De turbulente geschiedenis en heropbouw van de Sint-Walburgakerk in Oudenaarde

De oorsprong van de Sint-Walburgakerk in Oudenaarde valt samen met die van de stad.

Het begon als een bescheiden kapel die in 880 door de Noormannen werd geplunderd en in brand gestoken.

In 1110 liet Robert II, graaf van Vlaanderen, op deze plek een stenen kerk bouwen, waarbij het heiligdom werd toegewijd aan Sint-Walburga.

In het najaar van 1126, rond eind oktober of begin november, richtte graaf Boudewijn IV van Henegouwen een vreselijk bloedbad aan in de stad en stak hij het gebouw in brand.

Dit gebeurde tijdens het conflict tussen het graafschap Henegouwen en graaf Karel de Goede van Vlaanderen, vlak voor diens gewelddadige dood in Brugge in het voorjaar van 1127.

Bij deze gewelddadige inval werd de hele nederzetting zwaar getroffen.

De houten huizen en werkplaatsen rond de burcht en de markt werden massaal in de as gelegd, waardoor grote delen van de stad volledig verwoest raakten.

De Henegouwse troepen spaarden ook de burgerbevolking niet: talrijke inwoners en verdedigers kwamen om het leven tijdens de straatgevechten en de daaropvolgende branden, wat leidde tot een enorm verlies aan mensenlevens en een ontwrichte stad.

In 1150 begon men op de ruïnes met de bouw van een nieuw godshuis, dat in 1159 werd voltooid en ingewijd.

Alleen het koor en de aangrenzende kooromgang in Doornikse kalksteen zijn in hun oorspronkelijke vroeggotische stijl bewaard gebleven.

In latere eeuwen onderging het kerkgebouw verschillende verbouwingen en uitbreidingen volgens de regels van een meer geavanceerde bouwkunst.

Dankzij de bloeiende lakennijverheid en de latere wandtapijtindustrie kende Oudenaarde in de late middeleeuwen een periode van grote voorspoed.

Rond 1422 vatten het stadsbestuur en de kerkmeesters het plan op om het kerkgebouw grondig te moderniseren en uit te breiden in de stijl van de Brabantse gotiek, opgetrokken uit Balegemse zandsteen.

Men koos ervoor om vanuit het westen naar het oosten te bouwen.

Het opzet was om eerst een monumentale westertoren en een nieuw, ruim driebeukig schip met bundelpijlers en grote spitsboogvensters op te richten, waarna men het oude twaalfde-eeuwse koor eveneens zou slopen en vervangen.

In de tweede helft van de vijftiende eeuw begon men aan de bouw van de massieve westertoren.

Deze toren kreeg massieve steunpijlers, een rijk versierde lantaarn en werd bekroond met een hoge houten spits, bedekt met leien, waarmee het bouwwerk meer dan honderd meter hoog werd.

De toren diende niet enkel een religieus doel, maar fungeerde tevens als belfort en uitkijktoren voor de stad.

In de zestiende eeuw stokten de werkzaamheden echter door politieke onrust, godsdienstoorlogen en economische achteruitgang.

Hierdoor werd het oorspronkelijke totaalplan nooit afgewerkt.

Het oude koor in Doornikse kalksteen bleef daardoor gespaard, wat de Sint-Walburgakerk haar opmerkelijke hybride karakter gaf: een imposant Brabants-gotisch schip en toren die rechtstreeks aansluiten op het veel oudere, donkere koor.

De zestiende-eeuwse godsdiensttroebelen troffen het gebouw bijzonder zwaar.

Oudenaarde was uitgegroeid tot een broeihaard van calvinistische activiteit, mede onder impuls van de vele ambachtslieden uit de lakennijverheid en de tapijtweverij.

In augustus 1566 drong een groep beeldenstormers de kerk binnen en richtte een enorme ravage aan.

Heiligenbeelden werden vernield, altaren en schilderijen stukgeslagen en kostbare boeken, gewaden en glasramen gingen verloren.

Tussen 1577 en 1582 kwam de stad onder het bewind van een calvinistisch bestuur, waardoor de katholieke eredienst werd verboden en het interieur werd aangepast voor sobere protestantse preekdiensten.

