De leeftijd van onschuld: het geheim achter het beroemdste kinderportret van Joshua Reynolds

Sir Joshua Reynolds (1723-1792) geldt als een van de meest invloedrijke Britse schilders uit de achttiende eeuw.

Hij werd geboren in Plympton, Devon, als zoon van een leraar en geestelijke.

Na zijn opleiding in Londen reisde hij tussen 1749 en 1752 door Italië om de grote meesters te bestuderen.

Die reis legde het fundament voor zijn theorie van de Grand Manner: de opvatting dat portretkunst een verheven, universele uitstraling moest hebben en niet louter een gelijkenis mocht zijn.

Terug in Londen werd Reynolds de gevierde portretschilder van de Britse elite.

In 1768 werd hij benoemd tot de allereerste voorzitter van de Royal Academy of Arts, een jaar later gevolgd door een ridderslag van koning George III.

Via zijn befaamde lezingen, de Discourses on Art, drukte hij een blijvend stempel op generaties jonge kunstenaars.

Naast zijn monumentale portretten van hoogwaardigheidsbekleders bezat hij echter ook een bijzondere gave om de ontwapenende puurheid van kinderen op doek te vangen.

Achter deze kinderstudies schuilt een warme familieband en een bijzondere muze.

Reynolds bleef wel zijn hele leven vrijgezel.

Nadat zijn zwager in 1770 overleed, haalde hij zijn dertienjarige nichtje Theophila Palmer, koosnaampje Offy, en haar zus Mary in huis aan Leicester Fields 47 in Londen.

Offy werd de spil van zijn huishouden en zijn grote oogappel.

Waar Reynolds overdag onafgebroken achter de ezel stond, ontving zij ’s avonds als gastvrouw grootheden als dichter, essayist en literatuurcriticus Samuel Johnson, Ierse roman- en toneelschrijver en dichter Oliver Goldsmith en acteur en theaterproducent David Garrick.

In het atelier was Offy een geduldig model met wie Reynolds vrijuit kon experimenteren.

Dat resulteerde in 1773 in ‘The Strawberry Girl’ (‘Het aardbeienmeisje’).

Hoewel Offy toen al een tiener was, gebruikte hij haar gelaatstrekken om een plattelandsmeisje van een jaar of zes tot acht met een mandje bosaardbeien uit te beelden.

Het werk riep met haar grote, melancholische ogen tederheid op bij het publiek.

Reynolds beschouwde het zelf als een van zijn zeldzame, werkelijk originele meesterwerken; het doek hangt tegenwoordig in de Wallace Collection in Londen.

Toen Offy in 1780 trouwde met Robert Lovell Gwatkin, viel haar vertrek Reynolds zwaar.

Hij schonk haar een bruidsschat en een prachtig huwelijksportret.

In 1782 werd haar dochtertje geboren, die eveneens Theophila werd genoemd.

Rond 1785 of 1788 schilderde Reynolds zijn beroemdste kinderwerk: ‘De leeftijd van onschuld’.

Het toont een jong meisje dat dromerig in profiel in het gras zit onder een boom, met haar handjes rustend tegen haar borst, gehuld in een eenvoudig wit jurkje met een zachte sjerp.

Volgens de familietraditie en kunsthistorici zat Offy’s dochtertje, het achternichtje van de schilder dat toen drie tot zes jaar oud was, model voor dit doek.

Toch maakte Reynolds er geen formeel portret van.

Zowel ‘The Strawberry Girl’ als ‘De leeftijd van onschuld’ waren bedoeld als fancy pictures, een populair genre waarin het draaide om stemming, poëzie en karakter in plaats van de maatschappelijke stand van het model.

Het sloot naadloos aan bij de ideeën van verlichtingsfilosoof Jean-Jacques Rousseau, die het kind zag als een ongerept en zuiver wezen.

Reynolds bracht de verf aan met een losse toets en experimenteerde met vernissen en pigmenten voor een warm, tijdloos clair-obscur.

