15 jaar geleden, hoe Katy Perry het blauwe dorp veroverde

In 2011 leende zangeres Katy Perry haar stem aan de iconische Smurfin in de live-action animatiefilm The Smurfs.

Als de enige vrouwelijke bewoner van het Smurfendorp bracht ze het geliefde personage tot leven voor een heel nieuw en wereldwijd publiek.

Tijdens de auditieperiode luisterden de makers blijkbaar blind naar verschillende stemopnames zonder de namen van de artiesten te weten, en ze kozen juist haar vanwege de unieke, speelse en herkenbare klank van haar stem.

Perry stak enorm veel energie in het project, deed actief mee aan de internationale promotiecampagne en trok op de première in New York alle aandacht in een opvallende jurk met een afbeelding van Smurfin erop, inclusief bijpassende blonde lokken.

Het succes beviel zo goed dat ze in 2013 opnieuw in de opnamecabine kroop om de rol te herhalen voor het vervolg The Smurfs 2.

De film zelf kent ook een paar leuke achtergrondfeiten.

Zo is het verhaal rondom Smurfin vrij bijzonder binnen de Smurfenwereld, omdat ze oorspronkelijk door de boze tovenaar Gargamel werd geschapen om onrust te stoken in het dorp, waarna Grote Smurf haar met zijn magie veranderde in een echte, liefdevolle Smurf.

Daarnaast was het maken van de film een gigantische productie.

Om New York te laten samensmelten met de animatiewereld, moesten de visuele effectenmakers maandelijks honderden uren rekenkracht inzetten om elke blauwe smurf naadloos in de live-actionbeelden te passen.

De film werd een gigantisch commercieel succes en bracht wereldwijd meer dan een half miljard dollar op, wat bewees dat de klassieke Belgische stripfiguren van Peyo na al die decennia nog steeds een enorme aantrekkingskracht hebben op jong en oud.

Blauwe ruiten en Arabische zeilen, de opmerkelijke geschiedenis van Aral en Q8

De geschiedenis van Aral begint aan het einde van de negentiende eeuw in het Duitse Ruhrgebied.

In 1898 verenigden dertien mijnbouwbedrijven zich in de Westdeutsche Benzol-Verkaufsvereinigung om benzeen, een bijproduct van de cokesproductie, op de markt te brengen.

In de beginjaren werd dit product vooral gebruikt voor de chemische industrie en als verlichting, maar met de opkomst van de verbrandingsmotor veranderde de markt drastisch.

Men zocht naar een efficiëntere brandstof voor de groeiende groep automobilisten, wat leidde tot een cruciale doorbraak in de jaren twintig.

In 1924 ontwikkelde de scheikundige Walter Ostwald een nieuw soort motorbrandstof door een mengsel te maken van benzeen en benzine.

Omdat benzeen tot de chemische groep van de aromaten behoort en benzine tot de alifaten, voegde hij de beginletters van deze twee woorden samen.

Zo ontstond de naam Aral.

Dit nieuwe mengsel bleek een groot succes, omdat het zeer klopvast was, wat betekende dat de motor veel soepeler liep en betere prestaties leverde dan met de toenmalige standaardbrandstoffen.

Het product werd verkocht onder de naam BV-Aral en werd al snel een begrip bij automobilisten.

Enkele jaren later, in 1927, introduceerde het bedrijf de blauw-witte kleuren en het beroemde ruitvormige logo dat tot op de dag van vandaag de tankstations siert.

Tijdens de jaren dertig groeide het bedrijf aanzienlijk en breidde het netwerk zich verder uit.

Na een moeilijke periode tijdens de Tweede Wereldoorlog, waarin de productie door de staat werd gereguleerd, herstelde de onderneming zich snel.

Het merk profiteerde enorm van de massale motorisering in de jaren vijftig en zestig. In deze periode van wederopbouw en economische bloei introduceerde het bedrijf nieuwe, hoogwaardige brandstoffen zoals Aral Super en werden de diensten langs de weg flink gemoderniseerd.

De stations verschenen ook steeds vaker buiten de Duitse landsgrenzen, waaronder in België en Nederland.

Op de Belgische markt bleef het bedrijf decennialang een vaste waarde, totdat de activiteiten daar in 1999 werden beëindigd.

De ongeveer tweehonderd Belgische vestigingen werden overgenomen door Kuwait Petroleum en omgebouwd tot Q8-stations.

Deze overname vormde een belangrijke stap in de groei van Q8 in België.

Tegenwoordig zijn Q8 en het onbemande concept Q8 easy samen goed voor ruim 450 stations op de Belgische markt, en daar komen er nog elk jaar bij.

Ook in Nederland was het merk Aral een bekende verschijning tot de vroege jaren negentig.

Toen werd besloten tot een strategische ruil waarbij de Nederlandse Aral-stations werden geruild met de vestigingen van Mobil in Duitsland.

De voormalige Nederlandse Aral-stations, die in handen kwamen van Mobil, zouden later uiteindelijk transformeren tot BP-stations.

