Vandaag is het precies tien jaar geleden dat de Antwerpse schrijfster Françoise Mallet-Joris overleed..

Françoise Mallet-Joris, geboren als Françoise Lilar op 6 juli 1930 in Antwerpen, groeide op in een prominent advocatengezin.

Haar vader, Albert Lilar, diende jarenlang als Belgisch minister van Justitie.

Haar moeder, Suzanne, was niet alleen een van de allereerste vrouwelijke advocaten in België, maar ook een verdienstelijk schrijfster.

Zij schreef onder andere het schitterende Journal de l’Analogiste in 1954 en Le Malentendu du Deuxième Sexe in 1969, een werk waarin ze het bekende essay van Simone de Beauvoir met verve weerlegde.

De literatuur stroomde Françoise duidelijk door het bloed, want toen ze amper eenentwintig was, debuteerde ze met de roman Le Rempart des Béguines.

Het boek verscheen in 1951 bij René Julliard, liefst drie jaar voordat deze uitgever Françoise Sagan zou ontdekken.

Het verhaal, dat zich afspeelt in een kille en mistige Vlaamse stad, volgt een jonge vrouw die de minnares is van een oudere man en tegelijk een intieme relatie heeft met diens dochter.

Deze verhaallijn zorgde in die tijd voor flink wat opschudding, maar het boek werd meteen opgemerkt en betekende de vliegende start van een indrukwekkende literaire carrière.

Onder het pseudoniem Mallet-Joris bouwde ze een veelzijdig oeuvre op van een dertigtal titels, uitgegeven bij de meest prestigieuze huizen zoals Julliard, Grasset, Gallimard en Flammarion.

Haar grote talent werd bekroond met een hele reeks onderscheidingen.

Zo ontving ze in 1956 de Librairesprijs voor Les mensonges en in 1958 de Feminaprijs voor L’Empire céleste.

Daarna volgden de René-Julliardprijs in 1963 voor Lettre à moi-même en de Monacoprijs in 1964 voor haar historische biografie Marie Mancini, le premier amour de Louis XIV.

Naast haar werk als schrijfster van romans en biografieën had Françoise een grote passie voor het Franse chanson.

Ze schreef vele teksten voor de zangeres Marie-Paule Belle. Een interessant weetje is dat hun band verder ging dan enkel een professionele samenwerking; de twee vrouwen deelden lange tijd een romantische relatie.

Françoise was in haar leven ook drie keer getrouwd en voedde vier kinderen op.

Die boeiende en soms chaotische gezinssituatie beschreef ze op een bijzonder geestige manier in haar autobiografische succesroman La Maison de papier uit 1970, een boek dat in Frankrijk een regelrechte bestseller werd.

Haar aanzien in de literaire wereld was bijzonder groot.

Ze bracht het grootste deel van haar leven door in Parijs, waar ze van 1969 tot 1971 in het comité van de Feminaprijs zetelde.

In november 1971 werd ze unaniem verkozen tot lid van de illustere Académie Goncourt.

Ze bleef een zeer gewaardeerd lid van deze jury tot 2011, het jaar waarin ze om gezondheidsredenen besloot een stap terug te zetten.

Als extra erkenning voor haar werk uit haar geboorteland werd ze in 1993 overigens ook opgenomen in de Académie royale de langue et de littérature françaises de Belgique.

Na een rijkgevuld leven vol literatuur en cultuur publiceerde ze in 2007 haar allerlaatste roman, Ni vous sans moi, ni moi sans vous, die opnieuw bij Grasset verscheen.

Françoise Mallet-Joris overleed uiteindelijk op 13 augustus 2016 op zesentachtigjarige leeftijd in de Franse gemeente Bry-sur-Marne, waar ze haar laatste levensjaren in rust doorbracht

Dianne Marchal: Van hitzangeres en achtergrondstem tot rust en zingeving

Hilde Dianne Marchal werd geboren op 9 september 1952 in Den Haag en groeide uit tot een veelzijdige stem in de Nederlandse popmuziek.

Ze maakte in de jaren zestig haar eerste muzikale stappen en bracht in 1969 onder de naam Turquoise Marchal de single ‘My Man’ uit, geschreven door haar toekomstige man Hans Vermeulen.

In de jaren zeventig en tachtig verwierf ze grote bekendheid als solozangeres en als veelgevraagde achtergrondzangeres.

Ze trouwde in de jaren zeventig met Hans Vermeulen en maakte deel uit van de meidengroep Rainbow Train, het muzikale project van haar echtgenoot.

Binnen deze formatie zong ze samen met onder meer Anita Meyer en Martha Pendleton.

