Patrick de Radiguès: een leven vol snelheid en avontuur viert vandaag zijn 70ste verjaardag

Patrick de Radiguès de Chennevière, geboren op 25 juli 1956 in Leuven, is een Belgische voormalige sportman die naam maakte in zowel de motorsport als de zeilsport.

Hij is een afstammeling van de adellijke familie de Radiguès.

Zijn sportieve carrière begon in de racerij, waar hij deelnam aan auto- en motorraces, waaronder de prestigieuze 24 uur van Le Mans.

Een van zijn grote successen was het winnen van de Bol d’Or in 1984 en het behalen van de tweede plaats in het wereldkampioenschap motoruithoudingsraces in datzelfde jaar.

Op 36-jarige leeftijd maakte hij de overstap naar de zeilsport, waarbij hij zich met name richtte op solo- en shorthanded offshorezeilen.

In deze hoedanigheid nam hij deel aan diverse grote wedstrijden, zoals de Transat Jacques Vabre (waarin hij derde werd) en de Transat Québec-Saint-Malo.

Hij nam ook deel aan de zware Vendée Globe-race.

Tijdens de editie van 2000 raakte hij betrokken bij een ernstig ongeval waarbij hij bewusteloos raakte en zijn boot op de kust spoelde, een incident dat hij gelukkig overleefde.

Patrick is de broer van Didier de Radiguès, die eveneens een bekende figuur is in de Belgische motorsportwereld.

Patrick is momenteel woonachtig in Monaco.

Wat betreft de geschiedenis van de familie de Radiguès, het is een oud adellijk geslacht waarvan de wortels in Frankrijk liggen, met name in de regio rond Chennevière.

De familie vestigde zich in de loop der eeuwen in de Zuidelijke Nederlanden en het huidige België.

Het geslacht staat bekend om zijn bijdragen aan zowel het militaire, bestuurlijke als maatschappelijke leven in de regio.

De adellijke status van de familie werd in België officieel erkend en bevestigd, waarbij verschillende leden door de jaren heen belangrijke posities bekleedden.

De familie voert een wapenschild en houdt vast aan de tradities die horen bij hun adellijke afkomst, waarbij de naam de Radiguès de Chennevière de historische band met hun oorspronkelijke Franse domeinen in ere houdt.

Boule d’Or Star Racing vond plaats op het circuit van Zolder, waar Patrick de Radigués toen deelnam.

Door strengere wetgeving rond tabaksreclame en het verdwijnen van het merk, hield de rechtstreekse sponsoring van koersen en raceteams onder die naam aan het einde van de jaren 80 op te bestaan.

50 jaar geleden, Golden Earring, weldra weer met zijn vieren

Vijftig jaar geleden rees de vraag of de Golden Earring weldra weer met zijn vieren zou zijn.

Het was in die tijd algemeen bekend dat popgroepen die zich uitsluitend op tieners richtten, vaak geen lang leven beschoren waren.

Na een reeks hits kwam er meestal een periode van stilte of zelfs neergang. Dat wilde echter niet zeggen dat men zomaar op zijn lauweren kon rusten.

Ook zwaardere rockbands hadden het destijds moeilijk, en het werd meteen opgemerkt wanneer het lp-publiek begon af te haken.

Het meest sprekende voorbeeld daarvan was op dat moment de Nederlandse supergroep Golden Earring.

Na enkele jaren van groot succes stonden ze toen voor een bijzonder lastige periode.

Slechts een paar maanden eerder had alles nog uitstekend geleken voor de band.

Ze waren enorm enthousiast geweest over hun geplande Amerikaanse tournee.

Brian Hay gaf aan dat hun vorige plaat een kassucces was geweest in de Verenigde Staten en dat de daaropvolgende tournee erg goed was meegevallen.

Om hun nieuwe album ‘To The Hilt’ te promoten, hadden ze een nieuwe reeks optredens voorzien, maar de verwachtingen werden die keer helaas niet ingelost.

Het album bereikte destijds de 156e positie in de Amerikaanse Billboard Top 200 en ontving over het algemeen minder gunstige kritieken.

Hierdoor liepen de voorverkoopcijfers van de Amerikaanse tournee drastisch terug.

Ondanks deze tegenvallende cijfers trok de band toch naar Amerika.

Volgens Barry Hay was de eerste show geweldig, maar verzwakte de belangstelling daarna enorm.

Hoewel hij niet precies wist waar dat aan lag, benadrukte hij dat ze zich nochtans de ziel uit het lijf hadden gespeeld.

Hij voegde eraan toe dat men met het Amerikaanse publiek echter nooit zeker was.

De opkomst was op een bepaald moment zo minimaal dat de tournee werd onderbroken en de groepsleden veel vroeger dan verwacht naar Nederland terugkeerden.

Alsof deze zware domper nog niet genoeg was, stond het er rond die tijd ook al zo goed als vast dat de nieuwste aanwinst van de groep, organist Robert Jan Stips, de Golden Earring zou gaan verlaten.

Een tijd daarvoor had hij zijn eerste soloalbum uitgebracht, en de algemene verwachting was dat hij als soloartiest verder wilde gaan.

Robert zelf was toen niet te bereiken voor commentaar, maar Barry Hay gaf wel tekst en uitleg.

Hij vertelde dat Robert het in die periode niet meer met hen zag zitten, omdat hij absoluut veranderingen in hun muziek wilde doorvoeren.

Hoewel de kans op zijn vertrek zeer groot was, stond de definitieve beslissing nog niet voor de volle honderd procent vast en zou er eerst nog verder over gepraat worden.