Aan het begin van de eenentwintigste eeuw brak er een nieuw hoofdstuk aan voor de onderneming zelf.

In 2002 werd de keten overgenomen door de internationale energiereus BP.

In plaats van de bekende blauwe stations in Duitsland te vervangen, besloot BP vanwege de enorme naamsbekendheid van het merk juist omgekeerd te werk te gaan: de Duitse BP-stations werden omgebouwd tot Aral.

Vandaag de dag is de keten nog steeds de marktleider in Duitsland met het grootste netwerk aan tankstations.

De focus is in de loop der jaren flink verbreed van een pure brandstofleverancier naar uitgebreide gemakszaken, die verse voeding aanbieden en een snelgroeiend aanbod aan laadpalen voor elektrische voertuigen hebben.

Deze veranderingen hebben de oorspronkelijke uitvinding van Walter Ostwald de eenentwintigste eeuw binnengeloodst.

De overnemer van de Belgische Aral-stations, Kuwait Petroleum International, kent zelf ook een opmerkelijke geschiedenis.

Het moederbedrijf Kuwait Petroleum Corporation werd opgericht in 1980 om de oliebelangen van de staat Koeweit te bundelen.

De internationale expansie kwam in een stroomversnelling toen de internationale tak in 1983 grote delen van het Europese netwerk van Gulf Oil overnam, met inbegrip van de tankstations in de Benelux, Zweden en Denemarken.

Om een sterke en herkenbare eigen identiteit te creëren, werd in 1986 de merknaam Q8 gelanceerd.

Deze naam is gebaseerd op de Engelse fonetische uitspraak van het land Koeweit.

Het kenmerkende logo verwijst naar de thuishaven en stelt de zeilen van een dhow voor, een traditioneel Arabisch zeilschip.

Door de jaren heen wist Q8 zijn positie in Europa verder te versterken via diverse strategische overnames, waaronder netwerken van BP in Italië, het merk Mobil in meerdere landen, en dus ook de Belgische tak van Aral in 1999.

Vandaag de dag is Q8 een wereldwijd opererend merk dat naast brandstoffen voor consumenten ook een belangrijke rol speelt in de ontwikkeling en verkoop van smeermiddelen, stookolie en vliegtuigbrandstof.

Vijfenveertig jaar Bananarama: de meidengroep die de hitlijsten bleef veroveren

De meidengroep Bananarama werd in 1980 opgericht door Keren Woodward, Sara Dallin en Siobhan Fahey.

Hun eerste single was de cover Aie-a-mwana, die ze in 1981 uitbrachten.

Dit nummer verscheen oorspronkelijk in 1971 op het album Le Monde Fabuleux Des Yamasuki van het Belgische project Yamasuki’s.

In 1975 werd het in Vlaanderen een hitje voor de groep Black Blood.

Het werd geschreven door Daniel Vangarde, de vader van Thomas Bangalter van Daft Punk, en zijn landgenoot Jean Kluger.

In de studio kregen de dames hulp van Steve Jones en Paul Cook van The Sex Pistols, waarna het nummer een kleine hit werd in Engeland.

De grote doorbraak kwam al vroeg in de jaren tachtig na een succesvolle samenwerking met Terry Hall en zijn groep Fun Boy Three.

Samen namen ze ‘It Ain’t What You Do It’s the Way That You Do It’ op, een swingend jazznummer uit 1939 dat oorspronkelijk werd gezongen door Jimmie Lunceford and His Orchestra.

Het nummer werd een grote hit in Europa en gaf Bananarama de kans om aan hun eerste album te werken.

Dat debuutalbum, getiteld Deep Sea Skiving, bevatte onder meer ‘Really Saying Something’, een cover van een Motown-nummer uit 1964 van The Velvelettes dat ze eveneens samen met de Fun Boy Three zongen.

De derde single van de plaat was ‘Shy Boy’, een nummer dat geschreven en geproduceerd werd door Steve Jolley en Tony Swain, die ook bekend waren van hun werk met Imagination en Alison Moyet.

Bananarama schreef daarnaast zelf nummers voor het album, zoals ‘Young at Heart’, dat ze samen met Robert Hodgens maakten.

Hodgens zou later met zijn band The Bluebells een eigen versie van het nummer uitbrengen en daar eveneens een grote hit mee scoren.

Niet veel later veroverden ze ook internationaal de hitlijsten met aanstekelijke popnummers zoals ‘Cruel Summer’ en ‘Robert De Niro’s Waiting’.

In het midden van de jaren tachtig ging Bananarama een samenwerking aan met het beroemde producerstrio Stock Aitken Waterman, een stap die hun muzikale carrière naar een absolute piek bracht.

Met een vernieuwde, energiekere dancepopsound scoorden ze wereldhit na wereldhit, waaronder hun beroemde cover van Venus, evenals ‘Love in the First Degree’ en ‘I Heard a Rumour’.