Naast haar werk in de studio bracht ze solo diverse singles uit, waaronder Sandy en Speedtrap in 1977 en It’s My Time Now in 1983.

De relatie tussen Marchal en Vermeulen liep begin jaren tachtig al ernstige schade op.

Hoewel Hans in 1982 nog een muzikale ode en liefdesverklaring aan haar uitbracht met het nummer ‘Hilde’, strandde hun huwelijk in de jaren daarna definitief.

Na een langdurige, moeizame periode vol emotionele en financiële problemen werd de echtscheiding in 1992 officieel afgerond.

Marchal werkte ontzettend veel als achtergrondzangeres en op talloze platen van Nederlandse bodem uit de jaren zeventig en tachtig nam ze de backings voor haar rekening.

Ze vormde daarin vaak een team met collega’s als Anita Meyer en Martha Pendleton, en later met onder anderen Jody Pijper, Julya Lo’ko, Ruth Jacott, Sandra Reemer, Pim Roos en Cees Stolk.

In totaal is ze op meer dan 1000 (sommige bronnen beweren zelfs 2000) nummers te horen, waaronder megahits als ‘Why Tell Me Why’ van Anita Meyer, ‘Sajang é ‘van Massada en ‘Who’s That Lady With My Man’ van Patricia Paay.

Tot begin jaren negentig bleef ze zeer actief als sessiezangeres.

Na een televisieprogramma van Tineke de Nooij, waar ze samen met Hans in Oekraïne was voor het project Kinderen in Tsjernobyl,veranderde haar leven.

Ze raakte zo betrokken bij het project en was zo onder de indruk van het land dat ze een jaar later naar Oekraïne verhuisde en er voor lange tijd bleef.

Pas eind jaren negentig keerde ze terug naar Nederland. In 2020 verscheen er bovendien een filmdocumentaire over haar leven en muzikale loopbaan.

Naast haar muzikale carrière werkte ze ook in de gastronomie. Samen met haar partner Erik Westra runde ze een aantal jaren het kwaliteitsrestaurant en Indische huiskamerrestaurant Plan B aan de Wijnhaven in Delft.

In het voorjaar van 2022 stapte ze in het huwelijksbootje met haar partner Erik Westra. Hoewel de deuren van Plan B inmiddels gesloten zijn, bleef haar echtgenoot actief in het vak.

Hij heeft een lange en indrukwekkende loopbaan in de gastronomie opgebouwd, met ervaring in verschillende Michelinsterrenzaken.

De bijna zeven jaar jongere man van Marchal werkt momenteel als operationeel manager bij Sociëteit De Unie in Loosdrecht en combineert zijn passie voor eten en drinken nog altijd met zijn liefde voor muziek als gitarist en percussionist.

Na een bewogen leven in de muziekwereld en de horeca verklaart Marchal dat ze door haar geloof in God de innerlijke rust en diepe zingeving heeft gevonden waar ze altijd naar op zoek was.

De zangeres, die in september 2026 haar 74e verjaardag viert, woont samen met haar man in Delft en geniet daar van haar pensioen.

Vandaag 65 jaar geleden, start van de bouw van de Berlijnse Muur.

Het was in de nacht van 12 op 13 augustus 1961 dat de belangrijkste man in de DDR, Walter Ulbricht, in samenspraak met de Sovjet-Unie besloot om een blokkade op te werpen in de stad Berlijn.

Ulbricht was op dat moment nog hondstrouw aan het regime in Moskou, dus hij zal zich ongetwijfeld vrijwel kritiekloos hebben geschaard achter het idee van Nikita Chroesjtsjov.

De reden dat de muur nodig werd gevonden, lag in het feit dat veel inwoners van Oost-Duitsland de overtocht maakten naar de Bondsrepubliek in het westen.

Veel mensen wilden namelijk het communistische bewind ontvluchten. Al aan het begin van de jaren 50 werd de grens tussen de DDR en de Bondsrepubliek streng beveiligd, maar in Berlijn was de grens tot aan 1961 nog open.

Gisteren nog vandaag

De muur moest daar een einde aan maken.

De controle bij de muur was immens.

Er was prikkeldraad en voortdurende beveiliging door zwaarbewapende beveiligers.

Zij hadden toestemming om mensen die probeerden te ontsnappen neer te schieten.

Wie een vluchtpoging overleefde, kon rekenen op een zware straf.

Gisteren nog vandaag

Gelukkig valt de roep om vrijheid uiteindelijk niet te negeren.

