Brian Burton).

Bijna alle nummers zijn geschreven door Sebastian Akchoté en de teksten zijn geschreven door Charlotte Gainsbourg zelf.

Voor dit album kon ze ook rekenen op Paul McCartney, die voor haar het nummer Songbird In A Cage schreef.

Ook werkte ze samen met de groep Django Django en brachten ze samen de single Waking Up uit.

In het najaar van 2025 keerde ze terug met gloednieuw materiaal, waaronder de single “Blurry Moon” (geproduceerd en gearrangeerd door SebastiAn).