Na het grote succes van het album Wow! besloot Siobhan Fahey in 1988 de groep te verlaten om te trouwen met David Stewart van de Eurythmics en een solocarrière te beginnen.

Fahey richtte later het succesvolle Shakespeare’s Sister op.

Ze werd kortstondig vervangen door Jacquie O’Sullivan, geboren als Jacqueline Michelle O’Sullivan, die tot 1991 bij de band bleef.

Vanaf dat moment besloten Sara Dallin en Keren Woodward als duo door te gaan.

In 1996 kregen ze een eervolle vermelding in het Guinness Book of Records als de meest succesvolle vrouwelijke groep ooit en als de meidengroep met de meeste hitnoteringen in de Britse hitparade.

Hoewel de oorspronkelijke driemansformatie in 2017 en 2018 een eenmalige en zeer succesvolle reünietournee deed, is de vaste bezetting een duo gebleven.

Sara Dallin, geboren op 17 december 1961 en inmiddels 64 jaar, en Keren Woodward, geboren op 2 april 1961 en 65 jaar, zijn nog altijd ontzettend actief op de bühne.

Ze treden regelmatig op tijdens festivals, retro-events zoals Rewind Festival en geven eigen optredens in Groot-Brittannië en daarbuiten.

Ook nieuw werk blijft een vast onderdeel van hun plannen.

Na hun succesvolle studioalbums In Stereo uit 2019 en Masquerade uit 2022 brachten ze in het voorjaar van 2024 de verzamelaar Glorious: The Ultimate Collection uit, waarop ook een paar gloednieuwe nummers stonden.

Ze schrijven en nemen in hun eigen tempo nog steeds nieuwe muziek op via hun eigen label, dus nieuw materiaal valt in de toekomst zeker te verwachten.

Dat het duo hun rijke discografie actief blijft vieren, bleek opnieuw toen hun album Now Or Never op 15 mei 2026 in een geremasterde en uitgebreide versie opnieuw werd uitgebracht op de digitale platforms.

Dit album verscheen oorspronkelijk in september 2012 ter gelegenheid van hun dertigjarig bestaan en een Amerikaanse tournee.

De vernieuwde digitale uitgave telt zes nummers, waaronder de titeltrack ‘Now Or Never’, ‘La La Love’, hun cover van Maroon 5 en Christina Aguilera, namelijk ‘Moves Like Jagger’, en een heropgenomen versie van de jarennegentigtrack ‘Movin’ On’, aangevuld met nieuwe mixes van Ian Masterson.

Op 30 juni 2026 brachten Sara Dallin en Keren Woodward opnieuw een speciale release uit, ditmaal rond hun iconische hit Venus.

Deze release bevat de geremasterde originele versie, zeldzame 12-inchmixen, instrumentale tracks en niet eerder digitaal beschikbare dancemixes die destijds in 1986 op de maxi-single verschenen.

Hiermee zetten ze de legendarische track, die ze oorspronkelijk overnamen van Shocking Blue en waarmee ze de eerste plek in de Amerikaanse Billboard Hot 100 veroverden, opnieuw in de schijnwerpers.

Met een carrière die inmiddels meer dan vier decennia overspant, blijven Sara en Keren wereldwijd optreden en nieuwe muziek maken, waarmee hun status als iconen van de popmuziek definitief vaststaat.

Vader Abraham, 13 dingen dat je nog niet van me weet

Oorspronkelijk had Vader Abraham geen echte volle baard, maar droeg hij enkel een zwarte sik in combinatie met een opplakbaard.

Pas in de loop der tijd liet hij zijn eigen baard groeien, die hij voor optredens steevast grijs spoot.

Tijdens een live-uitzending van de NCRV-actie Geven voor Leven in 1974 liet hij zijn befaamde gezichtsbeharing afscheren, nadat de opbrengst boven de vijftig miljoen gulden was uitgekomen, precies zoals hij van tevoren had beloofd.

Nadat de tondeuse eroverheen was gegaan, gaf de zanger toe toch niet heel blij te zijn met het verdwijnen van zijn handelsmerk.

Om die reden trad hij tot zijn eigen baard weer volledig was aangegroeid tijdelijk op met een nepbaard.

Achter deze kenmerkende look schuilt Pierre Kartner, die al voor zijn doorbraak als Vader Abraham enorm actief was in de muziekwereld als zanger, liedjesschrijver en producer.

Zo ontdekte hij onder andere Corry Konings en Mieke en schreef hij talloze hits voor bekende Nederlandse artiesten.

Het personage Vader Abraham ontstond in 1971 bij het schrijven van de carnavalshit Vader Abraham had 7 zonen, waarvoor hij spontaan een bolhoed en nepbaard opzette.

Met Het kleine café aan de haven en vooral ’t Smurfenlied behaalde hij gigantische internationale successen.

’t Smurfenlied verkocht wereldwijd miljoenen exemplaren en bracht hem zelfs tot op de Engelse televisie bij Top of the Pops.