Toch hebben de inwoners van Oost-Berlijn bijna dertig jaar onder dit zware juk moeten lijden.

Maar toen het op die beroemde dag in 1989 eindelijk zover was, was Berlijn weer één.

Enkele jaren later zou heel Duitsland onder leiding van bondskanselier Helmut Kohl weer herenigd worden.

Van de Berlijnse Muur zijn nog slechts wat resten en veel boze herinneringen over.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Vijftig jaar geleden bracht het Dream Express Orchestra het nummer Villarhides uit.

Dream Express Orchestra was de begeleidingsband van de groep Dream Express met als leden Luc Smets en de zussen Bianca, Patricia en Stella Maessen.

De zussen waren eerder bekend als The Hearts of Soul.

Op dit instrumentale nummer hoort u dan ook de dames op de achtergrond meezingen.

Het nummer werd geproduceerd door Luc Smets.

Maurice Jarre schreef de muziek oorspronkelijk in 1968 voor de film Villa Rides.

Deze western gaat over de Mexicaanse Revolutie en volgt de Amerikaanse avonturier en piloot Lee Arnold, gespeeld door Robert Mitchum.

Hij smokkelt wapens voor de Mexicaanse revolutionair Pancho Villa, gespeeld door Yul Brynner.

Hoewel Arnold zich buiten de oorlog wil houden, raakt hij tegen zijn wil in de bloedige strijd verwikkeld.

Het nummer stond acht weken lang in de BRT Top 30 en bereikte daar de drieëntwintigste plaats als hoogste positie.

Het nummer werd echter vooral bekend als de herkenningstune van Radio Mi Amigo.

Dit destijds illegale radiostation was erg populair en zond eerst uit vanaf het radioschip de MV Mi Amigo en later vanaf de Spaanse kust.

Fox, verloor zijn streken niet

De band werd opgericht door de Amerikaanse songwriter en producer Kenny Young, die eerder al successen had geboekt met hits voor andere artiesten.

Om zijn eigen muzikale visie tot leven te wekken, verzamelde hij een groep getalenteerde muzikanten om zich heen, waaronder de gerenommeerde bassist Herbie Flowers.

Het absolute boegbeeld van de groep werd echter de Australische zangeres Susan Traynor, die de artiestennaam Noosha Fox aannam.

Met haar unieke, zwoele stemgeluid, theatrale uitstraling en karakteristieke zangstijl gaf zij de band een volstrekt eigen gezicht.

In 1975 brak Fox door bij het grote publiek met aanstekelijke nummers als Only You Can en Imagine Me, Imagine You.

Het grootste commerciële succes liet echter niet lang op zich wachten.

Tijdens een vakantie in Portugal schreef Young het nummer ‘S-S-S-Single Bed’.

In het voorjaar van 1976 bracht de band de single uit, afkomstig van hun tweede album Tails of Illusion.

Toen de single verscheen, kwam er geen enkele reactie, noch van de pers, noch van de radio.

Kenny Young krabde zich achter de oren, haalde Fox opnieuw naar de studio, paste het nummer aan en nam het nogmaals op.

Drie weken later stond het op de eerste plaats in de Engelse hitparade.

Het nummer viel meteen nu op door de speelse, licht stotterende zang van Noosha Fox in het refrein en een ontspannen, groovy arrangement dat perfect aansloot bij de tijdsgeest.

S-S-S-Single Bed groeide uit tot een internationale hit.

In het Verenigd Koninkrijk bereikte de single de vierde plaats in de hitlijsten, terwijl het nummer in Australië zelfs de absolute nummer één-positie wist te veroveren.

Ook in diverse Europese landen werd de single warm onthaald en veelvuldig op de radio gedraaid.

Ondanks het grote succes van de single bleek het een van de laatste grote stappen van de groep te zijn; niet lang daarna viel het doek voor Fox en ging Noosha Fox solo verder.

Kenny Young werd op 14 april 1941 geboren als Shalom Giskan in Jeruzalem.

Op jonge leeftijd verhuisde hij met zijn familie naar New York, waar hij opgroeide op de Lower East Side van Manhattan.

Rond zijn tweeëntwintigste nam hij de artiestennaam Kenny Young aan en ging hij aan de slag als liedjesschrijver in het legendarische Brill Building in New York, het bruisende centrum van de Amerikaanse popmuziek in die tijd.

Zijn doorbraak kwam er in 1964, toen hij samen met Arthur Resnick het nummer ‘Under the Boardwalk’ schreef.

Het werd een enorme hit voor The Drifters en groeide uit tot een tijdloze klassieker die later door talloze grote namen werd gecoverd, onder wie The Rolling Stones, The Beach Boys en Bruce Willis.