Barry Hay nuanceerde de situatie door te stellen dat het voor hen geen drama zou zijn als Robert daadwerkelijk de groep verliet.

Ze hadden het immers al die jaren daarvoor ook met zijn vieren gedaan, dus er was geen reden waarom ze dat op dat moment niet meer zouden kunnen.

De hele show zou in dat geval wel herzien moeten worden, maar dat was volgens hem hooguit een kwestie van enkele maanden werk.

Uiteindelijk was Robert Jan Stips van 1974 tot 1976 toetsenist bij de band.

Hij speelde mee op het album Switch en toerde destijds intensief met hen door de Verenigde Staten.

Na zijn vertrek uit de groep in 1976 richtte hij zich op diverse andere projecten.

Zo was hij medeoprichter van de formatie Sweet d’Buster en startte hij daarna kortstondig zijn eigen project Transister.

Daarnaast drukte hij als producer zijn stempel op de Nederlandse popmuziek door onder meer drie albums te produceren voor de bekende new-waveband Gruppo Sportivo.

In 1981 sloot hij zich vervolgens aan bij de groep Nits.

Op een korte onderbreking eind jaren negentig na, is hij nog altijd een vast gezicht binnen deze band.

Zijn muzikale carrière was echter al veel eerder begonnen.

In 1968 was Stips de oprichter van de progressieve rockband Supersister, die een grote hit scoorde met ‘She Was Naked’.

In 2019 blies hij deze groep succesvol nieuw leven in met het Supersister Project.

Vanaf de jaren negentig werkte hij bovendien intensief samen met cabaretier Freek de Jonge.

Stips schreef muziek voor diens theatershows en speelde de herkenbare accordeonpartij in op de nummer één-hit Er is leven na de dood.

De inmiddels 76-jarige Robert Jan Stips is nog altijd enorm actief als veelzijdig muzikant, componist en producer.

Hij combineert zijn decennialange vaste rol als toetsenist en zanger bij The Nits met talloze eigen projecten.

Zo treedt hij nog steeds op met zijn oude band Supersister, waarbij hij een trio vormt met Rinus Gerritsen, en staat hij op de planken met zijn soloprogramma RJSolo.

Ook blijft hij muzikaal vernieuwen; hij werkt samen met violiste Marieke Brokamp en in 2025 bracht een recenter project hem samen met zangeres Jane Goulding, wat resulteerde in het album en de tournee Love & Affection.

Het creatieve talent zit overigens ruimschoots in de familie, want zijn oudere broer Wouter Stips is een bekende kunstschilder en beeldhouwer.

De geschiedenis van de Golden Earring als band kwam uiteindelijk definitief ten einde nadat gitarist George Kooymans in 2021 de diagnose ALS kreeg.

Tot groot verdriet van velen is hij in 2025 aan de gevolgen van deze slopende ziekte overleden.

De overgebleven bandleden gingen daarna ieder hun eigen weg, maar lieten de muziek nooit helemaal los.

De inmiddels zevenenzeventigjarige zanger Barry Hay woont tegenwoordig op Curaçao.

Hij geniet daar van een rustiger leven, al blijft de muziek door zijn aderen stromen en sluit hij een optreden op zijn tijd zeker niet uit.

Ook de energieke drummer Cesar Zuiderwijk is nog altijd actief in de muziekwereld.

Hij geeft regelmatig drumclinics en treedt vol enthousiasme op in theaters met diverse soloprojecten en muzikale shows.

Bassist Rinus Gerritsen is eveneens nog volop met muziek bezig.

Hij blijft muzikaal experimenteren, repeteert veel en voelt naar eigen zeggen dat hij als muzikant nog steeds vooruitgaat.

Begin 2026 kwamen Hay, Zuiderwijk en Gerritsen nog eenmaal samen voor een groots en emotioneel afscheidsconcert in Rotterdam Ahoy.

Daar brachten zij als prachtig eerbetoon, samen met diverse gastartiesten, een indrukwekkende viering van hun enorme muzikale nalatenschap

Vandaag, 70 jaar geleden, de ondergang van de SS Andrea Doria en het verlies van de unieke Chrysler Norseman.

De fatale aanvaring van de SS Andrea Doria vond plaats op de late avond van 25 juli 1956.

Het Italiaanse passagiersschip naderde op dat moment de Amerikaanse oostkust en was bezig aan het laatste stuk van de reis van Genua naar New York.

Aan boord bevonden zich 1134 passagiers en 572 bemanningsleden, waaronder de actrice Betsy Drake.

Als bijzondere lading vervoerde het schip ook een futuristische conceptauto, de Chrysler Norseman, gebouwd door de Italiaanse auto-ontwerper Ghia.

Ter hoogte van het eiland Nantucket werd het schip echter overvallen door een dichte mistbank.

Tegelijkertijd was de MS Stockholm, een wat kleiner Zweeds passagiersschip met een lengte van 160 meter en een bruto tonnenmaat van 12.165 ton, net vanuit New York vertrokken.

Het schip was onderweg naar Göteborg en naderde uit de tegenovergestelde richting.

Beide schepen beschikten over radar, wat toen nog een relatief nieuwe technologie was, maar toch ging het mis.

De bemanningen lazen de koers en snelheid van de ander verkeerd af.

In de overtuiging dat ze elkaar veilig zouden passeren, stuurden ze hun schepen juist recht op elkaar af.

Iets na elf uur in de avond boorde de versterkte ijsboeg van de Stockholm zich met volle kracht diep in de stuurboordzijde van de Andrea Doria.