Kartner stond bekend als een ongekende werkarchitect die duizenden nummers schreef, en hij bleef tot op hoge leeftijd optreden en componeren.

Op 8 november 2022 overleed Pierre Kartner op 87-jarige leeftijd in Breda.

De uitvaart vond in besloten kring plaats op 11 november 2022, geheel in lijn met zijn privacywensen.

Bijna 45 jaar geleden, de komische film De boezemvriend.

De Nederlandse komediefilm De Boezemvriend verscheen aan het begin van de jaren tachtig en werd geregisseerd door Dimitri Frenkel Frank.

Het verhaal van deze klassieke slapstick is gebaseerd op het beroemde Russische toneelstuk De Revisor van Nikolaj Gogol.

De hoofdrol wordt vertolkt door André van Duin, die de rondreizende kwakzalver en valse tandarts Fred van der Zee speelt.

Het verhaal speelt zich af in het jaar 1811, tijdens de Franse bezetting onder keizer Napoleon.

Terwijl de keizer in Parijs kampt met hevige kiespijn, vlucht Fred van der Zee in Nederland voor de Franse soldaten die jonge mannen ronselen voor het leger.

Tijdens zijn vlucht ontmoet hij kermisdanseres Mercedes, op wie hij verliefd wordt.

Door een misverstand zien de lokale autoriteiten, onder leiding van de corrupte kolonel Moeskop, Fred aan voor de belastinginspecteur van de keizer.

Fred besluit gebruik te maken van de situatie en laat zich heerlijk in de watten leggen op het kasteel van de kolonel.

Wanneer zijn ware identiteit aan het licht komt, slaat hij opnieuw op de vlucht.

Op een kermis loopt hij uiteindelijk de echte Napoleon tegen het lijf.

Nadat Fred de keizer van zijn vreselijke kiespijn verlost, benoemt Napoleon hem dankbaar tot zijn persoonlijke boezemvriend.

Een opvallende verschijning in het verhaal is zangeres Vanessa, die het personage van de kermisdanseres Mercedes vertolkt.

Zij vormt de charmante schone op wie hoofdpersoon Fred van der Zee op slag verliefd wordt.

Haar aanwezigheid zorgt voor het nodige vuurwerk en romantische verwikkelingen.

Met haar extravagante en opvallende uitstraling geeft zij de kermisscènes extra allure en fungeert ze als de ultieme blikvanger die Freds hoofd op hol weet te brengen.

De productie was in handen van Joop van den Ende en kent naast Vanessa en André van Duin een brede sterrencast uit de Nederlandse entertainmentwereld van die tijd.

Onder anderen Leen Jongewaard, Corrie van Gorp, Frans van Dusschoten, Jérôme Reehuis en Ischa Meijer spelen mee.

Ook is er een bekend gastoptreden van volkszanger André Hazes als herbergier.

De muziek van de film werd gecomponeerd door Tonny Eyk.

De première was op 9 december 1982 en werd bezocht door circa 716.000 mensen in de bioscoop.

Precies 240 jaar geleden, op 8 augustus 1786, werd de hoogste bergtop van Europa voor het eerst bedwongen.

Wat vandaag de dag als een eenvoudige aardrijkskundige feitelijkheid geldt, namelijk dat de Mont Blanc in de Alpen 4810 meter hoog is, was eeuwenlang een schier onoverkoombare uitdaging.

De ontzagwekkende berg, waarvan ongeveer een derde met sneeuw en ijs is bedekt, oefende een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op avonturiers.

Toch werd tot ver in de achttiende eeuw algemeen aangenomen dat de mens deze machtige top nooit zou kunnen bereiken.

Destijds noemde men de regio rond de berg zelfs het ‘Vervloekte Dal’ (Vallée Maudite), uit angst voor draken, demonen en de verraderlijke gletsjers.

Het was de jonge Zwitserse natuurkundige Horace-Bénédict de Saussure die de uitdaging besloot aan te gaan.

Hij was pas twintig jaar oud toen hij in 1760 Chamonix bezocht en zijn passie voor de Mont Blanc ontwaakte.

De Saussure gold later als een van de grondleggers van de moderne alpinismewetenschap.

Wat begon als een jeugdige ambitie, groeide uit tot een levenslange missie.

Hij loofde zelfs een flinke beloning uit voor degene die een begaanbare route naar de top kon vinden. Jarenlang verkende hij het terrein en ondernam hij talloze pogingen, maar zelfs in 1778 bleef hij ervan overtuigd dat de klim onmogelijk was.

Ondertussen waagden ook anderen hun kans.

In 1784 werd een hoogte van 4331 meter bereikt, en een jaar later moest De Saussure opnieuw onverrichter zake terugkeren.

En zoals dat vaker gaat, was het uiteindelijk een gedreven avonturier die de doorslag gaf: Jacques Balmat, een lokale jager en kristalzoeker uit het dal.

Gedreven door roem en de hoop op goud sloot hij zich in 1786 onverwachts aan bij drie ervaren klimmers.