Veel kerkelijk zilver en koper werd aangeslagen om stadsmuren en huursoldaten te bekostigen.

Het militaire geweld bereikte een hoogtepunt in 1582, toen de Spaanse landvoogd Alexander Farnese de stad belegerde.

Tijdens de zware artilleriebeschietingen liepen de daken, de gewelven en de toren van de kerk ernstige schade op.

Na de inname door Farnese werd het katholicisme hersteld, maar Oudenaarde verloor door de vlucht van vele calvinistische handelaars en wevers een groot deel van haar economische slagkracht.

Vanaf het einde van de zestiende en in de loop van de zeventiende eeuw volgde een moeizaam herstel, waarbij het vernielde interieur geleidelijk opnieuw werd ingericht in de geest van de contrareformatie.

Tijdens deze herinrichting kreeg de kerk een rijk barok en vroegclassicistisch meubilair dat het gotische skelet een heel nieuw aanzien gaf.

Het monumentale marmeren hoogaltaar uit de zeventiende eeuw verrees als een triomfantelijk portaal met zuilen en engelenfiguren, geflankeerd door diverse uitgewerkte houten en marmeren zijaltaren gewijd aan onder meer Onze-Lieve-Vrouw,

Op schilderkunstig vlak verwierf de kerk belangrijke barokke meesterwerken, waaronder de indrukwekkende Kruisafneming van Gaspar de Crayer, een vooraanstaand navolger van Rubens.

Het houten meubilair werd verrijkt met een zwierig gesneden achttiende-eeuwse preekstoel vol allegorische reliëfs, expressieve biechtstoelen met kariatiden en een sierlijke marmeren communiebank.

Daarnaast vond het lokale ambacht zijn weerslag in een uitzonderlijke collectie historische Oudenaardse wandtapijten, de befaamde verdures uit de zestiende en zeventiende eeuw met hun kenmerkende weelderige groenpartijen en landschappen, die bij feestelijke liturgische gelegenheden de wanden sierden.

Ook daarna bleef rampspoed het gebouw achtervolgen.

Op 6 mei 1798 sloeg het noodlot toe toen een hevige blikseminslag de houten torenspits in brand zette.

De spits stortte in en werd om veiligheidsredenen en wegens geldgebrek tijdens de Franse periode nooit meer in haar oorspronkelijke vorm heropgebouwd.

De toren kreeg een sobere, stompe afsluiting, waardoor het bouwwerk zijn huidige herkenbare hoogte van net geen negentig meter kreeg die vandaag het uitzicht op het marktplein bepaalt.

Gisteren nog vandaag

Vandaag, 15 jaar geleden, bracht het Franse electrodanceduo Justice, bestaande uit Gaspard Augé en Xavier de Rosnay, hun album ‘Audio Video Disco’ uit.

Het Franse elektronische muziekduo, bestaande uit Gaspard Augé en Xavier de Rosnay, ontstond in 2003 in Parijs en groeide al snel uit tot het boegbeeld van het invloedrijke platenlabel Ed Banger Records.

Hun grote doorbraak kwam er met de remix van Never Be Alone, een nummer dat de Britse indierockband Simian uit Manchester in 2002 had uitgebracht.

Justice maakte die bewerking oorspronkelijk voor een remixwedstrijd van een lokaal Parijs radiostation.

De remix sloeg zo enorm aan dat hij via het label Ed Banger opnieuw werd uitgebracht, ditmaal onder de artiestennaam Justice vs. Simian en met de bekende titel We Are Your Friends.

Toen Simian later uit elkaar viel, richtten twee van de bandleden, James Ford en Jas Shaw, het al even succesvolle danceduo Simian Mobile Disco op.

In 2007 verscheen hun baanbrekende debuutalbum ‘†’, getooid met het inmiddels iconische Latijnse kruis op de zwarte hoes.

Met zware baslijnen, vervormde synthesizers en nummers als ‘D.A.N.C.E.’, ‘Genesis’ en ‘Waters of Nazareth’ zette het duo de internationale danswereld op zijn kop.

