
Gisteren nog vandaag
Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag


De Franse zangeres, auteur en componist Jeanne-Marie Sens werd op 8 december 1937 geboren in Parijs.
Haar muzikale loopbaan begon aan het einde van de jaren zestig, met de release van haar debuutsingle Les Boots in 1969.
De grote doorbraak bij het publiek volgde in 1972 dankzij haar vertolking van ‘Les Clowns’, een nummer van Giani Esposito.
Haar oeuvre valt op door een melancholieke en uitgesproken poëtische toon, waarin ze geregeld kritiek leverde op de toenemende ontmenselijking van de moderne wereld.
Tot haar meest bekende liedjes behoren onder meer ‘Tant et tant de temps’, ‘Tape Tape Tape’, ‘Un Dimanche’, ‘Jeu de mots’, ‘En plein Coeur’ en ‘L’enfant Du 92e’.
Naast haar muzikale werk ontplooide ze zich volop op literair en beeldend vlak met de publicatie van romans, korte verhalen, poëzie en fotografiewerk.
In het begin van de jaren negentig gaf ze die passie voor het boekenvak een extra impuls door samen met Hubert Tonka de uitgeverij Sens & Tonka op te richten.




Gisteren nog vandaag


Gisteren nog vandaag
In oktober 1981 was Soft Cell ineens overal.
De Britten hadden in 1981 al van alles over het Kanaal gestuurd, van Ultravox en Visage tot Spandau Ballet, maar buiten Groot-Brittannië bleef dat toen vaak beperkt tot een korte rage.
Toch leek er toen een stevigere nieuwe koers te ontstaan: jonge groepen die met elektronica vlotte, dansbare pop maakten.
Duran Duran en Depeche Mode hadden al indruk gemaakt, maar het Britse synthpopduo Soft Cell trok op dat moment veruit de meeste aandacht.
De wortels van de groep lagen aan het einde van de jaren zeventig. Marc Almond, afkomstig uit Southport, en David Ball, geboren in Blackpool, ontmoetten elkaar als studenten aan de kunstacademie van Leeds Polytechnic, waar Almond beeldende kunst studeerde.
Tussen 1976 en 1979 had Almond daar al volop ervaring opgedaan in de confrontatiegerichte performancekunst.
In voorstellingen vol spiegels, make-up, scheren, gebroken glas en blikjes kattenvoer tastte hij grenzen af.
Een van die stukken, later bekend als ‘Mirror Fucking’, speelde zich naakt af voor een grote spiegel.
Daarnaast maakte hij het theatrale stuk ‘Icebox’ en een cabaretvoorstelling gebaseerd op het Japanse verhaal ‘The Vampire Cat of Nabéshima’, waarin een demonische kat een prinses doodt en haar gedaante aanneemt.
In een bijbehorende Super-8-film at een personage in een sjofel kot uit een blik kattenvoer.
Zelf vatte Almond die periode later nuchter samen als iemand die een podium beklom om zich als een volslagen idioot te gedragen.
Dave Ball, die een jaar lager zat, zag die acties, herinnerde zich de enorme deining die ze veroorzaakten en experimenteerde in die tijd al met een Korg-synthesizer.
Almond vroeg Ball om muzikale begeleiding te componeren bij zijn optredens, en uit die vroege samenwerking groeiden geleidelijk volwaardige nummers.
In oktober 1979 richtten de twee officieel Soft Cell op, waarna nog diezelfde herfst hun debuutoptreden volgde.
De naam Soft Cell ontstond als een knipoog naar zowel een hoofdstuk uit John Brunners sciencefictionroman ‘Stand on Zanzibar’ als het bekende reclamemotto ‘soft sell’.
Hun allereerste opnames maakten ze uiterst primitief met een simpele tweesporenrecorder op het studentenkamertje van Ball.
Zoals Ball later opmerkte: voordien knoeiden ze maar wat met bandrecorders, simpelweg omdat alles zo goedkoop mogelijk moest blijven.