Reynolds overleed op 23 februari 1792 en werd met eer bijgezet in de Londense Saint Paul’s Cathedral.

Zijn werk bleef immens geliefd. Vooral in de negentiende eeuw groeide ‘De leeftijd van onschuld’ uit tot een internationaal icoon: via talloze gravures en prenten kreeg het meisje in het witte jurkje een plekje in ontelbare huiskamers, als het ultieme symbool van kinderlijke onschuld.

Vanavond 40 jaar geleden: Jos Brink met Madame Arthur te gast in de Leuvense Stadsschouwburg

In oktober 1981 trok Jos Brink met de musical Madame Arthur door Vlaanderen.

In Nederland had de voorstelling al een jaar volle zalen getrokken. Hij begreep toen niet waarom het in Vlaanderen zo lang had geduurd voor ze werden uitgenodigd.

De Vlaamse ontvangst en vriendelijkheid haalden dat gevoel snel weg. Voor het gezelschap was het extra motivatie om te laten zien wat het publiek tot dan toe had gemist.

De productie was groots opgezet. Er werd niets gespaard om de sfeer van een echt cabaret te treffen.

De show kostte destijds tweeënhalf miljoen gulden, omgerekend ongeveer 1,13 miljoen euro.

Er reisden vijfenveertig mensen mee, van wie er vijftien op het podium stonden.

De rest bestond uit licht- en geluidstechnici, podiumbouwers en kleedsters. Die kleedsters waren onmisbaar.

Brink speelde een travestierol in een cabaret, samen met zijn partner Frank.

Hun duo was geïnspireerd op het echte Parijse cabaret Madame Arthur. De kostuums moesten die sfeer evenaren.

Als hij het podium op kwam, droeg hij een outfit van zo’n 700.000 Belgische frank, omgerekend ongeveer 17.350 euro: jurk, panty’s, schoenen, juwelen en een hoed met veren.

Hij was vierenveertig, maar in dat ensemble leek hij achttien.

De eerste keren in die kleding vond hij eng. De jurk, de panty’s, de valse wimpers en vooral de lippenstift.

Het moest snel, en hij miste zijn mond weleens. Dan stond hij daar met een scheve mond. Hij begreep niet dat vrouwen dat prettig vonden. Voor de show deed hij het toch.

Tijdens de Nederlandse tournee hadden ze er plezier in gehad.

Hij hoopte dat het Vlaamse publiek dat ook zou hebben.

Tegelijkertijd vond hij het wennen om opnieuw als vrouw het podium op te gaan

Jeanne-Marie Sens: Poëtische melancholie en maatschappijkritiek in woord en muziek

De Franse zangeres, auteur en componist Jeanne-Marie Sens werd op 8 december 1937 geboren in Parijs.

Haar muzikale loopbaan begon aan het einde van de jaren zestig, met de release van haar debuutsingle Les Boots in 1969.

De grote doorbraak bij het publiek volgde in 1972 dankzij haar vertolking van ‘Les Clowns’, een nummer van Giani Esposito.

Haar oeuvre valt op door een melancholieke en uitgesproken poëtische toon, waarin ze geregeld kritiek leverde op de toenemende ontmenselijking van de moderne wereld.

Tot haar meest bekende liedjes behoren onder meer ‘Tant et tant de temps’, ‘Tape Tape Tape’, ‘Un Dimanche’, ‘Jeu de mots’, ‘En plein Coeur’ en ‘L’enfant Du 92e’.

Naast haar muzikale werk ontplooide ze zich volop op literair en beeldend vlak met de publicatie van romans, korte verhalen, poëzie en fotografiewerk.

In het begin van de jaren negentig gaf ze die passie voor het boekenvak een extra impuls door samen met Hubert Tonka de uitgeverij Sens & Tonka op te richten.

Van kattenvoer tot synthpop: het bewogen verhaal van Soft Cell

In oktober 1981 was Soft Cell ineens overal.

De Britten hadden in 1981 al van alles over het Kanaal gestuurd, van Ultravox en Visage tot Spandau Ballet, maar buiten Groot-Brittannië bleef dat toen vaak beperkt tot een korte rage.

Toch leek er toen een stevigere nieuwe koers te ontstaan: jonge groepen die met elektronica vlotte, dansbare pop maakten.

Duran Duran en Depeche Mode hadden al indruk gemaakt, maar het Britse synthpopduo Soft Cell trok op dat moment veruit de meeste aandacht.

De wortels van de groep lagen aan het einde van de jaren zeventig. Marc Almond, afkomstig uit Southport, en David Ball, geboren in Blackpool, ontmoetten elkaar als studenten aan de kunstacademie van Leeds Polytechnic, waar Almond beeldende kunst studeerde.

Tussen 1976 en 1979 had Almond daar al volop ervaring opgedaan in de confrontatiegerichte performancekunst.

In voorstellingen vol spiegels, make-up, scheren, gebroken glas en blikjes kattenvoer tastte hij grenzen af.

Een van die stukken, later bekend als ‘Mirror Fucking’, speelde zich naakt af voor een grote spiegel.

Daarnaast maakte hij het theatrale stuk ‘Icebox’ en een cabaretvoorstelling gebaseerd op het Japanse verhaal ‘The Vampire Cat of Nabéshima’, waarin een demonische kat een prinses doodt en haar gedaante aanneemt.

In een bijbehorende Super-8-film at een personage in een sjofel kot uit een blik kattenvoer.

Zelf vatte Almond die periode later nuchter samen als iemand die een podium beklom om zich als een volslagen idioot te gedragen.

Dave Ball, die een jaar lager zat, zag die acties, herinnerde zich de enorme deining die ze veroorzaakten en experimenteerde in die tijd al met een Korg-synthesizer.

Almond vroeg Ball om muzikale begeleiding te componeren bij zijn optredens, en uit die vroege samenwerking groeiden geleidelijk volwaardige nummers.

In oktober 1979 richtten de twee officieel Soft Cell op, waarna nog diezelfde herfst hun debuutoptreden volgde.

De naam Soft Cell ontstond als een knipoog naar zowel een hoofdstuk uit John Brunners sciencefictionroman ‘Stand on Zanzibar’ als het bekende reclamemotto ‘soft sell’.

Hun allereerste opnames maakten ze uiterst primitief met een simpele tweesporenrecorder op het studentenkamertje van Ball.

Zoals Ball later opmerkte: voordien knoeiden ze maar wat met bandrecorders, simpelweg omdat alles zo goedkoop mogelijk moest blijven.

Almond bracht zijn mengeling van cabaret, katten en vuile romantiek rechtstreeks mee naar de vroege optredens van het duo.

Gehuld in strak zwart leer haalde hij uitzinnige toeren uit om de zaal op te zwepen.

Bij een nummer over een kat die zijn bazin verslindt, kliederde hij het publiek binnen zijn bereik ongegeneerd onder met kattenvoer, wat volgens hem eigenlijk het enige was wat hij aan zo’n optreden nog leuk vond.

David Ball vormde de rustige tegenpool: terwijl hij kalm achter zijn apparatuur bleef staan, legde hij het muzikale fundament met ingenieuze klanktapijten.

Het publiek wist er niet altijd meteen raad mee, maar de kracht van twee muzikanten die met een uiterst sobere bezetting een opvallend krachtig en dansbaar geluid neerzetten, viel direct op.

Veel tastbaars hadden ze muzikaal echter nog niet uitgebracht. Hun debuut-ep ‘Mutant Moments’ verscheen in een gelimiteerde oplage van tweeduizend stuks en groeide later uit tot een kostbaar verzamelobject.

Na hun opvallende bijdrage aan de verzamelplaat ‘Some Bizarre Album’ ging de bal pas echt aan het rollen.

Platenbaas Stevo van Some Bizarre bood hen samen met distributeur Phonogram een contract aan, wat toegang gaf tot professionele studiofaciliteiten met volwaardige synthesizers.

Het eerste studiowerk leverde de vroege single ‘A Man Can Get Lost’ op en vervolgens ‘Memorabilia’, een vroege elektronische dansplaat die vooral bij vooruitstrevende club-dj’s goed aansloeg.

Toch lag de druk van de platenmaatschappij hoog: een commerciële doorbraak was vereist om het contract te behouden.

Almond en Ball zetten zich bewust af tegen het gangbare rockcircuit. Nadat Almond ooit het voorprogramma van punkband The Vibrators had verzorgd, wist hij dat die wereld niets voor hen was: het draaide er volgens hem vooral om vaste routines en pinten pakken.

Soft Cell koos nadrukkelijk voor theaters en een publiek met een bredere blik, waarbij Almond hun stijl omschreef als een combinatie van northern soul, disco, theatraal cabaret en gewone alledaagse thema’s die zelden in popsongs aan bod kwamen.

Puur vermaak stond voorop, maar zonder de geforceerde maniertjes van rockers die een zaal willen ophitsen.

Die filosofie leidde hen naar twee oude soulklassiekers.

Ball kende het nummer ‘Tainted Love’, dat in 1964 door Ed Cobb werd geschreven en als obscure B-kant door Gloria Jones werd opgenomen in het northern-soulcircuit van Blackpool.

Soft Cell arrangeerde het volledig elektronisch en combineerde het op single met ‘Where Did Our Love Go’ van The Supremes. Vooral in de verlengde versie, waarin beide nummers naadloos in elkaar overliepen, werd het een monsterhit waar niemand omheen kon.

De platenmaatschappij wilde er aanvankelijk traditionele gitaren, bas en drums op zetten, omdat het te vreemd klonk, maar het tweetal hield vast aan de kale synthversie.

Almond zong de partij in slechts twee takes in.

Vanuit het niets schoot ‘Tainted Love’ naar de eerste plaats in de Britse charts, waar het pas na een maand werd afgelost door Adam Ant, om vervolgens ook op het vasteland en wereldwijd een enorme hit te worden.

De single bereikte in zeventien landen de eerste positie en werd in het Verenigd Koninkrijk de op één na bestverkochte single van 1981.

In de Amerikaanse Billboard Hot 100 vestigde het nummer destijds een record door 43 weken genoteerd te blijven.

In Vlaanderen was de single goed voor een eerste plaats in de BRT Top 30 en dat voor twee weken lang.

In Nederland bereikte het nummer de vijfde plaats in de Top 40

Omdat zowel de A-kant als de B-kant covers betroffen, verdienden Almond en Ball niets aan auteursrechten, wat ze later weleens de duurste beslissing van hun carrière noemden.

Het overweldigende succes versnelde het werk aan hun debuutalbum ‘Non-Stop Erotic Cabaret’, waarvan de titel werd ontleend aan een neonreclame boven een revuebar in de Londense wijk Soho.

Het album werd in de zomer van 1981 in Londen opgenomen in Advision Studios onder leiding van producer Mike Thorne en geluidstechnicus Don Wershba, die hielpen om de minimalistische synthesizerlijnen om te smeden tot een rijk en modern studiogeluid.

Ball benutte apparatuur zoals de Korg SB-100 bassynth, de Roland Jupiter-4 en de geavanceerde Synclavier, aangedreven door strakke drummachines.

De thematiek van de plaat weerspiegelde de schaduwzijden van de grootstad en de Londense rafelranden. Nummers als ‘Seedy Films’, ‘Frustration’ en ‘Secret Life’ behandelden kille eenkamerflats, peepshows en de anonimiteit van het nachtleven, terwijl ‘Sex Dwarf’ ontstond naar aanleiding van een krantenkop in The News of the World.

Daarnaast stonden er melodieuze observaties op over eenzaamheid, zoals ‘Bedsitter’, dat het sobere leven in een gehuurde kamer zonder geld voor eten beschreef, en het weemoedige ‘Say Hello, Wave Goodbye’.

Uitgebracht eind november 1981, getooid met de bekende hoesfoto tegen een felrode achtergrond in theatrale nachtclubkledij, groeide het album uit tot een meesterwerk van de elektronische pop. De plaat bereikte de top vijf en leverde met ‘Bedsitter’ en ‘Say Hello, Wave Goodbye’ opnieuw grote top vijf-hits op.

Soft Cell zou in Groot-Brittannië in totaal tien officiële top 40-hits scoren, waaronder de losse single ‘Torch’, die de tweede plaats bereikte

Het snelle succes eiste echter zijn tol. Met ‘The Art of Falling Apart’ uit 1983 sloeg het tweetal een donkerdere, experimentelere weg in waarin vervreemding en de keerzijde van roem centraal stonden.

Na de release van ‘This Last Night in Sodom’ viel in 1984 definitief het doek voor de groep.

Marc Almond begon aan een veelzijdige sololoopbaan met weelderige ballads en chansoninvloeden.

Dave Ball ontpopte zich tot een gewilde producer en componist.

Hij schreef en produceerde muziek met onder anderen Kylie Minogue, Gavin Friday en The Virgin Prunes, en scoorde in 1994 met zijn houseproject The Grid een wereldwijde clubhit met ‘Swamp Thing’.

Begin deze eeuw volgde een succesvolle reünie met optredens en het album ‘Cruelty Without Beauty’ in 2002.

Na een groots afscheidsconcert in de Londense O2 Arena in 2018 bleek het partnerschap nog altijd springlevend, getuige het studioalbum ‘Happiness Not Included’ uit 2022, waarop onder meer werd samengewerkt met Pet Shop Boys.

De hernieuwde energie smaakte naar meer, waardoor Almond en Ball in de zomer van 2025 opnieuw intensief de studio indoken voor een gloednieuw project.

De titel die ze kozen, ‘Danceteria’, was een rechtstreekse verwijzing naar de legendarische New Yorkse club waar ze in 1982 zoveel inspiratie hadden opgedaan en waar Almond destijds onder meer een vroeg optreden van Madonna meemaakte.

Het duo wilde met broeierige ritmes, donkere baslijnen en melodieën met een rauw randje teruggrijpen naar die specifieke sfeer.

Midden augustus 2025 stonden ze nog samen op het podium als headliner van het Rewind Festival in Henley-on-Thames, wat hun allerlaatste optreden zou blijken.

De studio-opnames verliepen in een hoog tempo, waarbij Ball de strakke elektronische fundamenten legde en Almond teksten schreef die balanceerden tussen weemoed en scherpe eigentijdse observaties.

Het noodlot sloeg echter genadeloos toe: letterlijk enkele dagen nadat het album volledig was afgewerkt, overleed Dave Ball in de nacht van 22 oktober 2025 op 66-jarige leeftijd in zijn slaap in zijn woning in Londen.

Almond reageerde verslagen, maar herinnerde zich vooral hoe trots en opgetogen Ball was geweest over de nieuwe muziek en hoe ze hadden uitgekeken naar 2026.

In september 2026 verscheen ‘Danceteria’ alsnog, als postuum eerbetoon en definitief slotstuk van een partnerschap dat bijna een halve eeuw had standgehouden.

Het markeerde het sluitstuk van een carrière die ooit begon met blikjes kattenvoer op de kunstacademie en uitmondde in tijdloze elektropop, of zoals Almond het zelf relativeerde: de ene dag smeer je je in met kattenvoer op de kunstacademie, de volgende sta je terracotta potten uit te kiezen in het tuincentrum.

Het bizarre duo Soft Cell, noem ons cabaret, maar a.u.b geen Rock ‘n’ Roll