In de jaren zestig volgden nog meer succesvolle liedjes van zijn hand, waaronder ‘Just a Little Bit Better’ voor Herman’s Hermits, ‘Arizona’ voor Mark Lindsay en ‘Captain of Your Ship’ voor Reparata and the Delrons.

Toen hij ter promotie van dat laatste nummer naar het Verenigd Koninkrijk reisde, besloot hij zich daar definitief te vestigen.

Hij boekte succes met zangeres Clodagh Rodgers en niet veel later formeerde hij de groep Yellow Dog, die in 1978 scoorde met het nummer ‘Just One More Night’.

Aan het begin van de jaren tachtig schreef hij samen met Chaz Jankel het nummer ‘Ai No Corrida’, dat in de bekende uitvoering van Quincy Jones een wereldwijde danshit werd.

In de latere fase van zijn leven richtte Young zich steeds meer op milieubescherming.

Hij bracht zijn muzikale netwerk en zijn maatschappelijke betrokkenheid samen in initiatieven zoals het Earth Love Fund en Artists Project Earth.

Via benefietprojecten en het nummer ‘Spirit of the Forest’, waaraan talloze internationale artiesten meewerkten, haalde hij aanzienlijke bedragen op voor het behoud van de regenwouden en klimaatacties.

Voor die inspanningen werd hij geëerd door het milieuprogramma van de Verenigde Naties.

Hij overleed op 14 april 2020 op negenenzeventigjarige leeftijd.

Gisteren nog vandaag

Noosha Fox, geboren als Susan Traynor in het Australische Brisbane, verwierf in de tweede helft van de jaren zeventig grote bekendheid als de opvallende frontvrouw van de Britse popgroep Fox.

Met haar excentrieke verschijning, theatrale uitstraling en heel herkenbare, ietwat lome en zwoele stemgeluid wist ze een onuitwisbare indruk achter te laten.

Samen met songwriter en producer Kenny Young scoorde de band grote successen met nummers als S-S-S-Single Bed en Imagine Me, Imagine You.

Toen de groep Fox eind 1976 uit elkaar ging, zette ze haar muzikale pad voort als solozangeres.

In 1977 bracht ze haar debuutsingle ‘Georgina Bailey’ uit, eveneens geschreven en geproduceerd door Kenny Young.

Het nummer sloot naadloos aan bij de elegante stijl die ze met haar eerdere band had opgebouwd: een mengeling van cabaretachtige pop, verfijnde instrumentatie en haar karakteristieke zangstijl.

‘Georgina Bailey’ bereikte de Britse hitlijsten, terwijl de single ook in de Benelux veelvuldig op de radio te horen was.

Na dit succesvolle solodebuut bracht Noosha Fox in 1979 een titelloos soloalbum uit en verschenen er nog enkele singles, waaronder ‘More Than Tomorrow’ en ‘Skin Tight’.

Hoewel haar latere werk de hoge hitparadeposities van haar beginjaren niet meer wist te herhalen, bleef ze een geliefde en stijlvolle cultfiguur binnen de popmuziek.

Na haar actieve periode in de jaren 70 en vroege jaren 80 koos Noosha Fox bewust voor een gezinsleven buiten de muziekwereld.

Ze is getrouwd met arts Michael Goldacre en het koppel kreeg vier kinderen.

Een van hun kinderen is de bekende Britse wetenschapsjournalist en auteur Ben Goldacre.

In 2022 verscheen haar comebackalbum ‘Back Here in England’ onder haar oude artiestennaam.

De nu 81-jarige zangeres leidt nu een teruggetrokken bestaan in Engeland en geniet van haar pensioen.

Dizzy Man’s Band, wij zijn echte meelbieten

De Nederlandse Dizzy Man’s Band werd in 1968 opgericht door zanger Jacques Kloes en leden van de voormalige band The Fellows.

De band heette toen Take Five en coverde muziek van Blood, Sweat & Tears en Chicago.

In 1970 wordt de groepsnaam veranderd in Dizzy Man’s Band.

Tijdens de liveoptredens speelt Bob Ketzer, hun percussionist en tevens roadmanager, op toneel een clowneske figuur.

In de nazomer van datzelfde jaar is ‘Tickatoo’ de eerste hit, goed voor n°2 in Vlaanderen en n°6 in Nederland.

Volgens sommigen is dit nummer (niet onterecht) een doorslagje van ‘Down On The Corner’ van Creedence Clearwater Revival.