De impact was verwoestend. De zijkant van het Italiaanse schip werd over een grote lengte opengereten.

Doordat het zeewater direct in de lege brandstoftanks stroomde, maakte de Andrea Doria vrijwel meteen zware slagzij.

Dat zorgde voor een acuut probleem, want de reddingsboten aan de bakboordzijde hingen hierdoor te ver naar binnen en konden niet meer worden gebruikt.

Het grote geluk in deze tragedie was dat het schip weigerde snel te zinken en nog ruim elf uur bleef drijven, waardoor een massale reddingsoperatie mogelijk werd.

De Stockholm was weliswaar zwaar beschadigd, maar liep geen gevaar om te zinken en zette onmiddellijk eigen reddingsboten in.

Het uitgezonden SOS-signaal werd bovendien snel beantwoord door andere schepen in de omgeving, waaronder het grote Franse passagiersschip Île de France.

Door deze snelle samenwerking op zee konden 1660 opvarenden in veiligheid worden gebracht, onder wie Betsy Drake.

Zij overleefde de ramp, maar verloor tijdens dit ongeluk wel haar juwelen ten bedrage van 200.000 dollar.

Bij de aanvaring verloren helaas 46 passagiers op het Italiaanse schip en vijf bemanningsleden van de Zweedse Stockholm het leven.

In de vroege ochtend van 26 juli 1956, elf uur na de klap, kapseisde de Andrea Doria volledig en verdween in de Atlantische Oceaan.

Het wrak ligt daar nog steeds op zeventig meter diep op de oceaanbodem.

Het model van de Chrysler Norseman verdween mee in de golven en is nooit in productie genomen.

De overlevende Betsy Drake had er op het moment van de ramp al een bewogen leven op zitten.

Ze werd geboren in Parijs als dochter van twee Amerikanen.

Haar grootvader, Tracy Drake, was de oprichter van het bekende Drake Hotel in Chicago.

Toen haar familie tijdens de beurskrach van 1929 haar fortuin verloor, keerde ze terug naar de Verenigde Staten.

Ze bracht haar jeugd achtereenvolgens door in Chicago, Westport in Connecticut, Washington D.C., Virginia in North Carolina en New York City.

Na het bezoeken van maar liefst twaalf verschillende scholen, sloot ze zich aan bij een toneelschool in Maryland.

Om een carrière als actrice op te bouwen, verhuisde ze later naar New York City en werkte ze als model om haar opleiding te kunnen financieren.

Haar acteercarrière kreeg verder vorm toen ze dramaturg Horton Foote ontmoette, waardoor ze werk kreeg als understudy en lid werd van de Actors’ Equity Association.

Op aanraden van haar agent tekende Drake via Hal B. Wallis een contract in Hollywood.

De filmstad beviel haar echter allerminst en ze ging zelfs zo ver dat ze zichzelf gestoord liet verklaren om onder de contractuele verplichtingen uit te komen.

Ze keerde terug naar New York City, waar ze door regisseur Elia Kazan werd gecast voor een toneelstuk in Londen.

Daarnaast was ze een van de medeoprichters van Kazans invloedrijke Actors Studio.

Tijdens haar verblijf in Londen ontmoette ze in 1947 de beroemde acteur Cary Grant.

De twee keerden samen terug naar de Verenigde Staten en kregen een relatie.

Op aandringen van Grant werd Drake gecast voor de romantische komedie ‘Every Girl Should Be Married’ uit 1948.

Het koppel trad tijdens de kerstdagen van 1949 in het huwelijk en in 1952 was Drake opnieuw tegenover haar echtgenoot te zien in de film ‘Room for One More’.

Na nog enkele andere rollen besloot ze te stoppen met acteren om zich te richten op het schrijven.

Ze bouwde bovendien een nieuw leven op als psychotherapeut in Los Angeles en behaalde een Master of Education aan de prestigieuze Harvard-universiteit.

Haar huwelijk met Cary Grant liep echter stuk nadat hij in 1957 op de set van ‘The Pride and the Passion’ de actrice Sophia Loren had leren kennen.

Grant werd smoorverliefd op de twintig jaar jongere Loren en ze begonnen een intense affaire.

Uiteindelijk wees Loren het huwelijksaanzoek van Grant af en koos ze voor de Italiaanse filmproducent Carlo Ponti, met wie ze nog in 1957 trouwde.

Dit zorgde later voor uiterst gespannen situaties op de set van hun gezamenlijke film ‘Houseboat’.

Grant was nog steeds zwaar gekwetst, hoewel hun chemie op het scherm onmiskenbaar bleef.

Als gevolg van deze buitenechtelijke verhouding vroeg Betsy Drake de scheiding aan, die in 1962 definitief werd afgerond.

Na een veelzijdig leven overleed Betsy Drake op 27 oktober 2015 op 92-jarige leeftijd in haar huis in Londen.

40 jaar geleden, Anita Heilker, ik ben in vertrouwde handen

Zes jaar lang was Anita Heilker (geboren als Antoinetta Johanna Margaretha Blanker) de opvallende zangeres van The Dolly Dots.

Met haar debuutsingle “You’ve got me keyed up” liet ze in 1986 horen dat ze ook buiten de groep kan schitteren.

In een openhartig gesprek met Veronica destijds, vertelt Anita over haar afscheid van de Dolly Dots, haar nieuwe uitdagingen, haar privéleven en haar plannen voor de toekomst.

Eind vorig jaar, in 1985, stond Anita nog één keer met de Dolly Dots op het podium.

Daarna was het definitief afgelopen.