Het enorme succes van de daaropvolgende wereldtournee werd vastgelegd op hun tweede album, ‘A Cross the Universe’ uit 2008.

Deze live-uitgave, vergezeld van een rauwe documentaire over hun hectische leven onderweg, liet horen hoe overrompelend en energiek de livesets van het tweetal waren.

Het documenteerde dan ook perfect de gekte rond de eerste fase van hun carrière.

Na het gigantische succes en de intense tournees rond hun debuutplaat besloten Augé en de Rosnay voor hun tweede studioalbum een heel andere artistieke richting in te slaan.

In oktober 2011 verscheen ‘Audio, Video, Disco’, een titel die in het Latijn vertaald kan worden als ‘ik hoor, ik zie, ik leer’.

Waar het duo op het eerste album voornamelijk werkte met samplers en digitale productietechnieken, koos het tweetal voor deze tweede worp voor echte instrumenten, analoge synthesizers en live ingespeelde structuren.

Het album werd een eerbetoon aan de progressieve rock, glamrock en arena-achtige stadionpop uit de jaren zeventig en tachtig, zonder hun herkenbare elektro-signatuur volledig los te laten.

De sfeer op ‘Audio, Video, Disco’ is warmer, melodieuzer en weidser dan die op hun debuut.

Nummers zoals ‘Civilization’, dat vooraf als eerste single verscheen, lieten horen hoe krachtige gitaarakkoorden en pulserende beats naadloos samensmolten.

Tracks als ‘Canon’ en ‘Helix’ brachten virtuoze melodieën die deden denken aan bands als Queen, Led Zeppelin en Yes, terwijl het rustigere ‘Ohio’ juist een bijna pastorale en psychedelische koorzang liet horen.

Met de titeltrack ‘Audio, Video, Disco’ leverde het duo een indrukwekkend anthem af waarin barokke arrangementen en pompende drums elkaar vonden, als aanloop naar de eigenlijke afsluiter ‘Presence’.

De single ‘On’n’On’ volgde eind 2011 op de titeltrack en werd begin 2012 breed uitgerold met een remix-ep.

Mede dankzij een opvallende remix van Rick Rubin deed het nummer het bijzonder goed bij alternatieve zenders en in het festivalcircuit.

Daarnaast zorgde de psychedelische videoclip, doorspekt met sciencefiction en mythologische taferelen, voor flink wat ophef en een blijvende cultstatus.

In de loop van 2012 verscheen ‘New Lands’ als vierde single van het album.

De track groeide uit tot een van de meest memorabele momenten van de plaat, niet in de laatste plaats dankzij de spectaculaire retro-futuristische videoclip van het Spaanse regisseurscollectief Canada.

De beelden toonden een bikkelharde, dystopische mix van American football, honkbal, motorcross en rollerderby, wat het nummer een enorme hit maakte op internet en muziekzenders.

Hoewel het ontbreken van snoeiharde clubbeats sommige vroege fans verraste, bewees Justice met deze plaat dat ze veel meer waren dan een eendagsvlieg.

Het album liet twee veelzijdige componisten en producers horen die zich weigerden vast te pinnen op één formule en moeiteloos een brug sloegen tussen classic rock en moderne elektronica.

Ook live maakten ze die ambitie waar: geflankeerd door torenhoge muren van Marshall-versterkers en hun iconische lichtgevende kruis groeide het Franse duo uit tot een van de meest grensverleggende live-acts van hun generatie.

Na de release van ‘Audio, Video, Disco’ hield Justice vast aan hun bekende ritme van weloverwogen, lange pauzes.

Na het livealbum ‘Access All Arenas’ uit 2013 volgde in 2016 hun derde studioplaat ‘Woman’.

Met de liveversie daarvan, ‘Woman Worldwide’ uit 2018, wisten ze zelfs een Grammy binnen te halen.

Het visuele sluitstuk van die periode volgde in 2019 met de concertfilm Iris: A Space Opera by Justice, waarna Gaspard Augé in 2021 solo van zich liet horen met het album ‘Escapades’.