Tot 1978 scoort Dizzy Man’s Band 15 hits in Nederland, waaronder ‘The Show’, ‘Everday In Action’ en ‘Money The Phoney’.

Met ‘The Opera’ staan ze in de zomer van 1975 opnieuw op n°2 in de Ultratop.

Deze keer is het succes in Nederland even groot.

Het nummer stond ook 16 jaar lang in de Nederlandse Radio 2 Top 2000.

Van de acht bandleden zijn er nog slechts vier in leven.

Zanger Jacques Kloes overleed op 2 april 2015 op 67-jarige leeftijd.

Ook gitarist Dirk van der Horst, organist/pianist Herman Smak en Bob Ketzer zijn reeds overleden.

Gisteren nog vandaag

Maggie Pierce: van MGM-actrice en Hollywood-persoonlijkheid tot mevrouw Minskoff op Broadway.

Margaret P. L. Pierce werd geboren op 24 oktober 1931 in Detroit, Michigan.

Nadat ze in haar jeugd haar moeder en broer verloor, koos ze aanvankelijk voor een opleiding tot verpleegkundige aan de New York University School of Nursing.

Daarnaast was ze actief als fotomodel, wat uiteindelijk de deur opende naar een carrière in de entertainmentindustrie.

Pierce was een impulsieve, openhartige persoonlijkheid die ervan genoot om interviews te geven.

De achtergrondverhalen die ze in de pers deelde, veranderden echter door de jaren heen, wat voor de nodige verwarring zorgde over haar exacte opleiding, de duur van haar werk als verpleegkundige of model, en de manier waarop haar grote doorbraak in de showbizz tot stand kwam.

Ze hield er een opvallende levensstijl op na: ze at slechts één maaltijd per dag, zwom dagelijks tweehonderd meter en stak af en toe een sigaret op, naar eigen zeggen puur om vervelende mensen te verjagen.

Ze was daarnaast dol op sport. In haar middelbareschooltijd speelde ze voetbal en als volwassene was ze catcher in een softbalteam dat volledig bestond uit vrouwen uit de Hollywood-industrie.

Na het volgen van acteerlessen werd ze in 1959 gecontracteerd door de bekende filmstudio Metro-Goldwyn-Mayer.

Tijdens haar periode bij MGM verscheen ze regelmatig in de rubrieken van bekende roddeljournalisten zoals Hedda Hopper en Louella Parsons.

Zij schreven uitgebreid over haar liefdesleven, waaronder een verbroken verloving met zakenman Bob Neal en een nooit officieel bevestigde verloving met David Lange, de jongere broer van actrice Hope Lange.

In haar beginjaren bij MGM speelde ze bijrollen in verschillende speelfilms, waaronder de romantische komedie ‘Where the Boys Are’ uit 1960 en het drama ‘Go Naked in the World’ uit 1961, waarin ze naast grote namen als Gina Lollobrigida en Ernest Borgnine verschijnt.

Hoewel ze in films vaak in bescheiden rollen te zien was, bouwde ze al snel een veelzijdige televisiecarrière op.

Zo was ze te zien in bekende series uit de jaren zestig, zoals ‘Wagon Train’, ‘Alfred Hitchcock Presents’, ‘The Fugitive’ en ‘The Man from U.N.C.L.E.’

Tevens speelde ze mee in de horroranthologie ‘Tales of Terror’ uit 1962 en de muzikale film ‘The Fastest Guitar Alive’ uit 1967.

Haar bekendste televisierol kreeg ze in het seizoen 1965-1966, toen ze de rol van Barbara Porter vertolkte in de komedieserie ‘My Mother the Car’, waarin ze de echtgenote speelde van het personage van Jerry Van Dyke.

Rond 1966 kreeg ze een relatie met vastgoedtycoon Jerome “Jerry” Minskoff, die vijftien jaar ouder was en op dat moment getrouwd was en drie kinderen had.

Sommige bronnen vermelden dat ze na zijn echtscheiding in 1966 in Las Vegas trouwden, maar de enige officiële huwelijksakte in de openbare registers stamt uit New York City in 1971.

Vanaf dat moment verschoof haar aandacht geleidelijk van acteren naar de theaterwereld achter de schermen.

Haar echtgenoot produceerde Broadwaystukken in het theater dat door zijn familie was geopend.

Hij werd zeven keer genomineerd voor een Tony Award en won er een in 1986 voor de herneming van Sweet Charity.

Onder de naam Maggie Minskoff was ze onder meer werkzaam als productiecoördinator voor Broadwayvoorstellingen, waaronder de succesvolle musical Irene met Debbie Reynolds.