Almond bracht zijn mengeling van cabaret, katten en vuile romantiek rechtstreeks mee naar de vroege optredens van het duo.
Gehuld in strak zwart leer haalde hij uitzinnige toeren uit om de zaal op te zwepen.
Bij een nummer over een kat die zijn bazin verslindt, kliederde hij het publiek binnen zijn bereik ongegeneerd onder met kattenvoer, wat volgens hem eigenlijk het enige was wat hij aan zo’n optreden nog leuk vond.
David Ball vormde de rustige tegenpool: terwijl hij kalm achter zijn apparatuur bleef staan, legde hij het muzikale fundament met ingenieuze klanktapijten.
Het publiek wist er niet altijd meteen raad mee, maar de kracht van twee muzikanten die met een uiterst sobere bezetting een opvallend krachtig en dansbaar geluid neerzetten, viel direct op.
Veel tastbaars hadden ze muzikaal echter nog niet uitgebracht. Hun debuut-ep ‘Mutant Moments’ verscheen in een gelimiteerde oplage van tweeduizend stuks en groeide later uit tot een kostbaar verzamelobject.
Na hun opvallende bijdrage aan de verzamelplaat ‘Some Bizarre Album’ ging de bal pas echt aan het rollen.
Platenbaas Stevo van Some Bizarre bood hen samen met distributeur Phonogram een contract aan, wat toegang gaf tot professionele studiofaciliteiten met volwaardige synthesizers.
Het eerste studiowerk leverde de vroege single ‘A Man Can Get Lost’ op en vervolgens ‘Memorabilia’, een vroege elektronische dansplaat die vooral bij vooruitstrevende club-dj’s goed aansloeg.
Toch lag de druk van de platenmaatschappij hoog: een commerciële doorbraak was vereist om het contract te behouden.
Almond en Ball zetten zich bewust af tegen het gangbare rockcircuit. Nadat Almond ooit het voorprogramma van punkband The Vibrators had verzorgd, wist hij dat die wereld niets voor hen was: het draaide er volgens hem vooral om vaste routines en pinten pakken.
Soft Cell koos nadrukkelijk voor theaters en een publiek met een bredere blik, waarbij Almond hun stijl omschreef als een combinatie van northern soul, disco, theatraal cabaret en gewone alledaagse thema’s die zelden in popsongs aan bod kwamen.
Puur vermaak stond voorop, maar zonder de geforceerde maniertjes van rockers die een zaal willen ophitsen.
Die filosofie leidde hen naar twee oude soulklassiekers.
Ball kende het nummer ‘Tainted Love’, dat in 1964 door Ed Cobb werd geschreven en als obscure B-kant door Gloria Jones werd opgenomen in het northern-soulcircuit van Blackpool.
Soft Cell arrangeerde het volledig elektronisch en combineerde het op single met ‘Where Did Our Love Go’ van The Supremes. Vooral in de verlengde versie, waarin beide nummers naadloos in elkaar overliepen, werd het een monsterhit waar niemand omheen kon.
De platenmaatschappij wilde er aanvankelijk traditionele gitaren, bas en drums op zetten, omdat het te vreemd klonk, maar het tweetal hield vast aan de kale synthversie.
Almond zong de partij in slechts twee takes in.
Vanuit het niets schoot ‘Tainted Love’ naar de eerste plaats in de Britse charts, waar het pas na een maand werd afgelost door Adam Ant, om vervolgens ook op het vasteland en wereldwijd een enorme hit te worden.
De single bereikte in zeventien landen de eerste positie en werd in het Verenigd Koninkrijk de op één na bestverkochte single van 1981.
In de Amerikaanse Billboard Hot 100 vestigde het nummer destijds een record door 43 weken genoteerd te blijven.
In Vlaanderen was de single goed voor een eerste plaats in de BRT Top 30 en dat voor twee weken lang.