Op 26 april 2024 doorbrak Justice een stilte van acht jaar met het vierde studioalbum Hyperdrama, verrijkt met bijdragen van klinkende namen als Tame Impala, Miguel en Thundercat.

Zowel het album als de single Neverender werd genomineerd voor een prestigieuze Grammy Award.

Na een intensieve wereldtournee die van 2024 tot eind 2025 liep, doken ze ook op als producers achter het nummer Wake Me Up van The Weeknd.

Medio oktober raakte bekend dat Justice tekende voor de originele muziek van Grand Theft Auto VI, waarvan de release gepland staat voor 19 november 2026.

Als voorproefje bracht het duo op 15 oktober de single ‘Flower in a Hurricane’ uit, een opmerkelijke samenwerking met Tame Impala, SZA en King Gizzard & The Lizard Wizard.

Daarmee bewijzen de Fransen eens te meer dat ze onverminderd kiezen voor kwaliteit boven kwantiteit en moeiteloos de meest prestigieuze projecten naar zich toe trekken.

Op blote voeten in de Londense regen: Gandhi in oktober 1931

Van 12 september tot 5 december 1931 verbleef Mahatma Gandhi in Engeland.

Hij was er voor de Tweede Rondetafelconferentie in Londen, de onderhandelingen over de constitutionele toekomst van Brits-Indië.

Hij vertrok op 29 augustus 1931 uit Bombay met de s.s. Rajputana, arriveerde op 11 september in Marseille en bereikte Londen de dag erna.

Op 5 december verliet hij Engeland opnieuw. Via Parijs, Genève en Rome scheepte hij in Italië in en landde hij op 28 december weer in Bombay.

De Rondetafelconferenties (1930 tot 1932) gingen over meer zelfbestuur voor India en over een mogelijke federatie.

Het Indian National Congress had de eerste ronde geboycot: veel leiders zaten vast door de campagne van burgerlijke ongehoorzaamheid.

Na het Gandhi-Irwin-pact van 5 maart 1931, waarin die campagne werd opgeschort in ruil voor vrijlatingen en een plaats aan de tafel, ging Gandhi als enige officiële afgevaardigde van het Congres naar Londen.

De tweede conferentie liep van 7 september tot 1 december 1931.

Hij eiste in de praktijk volledige onafhankelijkheid, purna swaraj, en stelde dat hij namens heel politiek India sprak. Dat liep spaak.

Hij botste met andere groepen over aparte kiesstelsels voor moslims en voor de zogenoemde onaanraakbaren.

De Britse regering was intussen conservatiever geworden en deed geen wezenlijke toegevingen.

Gandhi vertrok dan ook teleurgesteld.

Tijdens zijn verblijf woonde hij in Kingsley Hall in de East End, bezocht hij textielarbeiders in Lancashire en sprak hij onder meer op de London School of Economics, op 10 november.

De klassieke hindoeïstische orde telt vier grote varna’s, van hoog naar lager: brahmanen (priesters en geleerden), kshatriya’s (krijgers en heersers), vaishya’s (handelaren, geldschieters en boeren) en shudra’s (arbeiders en dienaren).

Daarbuiten stonden groepen die als onaanraakbaar werden behandeld.

Volgens de toenmalige rituele opvatting maakten zij hogere kasten onrein door aanraking, soms al door hun schaduw of door hetzelfde water of voedsel te gebruiken.

Vaak mochten zij geen tempels, scholen of gemeenschappelijke waterputten delen.

Zij deden vernederend werk, zoals vuilnis en kadavers opruimen, en woonden apart.

De Britten spraken van Depressed Classes.

In de latere Indiase grondwet worden zij Scheduled Castes genoemd.

Velen noemen zichzelf later Dalit, “vertrapten”. Gandhi noemde hen Harijans, “kinderen van God”, en zag hen als hindoes.

Gandhi behoorde zelf tot de vaishya’s, de derde varna.

Binnen die groep kwam hij uit de Modh Bania, een handelaarsgemeenschap in Gujarat.

De naam Gandhi hangt samen met die achtergrond.

Hij werd in 1869 in Porbandar geboren. Zijn vader en grootvader waren diwan, een soort eerste minister, van kleine vorstenstaatjes in Kathiawar.