Ook was ze gedurende langere tijd betrokken bij het beheer van het beroemde Minskoff Theatre in New York.

Het echtpaar verdeelde hun tijd tussen hun woningen in Manhattan en Londen, tot aan het overlijden van Minskoff in augustus 1994.

Jerome Minskoff speelde een sleutelrol in de familieonderneming, die werd geleid door een van de oudste bouworganisaties van New York.

Als partner bij de historische onderneming die in 1908 werd opgericht door zijn grootvader Samuel, had hij de leiding over het beheer en de verhuur van het volledige Minskoff-vastgoed.

Na zijn studie rechten was hij later dan zijn broers toegetreden tot het familiebedrijf, waar hij zich ontwikkelde tot een van de bepalende krachten.

Vanuit zijn traditioneel ingerichte kantoor, pal naast dat van zijn oudste broer Henry, stuurde hij de zakelijke exploitatie aan.

Binnen het hechte familiebedrijf, waar de taken duidelijk verdeeld waren tussen het bouwmanagement van zijn broer Myron en het algemene bestuur van Henry, vormde Jerry de strategische pijler achter het commerciële succes.

In 1981 maakte de familie zich op voor nieuwe projecten in de metropoolregio, waarbij Jerry zich ook voorbereidde op de komst van zijn zoon Steven, die in juni als nieuwe generatie het bedrijf versterkte.

Samen met zijn familie en enkele andere grote bouwfamilies behoorde Jerry tot de belangrijkste ontwikkelaars van speculatieve kantoorpanden in de stad.

Na een zware periode keek hij in 1981 met een goed gevoel terug op het herstel van hun portefeuille.

Toen hoofdhuurder W. T. Grant in 1975 failliet ging, kwam er op het dieptepunt van de markt maar liefst 400.000 vierkante voet aan kantoorruimte leeg te staan in hun vlaggenschip 1 Astor Plaza.

Jerry wist het gebouw in de jaren daarna echter weer volledig te verhuren.

Hoewel hij vastberaden was om te blijven bouwen, benadrukte hij hoe selectief ontwikkelaars moesten zijn en hoe lastig speculatieve bouw in die tijd was geworden.

Jerry stond ook bekend om zijn uitgesproken visie op de stadsontwikkeling van New York.

Hij sprak zich kritisch uit over de voorgestelde herziening van de zone-indeling voor midtown Manhattan om de West Side te ontwikkelen en bleef realistisch over de economische haalbaarheid en de logistiek van de stad.

Toch speelde zijn bedrijf een pioniersrol toen het in 1966 het Astor Hotel aan Broadway verwierf.

Onder de nieuwe theaterwetgeving realiseerden ze daar een multifunctionele toren met kantoorruimtes, winkels en twee theaters, waaronder het bekende Minskoff Theatre.

Ondanks de complexe financiering en een uitdagende timing wist Jerry het project naar een goed einde te brengen door sterk relatiebeheer met grote geldschieters.

Hij onderhield uitstekende banden met de concurrentie, geloofde sterk in de kameradschap binnen het vak en bleef, geheel in lijn met de familietraditie, onverminderd optimistisch over de verdere expansie van hun vastgoedimperium.

Het oorspronkelijke familiebedrijf Samuel Minskoff & Sons, zoals Jerry en zijn broers dat in de twintigste eeuw leidden, bestaat in die klassieke vorm inmiddels niet meer.

Wel is de naam Minskoff nog altijd een van de meest vooraanstaande spelers in de New Yorkse vastgoedwereld gebleven, voornamelijk via Edward J. Minskoff Equities (EJME).

Edward J. Minskoff, de zoon van Henry en het neefje van Jerry, richtte deze opvolger in 1987 op.

Het bedrijf bezit, ontwikkelt en beheert miljoenen vierkante meters aan hoogwaardig vastgoed, waaronder beeldbepalende kantoortorens zoals 51 Astor Place en 1166 Avenue of the Americas in Manhattan.

Net als veel andere grote vastgoedontwikkelaars in New York heeft de onderneming recent te maken gekregen met een veranderende kantorenmarkt.

Hoewel EJME succesvol grote nieuwe huurders weet aan te trekken voor hun panden in Manhattan en nieuwe ontwerpen ontwikkelt, zorgen de gestegen rentevoeten en de veranderde vraag naar kantoorruimte af en toe voor financiële uitdagingen bij specifieke herfinancieringen en buitenstedelijke projecten.

Desondanks behoort de organisatie nog altijd tot de gevestigde orde van institutionele vastgoedontwikkelaars in de Verenigde Staten.