Ze zong onder andere “She’s a liar” en “Doowahdidday” en nam emotioneel afscheid van het publiek. “Ooit hoopte ik toch weer een keer met de groep te zingen,” geeft ze toe, “maar diep vanbinnen wist ik dat het moment was gekomen om solo verder te gaan.”

De echte reden voor haar vertrek was haar dochter Robin.

Anita koos er bewust voor om haar zangcarrière tijdelijk op een lager pitje te zetten. “Uit liefde voor Robin gaf ik de Dolly Dots op,” vertelt ze openhartig.

Ze wilde geen afwezige moeder zijn en koos ervoor om meer tijd met haar kind door te brengen.

“Ik kon het niet opbrengen om mijn kindje avond na avond alleen te laten,” bekende ze toen.

“Mijn vroegere collega’s en ik zijn nog steeds goede vriendinnen.

Daarom haal ik behoorlijk van de roddels als ze uit de Dolly Dots zijn gezet.

Ik ben volledig uit vrije wil opgestapt. Enkel uit liefde voor mijn baby gaf ik mijn zangcarrière op!”

Het management van de groep had gehoopt dat Anita na drie maanden weer zou terugkeren, maar Anita hield voet bij stuk.

Er kwam geen groots afscheidsconcert. “Anita’s ex-collega’s hebben geen tijd voor een afscheidsconcert,” legt ze uit. De planning liet het simpelweg niet toe.

Anita werkte hard aan haar solodebuut. Ze trainde haar stem, werkte aan haar uiterlijk en zocht de beste mensen om mee samen te werken.

Haar eerste single “You’ve got me keyed up” is een fris, dansbaar nummer dat direct laat horen dat Anita ook als soloartieste een sterke stem heeft.

Ze werkte voor dit project opnieuw samen met vertrouwde krachten uit de Dolly Dots-periode, zoals producer Peter van Asten en tekstschrijvers Richard de Bois en Richard Curiale.

“Ik ben in vertrouwde handen,” zegt Anita lachend. “Dat geeft me een veilig gevoel.

Tegelijkertijd werk ik ook met nieuwe mensen en dat maakt het extra spannend.”

Momenteel is Anita druk bezig met de voorbereidingen van haar nieuwe elpee.

Daarnaast heeft ze onlangs een nieuw huis betrokken met haar man Ton.

“Eindelijk is ze dan toch met haar man en manager Ton uit het verre Spijkenisse in het Gooi komen wonen,” vertelt ze.

Anita en Ton beginnen daar een nieuw leven.

Het huis is nog niet helemaal klaar, maar ze is er erg blij mee. “Ja, nu is het wel gelukt,” zegt ze. “We wonen nu op een plek die ideaal is, dat moet je zien.”

Vooral de kinderkamer had toen veel aandacht gekregen.

Anita is dolgelukkig dat de kinderkamer nu helemaal is ingericht.

Samen met Ton heeft ze de kamer sfeervol en praktisch gemaakt, klaar voor dochter Robin.

Ze geniet van de rustige momenten thuis en heeft een ideale manier gevonden om werk en moederschap te combineren.

“Ik moest wel eventjes slikken toen ik mijn vijf collega’s van Barbados zag vertrekken,” bekent ze, verwijzend naar de laatste Dolly Dots-opnames.

In 1984 trouwden Anita en Ton Blanker in het geheim.

Het was een bijzondere dag die ze lange tijd voor zichzelf hielden. “Niemand wist ervan,” vertelt Anita.

De bruiloft vond plaats in besloten kring en Anita droeg een prachtige witte bruidsjurk.

Het koppel koos voor een intieme ceremonie, omdat ze de druk van de publiciteit wilden vermijden.

Anita benadrukte toen dat Robin altijd op de eerste plaats komt.

Alles wat ik doe, doe ik met haar in mijn achterhoofd.

Gelukkig heb ik goede opvang, zodat ik mijn werk als zangeres en mijn rol als moeder goed kan combineren.

Anita keek toen met vol vertrouwen naar de toekomst.

Al was ze wel toen realistisch over de muziekwereld, maar ze was vooral ontzettend gemotiveerd.

“Ik heb er enorm veel zin in. Dit is wat ik wil. Ik voel me klaar voor dit nieuwe hoofdstuk.”

Hoewel ze in 1984 met veel media-aandacht met Ton Blanker trouwde, liep het huwelijk begin jaren 90 op de klippen.

Samen kregen zij in 1985 één dochter, Robin. De breuk volgde na een turbulente periode.

Ton Blanker kwam na zijn actieve voetbalcarrière negatief in het nieuws en werd in de jaren negentig veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens wapen- en drugshandel.

De inmiddels 65-jarige Ton Blanker werd in 1994 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar vanwege wapenbezit en drugshandel.

Deze straf heeft hij destijds volledig uitgezeten.

Toen de Dolly Dots in 1988 besloten definitief te stoppen, keerde Anita eenmalig terug op het podium om tijdens het afscheidsconcert in de Amsterdamse discotheek Escape nog een aantal nummers mee te zingen.

Exact tien jaar na het stoppen van de groep kwamen de meiden in de voltallige, originele bezetting (inclusief Anita) weer bij elkaar.

Ze traden op in het televisieprogramma Laat De Leeuw van Paul de Leeuw en gaven een reeks concerten voor fabrikant Princess.

In 2007 maakte Anita haar grote comeback bij de groep tijdens De Vrienden van Amstel LIVE!.

Vanwege dit enorme succes volgden er drie uitverkochte reünieconcerten in Ahoy Rotterdam en in 2008 de Goodbye For Now-tournee.