In Nederland bereikte het nummer de vijfde plaats in de Top 40
Omdat zowel de A-kant als de B-kant covers betroffen, verdienden Almond en Ball niets aan auteursrechten, wat ze later weleens de duurste beslissing van hun carrière noemden.
Het overweldigende succes versnelde het werk aan hun debuutalbum ‘Non-Stop Erotic Cabaret’, waarvan de titel werd ontleend aan een neonreclame boven een revuebar in de Londense wijk Soho.
Het album werd in de zomer van 1981 in Londen opgenomen in Advision Studios onder leiding van producer Mike Thorne en geluidstechnicus Don Wershba, die hielpen om de minimalistische synthesizerlijnen om te smeden tot een rijk en modern studiogeluid.
Ball benutte apparatuur zoals de Korg SB-100 bassynth, de Roland Jupiter-4 en de geavanceerde Synclavier, aangedreven door strakke drummachines.
De thematiek van de plaat weerspiegelde de schaduwzijden van de grootstad en de Londense rafelranden. Nummers als ‘Seedy Films’, ‘Frustration’ en ‘Secret Life’ behandelden kille eenkamerflats, peepshows en de anonimiteit van het nachtleven, terwijl ‘Sex Dwarf’ ontstond naar aanleiding van een krantenkop in The News of the World.
Daarnaast stonden er melodieuze observaties op over eenzaamheid, zoals ‘Bedsitter’, dat het sobere leven in een gehuurde kamer zonder geld voor eten beschreef, en het weemoedige ‘Say Hello, Wave Goodbye’.
Uitgebracht eind november 1981, getooid met de bekende hoesfoto tegen een felrode achtergrond in theatrale nachtclubkledij, groeide het album uit tot een meesterwerk van de elektronische pop. De plaat bereikte de top vijf en leverde met ‘Bedsitter’ en ‘Say Hello, Wave Goodbye’ opnieuw grote top vijf-hits op.
Soft Cell zou in Groot-Brittannië in totaal tien officiële top 40-hits scoren, waaronder de losse single ‘Torch’, die de tweede plaats bereikte
Het snelle succes eiste echter zijn tol. Met ‘The Art of Falling Apart’ uit 1983 sloeg het tweetal een donkerdere, experimentelere weg in waarin vervreemding en de keerzijde van roem centraal stonden.
Na de release van ‘This Last Night in Sodom’ viel in 1984 definitief het doek voor de groep.
Marc Almond begon aan een veelzijdige sololoopbaan met weelderige ballads en chansoninvloeden.
Dave Ball ontpopte zich tot een gewilde producer en componist.
Hij schreef en produceerde muziek met onder anderen Kylie Minogue, Gavin Friday en The Virgin Prunes, en scoorde in 1994 met zijn houseproject The Grid een wereldwijde clubhit met ‘Swamp Thing’.
Begin deze eeuw volgde een succesvolle reünie met optredens en het album ‘Cruelty Without Beauty’ in 2002.
Na een groots afscheidsconcert in de Londense O2 Arena in 2018 bleek het partnerschap nog altijd springlevend, getuige het studioalbum ‘Happiness Not Included’ uit 2022, waarop onder meer werd samengewerkt met Pet Shop Boys.
De hernieuwde energie smaakte naar meer, waardoor Almond en Ball in de zomer van 2025 opnieuw intensief de studio indoken voor een gloednieuw project.
De titel die ze kozen, ‘Danceteria’, was een rechtstreekse verwijzing naar de legendarische New Yorkse club waar ze in 1982 zoveel inspiratie hadden opgedaan en waar Almond destijds onder meer een vroeg optreden van Madonna meemaakte.
Het duo wilde met broeierige ritmes, donkere baslijnen en melodieën met een rauw randje teruggrijpen naar die specifieke sfeer.
Midden augustus 2025 stonden ze nog samen op het podium als headliner van het Rewind Festival in Henley-on-Thames, wat hun allerlaatste optreden zou blijken.