Na het overlijden van haar echtgenoot verhuisde Pierce uiteindelijk naar Las Vegas, Nevada. Maggie Pierce overleed op 5 april 2010 op 78-jarige leeftijd in Danbury, Connecticut (achterkant cover van het tijdschrift Piccolo, zomer 1961)

Gisteren nog vandaag

Een van de grootste chansonniers die Frankrijk ooit heeft gekend, was zonder twijfel Charles Aznavour.

De zanger zette in de zomer van 1976 zijn vijfentwintigste jubileumjaar als zanger-componist zeer succesvol in met de hit “Mes Emmerdes”.

Alhoewel hij destijds over de ganse wereld als supervedette gekend stond, had hij een erg hard en vaak arm leven achter de rug.

Gevraagd naar zijn prilste jeugdherinneringen vertelde Charles Aznavour toen dat hij was opgegroeid in een sfeer van muziek, liefde en armoede.

Zijn ouders, die Armeniërs waren, baatten een klein restaurant uit en werkten hard om bijna niets te verdienen.

Zijn vader ging liedjes zingen om nog enkele stuivers bij te verdienen en zijn moeder nam allerlei rolletjes aan als actrice om haar kinderen van kledij en eten te kunnen voorzien.

Het opmerkelijke was dat, alhoewel het gezin zelf nauwelijks voldoende voedsel had, zijn ouders altijd de eersten waren om lotsgenoten te helpen.

Tragedie en tederheid zijn kenmerkende elementen van het befaamde repertoire van Aznavour.

Amper negen jaar oud wilde de kleine Charles ook al een beetje bijspringen om de huishoudkas wat aan te dikken.

Hij deed een auditie als Kozakkendansers, wat hem een rolletje als soldaat opleverde.

Zo begon de uiterst bescheiden toneelcarrière van deze veelzijdige ster.

Toen de oorlog kwam, was het meteen gedaan met het restaurantje van zijn ouders.

Zijn vader ging bij het leger en Charles werd krantenventer.

In die tijd begon hij ook liedjes te schrijven, gewoon voor de lol, die hij dan zong voor zijn collega’s in de Music Hall-club.

Daar ontmoette hij Pierre Roche, met wie hij de komende jaren vele liedjes zou schrijven.

Aznavour en Roche werden al gauw bekend als succesvolle schrijvers, in een tijd waarin er nog geen sprake was van hits, nadat heel Frankrijk nummers als “J’ai bu” meezong.

Mensen als Maurice Chevalier, Edith Piaf en Mistinguett kwamen bij hem aankloppen voor nieuwe liedjes.

Het was juist Edith Piaf die hem aanraadde om zelf te gaan zingen.

Aznavour dacht erover na en nam uiteindelijk het risico.

In 1950 brak hij met Pierre Roche om voortaan als zanger-componist door het leven te gaan.

Wanneer hij het over een risico had, wist hij goed wat hij bedoelde, want hij moest zo’n negen jaar wachten om als zanger erkend te worden.

Pas in 1959 trad hij voor het eerst als ster op in het Parijse Alhambra en het volgende jaar begon zijn loopbaan als een trein te bollen.

Men bood hem zelfs rollen aan in muzikale films, maar daar voelde Aznavour niet erg veel voor, omdat hij liever had dat de mensen hem live aan het werk hoorden op de scène en hij niet van foefjes hield.

Enkele jaren later trad hij niettemin op in gewone speelfilms zoals “August in Parijs” met Susan-Fleur Hampshire, “Journey on the Rhine” en “Three Fables” met topdanseres Leslie Caron.

Amerika kwam in 1963 aan de beurt.

In een oogwenk was heel New York veroverd nadat Charles daar in de Carnegie Hall had gezongen, wat wordt beschouwd als een van de belangrijkste gebeurtenissen van dat jaar voor de New Yorkers.

Over zijn liedjes vertelde hij dat hij als een fotograaf te werk ging.

Hij schiep zelf geen toestanden, maar benaderde de menselijke ziel en maakte er een portret van.

Als hij iets of iemand interessant vond, maakte hij er een liedje van.

Meestal schreef hij over de mensen en hun problemen, soms ook over de liefde, maar dan zonder zoeterig te willen zijn.

“Mes Emmerdes” ging bijvoorbeeld over zijn hele leven, inclusief alle problemen en situaties, zowel mooi als lelijk.

In dat rijke oeuvre van liefdesliedjes paste ook het nummer “Par gourmandise”, dat zoals gewoonlijk door Charles Aznavour zelf werd geschreven en terug te vinden was op zijn album Voilà que tu reviens en uitgebracht in 1976.

In dit sensuele en poëtische lied vergeleek Aznavour de liefde en het verlangen naar zijn partner met culinaire hoogstandjes en zoete zonden.

Het nummer gebruikte dan ook smaakvolle metaforen waarin de geliefde werd omschreven als een “péché mignon”, snoepgoed, een verboden vrucht en zelfs een “petit pain au chocolat”.

Tijdens live-optredens leidde hij het nummer vaak in met een monoloog over hoe moeilijk het is voor een songwriter om steeds weer nieuwe, originele manieren te vinden om “ik hou van jou” te zeggen zonder in clichés te vervallen.

Charles Aznavour zong dit nummer overigens ook in het Engels onder de titel “You Make Me Hungry For Your Loving”.

Na tien jaar had men in Frankrijk door dat Charles Aznavour enorm veel talent bezat.

Men geraakte snel in extase over de nieuwe Franse superster, zodat hij bijvoorbeeld in 1967 niet minder dan 67 voorstellingen moest geven van zijn One Man Show in de Parijse showtempel Olympia.

Aznavour was zonder meer een doorzetter.

Zo liep hij in 1973 een beenbreuk op tijdens het skiën, maar hij wilde ondanks veel pijn en narigheid absoluut zijn optredens afwerken.

Optredens waren immers erg belangrijk voor hem.

Hij gaf toe niet te weten hoe je een hit moest schrijven, maar wel te weten wat je op de planken moest brengen.

Hoewel hij dacht niet te weten hoe je een succesliedje schrijft, heeft hij in de loop der jaren toch een enorme stapel hits geproduceerd.

De verzamel-cd “Les Plus Belles Chansons”, uitgebracht in 2025, stond er vol van, met klassiekers als “La Mamma”, “Que c’est triste Venise”, “She”, “The Old Fashioned Way”, “Yesterday When I Was Young” en “Mes Emmerdes”

Net vernomen dat onze vriend Gido Van Gent is overleden.

Ik leerde hem kennen in de jaren negentig, toen hij werkte als taxichauffeur.

Na zijn werk kwam hij naar de Hotsy Totsy en op een avond vroeg hij mij of hij eens mocht optreden bij mij.

Het zou niet bij dit ene optreden blijven. 25 jaar geleden bracht hij zijn eerste album uit en natuurlijk was de Hotsy Totsy een van de horecazaken waar hij met terechte trots zijn album voorstelde aan het publiek.

Tien jaar later bracht hij in eigen beheer zijn tweede album uit met als toepasselijke titel ‘Altijd Onderweg’.

Een paar maanden geleden liet hij weten dat hij aan het werken was aan een nieuw album. Helaas wilde het hart niet mee en moest er een operatie gebeuren. Toch bleef hij positief; het lot besliste er anders over.

Ik dank je dat ik je heb mogen leren kennen. Je was een mooi mens en een Gentenaar waar we met zijn allen trots op mogen zijn.

Gent zal je missen…

Het fenomeen Amanda Lear scoorde eind jaren zeventig een gigantische hit met Follow Me.

De geruchten dat ze een travestiet zou zijn, probeerde ze in diezelfde periode te ontkrachten door te poseren voor Playboy, maar de speculaties stopten hiermee niet.

Zelfs vijftien jaar geleden, in 2011, laaide de controverse weer op toen een Italiaanse krant een geboorteakte publiceerde van een zekere Alain Tap, geboren in 1939.

Dit was veel vroeger dan de late jaren veertig die altijd als Lears geboorteperiode werden aangenomen, al hing er rond haar ware leeftijd sowieso altijd al een zweem van geheimzinnigheid.

De krant toonde bovendien een foto van een jonge Tap die sprekend op haar leek.

Lear zelf bleef er nuchter onder en vertelde tijdens een bezoek aan Brugge in 2009 dat ze net als iedereen in de showbizz altijd moet acteren.

Al die mysteries deden haar muzikale succes destijds in elk geval geen kwaad.

Samen met producer Anthony Monn groeide ze uit tot de blanke queen of disco.

Ze brak in 1978 wereldwijd door met het nummer ‘Follow me’, waarna de successen elkaar snel opvolgden.

Haar single ‘Queen of China-Town’ was oorspronkelijk al in 1977 uitgebracht, maar werd door haar immense populariteit in 1978 opnieuw uitgebracht.

Ook andere nummers zoals ‘Enigma (Give a bit of mmmh to me)’, ‘Gold’, ‘The Sphinx ‘en ‘Fashion Pack’ groeiden uit tot grote hits.

Gisteren nog vandaag