Later bestreed hij de onaanraakbaarheid, maar hij bleef zich als hindoe en vaishya zien.

In Londen stond tegenover hem B.R. Ambedkar, voluit Bhimrao Ramji Ambedkar (1891 tot 1956).

Hij was jurist, econoom en politicus, geboren in een Mahar-familie die tot de onaanraakbaren werd gerekend.

Hij studeerde onder meer aan Columbia University en de London School of Economics.

Ambedkar vond Harijan neerbuigend, rekende Gandhi tot de hogere kasten en wantrouwde diens claim om namens de onaanraakbaren te spreken.

Hij eiste een eigen politieke vertegenwoordiging, zodat die groepen niet van hogere kasten zouden afhangen.

Dat meningsverschil kwam in 1931 in Londen scherp naar voren.

Later werd Ambedkar de voornaamste opsteller van de Indiase grondwet van 1950 en de eerste minister van Justitie.

In 1956 bekeerde hij zich met honderdduizenden volgelingen tot het boeddhisme.

De hele periode kleedde Gandhi zich vrijwel zoals op de foto van oktober 1931: een korte dhoti van zelfgesponnen katoen (khadi), een sjaal of omslagdoek, en sandalen.

Schoenen of laarzen droeg hij vrijwel nooit.

Op regenachtige dagen liep hij soms op blote voeten, zoals op die foto.

Zijn gewone schoeisel bleven eenvoudige sandalen. Zo beschreven verslaggevers hem in september bij St James’s Palace, en zo zou hij op 5 november over de vloer van Buckingham Palace lopen.

Ook bij het bezoek aan de textielarbeiders in Darwen, eind september, noemen ooggetuigen sandalen en blote benen.

Een horloge hing vaak aan een koord, en hij had een stok bij zich.

Een westers pak, een hoed of een overjas droeg hij niet.

Dat was bewust. Sinds 1921 kleedde hij zich zo om zich met de armste Indiërs te vereenzelvigen en om de boycot van Brits textiel kracht bij te zetten.

Voor de reis wilden aanhangers dat hij zich warmer of formeler zou kleden.

Een krantenbericht uit april 1931 suggereerde zelfs dat hij een broek zou dragen.

Dat gebeurde echter niet. Ook bij officiële gelegenheden bleef hij bij die kleding.

Op 14 september verscheen hij zo in St James’s Palace, en op 5 november bij de thee op Buckingham Palace bij koning George V en koningin Mary, terwijl de uitnodiging “morning dress” aangaf.

Churchill noemde hem rond die tijd spottend een “half-naked fakir”.

Aan Gandhi wordt de opmerking toegeschreven dat de koning genoeg aan had voor hen allebei. Of hij dat letterlijk zo zei, is onduidelijk.

Het korte popsprookje van Promises: van wereldhit naar vergetelheid

Twee broers en een zus uit Canada verhuisden naar Californië met hun vader, die van Duitse afkomst was.

Deze kinderen deelden een grote droom: samen een popgroep oprichten.

Die muzikale droom kreeg in 1977 vleugels toen ze dankzij Steve Verroca, die destijds werkte voor EMI Holland, een platencontract wisten te bemachtigen.

De groep Promises was een feit.

Een jaar later, in 1978, scoorden ze met hun debuutsingle ‘Baby It’s You ‘meteen een hit in verschillende landen.

In Vlaanderen bereikte het nummer een mooie twaalfde plaats en in de Nederlandse hitlijsten klommen ze naar plek zeventien. In Duitsland was het succes nog veel groter, vooral doordat hun platenfirma en hun vader de act slim presenteerden als een Duitse formatie.

Het succes bleek helaas van korte duur. Hun tweede single, ‘Let’s Get Back Together’, sloeg bij ons in Vlaanderen en Nederland nauwelijks aan.

Zelfs in Duitsland strandde het nummer op de achttiende plaats van de hitparade.

Toen een jaar later hun tweede elpee Real to Real verscheen, was het muzikale landschap van de jaren tachtig alweer veranderd en bleken ze de voeling met hun publiek helemaal kwijt te zijn.