Toen zijn tochtgenoten door zware tegenslagen besloten op te geven, zette Balmat alleen door.

Hij kwam tot op een paar honderd meter van de top voordat een zware avondstorm hem dwong om terug te keren en noodgedwongen op de gletsjer te overnachten.

Balmat wist nu dat het haalbaar was, maar hij had een getuige én medische expertise nodig voor de extreme hoogte.

Die vond hij in Michel-Gabriel Paccard, een dorpsdokter uit Chamonix die zelf ook al meerdere pogingen had ondernomen en geboeid was door hoogteziekte en drukmetingen.

Samen trokken ze eropuit en op 8 augustus 1786 stonden beide mannen eindelijk op de top van de Mont Blanc.

Het dagboek van dokter Paccard vermeldde er sober over dat ze om 18.23 uur aankwamen en om 18.57 uur weer vertrokken.

Ze stonden precies vierendertig minuten op het hoogste punt.

In het dal kende de vreugde geen grenzen toen het nieuws bekend werd.

De Saussure, de grote inspirator en financier van de expedities, wilde niets liever dan de prestatie aan de zijde van Balmat herhalen.

Pas op 3 augustus van het daaropvolgende jaar zag hij die droom in vervulling gaan, waarbij hij uitgebreide wetenschappelijke experimenten op de top uitvoerde.

Balmat bleef zijn leven lang geobsedeerd door de bergen en de gedachte dat er goud te vinden was.

Op tweeënzeventigjarige leeftijd kwam hij tijdens zo’n zoektocht om het leven in de Val de Sixt; zijn lichaam werd nooit teruggevonden.

Vandaag de dag worden zowel Jacques Balmat als De Saussure geëerd als de pioniers van de Mont Blanc, onder meer met een monument in Chamonix.

Ook vrouwen lieten niet lang op zich wachten.

De allereerste vrouw op de top was de lokale dienstmeid Marie Paradis op 14 juli 1808.

Ze werd door gidsen de berg op geholpen en bereikte de top in vrij slechte fysieke conditie.

Dertig jaar later, op 3 september 1838, volbracht de Franse adellijke sportvrouw Henriette d’Angeville als eerste vrouw op eigen kracht en met een minutieus voorbereide expeditie de zware klim, waarmee ze de bijnaam de Mont Blanc-bruid verwierf.

Leuk om te weten is dat de Mont Blanc tegenwoordig nog steeds een reus van formaat is, al schommelt zijn precieze hoogte door de veranderende ijskap op de top.

Daarnaast bevindt zich diep onder deze berg de beroemde Mont Blanctunnel, die Frankrijk en Italië sinds 1965 met elkaar verbindt.

Vandaag, precies 150 jaar geleden, werd Margaretha Geertruida Zelle geboren, de vrouw die later wereldberoemd zou worden onder haar artiestennaam Mata Hari.

Haar jeugd kende een veelbelovende start; tot haar dertiende kreeg zij privélessen Frans, Duits en Engels.

Het tij keerde echter snel. Na het faillissement van haar vader in 1889 scheidden haar ouders, en in 1891 overleed haar moeder.

Margaretha verhuisde daarop naar een oom in Den Haag, waar ze een opleiding tot kleuterleidster volgde.

In 1894 reageerde de toen achttienjarige Margaretha op een huwelijksadvertentie in Het Nieuws van den Dag.

Ze trouwde met de twintig jaar oudere militair Rudolph MacLeod, maar het huwelijk werd een regelrechte hel.

Hij beschuldigde haar van flirten met zijn mede-officieren, terwijl zij stelde dat hij haar had besmet met syfilis.

Hun zoontje overleed op jonge leeftijd, mogelijk door een behandeling met kwik tegen deze ziekte.

Een bitter gevecht om hun dochter Nonnie volgde.

Na de vechtscheiding zorgde de familie MacLeod er definitief voor dat Margaretha haar dochter nooit meer te zien kreeg. Margaretha deed later nog een ultieme poging om contact te leggen.

Gisteren nog vandaag

Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vroeg ze een Duitse officier om brieven en een broche die ze ooit van haar ex-man had gekregen, aan haar dochter te geven.

Zo zou Nonnie althans nog een aandenken aan haar moeder hebben.

De broche bereikte haar echter nooit.

Nonnie overleed in 1919 op 21-jarige leeftijd onverwacht in haar slaap.

Net als bij haar broertje bleef de precieze doodsoorzaak onbekend.

Haar vader Rudolph was toen al voor de derde keer getrouwd.

Na de scheiding trok Margaretha naar Parijs, waar zij vanaf 1905 het uitgaansleven veroverde als de exotische danseres Mata Hari, wat Maleis is voor oog van de dag.

Ze trad zelfs op in het gerenommeerde La Scala in Milaan.

In 1914 kreeg ze een aanbod voor een halfjaarlijks optreden in het Metropol-theater in Berlijn, maar het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog maakte een abrupt einde aan haar danscarrière doordat alle theaters moesten sluiten.

Mata Hari keerde kort terug naar Nederland.

Voordat ze weer naar Parijs reisde, werd ze benaderd door de Duitse geheime dienst: voor 20.000 franc wilde men dat ze in Frankrijk zou spioneren.

Ze nam het geld aan, maar was nooit van plan om ook daadwerkelijk voor de Duitsers te werken.

De Franse en Britse geheime diensten wisten echter van dit contact.

Bovendien paste Mata Hari perfect in het profiel van een spionne, omdat ze veel reisde, haar talen sprak en voortdurend in de cirkels van hooggeplaatste mannen verkeerde.

In Frankrijk werd ze vervolgens gevraagd om te spioneren voor de Franse regering.

In ruil voor een grote som geld bracht ze verslag uit over haar contacten met de Duitsers.

Hoewel ze de Duitsers om de tuin leidde, was ze niet van plan de Fransen te bedonderen.

Gisteren nog vandaag

Des te opmerkelijker was haar arrestatie door zes politieagenten in haar Parijse hotel op 13 februari 1917.

Hoewel er geen sluitend bewijs was voor haar schuld, werd ze op 15 juli van datzelfde jaar ter dood veroordeeld.

Op 15 oktober 1917 werd Mata Hari door een executiepeloton om het leven gebracht.

Ze weigerde een blinddoek, hoefde niet geboeid te worden en accepteerde moedig haar lot.

Volgens sommige bronnen wierp ze het peloton zelfs nog een handkus toe.

Waarom ze precies door de Fransen werd veroordeeld, blijft onduidelijk.

Theorieën lopen uiteen: werd ze in de val gelokt, had ze simpelweg alle schijn tegen, of wilden de Fransen het moreel tijdens de oorlog hooghouden door een zondebok te executeren?

Gisteren nog vandaag

Later werd het doodvonnis heftig bekritiseerd, ook vanuit Nederland.

Onder meer doordat de publiciteit over Mata Hari en haar tragische einde ook na 1917 doorging, heeft haar naam over de hele wereld bekendheid gekregen.

Toch bleef de tragiek haar ook na haar dood achtervolgen.

Het lichaam van Mata Hari werd gebruikt als dissectiemateriaal voor Parijse geneeskundestudenten.

Haar hoofd werd bewaard in het Museum voor Anatomie, tot twintig jaar geleden werd ontdekt dat het spoorloos verdwenen was, vermoedelijk gestolen.

Haar mythe leefde voort in de populaire cultuur.

Zo verscheen er een Amerikaanse film over haar leven met Greta Garbo in de hoofdrol, een van haar zeldzame rollen als koude, berekenende femme fatale.

De film werd internationaal een doorslaand succes en wordt tot op de dag van vandaag gerekend tot de beste prestaties van de Zweedse actrice.

Gisteren nog vandaag

Vandaag 40 jaar geleden: première van de Nederlandse film ‘Op Hoop van Zegen’

Bijna vijf maanden werkte toen regisseur Guido Pieters aan de verfilming van Herman Heijermans’ Op Hoop van Zegen.

Dankzij een strak financieel beleid en het nodige scheldwerk om het onmogelijke mogelijk te maken, slaagde hij erin de film binnen het gestelde budget af te ronden.

In de rolprent schitterden naast Danny de Munk ook acteurs als Huub Stapel en Kitty Courbois.

Er heerste toen een doodse stilte in de pikdonkere studio van het immense Engelse Pinewood Studio-complex.

Iedereen was in afwachting van de aanwijzingen van regisseur Guido Pieters.

Een replica van het vissersschip ‘Op Hoop van Zegen’ dobberde rusteloos in een enorm bassin, waar de ondergang van de schuit uit het beroemde boek van Herman Heijermans werd gefilmd.

Pieters had bewust gewacht met de verdrinkingsscènes totdat de allerlaatste locatie-opnames gemaakt waren.

Volgens het verhaal van Heijermans verging het schip Op Hoop van Zegen met man en muis doordat een gewetenloze reder het wrakke schip, ondanks de waarschuwingen van ervaren schippers, toch op visvangst stuurde.

Acteurs Jaap Stobbe, Niek Pancras en Danny de Munk vormden een deel van de bemanning van het schip dat op volle zee verging.

Met zijn handen als een megafoon riep Pieters over de set dat Danny naar het voordek moest gaan zodra het teken ‘actie’ werd gegeven.

Even later klauterde de jonge acteur strompelend naar het voordek, terwijl hij voortdurend omver werd geblazen door kunstmatige golven.

Hoestend en proestend bereikte Danny de voorplecht, waar hij volgens het script een losgeschoten stag opnieuw moest vastmaken.

Pieters stopte de scène echter, omdat hij vond dat Danny niet angstig genoeg keek, waarna de scène opnieuw gedaan moest worden.

Zonder te morren begaf het jonge Nederlandse acteertalent zich opnieuw naar het achterschip om voor de tweede keer aan de loodzware scène te beginnen.