De studio-opnames verliepen in een hoog tempo, waarbij Ball de strakke elektronische fundamenten legde en Almond teksten schreef die balanceerden tussen weemoed en scherpe eigentijdse observaties.
Het noodlot sloeg echter genadeloos toe: letterlijk enkele dagen nadat het album volledig was afgewerkt, overleed Dave Ball in de nacht van 22 oktober 2025 op 66-jarige leeftijd in zijn slaap in zijn woning in Londen.
Almond reageerde verslagen, maar herinnerde zich vooral hoe trots en opgetogen Ball was geweest over de nieuwe muziek en hoe ze hadden uitgekeken naar 2026.
In september 2026 verscheen ‘Danceteria’ alsnog, als postuum eerbetoon en definitief slotstuk van een partnerschap dat bijna een halve eeuw had standgehouden.
Het markeerde het sluitstuk van een carrière die ooit begon met blikjes kattenvoer op de kunstacademie en uitmondde in tijdloze elektropop, of zoals Almond het zelf relativeerde: de ene dag smeer je je in met kattenvoer op de kunstacademie, de volgende sta je terracotta potten uit te kiezen in het tuincentrum.


Het bizarre duo Soft Cell, noem ons cabaret, maar a.u.b geen Rock ‘n’ Roll



De oorsprong van de Sint-Walburgakerk in Oudenaarde valt samen met die van de stad.
Het begon als een bescheiden kapel die in 880 door de Noormannen werd geplunderd en in brand gestoken.
In 1110 liet Robert II, graaf van Vlaanderen, op deze plek een stenen kerk bouwen, waarbij het heiligdom werd toegewijd aan Sint-Walburga.
In het najaar van 1126, rond eind oktober of begin november, richtte graaf Boudewijn IV van Henegouwen een vreselijk bloedbad aan in de stad en stak hij het gebouw in brand.
Dit gebeurde tijdens het conflict tussen het graafschap Henegouwen en graaf Karel de Goede van Vlaanderen, vlak voor diens gewelddadige dood in Brugge in het voorjaar van 1127.
Bij deze gewelddadige inval werd de hele nederzetting zwaar getroffen.
De houten huizen en werkplaatsen rond de burcht en de markt werden massaal in de as gelegd, waardoor grote delen van de stad volledig verwoest raakten.
De Henegouwse troepen spaarden ook de burgerbevolking niet: talrijke inwoners en verdedigers kwamen om het leven tijdens de straatgevechten en de daaropvolgende branden, wat leidde tot een enorm verlies aan mensenlevens en een ontwrichte stad.
In 1150 begon men op de ruïnes met de bouw van een nieuw godshuis, dat in 1159 werd voltooid en ingewijd.
Alleen het koor en de aangrenzende kooromgang in Doornikse kalksteen zijn in hun oorspronkelijke vroeggotische stijl bewaard gebleven.
In latere eeuwen onderging het kerkgebouw verschillende verbouwingen en uitbreidingen volgens de regels van een meer geavanceerde bouwkunst.
Dankzij de bloeiende lakennijverheid en de latere wandtapijtindustrie kende Oudenaarde in de late middeleeuwen een periode van grote voorspoed.
Rond 1422 vatten het stadsbestuur en de kerkmeesters het plan op om het kerkgebouw grondig te moderniseren en uit te breiden in de stijl van de Brabantse gotiek, opgetrokken uit Balegemse zandsteen.
Men koos ervoor om vanuit het westen naar het oosten te bouwen.
Het opzet was om eerst een monumentale westertoren en een nieuw, ruim driebeukig schip met bundelpijlers en grote spitsboogvensters op te richten, waarna men het oude twaalfde-eeuwse koor eveneens zou slopen en vervangen.
In de tweede helft van de vijftiende eeuw begon men aan de bouw van de massieve westertoren.
Deze toren kreeg massieve steunpijlers, een rijk versierde lantaarn en werd bekroond met een hoge houten spits, bedekt met leien, waarmee het bouwwerk meer dan honderd meter hoog werd.