Na het overlijden van groepslid Ria Brieffies (in 2009) dachten de overgebleven Dots nooit meer op te treden.

Toch kwamen ze in 2020 (met Anita) weer bij elkaar voor een gastoptreden bij Symphonica in Rosso.

Daarna startten ze hun officiële, grootschalige Sisters on Tour-afscheidstournee, die wegens corona doorliep tot eind 2022.

De nu 65-jarige Anita Heilker is nog steeds actief.

Op liefdesgebied is Anita single, maar ze focust zich volop op haar vriendschappen en werk.

Ze treedt nog altijd veel op met haar beste vriendin en mede-Dolly Dot Esther Oosterbeek onder de naam Just A Little Bit More.

De twee hartsvriendinnen hebben recent zelfs plannen gedeeld om samen te gaan wonen.

Gisteren nog vandaag

De degen kruisen met Zorro: weetjes en een terugblik op de cast.

Zorro is de legendarische bioscoop- en televisieheld die met veel verve gerechtigheid bracht in het koloniale Californië.

Achter het iconische masker, de kenmerkende hoed en de wapperende zwarte cape ging de edelman Diego de la Vega schuil.

Deze nobele strijder stond erom bekend altijd zijn beroemde brandmerk, een gekerfde Z, achter te laten na een succesvolle missie.

Het Spaanse woord zorro betekent overigens vos, een uiterst toepasselijke naam voor deze sluwe en behendige held.

Volgens de overlevering arriveerde Diego de la Vega in 1805 in Californië, dat op dat moment nog een uitgestrekte Spaanse kolonie was.

Zijn vader was een welgestelde man en de eigenaar van een Spaanse mijn.

Toen er in 1820 verhalen over een mysterieuze held die de armen verdedigde tegen de wrede Spanjaarden zijn geboortedorp Barranca del Cobre bereikten, hadden de dorpsbewoners al snel door om wie het daadwerkelijk ging.

Deze boeiende legende werd wereldberoemd dankzij de iconische televisieserie, geproduceerd door de studio’s van Walt Disney.

De populaire reeks liep van 10 oktober 1957 tot en met 2 april 1961 en groeide uit tot een absolute televisieklassieker.

De titelrol werd meesterlijk vertolkt door Armando Joseph Catalano, die wereldwijde bekendheid verwierf onder zijn pseudoniem Guy Williams.

Hij werd geboren in 1924 en overleed onverwacht in 1989 in Buenos Aires, waar hij na zijn acteercarrière naartoe was verhuisd, omdat de serie daar ongekend populair bleef.

Een leuk weetje over de reeks is dat Williams in het echte leven een uitstekende en gepassioneerde schermer was.

Hierdoor hoefde er zelden een stuntman aan te pas te komen en voerde hij de sierlijke zwaardgevechten met echte, onafgestompte zwaarden uit, wat de actiescènes bijzonder realistisch maakte.

Als we naar de fenomenale cast van destijds kijken, moeten we helaas vaststellen dat de volledige hoofdcast inmiddels is overleden, wat onvermijdelijk is gezien de ouderdom van deze geliefde serie.

Gene Sheldon, die op komische en aandoenlijke wijze gestalte gaf aan Diego’s dove en stomme, maar enorm trouwe dienaar Bernardo, stierf in 1982.

Henry Calvin, voor altijd onvergetelijk als de sympathieke, hongerige en ietwat onhandige Sergeant Garcia met wie Zorro keer op keer de draak stak, overleed in 1975.

George J. Lewis, die de rol speelde van Don Alejandro de la Vega, de trotse en rechtvaardige vader van Diego, stierf op hoge leeftijd in 1995.

Ook Don Diamond, die vaak te zien was als de lankmoedige sidekick van Garcia, de grappige Korporaal Reyes, is niet meer onder ons; hij overleed in 2011 op negentigjarige leeftijd.

Hoewel de acteurs ons hebben verlaten, zorgen de tijdloze avonturen, de aanstekelijke titelsong en hun memorabele vertolkingen ervoor dat de legende van Zorro voor altijd blijft voortleven in de harten van talloze fans

Van weelderig gokpaleis tot exclusief luxehotel: de rijke geschiedenis van het Kursaal in Blankenberge

Het verhaal van het Kursaal in Blankenberge begon in 1859 als een gecombineerd project dat later werd omgevormd tot een echt luxehotel.

Het gebouw werd opgetrokken in een opvallende neomoorse stijl en was meteen een schot in de roos.

Het was veel meer dan alleen een plek om te gokken; het fungeerde als het absolute centrum van het Blankenbergse entertainment.

De benedenverdieping had een open galerij die direct uitgaf op de zeedijk. Binnenin vonden de gasten verschillende speelzalen, een concertzaal, een balzaal en twee restaurants.

Uniek voor die tijd was dat het gebouw vanaf het begin ook al een logeeraccommodatie met maar liefst 120 kamers had.

In 1884 veranderde de functie van het gebouw ingrijpend. Het stadsbestuur van Blankenberge wilde namelijk een eigen, groter stedelijk casino bouwen om de toeristenstroom nog beter op te vangen.

Hierdoor verloor het oorspronkelijke Kursaal zijn functie als dé centrale speelhal van de stad.

Het complex werd in 1884 volledig omgebouwd tot een exclusief luxehotel onder de naam Hotel du Kursaal.

Na de Eerste Wereldoorlog onderging het pand opnieuw een gedaanteverwisseling en werd het omgedoopt tot Résidence Bristol.

Toen het gebouw in 1884 de deuren opende als Hotel du Kursaal, behoorde het direct tot de absolute top van de hotels aan de Belgische kust.

Het trok een zeer elitair publiek aan dat in de zomermaanden wekenlang aan de kust verbleef.

Rond de eeuwwisseling, toen het hotel op het toppunt van zijn roem was, hanteerde het etablissement prijzen die volledig waren afgestemd op de gegoede burgerij en adel.

Een kamer had in die periode een vanafprijs van 4 tot 5 Belgische frank per nacht. Voor de meest luxueuze kamers of suites met uitzicht op zee liep dat bedrag op tot 10 à 15 frank per nacht, wat in die tijd een aanzienlijk kapitaal was.

Voor de maaltijden werd er destijds vaak gewerkt met vaste tarieven, aangezien veel gasten op basis van volpension verbleven. Een ontbijt kostte destijds ongeveer 1,50 frank.

Voor het middagmaal, de Table d’Hôte genoemd, betaalde men destijds rond de 4 frank.

Het uitgebreide avonddiner, dat vaak uit verschillende gangen bestond en waarbij de gasten in avondkledij verschenen, kostte doorgaans 5 frank per persoon, exclusief de wijnen.

Wie liever à la carte dineerde in het prestigieuze restaurant van het hotel, betaalde uiteraard nog hogere prijzen, afhankelijk van de gekozen exclusieve ingrediënten en de geïmporteerde Franse wijnen uit de kelders van het hotel.

Als we kijken naar de latere periode, na de Eerste Wereldoorlog, toen het hotel inmiddels was omgedoopt tot Hotel Bristol, waren de prijzen door de inflatie en de veranderde economie natuurlijk sterk gestegen.

In de jaren twintig en dertig betaalde men al snel tussen de 35 en 60 frank voor een overnachting, afhankelijk van het seizoen en de luxe van de kamer.

Om een goed beeld te krijgen van de verhoudingen, is het interessant om deze hotelprijzen te vergelijken met het dagloon van een arbeider of bediende in diezelfde periodes.

Rond de eeuwwisseling, tijdens de Belle Époque, verdiende een gemiddelde arbeider in België ongeveer 2,50 tot 3 frank per dag voor een werkdag die vaak tien tot twaalf uur duurde.

Geschoolde arbeiders, zoals een ervaren textielarbeider of een mijnwerker, konden uiterst tot 4 frank per dag verdienen, terwijl ongeschoolde arbeiders en vrouwen vaak niet meer dan 1,50 tot 2 frank per dag ontvingen.

Een gewone overnachting in Hotel du Kursaal van 4 tot 5 frank kostte dus al snel bijna twee volledige daglonen voor een gewone arbeider.

Een uitgebreid avonddiner van 5 frank was voor hen onbetaalbaar, aangezien dit meer was dan wat ze op een hele dag verdienden.

Bedienden en lagere ambtenaren, zoals klerken of onderwijzers, zaten in een iets betere positie, al was hun inkomen naar huidige maatstaven nog steeds heel bescheiden.

Zij werden meestal per maand betaald en verdienden rond de eeuwwisseling tussen de 100 en 150 frank per maand.

Als we dat omrekenen naar een dagtarief, komt dat neer op ongeveer 4 tot 6 frank per werkdag.

Hoewel hun inkomen dus iets hoger lag dan dat van een fabrieksarbeider, was een verblijf in een luxehotel aan de zeedijk ook voor de gemiddelde bediende een onbereikbare luxe.

Eén enkele nacht in een zeezichtsuite van 15 frank slokte immers al snel tien procent van hun volledige maandloon op.

In de periode na de Eerste Wereldoorlog, tijdens de jaren twintig en dertig, waren de lonen door de enorme inflatie en de invoering van de achturige werkdag nominatief sterk gestegen, maar dat gold ook voor de levenskosten.

Een arbeider verdiende in de jaren dertig gemiddeld zo’n 35 tot 50 frank per dag.

Een bediende met een gemiddelde loopbaan mocht in die tijd rekenen op een maandloon van zowat 1500 tot 2000 frank, wat neerkwam op ongeveer 60 tot 80 frank per werkdag.

Omdat een kamer in het vernieuwde Hotel Bristol in die tijd tussen de 35 en 60 frank per nacht kostte, bleef de verhouding min of meer gelijk.

Een overnachting in het hotel kostte nog steeds een volledig dagloon van een arbeider tot zelfs een dagloon van een bediende.

Het toerisme aan de zeedijk bleef hierdoor tot aan de Tweede Wereldoorlog een privilege dat hoofdzakelijk was voorbehouden aan de rijke burgerij en de industriële elite.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog liep de hele zeedijk van Blankenberge zware schade op, omdat de Duitse bezetters de gebouwen daar nagenoeg volledig ontmantelden voor de aanleg van de Atlantikwall.

Dit leidde uiteindelijk ook tot het einde van de gloriedagen van veel oude belle-époquehotels.

In de jaren na de oorlog veranderde het toerisme aan de kust drastisch.

Het elitaire publiek trok weg en de oude, beschadigde luxehotels en villa’s maakten in de jaren 1950 en 1960 in hoog tempo plaats voor de moderne appartementsgebouwen die we vandaag de dag nog op de zeedijk zien.

Kid Creole And The Coconuts, een stadsmus, vermomd als exotische paradijsvogel.

Kid Creole, The Coconuts en Coati Mundi vormden in 1981 een opmerkelijk gezelschap dat op het eerste gehoor ongrijpbare muziek maakten.

Met hun single Que Pasa / Me no Pop I hadden ze destijds een hit in petto, wat leidde tot de nodige opschudding in de internationale muziekwereld.

De man achter dit exotische brouwsel van swing, salsa, chacha, funk, reggae, Broadway-musicals, soul, calypso en rock was August Darnell, beter bekend als Kid Creole, de leider van de vrolijke formatie rond The Coconuts.

Het levensverhaal van Darnell was toen 75 jaar daarvoor begonnen in het Canadese Montreal.

Zijn vader was half een zwarte Amerikaan en half een afstammeling uit de Dominicaanse Republiek, terwijl zijn moeder een Française was.

Al tijdens zijn schooltijd imiteerde Darnell zijn grote idolen uit de filmwereld, zoals George Raft, Humphrey Bogart en James Cagney, die de sfeer van de jaren dertig en veertig zo treffend belichaamden.

Die invloed was destijds nog steeds duidelijk zichtbaar in zijn onberispelijke kostuums en zijn karakteristieke snorretje.

Samen met zijn echtgenote Adriana Kaegi, die tevens de belangrijkste Coconut was, blikte hij destijds terug op zijn loopbaan.

Met Adriana Kaegi, de vrouw met wie hij de groep in 1980 oprichtte, had hij in datzelfde jaar een relatie.

Zij was destijds verantwoordelijk voor de choreografieën en kostuums van de achtergrondzangeressen.

Het koppel scheidde al in 1985, op het hoogtepunt van het succes van de band.

Kaegi bleef daarna nog wel een tijdje bij de groep optreden voordat ze haar eigen weg ging.

Voordat hij de muziekwereld instapte, werkte Darnell vier jaar lang als leraar Engels.

Hij raakte echter ontgoocheld door de administratieve rompslomp; hij wilde liever een kameraad voor zijn leerlingen zijn, wat de schoolleiding hem niet in dank afnam.

De ommekeer kwam toen Stony Browder hem in 1975 vroeg om zich aan te sluiten bij Dr. Buzzard’s Original Savannah Band, waarmee ze met ‘Cherchez La Femme’ een wereldhit scoorden.

Omdat de Savannah Band overduidelijk het geesteskind van Browder was, raakte Darnell gefrustreerd en zocht hij naar een eigen project.

Na een korte periode als producer kwam hij in contact met Michael Zilkha, die de mentor van het New Yorkse Ze-label was en hem alle steun gaf voor zijn nieuwe project: Kid Creole and the Coconuts.

De muzikale stijl omschreef Darnell destijds als mulattenmuziek, een term die hij eerder ook al voor de Savannah Band gebruikte.

Voor Darnell was de term ‘creools’ synoniem met een mengeling van verschillende culturen.

Hij uitte destijds felle kritiek op Amerika, een land dat volgens hem zijn geschiedenis van rassenvermenging het liefst verzweeg en wegdrukte, terwijl hij vermenging juist zag als de kleur van de toekomst.

Volgens zijn visie was het onmogelijk om cultuur en muziek puur te houden.

Voor The Coconuts bracht hij een oude bekende uit zijn vorige band mee: Sugar Coated Andy Hernandez, beter bekend als Coati Mundi.

Hernandez, de schrijver en zanger van de hit ‘Me no Pop I’, werd geboren op het schip de SS United States toen zijn Puerto Ricaanse moeder naar New York reisde.

Hij had in diverse Latijns-Amerikaanse groepen gespeeld en ambieerde daarnaast een acteercarrière, met als destijds bekendste wapenfeit een rol in de film Serpico naast Al Pacino.

Binnen de groep droeg hij de verantwoordelijkheid voor alle arrangementen, stuurde hij de drie achtergrondzangeressen en de Creole Band aan, en verzorgde hij de meest dynamische segmenten van de non-stop show.

Het concept van The Coconuts was door Darnell opgezet als een Hollywood-revue uit de gloriedagen van de jaren dertig en veertig, specifiek geïnspireerd op de geromantiseerde manier waarop de jungle destijds in films werd uitgebeeld.

Het idee van drie meisjes die verdwaald raakten in de jungle vormde voor hem het ultieme romantische plaatje.

Hun debuutalbum Off the Coast of Me vond Darnell in 1981 zelf al behoorlijk achterhaald, hoewel hij erkende dat de plaat hun naamsbekendheid had vergroot.

Het destijds nieuwe album Fresh Fruit in Foreign Places was gebaseerd op een persoonlijke reis die hij in 1977 had ondernomen.

Nadat hij destijds na het tweede album van de Savannah Band was teruggekeerd uit Californië, bleek zijn toenmalige echtgenote, een jonge Haïtiaanse vrouw genaamd Mimi, spoorloos verdwenen te zijn.

Zijn daaropvolgende zeven maanden durende zoektocht, gedreven door een mix van liefde en de kick van het avontuur, goot hij in de vorm van een heldenepos, geïnspireerd op de Griekse mythen die hem als kind al fascineerden.

Het resultaat was een destijds unieke muzikale smeltkroes.

Darnell verbaasde zich erover dat Amerikaanse radioluisteraars voortdurend van zender moesten wisselen om verschillende genres te horen, waarbij de Eagles en rapmuziek strikt gescheiden bleven.

Hij prees de Europese radiocultuur, waar reggae, Afrikaanse muziek en rock-‘n-roll in de clubs gewoon door elkaar liepen.

Dat was de manier waarop hijzelf als tiener muzikaal gevormd was door invloeden van Harry Belafonte, Elvis Presley en de Beatles.