Duizenden liters water werden over hem uitgestort voordat Pieters tevreden was.

Danny verklaarde naderhand dat het erbij hoorde en dat je het goed moest doen als je iets wilde doen.

Pieters had vijf dagen uitgetrokken om de rampscènes op te nemen in de Pinewood Studio’s, die gespecialiseerd zijn in speciale effecten, maar dat vond hij eigenlijk veel te kort.

Pas na een hevige woede-uitbarsting richting de verantwoordelijke studiomanager werd de klus inderdaad in vijf dagen geklaard.

Pieters vertelde dat men zich daar niet kon voorstellen dat zij in staat waren om met een budget van vijf miljoen gulden, nog niet eens een vijfde van een gemiddelde Amerikaanse productie, deze film te maken.

De mensen dachten daar dat ze over ongelimiteerde bedragen konden beschikken.

Als een dergelijke scène in een Amerikaanse mammoetproductie had gezeten, was er zeker een maand voor uitgetrokken.

Pieters’ optimistische verwachting om na de studio-opnamen direct met de ruwe montage van ‘Op Hoop van Zegen’ te kunnen beginnen, werd echter de grond in geboord.

Na het zien van de eerste proefopnames bleken echte zeescènes absoluut noodzakelijk, omdat er te veel studiowerk te zien was.

Er was echt zeemateriaal nodig.

Speciaal voor deze opnamen werd het schip Knorrur, een van oorsprong Canadese vissersboot die door een Nederlander was gekocht, omgebouwd tot een exacte replica van de in de studio gebruikte Op Hoop van Zegen.

Twee weken lang werd er met deze schuit een groot aantal zee-opnamen gemaakt.

Daaronder bevond zich ook de scène waarin de ten ondergang gedoemde vissers, na wekenlang geen sterveling te hebben gezien, op de onmetelijke zee een Franse driemaster ontmoetten.

Deze scène vormde de belangrijkste opname van de inderhaast toegevoegde zeetrip.

Tot tweemaal toe liet Pieters de logge schepen op elkaar afstevenen voordat hij vond dat hij voldoende materiaal had geschoten.

Krakend zette de ‘Op Hoop van Zegen’, vol onder zeil, vervolgens koers naar de tijdelijke thuishaven Scheveningen.

Zelfs de laatste minuten op zee werden dankbaar gebruikt om extra close-ups te maken en de zonsondergang te filmen.

Pieters gaf aan dat ze elk moment benutten, omdat ze anders helemaal in tijdnood zouden komen te zitten.

De speelfilm ‘Op Hoop van Zegen’, met hoofdrollen voor Huub Stapel, Kitty Courbois, Renée Soutendijk, Willeke van Ammelrooy en Danny de Munk en onder regie van Guido Pieters, ging op donderdag 7 augustus 1986 in première.

Ondanks de hoge verwachtingen en de inzet van bekende namen trok de film uiteindelijk slechts 247.824 bezoekers naar de bioscoop, wat voor de producenten uitliep op een financieel verlies.

Toch werd het werk van de makers niet geheel over het hoofd gezien: in 1989 ontving de film de Publieksprijs op het Nederlands Film Festival.

Rond de productie waren er diverse opmerkelijke feiten.

De spectaculaire scène waarin het schip vergaat, besloeg slechts 5 procent van de totale filmduur, maar kostte met zo’n 500.000 gulden (omgerekend ongeveer 226.890 euro, wat wat betreft huidige koopkracht neerkomt op circa 450.000 tot 500.000 euro) een aanzienlijk deel van het totale budget.

Buiten de studio-opnamen in Engeland vonden de buitenopnames grotendeels plaats in het Zuid-Hollandse Goedereede en het Zeeuwse Yerseke.

Ook bij de casting verliep niet alles vanzelfsprekend; zo solliciteerde Piet Römer naar de rol van de wrede reder Bos, maar de keuze viel uiteindelijk op Rijk de Gooyer.

De muziek voor de film werd geschreven door Rogier van Otterloo.

Gisteren nog vandaag

Van The Lopez Sisters tot ‘Going Back to My Roots’ de reis van Odyssey

De muzikale reis van Odyssey begon in 1968. De van de Maagdeneilanden afkomstige zussen Carmen, Lillian en Louise Lopez richtten toen de familiegroep The Lopez Sisters op.

Jarenlang traden ze op in en rond New York, voornamelijk op feestjes, bruiloften en in kleine clubs.

Omdat het grote succes uitbleef, besloot Carmen de groep na enkele jaren te verlaten voor een leven buiten de schijnwerpers.

Lillian en Louise gaven echter niet op en zochten eind 1976 naar een nieuw geluid om door te breken.

Die frisse impuls vonden ze bij de Filipijnse bassist-zanger Tony Reynolds.

Met een mannelijke zanger en een meer op pop gerichte sound was het tijd voor een nieuwe naam: Odyssey was geboren.

De zusjes Lilian en Louise Lopez legden destijds uit dat ze voor de naam Odyssey hadden gekozen, omdat ze hun publiek wilden meenemen op reis naar verschillende landen, waarbij ze zoveel mogelijk verschillende muziekstijlen gebruikten als een echte odyssee.

De Lopez-zusters waren geboren in Stamford in de Amerikaanse staat Connecticut, maar voelden zich evenzeer Afrikaans als Amerikaans.

De songtitel ‘Going Back to My Roots’ was dan ook geen toevallige keuze, want beiden waren altijd al trots op hun afkomst, al jaren voordat de tv-serie «Roots» van Alex Haley daar een trend van maakte.

Louise vertelde dat ze hun haar toen al meer dan tien jaar op Afrikaanse wijze gevlochten droegen.

Zelf ontwierp ze ook kleding, zoals vloeiende kaftans in traditionele Ethiopische stijl, en voor hun podiumshows maakte ze Zoeloe-halskettingen en Egyptische kragen.

De doorbraak volgde in 1977 met de single ‘Native New Yorker’

Het nummer behaalde de 21e plaats in de Amerikaanse hitlijsten en werd een top 5-hit in het Verenigd Koninkrijk.

In Vlaanderen en Nederland bleef het succes toen beperkt tot een notering in de tipparade.

Overigens coverde ook Frankie Valli het nummer in diezelfde periode op zijn album ‘Lady Put The Light Out’.

Na hun debuuthit op de wip tussen 1977 en 1978 was het weer rimpelloos stil geworden rond de groep.

Er werden indertijd zes singles uitgebracht die nauwelijks de bodem van de Amerikaanse hitlijsten benaderden. Iedereen dacht toen dat men met een eendagsvlieg te maken had, zoals de discowereld er in die periode de ene na de andere uitspuwde.

De bezetting van de groep veranderde echter snel.

Ten tijde van het debuutalbum was Tony Reynolds alweer vertrokken.

Hij koos voor een heel ander pad, werd elektricien bij de politie van New York en speelde daarnaast in een plaatselijke band tot aan zijn overlijden op 2 februari 2010.

Hij werd vervangen door Bill McEachern, die een bepalende stem zou worden voor de groep.

Billy was geboren in Fayetteville in de staat North Carolina en zong al sinds zijn kinderjaren beroepsmatig.

Voordat hij zich bij Odyssey aansloot, behoorde hij tot de topzangers in de New Yorkse studio’s.

Een jaar na de stilte, in de zomer van 1980, liet Odyssey opnieuw van zich horen.

Met ‘Use It Up and Wear It Out’ scoorden ze een vierde plaats in zowel Vlaanderen als Nederland, en het nummer klom langzaam maar zeker naar een hoge notering in Engeland, waar het zelfs een nummer één-hit werd.

Een nieuwe inzinking bleef uit, want Odyssey zette de succesreeks voort met ‘If You’re Looking for a Way Out’ en ‘Hang Together’.

In de zomer van 1981 volgde hun cover van ‘Going Back to My Roots’, geproduceerd door Steve Tyrell, van ex-Motown-schrijver Lamont Dozier, wat hun hittotaal indertijd op vijf bracht.

Meestal bleef de rol van Billy McEachern binnen de groep beperkt tot harmoniezang, maar op «Going Back to My Roots» kreeg hij de leadzang toegewezen.

Billy zong dat nummer zo overtuigend in dat hij toen terecht bij de zusjes Lopez kon aankloppen om meer op de voorgrond te treden.

Met de leadzang van McEachern werd dit een groot succes in Vlaanderen, met een derde plaats in de BRT Top 30 en een vierde plaats in de Top 40.

Het zat diep bij de zussen, want ze waren in juli 1981 even trots op de eerste plaats van «Use It Up and Wear It Out» in de nationale hitlijst van Kenia als op hun sterrenstatus in de grote poplanden.

Ze verklaarden destijds in koor dat ze er alle drie van droomden om zo snel mogelijk aan een Afrikaanse tournee te kunnen beginnen.

In deze periode werd ook Lilians zoon, Steven Collazo, aan de groep toegevoegd als toetsenist, zanger en muzikaal leider. Voor wie destijds meer van de groep wilde horen, was bovendien hun pas verschenen elpee ‘I Got the Melody’ beschikbaar.

Hun laatste grote internationale hit werd ‘Inside Out’ uit 1982.

Een opvallend detail is dat de baslijn van dit nummer sterke gelijkenissen vertoont met die van ‘Watching You’ (1980) van de Amerikaanse soulband Slave, waar ook Steve Arrington (die we kennen van zijn hit ‘Feel so Real’) deel van uitmaakte.

In 1990 kreeg ‘Inside Out’ nog een tweede leven door een cover van de Engelse houseband Electribe 101.

Hoewel de originele zangeressen Lillian (overleden in 2012) en Louise Lopez (overleden in 2015) inmiddels niet meer onder ons zijn, treedt Steven Collazo samen met wisselende vocalisten (zoals Romina Johnson en Jerdene Wilson) nog regelmatig op.