De toren diende niet enkel een religieus doel, maar fungeerde tevens als belfort en uitkijktoren voor de stad.
In de zestiende eeuw stokten de werkzaamheden echter door politieke onrust, godsdienstoorlogen en economische achteruitgang.
Hierdoor werd het oorspronkelijke totaalplan nooit afgewerkt.
Het oude koor in Doornikse kalksteen bleef daardoor gespaard, wat de Sint-Walburgakerk haar opmerkelijke hybride karakter gaf: een imposant Brabants-gotisch schip en toren die rechtstreeks aansluiten op het veel oudere, donkere koor.
De zestiende-eeuwse godsdiensttroebelen troffen het gebouw bijzonder zwaar.
Oudenaarde was uitgegroeid tot een broeihaard van calvinistische activiteit, mede onder impuls van de vele ambachtslieden uit de lakennijverheid en de tapijtweverij.
In augustus 1566 drong een groep beeldenstormers de kerk binnen en richtte een enorme ravage aan.
Heiligenbeelden werden vernield, altaren en schilderijen stukgeslagen en kostbare boeken, gewaden en glasramen gingen verloren.
Tussen 1577 en 1582 kwam de stad onder het bewind van een calvinistisch bestuur, waardoor de katholieke eredienst werd verboden en het interieur werd aangepast voor sobere protestantse preekdiensten.
Veel kerkelijk zilver en koper werd aangeslagen om stadsmuren en huursoldaten te bekostigen.
Het militaire geweld bereikte een hoogtepunt in 1582, toen de Spaanse landvoogd Alexander Farnese de stad belegerde.
Tijdens de zware artilleriebeschietingen liepen de daken, de gewelven en de toren van de kerk ernstige schade op.
Na de inname door Farnese werd het katholicisme hersteld, maar Oudenaarde verloor door de vlucht van vele calvinistische handelaars en wevers een groot deel van haar economische slagkracht.
Vanaf het einde van de zestiende en in de loop van de zeventiende eeuw volgde een moeizaam herstel, waarbij het vernielde interieur geleidelijk opnieuw werd ingericht in de geest van de contrareformatie.
Tijdens deze herinrichting kreeg de kerk een rijk barok en vroegclassicistisch meubilair dat het gotische skelet een heel nieuw aanzien gaf.
Het monumentale marmeren hoogaltaar uit de zeventiende eeuw verrees als een triomfantelijk portaal met zuilen en engelenfiguren, geflankeerd door diverse uitgewerkte houten en marmeren zijaltaren gewijd aan onder meer Onze-Lieve-Vrouw,
Op schilderkunstig vlak verwierf de kerk belangrijke barokke meesterwerken, waaronder de indrukwekkende Kruisafneming van Gaspar de Crayer, een vooraanstaand navolger van Rubens.
Het houten meubilair werd verrijkt met een zwierig gesneden achttiende-eeuwse preekstoel vol allegorische reliëfs, expressieve biechtstoelen met kariatiden en een sierlijke marmeren communiebank.
Daarnaast vond het lokale ambacht zijn weerslag in een uitzonderlijke collectie historische Oudenaardse wandtapijten, de befaamde verdures uit de zestiende en zeventiende eeuw met hun kenmerkende weelderige groenpartijen en landschappen, die bij feestelijke liturgische gelegenheden de wanden sierden.
Ook daarna bleef rampspoed het gebouw achtervolgen.
Op 6 mei 1798 sloeg het noodlot toe toen een hevige blikseminslag de houten torenspits in brand zette.
De spits stortte in en werd om veiligheidsredenen en wegens geldgebrek tijdens de Franse periode nooit meer in haar oorspronkelijke vorm heropgebouwd.
De toren kreeg een sobere, stompe afsluiting, waardoor het bouwwerk zijn huidige herkenbare hoogte van net geen negentig meter kreeg die vandaag het uitzicht op het marktplein bepaalt.

Gisteren nog vandaag



Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag