Van beeldbuis tot smart-tv: de evolutie van de breedbeeldtelevisie sinds 1991

In 1991 veranderde het televisielandschap ingrijpend met de introductie van de allereerste breedbeeldtelevisie op de consumentenmarkt.

Tot die tijd keek de wereld op vierkante schermen met een beeldverhouding van 4:3, wat betekende dat speelfilms in het bekende bioscoopformaat vaak werden afgesneden of onaantrekkelijke zwarte balken boven en onder het beeld vertoonden.

Met de komst van de 16:9-beeldverhouding haalden pioniers zoals Philips de bioscoopbeleving naar de huiskamer.

De eerste generatie breedbeeldtelevisies maakte nog steeds gebruik van een traditionele kathodestraalbuis.

Het waren zware, kolossale meubelstukken die tientallen kilo’s wogen en diep de kamer in staken, maar de panoramische ervaring die ze boden legde het fundament voor een nieuwe standaard.

In de zomer van 1991 kwam de bioscoop thuis zo een stapje dichterbij door de introductie van de eerste breedbeeld 16:9 televisietoestellen en het begin van de eerste tv-uitzendingen per satelliet volgens dit nieuwe, grotere beeldformaat.

Deze eerste stappen op weg naar volledige high-definition-tv waren nog voorzichtig, de uitzendingen vonden mondjesmaat plaats en de toestellen waren behoorlijk prijzig, want voor een nieuw tv-toestel moest bijna 4.500 euro worden neergeteld.

Daar kreeg de kijker wel een zichtbare verbetering voor terug.

Een van de eerste demonstratietoestellen van de nieuwe 16:9-tv’s van Philips stond opgesteld voor de pers.

Het was een mooi, maar groot apparaat.

Wanneer het toestel werd aangezet, verscheen er een vertrouwd testbeeld op het scherm in de normale 4:3-verhouding, wat het beeldformaat was van de toenmalige televisies waarvoor alle camera’s, studio-apparatuur, tv-zenders en ontvangers waren ingericht.

Omdat de beeldbuis van deze nieuwe televisie een stuk breder was, waren er zwarte balken links en rechts op het beeld te zien.

Dat zou veranderen als er daadwerkelijk tv-uitzendingen volgens het 16:9-beeldformaat plaatsvonden, wat mogelijk werd gemaakt door de nieuwe Europese uitzendnorm D2-MAC.

Tijdens de Berlijnse Funkausstellung, eind augustus van dat jaar, zouden de eerste breedbeeld-tv-uitzendingen plaatsvinden.

De Duitse satellietzender 1 Plus had toen reeds aangekondigd dagelijks via de TV-Sat minstens één speelfilm in het brede formaat uit te zenden. Andere zenders zouden volgen, zoals de abonnee-tv-kanalen van BSkyB in Engeland.

Begin 1992 zou waarschijnlijk ook het Nederlandse D2-TV volgen, waarbij de publieke omroepen per satelliet eveneens breedbeeld-uitzendingen zouden verzorgen.

In Vlaanderen werd D2-TV echter niet op grote schaal ingezet door de eigen openbare omroep (toen de BRTN) of commerciële zenders zoals VTM.

België beschikte toen al over een van de meest dekkende kabelnetwerken ter wereld.

Omdat D2-MAC primair was ontworpen voor directe satellietuitzendingen en doorgifte via specifieke kabeldecoders, verkozen de Vlaamse omroepen en kabelbeheerders een andere route voor breedbeeld.

Voor de overgang naar het 16:9-formaat maakten zij in de jaren negentig voornamelijk gebruik van uitzendingen in letterbox en later de PALplus-techniek, die direct compatibel waren met het bestaande analoge kabelnet en de traditionele televisietoestellen.

Vlaamse kijkers kwamen wel in aanraking met D2-MAC wanneer ze beschikten over een eigen schotelantenne of wanneer de lokale kabelmaatschappij buitenlandse satellietkanalen doorgaf, aangezien Duitstalige en Franstalige zenders wel via D2-MAC uitzonden.

Aangezien de benodigde decoders en televisies erg duur waren en de technologie al snel werd ingehaald door de opkomst van de volledig digitale DVB-standaard, is D2-TV in Vlaanderen nooit een volksstandaard geworden.

Omdat er toen nog niet zo heel veel van dergelijke uitzendingen waren, hadden de technici een aardig foefje bedacht.

Een druk op de knop movie expand zorgde ervoor dat het testbeeld plotseling beeldvullend werd en als het ware werd opgeblazen om tot de volle breedte te reiken.

Daarbij ging een stuk van de boven- en onderkant van het beeld verloren.

Bij een testbeeld stond dat heel raar, maar bij gewone tv-programma’s viel het beeldverlies enorm mee.

Men gaf aan dat degenen die het toestel thuis hadden staan, al snel vrijwel uitsluitend naar het uitgerekte beeld keken.

Deze functie kwam pas echt goed tot zijn recht als er een speelfilm in de volle breedte werd uitgezonden in het zogenaamde letterbox-formaat, met een zwarte balk boven en onder in het beeld.

Met de movie expand-knop verdwenen de beide zwarte balken en vulde de film het volledige scherm.

Daarbij kon via een speciale tilt-functie het beeld op en neer worden bewogen, zodat de ondertiteling goed leesbaar bleef.

Met deze knop zorgde zelfs een gewone tv-uitzending voor een uitstekende breedbeeld-sensatie.

Dat gold niet alleen voor tv-uitzendingen, maar ook voor het afspelen van voorbespeelde videobanden en Laserdisc-beeldplaten die als letterbox waren uitgevoerd.

Helaas werden destijds niet alle films zo uitgezonden of op band gezet en werd er veelal gebruikgemaakt van de zogenaamde pan-and-scanmethode.

Hierbij werd van het oorspronkelijke 16:9-filmbeeld een uitsnede gemaakt, waardoor een gedeelte van het oorspronkelijke beeld verloren ging.

Wanneer er in D2-MAC zou worden uitgezonden, kon ook dit probleem worden opgelost.

Bij deze nieuwe tv-norm bestond namelijk de mogelijkheid om pakketjes met digitale informatie mee te sturen.

Zo kon in D2-MAC een speelfilm op tv-toestellen van het beeldformaat 4:3 met de pan & scan-methode worden getoond, terwijl bezitters van 16:9-toestellen van de volle beeldbreedte konden genieten.

Voor het einde van dat jaar brachten verschillende Europese fabrikanten dergelijke breedbeeld-tv-toestellen op de markt.

Het getoonde model van Philips zou in de winkels verkocht worden voor net iets minder dan 4.500 euro.

De tv-toestellen van de nieuwe 16:9-generatie waren nog geen high-definitiontoestellen, want hoewel het beeld groter was, werd er nog gebruikgemaakt van het toenmalige systeem van 625 beeldlijnen.

Tv-toestellen die 1250 beeldlijnen toonden, bestonden nog niet, omdat de beeldbuistechniek nog niet zo ver gevorderd was dat er zoveel lijnen op een buis getoond konden worden.

Daarom kon men destijds echte HDTV uitsluitend via een projectiesysteem zien,

Het maken van echte HDTV-beeldbuizen vormde de volgende grote uitdaging.

De gaatjes in het scherm moesten daarvoor nog kleiner worden dan de toenmalige 0,75 millimeter bij high-end toestellen, tot theoretisch 0,35 millimeter.

Toch kon met de nieuwe 16:9-toestellen al een bijzonder goede beeldkwaliteit worden bereikt, onder andere door toepassing van de 100 Hertz-techniek waarmee een rustiger beeld werd verwezenlijkt.

Daarnaast paste men alle andere foefjes toe die in de high-end tv-toestellen het PAL-beeld zo mooi hadden gemaakt, inclusief de mogelijkheid om bij klaarlichte dag een haarscherp en duidelijk beeld te bieden.

De vraag was natuurlijk wie de nieuwe 16:9 tv-toestellen zou kopen.

De nieuwe 16:9 tv-toestellen waren met hun 4.500 euro beslist niet goedkoop, en Philips en collega Thomson, die een soortgelijk apparaat op de markt brachten, rekenden op een bescheiden markt van enkele duizenden toestellen in het eerste jaar.

Men dacht daarbij aan de aantallen die toen verkocht werden van de extra grote tv-toestellen met een beeldbuis van tachtig centimeter of meer, die eveneens bijzonder duur waren.

Als de verkochte aantallen omhoog zouden gaan, zou de prijs vanzelf zakken.

De nieuwe Philips breedbeeld-tv, de 36 ML8906, werd toen uitsluitend geleverd als drie-eenheid: in de eerste plaats het toestel zelf met het grote beeldbuisformaat in de verhouding 16:9, daarnaast het Cinema Sound System waarmee de cd-geluidskwaliteit optimaal tot zijn recht kwam en flink kabaal gemaakt kon worden bij spektakelfilms en concerten, en tenslotte een aparte tuner.

Daarbij kon gekozen worden uit een satelliet-tuner voor bezitters van een eigen schotelantenne, of een kabel-MAC-tuner voor aansluiting op een kabelnet waarop D2-MAC-signalen werden doorgegeven.

Na deze 16:9 breedbeeldtoestellen met D2-MAC zou de volgende stap HD-MAC zijn, de echte high-definitiontelevisie met 1250 beeldlijnen.

Philips kondigde toen aan dat dergelijke toestellen al in het voorjaar van 1994 verkrijgbaar zouden zijn, wat in tegenstelling was tot eerdere berichten die spraken van 1995.

Philips Nederland gaf toen aan in het begin geen grote aantallen te verwachten, maar dacht dat het zichtbaar grotere beeld een aantrekkingskracht zou uitoefenen op de trendsetters.

Met de introductie van de breedbeeld 16:9 tv-toestellen ging de televisie een nieuwe fase in. Technisch gesproken was het uiteindelijk de consument die zou bepalen of deze extra uitbreiding van het tv-beeld ook werkelijk de moeite en het geld waard was, terwijl de Europese elektronische industrie met grote belangen op het spel de vingers gekruist hield.

Voor de televisieomroepen bracht deze verschuiving van 4:3 naar 16:9 een enorme operationele en technische uitdaging met zich mee.

In de beginjaren beschikte het overgrote deel van de kijkers immers nog over een oude, vierkante beeldbuis.

Zenders moesten daardoor gedurende een lange overgangsperiode dubbel werk verrichten of creatieve oplossingen bedenken, zoals het uitzenden in letterbox (zwarte balken) of het toepassen van zogenaamde PALplus-signalen.

Ook de cameramensen, regisseurs en decorbouwers moesten hun manier van werken volledig herzien.

Bij het kadreren van beelden moesten regisseurs rekening houden met de safe zone: cruciale informatie, zoals nieuwslezers of spelscores, moest in het midden van het beeld blijven staan, zodat kijkers met een oud toestel het niet misten, terwijl het volledige 16:9-beeld werd benut door bezitters van een breedbeeld-tv.

Pas toen de consumentenmassa massaal overstapte, schakelden zenders definitief over naar een volledig digitale 16:9-productieketen.

Vandaag de dag sturen omroepen hun programma’s op een geheel andere manier de wereld in.

De analoge ether- en kabelsignalen van vroeger zijn volledig verdwenen en vervangen door digitale distributie.

Zenders zenden nu voornamelijk uit in High Definition (1080i of 1080p) via glasvezel, digitale kabel, satelliet en het internet.

Daarnaast is de lijn tussen traditionele lineaire televisie en online distributie vervaagd.

Omroepen maken gebruik van geavanceerde compressietechnieken zoals H.264 en HEVC (H.265) om hoogwaardige beelden efficiënt te streamen.

Naast de traditionele live-uitzendingen bieden zenders hun content simultaan of on demand aan via eigen apps en streamingplatforms, waarbij het signaal zich automatisch aanpast aan de schermgrootte en de internetsnelheid van de gebruiker.

In de decennia die volgden, maakte de televisietechnologie een stormachtige ontwikkeling door.

De zware beeldbuis maakte in het eerste decennium van de 21e eeuw plaats voor platte plasmaschermen en lcd-televisies, waardoor het beeldscherm voortaan aan de muur kon worden opgehangen.

Samen met de vorm veranderde ook de beeldkwaliteit razendsnel.

De overstap van standaarddefinitie naar HD en later Full HD zorgde voor een revolutie in scherpte, gevolgd door 4K en 8K, waarbij pixels voor het menselijk oog vrijwel onzichtbaar werden.

Tegelijkertijd evolueerden de schermtechnologieën naar OLED en QLED, wat resulteerde in ongeëvenaard contrast, diepe zwartwaarden en spatzuivere kleuren.

Met de opkomst van het internet transformeerde het scherm bovendien van een passief ontvangsttoestel tot een slimme hub.

De moderne smart-tv biedt direct toegang tot streamingdiensten, games en apps, waarmee de traditionele grens tussen tv, computer en bioscoop definitief is vervaagd.

Kijkend naar de toekomst staat de tv-industrie opnieuw aan de vooravond van een fascinerende transformatie.

Een van de belangrijkste technologische doorbraken is MicroLED, een technologie die de voordelen van OLED combineert met een extreem hoge helderheid en een lange levensduur, opgebouwd uit modulaire panelen die op termijn schermen van elk denkbaar formaat mogelijk maken.

Schermen worden bovendien flexibeler en integreren beter in het interieur.

In de toekomst zullen oprolbare, transparante en opvouwbare displays steeds gangbaarder worden, waardoor het zwarte vlak in de woonkamer verdwijnt wanneer het toestel niet wordt gebruikt.

Ook kunstmatige intelligentie gaat een steeds grotere rol spelen door beelden in realtime te herstellen, scherper te maken en aan te passen aan het omgevingslicht.

Daarnaast wordt geëxperimenteerd met ruimtelijke weergave en brillenvrij 3D, waarbij beelden diepte krijgen en vanuit verschillende hoeken realistisch ogen.

De televisie van de toekomst wordt zo minder een fysiek apparaat op een dressoir en steeds meer een naadloos, interactief venster op de wereld.

Van pienter pookje tot Volvo: het verhaal van Nederlands enige echte autofabriek

Het is tegenwoordig haast niet meer voor te stellen, maar er was een tijd dat heel Nederland in de ban was van een gloednieuwe, eigenzinnige auto.

We hebben het over de gloriedagen van het paffen in een kleine DAF 600, een vertrouwd tafereel dat symbool staat voor de sfeer en de innovatiedrang van de late jaren vijftig en vroege jaren zestig.

Tussen 1958 en 1963 rolde dit iconische model van de band in Eindhoven, en het sloeg direct in als een bom.

Toen de wagen in februari 1958 op de AutoRAI in Amsterdam werd gepresenteerd, stonden de bezoekers letterlijk rijen dik om een glimp op te vangen van dit Hollandse wonder op wielen.

Er werden tijdens die beurs meteen duizenden bestellingen geplaatst.

Het geheim van de immense populariteit zat hem vooral in een technische revolutie onder de motorkap: de Variomatic.

Deze geniale vinding van DAF-oprichter Hub van Doorne was een continu variabele transmissie, aangedreven door dikke rubberen riemen.

Het systeem kreeg al snel de bekende reclamebijnaam ‘het pientere pookje’.

Het zorgde ervoor dat de bestuurder zelf niet meer hoefde te schakelen. Je hoefde alleen maar gas te geven en te remmen, wat voor die tijd echt een betaalbaar unicum was in de autowereld.

Een opvallend en wereldberoemd weetje over dit revolutionaire systeem is dat de DAF 600, en alle latere DAF-modellen met een Variomatic, dankzij deze traploze transmissie net zo hard achteruit als vooruit konden rijden.

Deze unieke eigenschap leidde decennia later tot de legendarische en nogal spectaculaire achteruitrijraces in het televisieprogramma Te Land, Ter Zee en in de Lucht, waarbij de DAF’jes steevast de grote favoriet waren.

Hoewel de auto in de beginjaren internationaal werd geprezen als een technisch meesterwerk, veranderde het imago in de loop der tijd een beetje.

Omdat de auto door zijn eenvoudige bediening enorm populair werd bij oudere bestuurders, kreeg de DAF in de volksmond oneerbiedige bijnamen zoals de truttenschudder met jarretelaandrijving.

Toch lieten de gebroeders Van Doorne zich niet kennen en bleven ze het merk succesvol doorontwikkelen met modellen als de Daffodil, de 33, 44 en uiteindelijk de 66, vaak met strakke ontwerpen van de beroemde Italiaanse ontwerper Giovanni Michelotti.

Aan dit unieke hoofdstuk in de Nederlandse industriegeschiedenis kwam in de jaren zeventig langzaam een einde.

De ontwikkelingskosten werden te hoog voor een relatief kleine fabrikant.

In 1975 werd de personenautofabriek van DAF in het Limburgse Born definitief opgeslokt door het Zweedse Volvo.

Het destijds actuele model, de DAF 66, werd met wat aanpassingen zoals dikkere bumpers omgedoopt tot de Volvo 66.

Daarmee viel het doek voor de enige echte, volledig Nederlandse personenautofabriek van serieproductiemodellen.

Wat achterbleef is een tastbaar stukje nostalgie en een onuitwisbare stempel op de wereldwijde autogeschiedenis.

Michel Delpech en het succesverhaal achter zijn zomerhit ‘Pour Un Flirt’.

Michel Delpech werd op 26 januari 1946 geboren in Courbevoie, vlak bij Parijs.

Hij groeide op in een muzikaal gezin en liet zich al op jonge leeftijd inspireren door grote Franse meesters zoals Charles Aznavour en Gilbert Bécaud.

In de jaren zestig zette hij zijn eerste stappen in de muziekwereld en brak hij door met nummers zoals Chez Laurette.

Samen met componist Roland Vincent schreef hij in 1969 het door de hippiecultuur geïnspireerde ‘Wight Is Wight’.

Deze single werd een groot succes en behaalde een tweede plaats in Wallonië en een veertiende plaats in Vlaanderen.

De echte internationale doorbraak voor het duo Delpech en Roland Vincent kwam twee jaar later, in de lente van 1971.

Samen schreven ze het aanstekelijke nummer ‘Pour Un Flirt’.

Het liedje viel op door de speelse tekst over een onbezorgde romance, de vrolijke melodie en de warme, meeslepende stem van Delpech.

Het werd een gigantische zomerhit in 1971 die de eerste plaats bereikte in de BRT Top 30 in België en wekenlang de hitlijsten aanvoerde.

Ook in Nederland maakte de single indruk met een derde plaats in de Top 40.

Dankzij dit nummer groeide Michel Delpech uit tot een waar tieneridool.

In de jaren daarna bleef Delpech populair in de Franstalige wereld en schreef hij nog tal van andere pareltjes zoals ‘Les divorcés’, ‘Le Chasseur’, ‘Quand j’étais chanteur’, ‘Ce lundi-là’, ‘Loin d’ici’ en natuurlijk ook ‘La maison est en ruine’.

Hoewel hij later in zijn carrière te maken kreeg met persoonlijke tegenslagen en gezondheidsproblemen, bleef hij tot op latere leeftijd optreden en albums opnemen.

Michel Delpech overleed op 2 januari 2016 op negenenzestigjarige leeftijd, maar Pour Un Flirt geldt tot op de dag van vandaag als een tijdloze klassieker uit de Franse popmuziek.

Het Bewogen Leven en de Swing van Harry James

Harry Haag James was een van de invloedrijkste en meest virtuoze trompettisten uit het swing- en bigbandtijdperk.

Dit jaar is het precies 110 jaar geleden dat hij werd geboren. Opgegroeid in het circus als zoon van een kapelmeester en een trapeze-artieste, stond hij als kind al op het podium.

Bij reizende gezelschappen zoals het Mighty Haag Circus en het Christy Brothers Circus begon zijn carrière op een heel bijzondere manier: als vierjarige werkte hij er als slangenmens onder de artiestennaam ‘the Human Eel’ (de Menselijke Aal), en als zevenjarige viel hij al in als drummer van de circusband.

Toen hij door een medische ingreep moest stoppen met acrobatiek, leerde hij onder de uiterst strenge leiding van zijn vader trompet spelen.

Dat bleek zijn ware roeping.

Op twaalfjarige leeftijd leidde hij in het circus al de tweede band van de show.

Dit zware circusleven gaf hem niet alleen een ijzersterke longinhoud en een feilloze techniek op de trompet, maar vormde ook de basis voor zijn unieke podiumuitstraling.

James speelde niet zomaar muziek; hij wist hoe hij een zaal moest inpalmen.

Met zijn rijke, uitgesproken vibrato, explosieve hoge noten en een doordringende, warme toon trok hij direct alle aandacht naar zich toe.

Hij combineerde een weergaloze virtuositeit met flair, dramatische dynamiek en een glamoureuze podiumaanwezigheid die het publiek betoverde.

Zijn stijl was niet ingetogen of schroomvallig, maar groots, meeslepend en gemaakt voor het vermaak van massa’s.

Zijn echte doorbraak kwam in 1936, toen hij toetrad tot het beroemde orkest van Benny Goodman.

Met zijn krachtige geluid en podiumuitstraling werd hij al snel een van de absolute blikvangers van het swingtijdperk.

In datzelfde jaar trouwde hij met de jazzzangeres Louise Tobin. Het huwelijk eindigde in 1943

In 1939 besloot James voor zichzelf te beginnen en richtte hij zijn eigen bigband op.

Dat bleek een gouden greep, want in datzelfde jaar ontdekte hij een nog onbekende 23-jarige zanger genaamd Frank Sinatra.

Samen namen ze nummers op als ‘All or Nothing at All’, wat een paar jaar later uitgroeide tot een gigantische hit.

Hoewel hij de swing toen niet volledig achter zich liet, werd zijn stijl geleidelijk commerciëler.

Virtuoze hoogstandjes als ‘Ciribiribin’ en ‘The Flight Of The Bumble Bee’ hielden hem nog een hele poos populair, en zijn technische vaardigheid dwong steevast respect af.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog beleefde Harry James zijn absolute commerciële hoogtepunt.

Met romantische en meeslepende krakers als ‘You Made Me Love You’ en ‘Sleepy Lagoon’ groeide zijn orkest uit tot de populairste band van Amerika.

Zijn status als superster werd nog verder versterkt door zijn privéleven en glamour.

In 1943 trouwde hij met Hollywood-icoon en pin-up Betty Grable, waarmee ze een van de beroemdste celebritykoppels van hun tijd vormden.

Ze hadden elkaar ontmoet tijdens de opnames van de muzikale film ‘Springtime in the Rockies’ (1942).

Het paar was een absolute publieksfavoriet en een geliefd onderwerp in de roddelbladen.

Onder de Amerikaanse soldaten tijdens de Tweede Wereldoorlog ontstond zelfs de bekende slogan: “I want a girl just like the girl that married Harry James”.

Samen kregen ze twee dochters, Victoria en Jessica.

Het huwelijk bleef uiteindelijk 22 jaar duren, maar was verre van een sprookje achter de schermen.

Het stel deelde grote passies buiten de muziek en film om; zo waren ze allebei verknocht aan paardenraces.

Ze bezaten hun eigen ranch in Calabasas en een stal met succesvolle volbloedracepaarden die diverse grote races wonnen.

Achter de schermen kampten ze echter allebei met overmatig alcoholgebruik, gokverslavingen en wederzijdse ontrouw.

In 1965 kwam er definitief een einde aan hun huwelijk met een echtscheiding, al bleven ze tot Betty’s overlijden in 1973 op vriendschappelijke voet met elkaar omgaan.

Twee jaar na zijn scheiding van Betty Grable stapte James op 27 december 1967 in Reno opnieuw in het huwelijksbootje.

Zijn derde vrouw was de 27-jarige Joan Boyd, een voormalige showgirl uit het bruisende nachtleven van Las Vegas, waar James in die tijd een graag geziene performer was.

Het leeftijdsverschil van maar liefst 24 jaar (James was destijds 51) en de opvallende verschijning van zijn minirok dragende bruid trokken veel aandacht in de pers.

Samen kregen ze één kind (een zoon, Michael), wat het totale aantal kinderen van James op vijf bracht.

Dit derde huwelijk bleek echter van zeer korte duur en hield geen stand: na ruim twee jaar vroeg Joan in maart 1970 de echtscheiding aan op grond van onoverkoombare verschillen.

Na de breuk met Joan Boyd bleef James ongehuwd tot aan zijn overlijden.

James was regelmatig te zien in muzikale Hollywoodfilms en vulde moeiteloos de grootste zalen.

Toch brokkelde zijn enorme populariteit na de oorlog langzaam af.

In de jaren vóór augustus 1961 was hij wat naar de achtergrond geraakt en dreigde hij te worden gezien als een van de vele ‘vergeten mannen van de jazz’.

Als kostwinner maakte hij zich daar waarschijnlijk geen zorgen om, want financieel zat hij er warmpjes bij.

Maar als gedreven musicus kon hij de tijd niet vergeten waarin hij zalen vol publiek in vervoering bracht met zijn feilloos swingende blaaswerk, met name in de tweede helft van de jaren dertig.

James besefte dit terdege en wilde zich er niet bij neerleggen.

Hij greep in en stapte over naar de nieuwe platenfirma MGM.

Met zijn album ‘Harry James And His New Swingin’ Band’, uitgebracht in 1959 en bij ons verkrijgbaar in 1960, liet hij zien dat hij zijn muzikale koers grondig verlegde.

Het album werd destijds door velen zelfs beschouwd als een van de beste bigband-albums van die periode.

Zijn ‘New Swingin’ Band’ zat ontegenzeggelijk sterk in elkaar. Alle elf nummers lieten de kwaliteit van het album horen: ‘Shiny Stockings’, ‘How Deep Is The Ocean’, ‘Slats’, ‘Blues Like’, ‘Cotton Tail’, ‘To Close For Comfort’, ‘Kingsize Blues’, ‘M-Squad Theme’, ‘Deep Purple’, ‘Walkin” en ‘Get Off The Stand’.

Het was pure swing, nauw verwant aan de stijl van Count Basie.

Het nummer ‘Get Off The Stand’ verdiende speciale aandacht. Ernie Wilkins, de vaste arrangeur van de band, schreef dit stuk op uitdrukkelijk verzoek van James.

Het begon met het voltallige orkest, waarna diverse solisten en secties achtereenvolgens werden gelanceerd om vervolgens stil te vallen, waarna uiteindelijk alleen de ritmesectie overbleef om het nummer af te sluiten.

Met deze indrukwekkende eerste MGM-langspeler liet Harry James zien dat zijn nieuwe band ruimschoots in staat was om hem definitief te bevrijden van het etiket ‘vergeten man van de jazz’.

Ook de opvolger ‘Harry James… Het album ‘Today!’ uit 1961 was meer dan goed.

Critici en pers merkten op dat Harry James met dit album de strijksectie en vocalisten achterwege liet om een rauwere, modernere bigband-sound neer te zetten.

De arrangementen (onder andere van Ernie Wilkins en Neal Hefti) leunden zwaar op de stuwende, bluesy swingstijl van Count Basie.

Recensenten benadrukken dat hij in deze periode zijn eerdere commerciële ‘schmaltz’ inruilde voor geloofwaardige en vlijmscherpe jazzsolo’s.

Zijn trompetspel was daarin krachtig en loepzuiver, wat onder meer te horen was op klassiekers als ‘Undecided’, ‘Satin Doll’, ‘King Porter Stomp’ en ‘Take the ‘A’ Train’.

Door over te schakelen op deze meer op jazz en strakke swing gerichte stijl bewees hij opnieuw zijn artistieke kracht en bleef hij tot kort voor zijn overlijden in 1983 vol passie optreden.

Toen bij James in 1983 kanker werd geconstateerd (maligne lymfoom), bleef hij doorspelen; zijn laatste concert gaf hij op 26 juni 1983, kort voor zijn overlijden.

In hetzelfde jaar werd hij opgenomen in de Georgia Music Hall of Fame.

Het orkest met de naam van Harry James is nog steeds actief en wordt geleid door de trompettist Fred Radke.

De inmiddels tachtigjarige trompettist staat al sinds 1989 onafgebroken aan het roer van deze legendarische bigband.

Hij nam destijds de leiding over na het overlijden van zijn mentor en oorspronkelijke bandleider Harry James in 1983.

Tijdens de optredens brengt het orkest nog altijd de originele arrangementen en de kenmerkende swing-sound uit het gouden bigband-tijdperk.

Radke neemt daarbij zelf de iconische trompetsolo’s van Harry James voor zijn rekening.

Ze treden nog regelmatig live op in theaters en concertzalen, voornamelijk binnen de Verenigde Staten.

In november 2026 keert Fred Radke bovendien terug als artist in residence bij het Hillsdale College in Michigan, een jaarlijkse traditie waarbij hij masterclasses geeft en concerten dirigeert.

Toni Braxton: het veelzijdige leven en de indrukwekkende carrière van een r&b-icoon.

Toni Braxton is de oudste van zes kinderen en groeide op in een streng religieus gezin, aangezien haar vader geestelijke was.

Haar allereerste optreden was dan ook het meezingen in het kerkkoor.

Na de basisschool op de Richard Henry Lee Elementary School doorliep ze de Corkran Middle School en Glen Burnie High School.

Hoewel ze vervolgens een studie volgde aan de Bowie State University om lerares te worden, ontdekte ze al snel dat haar ware passie in de muziek lag.

Haar muzikale carrière kende vele successen. Ze begon in de soulgroep The Braxtons samen met haar vier zussen, waarna ze doorbrak met een uiterst succesvolle solocarrière.

Wereldwijd verkocht ze zo’n 48 miljoen platen en won ze maar liefst zeven Grammy Awards.

Haar grootste en bekendste hit is Unbreak My Heart, maar ze scoorde eveneens hoog met singles als Breathe Again, You’re Makin’ Me High, I Don’t Want To en He Wasn’t Man Enough.

In 2006 behaalde ze voor de laatste maal een Europese hit met The Time Of Our Lives, een samenwerking met Il Divo.

Als eerbetoon aan haar oeuvre werd ze in 2011 opgenomen in de Georgia Music Hall of Fame.

Toch kende haar loopbaan ook de nodige hobbels.

Een zakelijk geschil met haar platenfirma dwong haar om op 23 juni 1998 in Los Angeles haar faillissement aan te vragen.

Daarnaast was haar vierde album More Than A Woman een commerciële flop en wisselde ze door wisselend succes meerdere keren van platenmaatschappij.

Naast haar zangcarrière richtte Toni zich al snel op acteren en produceren.

In 1998 speelde ze de rol van Belle in de Broadway Disney-musical Beauty and the Beast, waarna ze in 2003 de titelrol in de musical Aida vertolkte.

Ook deed ze mee aan het zevende seizoen van het Amerikaanse programma Dancing With The Stars.

Tegenwoordig werkt ze intensief samen met het netwerk Lifetime, waar ze zowel de hoofdrol vertolkt als optreedt als uitvoerend producent van televisiefilms als He Wasn’t Man Enough en Breathe Again, die gebaseerd zijn op haar grootste hits.

Op persoonlijk vlak trouwde ze op 21 april 2001 met Keri Lewis, met wie ze twee kinderen heeft.

Haar gezondheid heeft haar door de jaren heen flink op de proef gesteld.

Nadat geruchten over borstkanker in augustus 2007 door haarzelf ontkend werden, werd er in 2008 wel een goedaardig gezwel uit haar borst verwijderd.

In 2010 maakte ze bekend aan de auto-immuunziekte lupus te lijden.

Wegens complicaties werd ze in 2012 opgenomen in het ziekenhuis, en in oktober 2016 volgde een ziekenhuisopname in Atlanta vanwege vernauwde bloedvaten in haar hart.

Toni Braxton is tot op de dag van vandaag zeer actief.

Hoewel haar meest recente volwaardige album uit 2020 stamt, brengt ze nog steeds regelmatig nieuwe muziek en samenwerkingen uit.

Momenteel toert ze door de Verenigde Staten samen met r&b-legendes als New Edition en Boyz II Men.

In de zomer van 1976 bevrijdde de Britse viermansformatie The Real Thing zichzelf in één klap van al haar vorige klusjes.

De groep werd aan het begin van de jaren zeventig opgericht in de wijk Toxteth in Liverpool.

Aanvankelijk traden de leden op onder namen zoals Sophisticated Soul Brothers.

De uiteindelijke bandnaam ontstond volgens de overlevering toen hun manager Tony Hall op Piccadilly Circus in Londen een levensgroot reclamebord van Coca-Cola zag staan met de bekende slagzin.

De vaste kern van de groep werd gevormd door de broers Chris en Eddie Amoo, aangevuld met Dave Smith en Ray Lake.

Na enkele jaren van bescheiden successen en optredens in de bekende tv-talentenshow Opportunity Knocks, kwam in 1976 de grote doorbraak.

Ze waren niet langer de jongens die David Essex vocaal bijstonden op zijn singles en tijdens zijn optredens, en ook het werk als jingle-inzingers lag definitief achter hen.

Iedereen kende hen plotseling dankzij de enorme zomerhit ‘You To Me Are Everything’.

Die doorbraak kwam er dankzij de single die in het voorjaar van 1976 via Pye Records werd uitgebracht.

Het nummer werd geschreven en geproduceerd door het koppel Ken Gold en Michael Denne.

De twee songschrijvers bedachten de meeslepende melodie en het pakkende refrein in minder dan een uur tijd, speciaal afgestemd op de warme tenorstem van leadzanger Chris Amoo.

De song steeg door naar de absolute top van de Britse hitparade, nadat er op het hoogtepunt maar liefst 30.000 exemplaren per dag van over de toonbank gingen.

In juli 1976, midden in de broeierige Britse zomer, klom de single naar de absolute eerste plaats van de Britse hitparade.

Het nummer bleef drie weken lang bovenaan de UK Singles Chart staan en zorgde voor een historisch moment: The Real Thing werd daarmee de eerste volledig zwarte Britse band die toen een nummer 1-hit scoorde in het Verenigd Koninkrijk.

Ook buiten Groot-Brittannië werd de song een grote hit.

In Vlaanderen was het nummer goed voor de achtste plaats in de BRT Top 30, terwijl de single het in Nederland nog iets beter deed en daar de vierde plaats bereikte in de Top 40.

Ondanks dat plotselinge succes hielden de bandleden er een opmerkelijk doordachte en verrassende visie op na.

Ze waren namelijk niet van plan om vijf jaar op een doorbraak te wachten om vervolgens na één knaller weer in de vergetelheid te verzinken.

Eddie Amoo kon het nauwelijks geloven toen manager Tony Hall hem opbelde met het nieuws dat de single als een raket omhoogschoot.

Eddie trok halsoverkop zijn kleren aan, stapte in de wagen en kocht alle muziekkranten die hij kon vinden om de hitlijsten met eigen ogen te zien.

Pas toen hij de notering op nummer 22 in Top of the Pops zag staan, drong het werkelijk tot hem door.

Toch voelde de groep dat succes heel nuchter aan.

Ze wilden dit momentum vooral gebruiken om materiaal uit te brengen dat veel dichter lag bij wie ze echt waren.

Ze vonden ‘You To Me Are Everything’ simpelweg niet representatief voor hun eigen muzikale identiteit.

Zonder enige artistieke pretentie zagen de jongens die hit puur als een opstapje naar een wijdere en diepere creatieve ruimte.

Na een reeks van zo’n zes spectaculaire flops uit het verleden stonden ze nu eenmaal anders in het leven toen ze het nummer opnamen.

Ken Gold ging eerder ook met hen aan de slag voor hun geplande conceptalbum over het leven in Liverpool 8.

Dat project lag de mannen nauw aan het hart.

Ze wilden het verhaal vertellen van een kind dat opgroeide in een reusachtig appartementsgebouw van negentig verdiepingen.

Op Ray na kwamen alle bandleden uit die dichtbevolkte en arme wijk bij de dokken, waar misdaad aan de orde van de dag was, maar waar ook mensen met een ijzeren karakter zoals bokser John Conteh opgroeiden.

Waar iedereen bij Liverpool meteen aan The Beatles dacht, wilde The Real Thing laten zien hoe het er daar werkelijk aan toe ging.

De groep had daarnaast enorm veel te danken aan de mensen om hen heen.

Via een tv-spotje voor producer Jeff Wayne leerden ze zanger David Essex kennen.

Essex was ontzettend eerlijk tegen hen, hielp hen bij het componeren en leerde hen hoe ze persoonlijke liedjes moesten schrijven die echt geworteld waren in hun eigen achtergrond.

Ook het optreden in hun voorprogramma voor duizenden uitzinnige tieners in de Londense Earl’s Court was een onvergetelijke ervaring geweest.

Een andere sleutelfiguur was hun manager Tony Hall, een absolute autoriteit op het gebied van zwarte muziek in Engeland, die hen voortdurend op het juiste spoor hield.

In hun beginjaren traden ze namelijk vooral op in de clubs van Noord-Engeland, waar ze aan het verwachtingspatroon van vier ‘leuke zwarte kerels’ voldeden: ze zongen Amerikaanse nummers, maakten strakke danspasjes en praatten op aandringen van hun vorige manager zelfs met een Amerikaans accent.

In de zomer van 1976 lieten ze die ingestudeerde rol voorgoed achter zich om eindelijk hun eigen verhaal te vertellen.

Na het succes van You To Me Are Everything scoorde de band nog diverse andere hits, waaronder ‘Can’t Get By Without You’ en het doordringende disco-epos ‘Can You Feel The Force?’

Tien jaar later, in 1986, beleefde hun bekendste klassieker een tweede jeugd. Een remix onder de titel The Decade Remix bracht de plaat opnieuw hoog in de hitlijsten, met een top 5-notering in het Verenigd Koninkrijk.

You To Me Are Everything is door de decennia heen uitgegroeid tot een tijdloze pop- en soulklassieker die nog steeds frequent op de radio te horen is en door tal van andere artiesten, zoals Frankie Valli, werd gecoverd.

In de jaren 80 stak het fenomeen van de remixes de kop op in de charts

Heel wat grote hits uit de 60s en 70s keerden dat decennium terug in de hitlijsten, o.a. ‘December 1963 (Oh What A Night)’, ‘Heaven Must Be Missing An Angel’, ‘Downtown’, ‘Black Betty’ en ‘Eve Of The War’.

De allereerste single die in een nieuwe versie opnieuw een hit werd, was ‘You To Me Are Everything’ van de Engelse soulgroep The Real Thing.

In de lente van 1986 werd dit voor de tweede keer een grote Europese hit. In de UK stond het nummer zelfs 2 keer in de top 5.

Het origineel voerde in juli 1976 gedurende 3 weken de Britse top 40 aan. In Nederland stond The Real Thing ermee op n°4 en op n°8 in Ultratop. ‘You To Me Are Everything’ werd nooit een groot succes in de VS.

Dit was te wijten aan het feit dat er verschillende coverversies van werden opgenomen.

Hiervan stonden er drie tegelijkertijd in de Billboard Hot 100, die elkaar stuk voor stuk verhinderden om erboven uit te steken.

Het al in 1970 opgerichte The Real Thing was in de jaren ’70 de meest succesvolle zwarte act.

Ze kwamen in het vizier van EMI door een sterke live-act bestaande uit progressieve versies van Amerikaanse hits. Ondanks positieve kritieken werden de eerste singles geen succes.

De kentering komt er wanneer ze de steun krijgen van idool David Essex en een contract krijgen bij Pye Records.

Na talrijke personeelswissels is de 8ste single ‘You To Me Are Everything’ eindelijk een schot in de roos. ‘Can’t Get By Without You’ en ‘You’ll Never Know What You’re Missing’ (in 2002 nog gesampled door Thomas Bangalter van Daft Punk) zijn daarna nog grote Britse hits, maar daarna sputtert de hitmachine een aantal jaren.

In 1979 slaan ze terug met het space disco-nummer ‘Can You Feel The Force?’.

In 1982 werken ze opnieuw samen met David Essex als diens backingband.

Vier jaar later worden de oude hits dus heropgevist. The Real Thing draait nog steeds mee in het oldiescircuit.

Ze zijn intussen wel herleid tot een duo bestaande uit de oorspronkelijke leden Chris Amoo en Dave Smith.

De andere helft is reeds gestorven.

Chris’ broer Eddie overleed op 23 februari 2018 op 74-jarige leeftijd.

Ray Lake is in 2000 al op 54-jarige leeftijd overleden na een leven van drank- en drugverslavingen.

Ken Gold, de voornaamste songwriter en producer van de band, schreef ook hits bij elkaar voor Billy Ocean, Tight Fit, The Jodelles en Delegation.

Het verhaal van The Real Thing werd in 2019 opgetekend in de docu Everything – The Real Thing Story (met dank aan Denis Michiels)

Het is vandaag precies veertig jaar geleden dat Willem Ruis is overleden.

Hij begon zijn omroepcarrière bij de radio, waar hij twaalf jaar lang het sportprogramma Langs de Lijn presenteerde.

Daarnaast was hij een tijdje verbonden aan het actualiteitenprogramma Dingen van de Dag en maakte hij talloze radio-interviews met bekende Nederlanders.

Tot zijn meest spraakmakende werk behoorden de gesprekken met Godfried Bomans en Jan Wolkers voor de serie Alleen op een eiland.

In de zomer van 1971 fungeerde hij hierin als contactpersoon tijdens hun eenzame verblijf op het eiland Rottumerplaat.

In 1978 bracht hij de single uit ‘Laat Me Effe Drukken’. Het zou bij deze enige single blijven en helaas niet terug te vinden zijn op YouTube.

Vanaf 1981 werkte Ruis op freelancebasis voor de televisie.

Datzelfde jaar maakte hij de veelbesproken overstap van zijn vorige werkgever, waar hij destijds al vijf seizoenen de Willem Ruis Show had gepresenteerd.

Bij zijn nieuwe omroep nam hij tot 1984 de presentatie van de bekende Lotto-shows op zich.

In de winter van dat jaar startte hij met de Sterrenshow, een project dat hij zelf omschreef als het grootste avontuur uit zijn loopbaan.

Dit programma werd live uitgezonden vanuit een Italiaanse circustent op wisselende locaties in het land.

Vanwege geldgebrek moest dit kostbare project uiteindelijk worden stopgezet.

Tussen alle presentatiebedrijven door maakte Ruis in 1982 trouwens ook nog zijn debuut als acteur in de speelfilm Het Beest.

Naast deze grote projecten stond Willem Ruis bekend om zijn ongekende energie, waarmee hij de harten van miljoenen kijkers veroverde.

Zijn bijnaam luidde dan ook de Kiss Master, omdat hij erom bekendstond kandidaten in zijn shows enthousiast te kussen en te omhelzen bij een overwinning.

Naast de grote Lotto-shows boekte hij ook enorme successen met de razend populaire spelshow Vijf tegen Vijf, die hij van 1982 tot vlak voor zijn dood presenteerde.

Ruis was een perfectionist die alles gaf voor zijn werk, wat hem destijds de bestbetaalde presentator van Nederland maakte.

Zijn plotselinge overlijden in 1986 aan een hartaanval tijdens een vakantie in het Spaanse Dénia schokte heel televisiekijkend Nederland en Vlaanderen en bracht een vroegtijdig einde aan de loopbaan van een van de grootste showmasters die het land gekend heeft.

50 jaar geleden, Don Mercedes en zijn hit ‘Rocky’

De Utrechter, die feitelijk Rob van Bommelen heet, begon al in de jaren zestig muziek te maken met zijn band onder de naam Don Mercedes & his Bentz, al bleef het echt grote succes destijds nog uit.

Dat veranderde in 1976. In dat jaar behaalde de Duitser Frank Farian, de grote man achter Boney M., in zijn eigen land een nummer-één-hit met het Amerikaanse nummer ‘Rocky’, dat oorspronkelijk is geschreven door Jay Stevens en voor het eerst op plaat werd gezet door Austin Roberts.

In 1975 brengt de Amerikaanse countryzanger Dickey Lee het nummer Rocky uit. Het wordt een grote hit in de Verenigde Staten en komt op 1 terecht in de hitlijst genaamd Hot Country Singles.

De Nederlandse producers Peter Koelewijn en Will Hoebee zagen potentie in het lied en besloten er een Nederlandstalige versie van te maken.

John Eshuis, promotieman van platenmaatschappij Phonogram (Philips), nam de vertaling voor zijn rekening.

De producers wisten in eerste instantie nog niet met wie ze het nummer moesten opnemen, totdat Will op het idee kwam om Don Mercedes te benaderen.

Peter haalde vervolgens Bonnie St. Claire over om de vrouwelijke leadstem in te zingen.

Zij had op dat moment net een grote hit met Dr. Bernhard gescoord, samen met hem.

Hoewel verschillende websites beweren dat Patricia Paay de leadstem inzong, is dat dus niet juist.

De hele productie werd in een halve dag afgerond.

Diezelfde dag nog bracht Will een bandje naar een paar diskjockeys, die ‘Rocky’ meteen begonnen te draaien.

Het werd een enorm succes: in Vlaanderen eiste de single gedurende drie weken de hoogste positie van de hitparade op, en ook in Nederland bereikte de plaat de eerste plaats in de Top 40.

Het nummer was zo populair dat het in datzelfde jaar ook nog werd gecoverd door Paul Severs en De Strangers.

Twee jaar later, in 1978, coverde Don Mercedes het nummer “Days Of Pearly Spencer” van David McWilliams.

Peter Koelewijn schreef hiervoor de Nederlandse tekst en het nummer kreeg de titel ‘Telefoon’.

Ook op deze single is Bonnie St. Claire weer te horen.

Tegenwoordig staat deze single op Discogs te koop voor zo’n 50 euro.

Destijds was het exemplaar voor een afgeslankte prijs van 50 Belgische frank te koop, wat neerkomt op 1,25 euro, waarmee het achteraf gezien een van de beste investeringen ooit was.

In 1981 probeerde de zanger nog mee te liften op de wereldwijde Dallas-rage met het nummer ‘Wie Schoot Op J.R. Ewing’.

Na zijn muzikale hoogtijdagen opende hij een discotheek aan de Oude Gracht in Utrecht, die hij enkele jaren heeft gerund voordat de zaak uiteindelijk failliet ging.

Daarnaast bleef hij actief als zakenman.

Zo exploiteerde hij een sinaasappelplantage in Florida en investeerde hij in de Franse en Amerikaanse release van het bekende boek Stoppen met roken van Allen Carr.

In het begin van 2011 verscheen er voor het eerst in dertig jaar weer een nieuw album van zijn hand.

Inmiddels is de Nederlandse zanger 85 jaar oud en geniet hij in alle rust van het leven.

De historische hit ‘We Were All Wounded At Wounded Knee’ van de band Redbone kent een beladen voorgeschiedenis die teruggaat tot december 1890.

Destijds ging het zevende cavalerieregiment onder leiding van majoor Samuel Whitside op zoek naar de gevluchte Miniconjou-indianen.

Op 28 december werd de groep, die uitgeput was en slecht gekleed tegen de winterkou, 48 kilometer ten oosten van Pine Ridge gevonden.

Hun leider Spotted Elk leed aan een longontsteking en werd wegens bloedingen in een wagen vervoerd.

Hij liet een witte vlag aan zijn wagen bevestigen, in de hoop dat stamhoofd Rode Wolk in Pine Ridge zijn mensen tegen de soldaten kon beschermen.

De indianen boden dan ook geen verzet en kregen de opdracht om 8 kilometer westelijker een kamp op te slaan bij de Wounded Knee-beek.

De volgende ochtend wilde het leger de indianen ontwapenen.

Medicijnman Yellow Bird voorspelde nog dat hun geestendanshemden hen zouden beschermen tegen de kogels, terwijl hij een paar passen van de Dans van de Geesten danste en een heilig lied zong.

Tegelijkertijd probeerden soldaten het geweer van een indiaan af te nemen.

Ze wisten echter niet dat deze man, Zwarte Prairiewolf, doof was en interpreteerden zijn onbegrip als verzet.

Tijdens de worsteling die volgde ging het geweer per ongeluk af, waardoor een soldaat neerviel.

Dit vormde het startschot voor een hevige schietpartij.

De soldaten vuurden van dichtbij en met ondersteuning van Hotchkiss-geschut op de indianen, die zich met verborgen messen en knuppels probeerden te verdedigen.

De geestendanshemden boden geen magische bescherming en tientallen indianen, waaronder veel vrouwen en kinderen, werden neergeschoten.

Vluchtende indianen werden kilometers ver buiten het kamp achtervolgd en gedood.

Volgens schattingen kwamen bijna driehonderd van de 350 mannen, vrouwen en kinderen om het leven, met een definitief bevestigd aantal van ruim 200 doden.

Aan de kant van het leger sneuvelden 25 militairen en raakten er 39 gewond, veelal door eigen kogels en granaatscherven.

Een dag later, op 30 december 1890, volgde nog een laatste confrontatie tussen overgebleven Lakota-krijgers en hetzelfde regiment, bekend als de Drexel Mission Fight.

Toen het leger de volgende lente terugkeerde, werden de 144 achtergebleven lichamen, waaronder 44 vrouwen en 16 kinderen, in een massagraf begraven.

De betrokken militairen ontvingen later een medaille voor hun optreden.

Meer dan 80 jaar later, op 8 mei 1973, kwam er een einde aan een tien weken durende bezetting van de nederzetting Wounded Knee in Zuid-Dakota door jonge Sioux-indianen.

Zij protesteerden hiermee tegen hun sociale en economische achterstand in de Verenigde Staten en kozen specifiek voor Wounded Knee vanwege de historische betekenis.

Deze bezetting inspireerde de band Redbone tot het opnemen van de single ‘We Were All Wounded at Wounded Knee’, waarin ze het beleid van de Amerikaanse regering scherp bekritiseerden.

Het nummer kwam op 6 juni 1973 binnen in de BRT Top 30 en stond vanaf 30 juni vijf weken lang op de eerste plaats.

Ook in de Nederlandse Top 40 bezette de single vijf weken de koppositie.

In Amerika zelf werd de plaat nooit uitgebracht, omdat de tekst destijds te kritisch werd bevonden voor de Amerikaanse overheid.

In 1990, exact honderd jaar na de gebeurtenis, nam het Amerikaanse Congres een resolutie aan.

Hierin werd namens de Verenigde Staten diepe spijt betuigd aan de nabestaanden en de stammengemeenschappen.

Het woord verontschuldiging werd daarin echter bewust weggelaten.

In 2009 ondertekende president Barack Obama een algemene wet waarin een algemene verontschuldiging aan alle inheemse volkeren was opgenomen voor historisch onrecht en verkeerd beleid.

Deze tekst werd destijds niet hardop uitgesproken of publiekelijk gepresenteerd, maar was weggestopt in een omvangrijke begrotingswet voor defensie.

Bovendien bevatte die tekst een juridische bepaling dat de verklaring niet kon worden gebruikt voor schadeclaims tegen de staat.

Ook de twintig Medal of Honor-onderscheidingen die destijds aan de Amerikaanse soldaten werden uitgereikt voor hun aandeel in de slachting, zijn ondanks herhaaldelijke protesten van indianenorganisaties nooit officieel ingetrokken.

Van het Palais des Nations tot America First: de geschiedenis van de Verenigde Naties en de heropleving van het isolationisme in 2026.

In de zomer van 1940 verliet een belangrijk deel van het secretariaat van de Volkenbond, waaronder de Economische en Financiële Organisatie, het weelderige nieuwe Palais des Nations op de rechteroever van het Meer van Genève.

Omdat Zwitserland na de val van Frankrijk ingesloten was geraakt, emigreerden zij naar de Verenigde Staten om hun werk vanuit Princeton voort te zetten.

Zij vonden zo ironisch genoeg onderdak in een land dat nooit lid was geweest van de Geneefse Liga.

De uittocht was echter niet compleet; de Internationale Arbeidsorganisatie verhuisde naar Canada, terwijl een kleine bezetting onder leiding van secretaris-generaal Seán Lester in het vrijwel lege paleis in Genève achterbleef om de organisatie op papier in leven te houden totdat deze in 1946 definitief werd ontbonden.

Dat de vergaderingen van de pas opgerichte Verenigde Naties vanaf 1946 naar de Verenigde Staten verhuisden, was echter geen direct gevolg van deze eerdere emigratie, maar een bewuste geopolitieke keuze.

De geallieerden hadden geleerd van het falen van de Volkenbond, die vanaf het begin zwaar verzwakt was, omdat de Amerikanen weigerden lid te worden en kozen voor isolationisme.

Om te voorkomen dat de grootmacht zich na de Tweede Wereldoorlog opnieuw van de internationale politiek zou afkeren, werd besloten het nieuwe hoofdkwartier op Amerikaans grondgebied te vestigen.

Zo werden de Verenigde Staten letterlijk en figuurlijk in de nieuwe wereldorganisatie verankerd.

Daarbij kwam dat grote delen van Europa in puin lagen en de middelen en infrastructuur misten om zo’n diplomatieke instelling te huisvesten, terwijl de Verenigde Staten ongeschonden en economisch bloeiend uit de strijd waren gekomen.

Hoewel de allereerste Algemene Vergadering in januari 1946 nog in Londen plaatsvond, streek de organisatie later dat jaar tijdelijk neer in de staat New York.

De definitieve keuze voor een permanent hoofdkwartier in Manhattan kreeg de doorslag toen John D. Rockefeller Jr. op het laatste moment 8,5 miljoen dollar schonk om een braakliggend stuk land aan de East River te kopen.

De definitieve vestiging in New York was daarmee geen erfenis van de gevluchte Volkenbondmedewerkers in Princeton, maar de ultieme weerspiegeling van de naoorlogse verschuiving van de macht in de wereld.

Tijdens deze historische eerste bijeenkomst in Londen in januari 1946 nam de Belgische staatsman Paul-Henri Spaak een prominente plaats in.

Hij werd er verkozen tot de allereerste voorzitter van de Algemene Vergadering.

Bij de stemming haalde hij het nipt van de Noorse kandidaat Trygve Lie.

Voor Lie was dit verlies echter van korte duur: amper een maand later werd hij alsnog benoemd tot de eerste officiële secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

Hij volgde daarmee de Britse diplomaat Gladwyn Jebb op, die de functie in de opstartfase tijdelijk als waarnemer had vervuld.

Het verschil tussen deze twee topfuncties, dat toen in de begindagen werd vastgelegd, bestaat vandaag de dag nog steeds en ligt in de aard van het werk en de ambtstermijn.

De secretaris-generaal is de hoogste ambtenaar en het belangrijkste diplomatieke gezicht van de organisatie.

Deze persoon leidt het VN-secretariaat, stuurt wereldwijd het personeel aan, bemiddelt in internationale conflicten en kan als enige rechtstreeks zaken agenderen bij de Veiligheidsraad.

Het is een zware uitvoerende functie met een mandaat dat zich uitstrekt van Silicon Valley tot ver daarbuiten, met een termijn van vijf jaar die vaak één keer wordt verlengd.

De voorzitter van de Algemene Vergadering is daarentegen de neutrale gespreksleider van het overkoepelende orgaan waarin alle lidstaten samenkomen.

Deze voorzitter leidt de debatten, bepaalt mede de agenda en smeedt compromissen.

Dit mandaat duurt slechts één jaar en rouleert jaarlijks tussen de continenten om iedereen evenredig aan bod te laten komen.

Ook in 2026 worden beide functies ingevuld door ervaren diplomaten en politici.

De Portugees António Guterres bekleedt de rol van secretaris-generaal en bevindt zich in de laatste maanden van zijn tweede termijn, die eind 2026 afloopt.

De Algemene Vergadering staat tot september 2026 nog onder leiding van de Duitse Annalena Baerbock, die de tachtigste sessie voorzit.

Omdat een VN-werkjaar in september begint en eindigt, zal de recent verkozen diplomaat Khalilur Rahman uit Bangladesh daarna de voorzittershamer overnemen om de eenentachtigste sessie in goede banen te leiden.

De historische herinnering aan het vroege Amerikaanse isolationisme, dat de kiem legde voor de zwakte van de Volkenbond, is vandaag de dag actueler dan ooit door de buitenlandpolitiek van president Trump onder de noemer America First.

Er zijn duidelijke parallellen te trekken tussen beide stromingen, aangezien ze voortkomen uit het verlangen om nationale belangen absoluut voorop te stellen en zich te distantiëren van multilaterale verplichtingen.

Dit moderne neo-isolationisme uit zich in een diep wantrouwen tegenover internationale instellingen en uit zich in het bekritiseren of verlaten van internationale verdragen en VN-organisaties.

Ook de kritische, transactionele houding tegenover bondgenootschappen zoals de NAVO en het afschermen van de eigen economie met strenge handelstarieven weerspiegelen deze mentaliteit om de focus resoluut binnen de eigen landsgrenzen te leggen.

Toch plaatsen geopolitieke analisten in 2026 een belangrijke kanttekening bij een directe vergelijking met het traditionele isolationisme uit de jaren twintig en dertig.

Waar de Verenigde Staten zich destijds diplomatiek en militair probeerden terug te trekken uit de wereldpolitiek, is de huidige aanpak onder Trump veel assertiever en dominanter.

Het beleid schuwt eenzijdig en krachtig ingrijpen niet wanneer dit het directe Amerikaanse strategische of economische belang dient, zoals zichtbaar is bij zware economische dwangmaatregelen.

De Verenigde Staten isoleren zich dus niet in volledige afzondering, maar weigeren simpelweg om nog langer op te treden als de onvoorwaardelijke spil en financier van de multilaterale wereldorde zonder dat daar een direct en meetbaar voordeel voor het eigen land tegenover staat.

De geest van het isolationisme waart hiermee weliswaar weer volop rond, maar heeft in deze eeuw een veel conventionelere, transactionele en militante vorm aangenomen.