Hij verzette zich tegen de creatie van een luie generatie luisteraars en stelde zich ten doel om het publiek bewuster te maken.

Ten slotte reflecteerde hij op de relatie tussen zijn artiestenpersona en zijn authentieke zelf. Kid Creole en August Darnell stonden soms ver van elkaar af, al bevestigde Adriana Kaegi dat Creole een noodzakelijk verlengstuk van Darnell was om comfortabel te kunnen leven.

Waar Darnell een familieman en een stadsmens was, gedroeg Creole zich als een eilandminnende gigolo.

Het was uiteindelijk het flamboyante personage van Kid Creole dat August Darnell in leven hield en voorkwam dat hij louter een anonieme dromer bleef.

In 2019 trouwde hij na een relatie van 10 jaar met Eva Tudor-Jones.

Zij was zelf ruim 20 jaar lang lid van The Coconuts onder de artiestennaam Mama Coconut.

Tegenwoordig staat zij niet meer op de voorgrond als zangeres, maar runt zij als manager en zakelijk directeur alle lopende zaken van de band en hun platenlabel.

De nu 75-jarige Kid Creole treedt nog volop op met zijn bekende hits (zoals “Annie, I’m Not Your Daddy” en “Stool Pigeon”) en toert regelmatig.

Hij brengt nog steeds nieuwe muziek uit op zijn eigen platenlabel 2C2C (Too Cool To Conga), dat hij runt samen met zijn vrouw en zakenpartners.

Hij bracht in mei 2026 nog een nieuwe single uit met als titel Common Decency, Pt. 2.

Gisteren nog vandaag

De zeilende droom van Antwerpen: van vestinggracht naar moderne jachthaven.

De jachthaven in het Willemdok op het Eilandje en de faciliteiten op de Linkeroever vormen vandaag de dag het kloppend hart van de Antwerpse watersport, maar de weg naar deze recreatieve invulling is lang geweest.

Hoewel de watersport in de stad al decennialang een levendige traditie kent, bleef de roep om een volwaardige jachthaven lange tijd onbeantwoord.

Al in de jaren dertig was de behoefte aan een centrale locatie voor zeilers en roeiers groot.

In de zomer van 1936 schreef het weekblad ABC een vurig pleidooi voor de aanleg van een nieuwe haven.

Met de opkomst van de vrijetijdsbeleving na de eerste sociale hervormingen zagen de drie genoemde clubs, de Royal Yacht Club van België (R.Y.C.B.), de Société Royale Nautique Anversoise (S.R.N.A.) en de Vlaamse Vereniging voor Watersport (V.V.W.), in dat ze het heft in eigen handen moesten nemen.

Zij schakelden de jonge architect Hugo van Kuyck in om een concreet plan uit te werken voor de vestinggrachten bij het Noordkasteel.

Zijn visie was vooruitstrevend: een haven die via een sluis met de Schelde verbonden zou zijn, compleet met clubhuizen en een wandelpad dat de zeilsport toegankelijk zou maken voor het publiek.

Hugo van Kuyck (1902-1975) was zelf een gedreven zeiler die met zijn eigen schip een groot deel van de noordelijke wateren had bevaren, wat hem de nodige praktische expertise gaf voor het ontwerp.

Als getalenteerd architect en stedenbouwkundige drukte hij een belangrijke stempel op de naoorlogse opbouw van België.

Zo speelde hij een cruciale rol bij de wederopbouw van de Belgische kuststeden en was hij medeverantwoordelijk voor het masterplan van de luchthaven van Brussel.

Zijn veelzijdige carrière combineerde technische precisie met een modernistische vormentaal, en zijn betrokkenheid bij de Antwerpse havenplannen toont zijn vroege visie op de integratie van waterrecreatie in de stedelijke ruimte.

Hoewel dit plan destijds breed werd gedragen, bleef het helaas bij een droom.

De economische onzekerheid van de jaren dertig en de dreigende schaduw van de Tweede Wereldoorlog verhinderden elke investering in recreatieve infrastructuur.

Bovendien bleven de dokken in de stadskern tot ver na de oorlog strikt voorbehouden aan de commerciële scheepvaart en zware industrie.

Het Noordkasteel, een strategisch militaire locatie, leende zich na 1945 uiteindelijk steeds minder voor recreatieve ambities door de uitdijende haveninfrastructuur en de aanleg van grote verkeersaders.

Pas rond het jaar 2000, toen de havenactiviteiten definitief naar het noorden verschoven, kwam er ruimte voor de transformatie van het Eilandje.

Wat in 1936 begon als een vrome wens van gepassioneerde watersporters, vond decennia later alsnog zijn beslag.

De droom om van Antwerpen een echte havenstad voor watersporters te maken, werd werkelijkheid met de opening van de jachthaven in het Willemdok, ondersteund door de decennialange ervaring van de jachthaven op de Linkeroever.

Waar de plannen van Van Kuyck destijds strandden op de realiteit van hun tijd, vormen zij wel de historische getuigenis van een stad die altijd al de ambitie had om de Schelde te verzoenen met haar bewoners.

Het is bovendien opmerkelijk dat deze drie verenigingen, de Royal Yacht Club van België (R.Y.C.B.), de Société Royale Nautique Anversoise (S.R.N.A.) en de Vlaamse Vereniging voor Watersport (V.V.W.), vandaag de dag nog steeds bestaan en zeer actief zijn.

Ze zijn in de loop der decennia geëvolueerd van besloten verenigingen naar moderne sportclubs die een breed publiek aanspreken, wat onderstreept hoe diep de watersport verankerd is in de Antwerpse identiteit.