De valse Veronese van Emblem: een vergeten kunstvondst uit 1931

Precies 95 jaar geleden deed in Lier een bijzonder mysterie de ronde over een schilderij dat op een heel eigenaardige manier was opgedoken.

Het verhaal ging dat het schilderij mogelijk een werk van Paolo Caliari, beter bekend als Veronese, was, of op zijn minst een stuk uit zijn school.

Het stadsbestuur had het paneel destijds bekeken bij mijnheer Rasquin en sprak daarover met de Lierse kunstfotograaf en restaurateur Bernard Janssens (1887-1976) en met mijnheer Van In.

Beiden speelden dan ook een grote rol bij de vondst.

Janssens trok in die tijd dagelijks naar zijn buitenverblijf in Emblem.

Op een dag zag hij hoe werklieden bezig waren met het schoonmaken en witten van het plaatselijke kapelletje.

Op de grond stond een pikzwart paneel dat de werklui wegens de extreme vervuiling simpelweg niet meer terug naar binnen wilden brengen.

Janssens hield het schilderij tegen het zonlicht om door het vuil heen te kijken en ontdekte onder een dikke laag meubelvernis het gezicht van een oude man.

Hij kreeg toestemming om het paneel kosteloos schoon te maken, zonder het te restaureren.

Na het reinigen verscheen er een aanbidding van de Wijzen, compleet met het Kindje in de kribbe, de os en de ezel.

Zelf zag Janssens er geen echte Veronese in, maar wel een fraai stuk in Italiaanse stijl. Schrijver Felix Timmermans, die het werk eveneens had gezien, deelde die mening.

Omdat er op de hoed van een van de figuren een V te zien was, begon de naam van Veronese al snel rond te zingen.

Op de lijst stond vermeld dat het paneel in juli 1866, tijdens een cholera-uitbraak, was opgedragen aan de heilige Gummarus door een onbekende schenker.

Technisch bestond het uit twee planken die aan de achterkant bijeen werden gehouden met drie zwaluwstaartverbindingen.

Men twijfelde destijds nog of het schilderij naar Emblem zou terugkeren of naar de Sint-Gummaruskerk zou verhuizen.

De pers zette het enthousiasme echter meteen in perspectief.

De typerende gouden gloed van Veronese ontbrak, er zaten technische fouten in het schilderij en de letter V was beslist geen signatuur.

De Italiaanse meester Paolo Caliari (1528-1588) vormt samen met Titiaan en Tintoretto het hart van de Venetiaanse school en maakte vooral naam met monumentale feestaferelen zoals De bruiloft te Kana.

Een klein paneel dat pas in 1866 aan Sint-Gummarus werd opgedragen, kon dan ook onmogelijk van zijn hand of uit zijn atelier zijn.

Janssens was evenmin de maker van het stuk, en de genoemde Van In was vrijwel zeker de J. Van In die in 1938 een studie publiceerde over de iconografie rond Sint-Gummarus.

De bewuste Sint-Gummaruskapel staat in de Dorpstraat in Emblem, vandaag een deelgemeente van Ranst.

Het heiligdom dateert oorspronkelijk uit 1477 en staat bij de bron die Gummarus volgens de overlevering liet ontspringen.

Tussen 1691 en 1696 werd het kapelletje heropgebouwd.

Na een verkoop tijdens de Franse bezetting kwam het heiligdom in 1812 weer toe aan de kerkmeesters van Sint-Gummarus.

De kapel werd in 1976 beschermd als monument en kreeg in 1985-1986 een restauratie.

In de latere inventaris wordt enkel nog het rococoaltaar uit 1767 genoemd; van het paneel ontbreekt elk spoor.

Waar het schilderij uiteindelijk is gebleven, blijft een compleet raadsel.

Het bevindt zich niet in de kapel of in de Sint-Gummaruskerk, en ook niet in de collectie van het Stadsmuseum of in de openbare kunstdatabanken.

In 1931 hing het nog bij de heer Rasquin, maar nadien loopt elk spoor dood. Wie hier toevallig meer over weet of tips heeft, mag het dan ook altijd laten weten